Indonesische Spiritualiteit, energie uit de kosmos

Mahabharata

Ter info!

Om iets op te zoeken druk je eerst

1- Ctrl + A.  Dan is alles geselecteerd

Om te zoeken druk dan

2- Ctrl + F

Type dan in het vakje je zoekopdracht en het hele boek word doorzocht naar het opgegeven woord.

-De Mahabarata in het Nederlands
-Verschil in de Indiase en Indonesische versie van de Mahabarata door: Indrajit Bandyopadhya. Het bewijs dat de versie in Indonesië dichter ligt bij het origineel uit de Veda's dan de huidige versie de verteld word in India.



De Mahabharata bekend van het urendurende Wayang spel, met links de 5 Pandawabroers en rechts de Korawa's.

De Mahabharata, soms Bharata genoemd, is een zeer omvangrijk religieus en filosofisch epos uit India. Samen met de Ramayana vormt het een belangrijke culturele hoeksteen van het hindoeïsme. De Mahabharata is het op twee na grootste literaire werk van de wereld na het epos van koning Gesar en Manas en bestaat uit 18 delen ,zogeheten parva's, die elk weer onderverdeeld zijn in kleinere delen. De titel, met de klemtoon op bha, is afgeleid van Maha (Sanskriet: groot) en Bharata(Sanskriet: India/wereld/alles, en in de stam bharat "(de wereld) dragen")[1]Mahabharata betekent dus zoiets als "India, de grote" of "Gehele Wereld", of "grote stut". Het werk is onderdeel van de zogenaamde itihasa (letterlijk: dat wat gebeurd is) en bevat in zijn meest uitgebreide versie meer dan 100.000 verzen, waardoor het ongeveer vier keer zo lang is als de Bijbel en zeven keer zo lang als de Ilias en de Odyssee.

De Pandava's zijn hoofdrolspelers in het Indiase epos Mahabharata. Ze zijn de zonen van Pandu.

De eerste drie zonen zijn zonen van Pandu's eerste vrouw Koenti

Yudhishtira
Bhima
Arjoena
en de tweelingen zijn zonen van zijn tweede vrouw Madri

Nakula en
Sahadeva
Vanwege een vloek is Pandu zelf onvruchtbaar; met behulp van een toverspreuk worden de vrouwen bevrucht door verschillende goden.

Yudhishtira's vader is Dharma die tevens Yama, de god van de dood is.
Bhima's vader is Vayu, de god van de wind.
Arjuna is zoon van Indra, heerser van de hemel.
Nakula en Sahadeva zijn goden van de Ashwini sterren.
De vijf broers, de Pandava's, trouwen met één vrouw, Draupadi. Zij is de dochter van koning Drupada. Ajuna wint haar hand bij een wedstrijd pijlschieten. Zijn moeder, Kunti, zegt hem dat hij alles met zijn broers moet delen. Als blijkt dat hij een vrouw heeft meegebracht, kan zij haar woorden niet meer terugnemen. Draupadi wordt zo de vrouw van alle vijf Pandava's.

In de Mahabharata vechten de Pandava's met hun honderd neven, de Kaurava's. Met behulp van Krishna winnen de Pandava's uiteindelijk wel, maar gaat hun lijn ten onder.


De Bhagavat Ghita, een belangrijk boek voor Boeddhisten, is een samenvatting van de Mahabharata.

Bhagavad Gita in Dutch Language
Text courtesy of American Gita Society (AGS), www.gita-society.com." All works of AGS may be used without a written permission for non-commercial purposes only. Text under " " must appear on your website or wherever IGS material is used.
This is a revised version, based on local Gîtâ translations, as read in our abbreviated Gîtâ Edition "Boven de Religie". Our own Dutch IGS Edition based on Dr. Ramananda Prasad’s work is under preparation. by Philippe De Coster, DD, president GITA SOCIETY OF BELGIUM Parklaan, 81 B9000, GENT BELGIUM E-mail contact: fb060913@skynet.be
De Bhagavad Gita in het Nederlands
(Het Boek van Yoga en Bezinning)
vertaald door
Philippe L. De Coster, D.D
Naar het Sanskriet en het boek van
Ramananda Prasad, Ph.D.
The American/International Gîtâ Society
(Afdeling: België)
De Bhagavad-Gîtâ - Inleiding
Deel I
De Bhagavad-Gîtâ is de leer van de universele waarheid. Haar boodschap is dus één, subliem, en geenszins sektarisch alhoewel het als dusdanig een gedeelte is van de Sanaatana Dharma, de drievoudige Heilige Schrift, beter gekend als het Hindoeïsme.
De “Gîtâ” afgekorte benaming van deze Heilige Schrift is door gevorderde lezers in eender taal gemakkelijk te begrijpen. Door het veelvuldig lezen in geloof en vertrouwen is het boek een bron van inspiratie.
De Gîtâ is de meest wetenschappelijke metafysische leer, waarbij de psycholoog Carl Gustav Jung eigenlijk niets nieuws heeft gevonden omtrent het “Zelf” of de “ziel”, de kern van elk mens zelf.
In de Thora spreekt de Allerhoogste door Mozes en de profeten, in het Evangelie door Jezus van Nazareth en de apostelen, en in de Koran door de profeet Mohammed, althans wat de diverse religieuze tradities als geloofswaarheid bekrachtigen. In de “Bhagavad-Gîtâ”, het Lied van de Alvervulde, wordt de Allerhoogste “Krishna” in Eigen Persoon te spreken, en dat maakt de Gîtâ tot de gewichtigste theïstische openbaringstekst die de wereld godsdiensten beschikken. Tevens leert deze Heilige Schrift aan de mens een proces van individuatie. Dit is een psychisch rijpings- en differentiëringsproces van het Zelf: de verwezenlijking van het Zelf, die de mens leidt naar innerlijke evenwichtigheid en naar de ontwikkeling van de individuele psyche als een wezen dat van de collectieve psyche onderscheiden is, en toch met elkaar verenigt, de microkosmos in de macrokosmos.
De individuatie geschiedt eigenlijk door twee bewegingen, namelijk door een levenshouding om de hogere waarden van het leven te bevorderen in het licht van een bepaalde filosofie als deze van de Bhagavad-Gîtâ, die uiteindelijk de praktijk van de meditatie moet vergemakkelijken, namelijk mediteren in een rustige en gecontroleerde lichaam. Door de meditatie zal het “Ik” zich moeten vereenzelvigen met het “Zelf” en het “Zelf” (Ziel) zal, alhoewel deelachtig aan de diepste coëxistentie toch moeten komen tot de grootst eigen en afzonderlijke ontwikkeling.
De Bhagavad-Gîtâ beantwoordt twee universele vragen: wie ben ik, en hoe kan ik een gelukkig en vredig leven leiden in een wereld van grote verscheidenheid! De Gîtâ is een Yogaboek van morele en geestelijke groei.
Hier volgen om uw aandacht te vestigen op de Bhagavad-Gîtâ, de grondbeginselen van een vruchtbare meditatie, genomen uit hoofdstuk 6, de “Verbinding door Meditatie”, de verzen 10-15:
10. Wie naar het bovenzinnelijke streeft, dient altijd te trachten zich op het Allerhoogste Zelf te richten; hij behoort zich af te zonderen op een eenzame plaats en steeds aandachtig zijn geest te beteugelen; hij dient vrij te zijn van alle begeerte en elk bezits-gevoel.
11. Om yoga te beoefenen dient men naar een eenzame plaats te gaan en er kuśa-gras op de grond leggen en dit bedekken met een hertevel en een zachte doek. De zitplaats mag niet te hoog en niet te laag zijn en moet zich op een heilige plek bevinden. De yogï dient dan in zeer rechte houding yoga te beoefenen door geest en zinnen te beteugelen, het hart te reinigen en de geest op één punt te richten. (Verzen 11-12)
13. Men dient romp, hals en hoofd recht opgericht te houden en onafgebroken naar de punt van de neus te staren. Met onbewogen, bedwongen geest, vrij van angst en volkomen vrij van geslachtelijkheid, dient men in zijn hart op Mij te mediteren en Me het einddoel van zijn leven te maken. (Verzen 13-14)
15. Terwijl hij op deze wijze tracht lichaam, geest en aktiviteiten te beteugelen, bereikt degeen die het bovenzinnelijke nastreeft het koninkrijk Gods (Krishna‟s woning) door beëindiging van zijn stoffelijk bestaan.
De Bhagavad-Gîtâ
Deel II
De Gîtâ‟s boodschap benaderde de mensheid in de persoon van Arjuna‟s weigering zijn plichten als een strijder te vervullen, daar voor hem vechten ondergang en dood betekende. Geweldloosheid of Ahimsa is een van de fundamentele leerstellingen van het Hindoeïsme. Al dat leeft, de mens of andere wezens evenals de natuur, zijn heilig. De onsterfelijke dialoog tussen de Alvervulde Krishna, en Zijn toegewijde vriend, Arjuna, gebeurt niet in een tempel of een afgezonderde woud, of op de top van een berg, maar op een oorlogsveld en op de vooravond van een oorlog, hetgeen in het grote heldendicht van de Mahaabhaarata wordt verhaald. De Heer Krishna in de Gîtâ geeft aan Arjuna de goede raad op te staan om te gaan vechten. De opdracht te gaan vechten zou een misverstand onder de lezers kunnen veroorzaken tegenover de princiepen van Ahimsa indien de achtergrond van de Mahaabhaarata niet wordt uitgelegd. Als vriend van de Heer Krishna was Arjuna boven alle onwetendheid verheven, maar op het slagveld van Kuruksetra werd hij in onwetendheid gedompeld teneinde de Heer Krishna te kunnen ondervragen in verband met het probleem van het bestaan, zodat de Heer hem kon antwoorden ten behoeve van de komende geslachten, de mensheid zelf, en om het goddelijke levensplan te openbaren. Van nu af aan, kan de mens overeenkomstig met de goddelijke openbaring leven en volmaaktheid bereiken.
Het Mahaabhaarata houdt een historisch verband van de bewapening van de grote koning Bharata en zijn nageslacht tot aan de drie zoons van koning Vicitravïrya: Dhrtarästra, Pändu en Vidura. Als oudste zoon had Dhrtarästra de troon moeten erven maar daar hij blind was sedert zijn geboorte, viel de macht toe aan zijn jongere broer, Pändu. Pändu had vijf zoons: Yudhisthira, Bhïma, Arjuna, Nakula en Sahadeva: Dhrtarästra had er honderd, waarvan de hoofdpersonage Duryodhana noemde.
Dhrtarästra kon niet aanvaarden dat zijn jongste broer de troon zou erven, en hij onderrichte zijn zoons op in de vaste geloofsovertuiging dat de wereld op een zekere dag door hen zou worden geregeerd in plaats van de Pändava‟s, de zonen van Pändu. Zo groeiden Duryodhana en zijn vele broers op terwijl ze de eerzucht van hun vaders vervulden, in trots en hebzucht. Ongelukkiglijk stierf Pändu voortijdig, terwijl zijn zoons onder de voogdij van Dhrtarästra werden geplaatst. Deze trachtte hen en hun moeder, Prthä, die tevens Kuntï genoemd werd, te doden. Maar de duistere plannen van de blinde Dhrtarästra werden verijdeld hoofdzakelijk door de tussenkomst van Vidura, de oom der Pändava‟s, en de barmhartige bescherming van de Heer Krishna.
De krijgsmacht en de leiders van die tijd, de ksatriya‟s, hielden zich aan een erewoord, volgens welke het hun streng verboden was een uitdaging te verzuimen, of het nu ging om strijd of spelen zoals gokken. Door oplichterij en misbruik van deze regel, slaagde Duryodhana erin de vijf broers het koninkrijk af te nemen en zelfs hun absolute vrijheid, want hij dwong hen twaalf jaren in ballingschap te gaan. Toen de twaalf jaren voorbij waren, begaven de Pändava‟s zich aan het hof van Duryodhana en vroegen hen een stuk land om het te besturen, naar de regels van de ksatriya‟s, namelijk dat een krijgsman geen andere functie kon vervullen dan die van beschermer of vorst. De Pändava‟s hadden genoeg met slechts een dorp, maar Duryodhana gaf hen op een brutale wijze te verstaan, dat ze nimmer zoveel grond zouden krijgen, zelfs niet groot genoeg om er een naald door te steken.
Arjuna en de broers hadden verder geen andere keus dan bijstand te nemen tot wapen activiteit; en, zo begon er een strijd van kolossale omvang. De voorname krijgslieden van die tijd uit de gehele wereld, waren opgetrokken, hetzij om Yudhisthira, de oudste van de Pändava‟s op de troon te zetten, hetzij om het te verhinderen, stelden ze zich bij Kuruksetra op voor de strijd. De slag van Kuruksetra duurde slechts achttien dagen, maar betekende de dood van het legendarisch getal van 640 miljoen mensen. De Vedische beschaving was, inderdaad, heel belangrijk en volmaakt in de krijgskunst.
Aan het begin van de slag om Kuruksetra, kwam de Heer Krishna te voorschijn om ertussen te komen en aldaar tot een akkoord te komen en een vreedzame regeling bereiken. Toch, ondervindt de Heer Krishna dat Duryodhana vastgesteld heeft naar eigen welbehagen de aarde te overwinnen en zich te ontdoen van de Pändava‟s, die zijn eigen troonbestijging in gevaar zouden brengen.
Als oprechte, nedere en zuivere toegewijden van de Heer Krishna, die leefden volgens de hoogste zedelijke normen, zien de Pändava‟s de Heer Krishna als God en de Allerhoogste Persoon, maar de zonen van Dhrtarästra deden het niet. In ieder geval stelt de Heer Krishna voor, deel te nemen aan de strijd, waarbij de beide tegenpartijen mogen kiezen hoe Hij ze kan helpen. Hij zal niet meestrijden in eigen Persoon, maar Zijn troepen bevelen met de ene partij mee te vechten, terwijl Hij Zelf naar de andere kant als raadgever is gegaan. De Pändava‟s stonden onder de bescherming en kregen bijstand van de Heer Krishna, terwijl Duryodhana zijn leger met de troepenmacht van de Heer Krishna ziet versterken.
Het verhaal eindigt dat de Heer Krishna de Wagenmenner werd van Zijn toegewijde en innige vriend Arjuna. En, hier begint de Bhagavad-Gîtâ: de legers staan in slagorde tegenover elkaar en Dhrtarästra vraagt ongerust aan zijn secretaris Sanjaya om rapport over de situatie op het slagveld.
Men dient steeds de glorie en de grootheid van de Schepper indachtig te zijn, hetgeen de psycholoog Carl Gustav Jung de naam “God” als het Collectieve Onbewuste en Archetypen verwoord, waarbij de schepping verder door de mens wordt afgehandeld, en het vervullen van onze plichten zelfs wanneer op een bepaalde ogenblik geweld niet kan worden uitgesloten.
Bepaalde personen voelen zich naar het geestelijk leven geroepen, terwijl anderen er geen tijd voor hebben. De boodschap van de Heer Krishna is om gans de ontwikkeling van ons persoonlijk leven te heiligen, en onze ondernemingen tot meerdere glorie en voldoening van de Schepper. Geen enkele bijzondere inspanning is er voor nodig, daar het enkel gaat om de vervulling van onze plichten als een dienstbewijs aan de Heer, in alles God te zien en de mensheid in Hem. De Bhagavad-Gîtâ is een leidraad die onze spirituele denkvermogen met de Heer verbindt.
Teneinde, zich geestelijk te ontwikkelen, dient persoonlijke discipline en eenvoud van kracht te zijn, een gezonde levenswijze, onbaatzuchtige dienstverlening (waarbij zelfverrijking is uitgesloten), yoga praktijken, meditatie, eredienst, het gebed, rituelen, studie van de Heilige Schriften, en verblijven in het gezelschap van heilige mensen, het aanroepen van de Heilige Namen Gods, en dagelijks zelfonderzoek zijn nodig om het lichaam, de gedachte en het intellect te zuiveren. Iederéén moet proberen de begeerte zowel als de toorn te beheersen om de zes zintuigen te zuiveren (het gehoor, het gevoel, het zicht, de smaak, de reuk en het persoonlijke onbewuste.) We moeten allen in herinnering brengen dat alles wordt volbracht door natuurlijke energieën, en dat hij of zij niet de daders zijn maar de instrumenten. Iederéén dient naar volmaaktheid te streven in alle prestaties, en steeds een gezonde evenwicht aanwakkeren in goede en slechte dagen, in overwinning of nederlaag, in winst of verlies, in pijn zowel als in genot.
Lezing uit de Bhagavad-Gîtâ, hoofdstuk 6, de verzen 16 tot en met 23:
(16) Men kan met geen mogelijkheid yogï worden, O Arjuna, als men te veel eet of the weinig eet, te veel slaapt of the weinig slaapt.
(17) Wie gematigd is in zijn eet-, slaap-, werk- en ontspannings-gewoonten, kan alle stoffelijke pijn verzachten door yoga te beoefenen.
(18) Wanneer de yogï door yoga-beoefening de activiteiten van zijn geest beteugelt en – verstoken van alle stoffelijke begeerte – in het bovenzinnelijke gevestigd raakt, heet hij tot yoga te zijn gekomen.
(19) Zoals een vlam op een plek uit de wind niet flakkert, blijft degeen die het bovenzinnelijke nastreeft, wiens geest beteugeld is, voortdurend evenwichtig in zijn schouwen van het bovenzinnelijke Zelf.
(20-23) De staat der volmaaktheid, waarin de geest door yoga-beoefening volkomen beteugeld is in zijn fijnestoffelijke activiteit, wordt trance of samãdhi genoemd. Deze staat wordt gekenmerkt door het vermogen dat men met de zuivere geest het zelf kan aanschouwen en ervan geniet en zich erin verheugt. In die blije toestand verkeert men in grenzeloos bovenzinnelijk geluk en geniet men door bovenzinnelijke
zinnen. Eenmaal in die staat, kan men niet meer van de waarheid scheiden. Wie dit bereikt heeft, denkt dat er niets heerlijkers te bereiken is. Wie in zo‟n bewustzijnstaat verkeert, raakt zelfs in de ernstige moeilijkheden nimmer uit zijn evenwicht. Dit is waarlijk vrijheid van alle leed, dat voortkomt uit de aanraking met de stof.
Meditatie eist dus zelfbeheersing in alle opzichten en nadien, wanneer het werk van mediteren gepaard gaat met alle vereisten hierboven vernoemd, zal haar doel beantwoord zijn. Fanatisme is zeker niet aan de orde, hetgeen de Gîtâ duidelijk maakt. Met recht kan men de meditatie beschouwen als een deel van dat natuurlijk proces waardoor de mens tot dusver is vooruitgebracht langs het pad van de evolutie. Langs de Bhagavad-Gîtâ loopt de gouden draad van het goddelijk doel; en de wijze waarop het goddelijk doel zich openbaart; en de wijze waarop het bewustzijn van de mens overgaat tot het besef van het leven in de ziel, en de ziel-gewaarwording is meditatie. Door meditatie komt geestelijke kennis in het denkvermogen tot het rijpen, kennis en wijsheid.
De Bhagavad-Gîtâ
Deel III
Het doel van de Bhagavad Gîtâ is om de mensheid te verlossen van de metafysische onwetendheid waarin haar bestaan verkeert. Een heilige Schrift die de stem is van het transcendente kan niet echt worden vertaald. De taal en vertalingen zijn onbekwaam om in alle duidelijkheid de kennis van het Absolute echt mede te delen. In deze richting, een poging is steeds gedaan om zo dicht mogelijk bij de grondtekst van het Sanskriet te blijven terwijl men de lezing gemakkelijk en begrijpelijk willen houden. Het is vooral het werk geweest van Dr. Ramanand Prasad toen hij de Gîtâ uit het Sanskriet vertaalde. In de Nederlandse taal gebruiken we de vertaling van Sri Srimand A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupada versie, “De Bhagavad-Gîtâ Zoals Ze Is”. De aangehaalde vertalingen op bladzijde twee zijn trouwens allemaal aan te raden. Zover hebben we de drie Nederlandse vertalingen gevonden, want er zijn waarschijnlijk meer. Andere vertalingen graag door jullie medegedeeld.
Volgens de heilige Schriften, geen enkel zonde hoe afschuwelijk ook, kan de mens ooit aantasten die de Gîtâ leest, overweegt, en de leer in praktijk brengt, niet meer zoals het lotusblad tegen het water is bestand. De Heer zelf verblijft waar de Gîtâ wordt bewaard, gelezen, gezongen en onderwezen. De Gîtâ is de Verheven kennis en de precieze uitdrukking van het Absolute en de
Eeuwigheid. Hij of zij die de leer van de Gîtâ leest, overweegt, en praktiseert in geloof, vertrouwen en devotie gaat de Moksha, bedoeld de Nirvana door Gods genade zeker bereiken.
Meester Eckhart, Duitse mystieker van de 13e eeuw, volgt op:
“Kennis heft de ziel op tot het niveau van God; liefde verenigt de ziel met God; door er gebruik van te maken wordt de ziel tot God vervolmaakt. Deze drie voeren de ziel rechtstreeks uit het tijdelijke in het eeuwige.”
Meester Eckhart: Franz Pleiffer)
Bij de ware verlichte yogi treffen we de combinatie van de mystieker en de kenner tegelijk. Door meditatie wordt de yogi de “kennis van vereniging”. Het verlichten van het denkvermogen en het doorgeven van diens kennis en wijsheid door de ziel, zoals het wordt ontluikt in de Bhagavad Gîtâ is het voorrecht van de ziel, waarvan het resultaat de vereniging is van hoofd en hart, van liefde en verstand zoals in de komende meditatie schema wordt aangehaald.
Voorheen nog dit, Carl Gustav Jung die het licht in het hoofd herkent, waarbij verdere bewijzen niet behoeven:
“... de licht-visie is een ervaring die vele mystieken gemeen hebben en is ongetwijfeld van de grootste betekenis, omdat het in alle tijden en op alle plaatsen verschijnt als dat onvoorwaardelijke, dat in zichzelf het grootste vermogen en de diepste betekenis verenigt. Hildegarde von Bingen, die naar haar mystiek een betekenisvolle persoonlijkheid was, drukt zich betreffende haar centrale visie op gelijkluidende wijze uit. “Sedert mijn kindsheid,” zegt zij, “zie ik altijd een licht in mijn ziel, maar niet met uitwendige ogen, evenmin door de gedachten van mijn hart; noch nemen de vijf uitwendige zintuigen deel aan deze visie... Het licht dat ik waarneem, is niet iets plaatselijks, maar veel helderder dan de wolk die de zon verbergt. Ik kan er geen hoogte, breedte of lengte bij ontwaren... Ik kan in dat licht geen enkele vorm herkennen, ofschoon ik er soms een ander licht in zie, dat mij bekend is als het levende licht... Terwijl ik het schouwspel van dit licht geniet, verdwijnen alle verdriet en zorgen uit mijn herinnering...”
“Ik ken enkele mensen die uit persoonlijke ervaring met dit verschijnsel vertrouwd zijn. Voor zover het mij ooit mogelijk is geweest het te begrijpen, schijnt het te maken te hebben met een verscherpte toestand van bewustzijn, die even intensief als abstract is, een „onhecht‟ bewustzijn... dat, zoals Hildegarde nadrukkelijk opmerkt, gebieden van psychische gebeurtenissen tot het bewustzijn doet doordringen welke gewoonlijk in duisternis gehuld zijn. Het feit dat in verband hiermede de algemene lichamelijke gevoelens verdwijnen, toont aan dat hun bepaalde energie eraan is onttrokken en klaarblijkelijk ertoe medewerkt, de helderheid van bewustzijn te verhogen. Als regel treedt het verschijnsel spontaan op, komt en gaat naar eigen initiatief. Het gevolg ervan is in zoverre verwonderlijk, omdat het altijd de oplossing van psychische complicaties met zich brengt en daardoor de innerlijke persoonlijkheid van emotionele en ingebeelde verwarringen bevrijdt en zo een eenheid van bestaan schept, die algemeen als „verlossing‟ wordt ervaren.”
(The Secret of the Golden Flower, door Richard Wilhelm en Jung)
Deze woorden kan iedere ervaren yogi in meditatie ondubbelzinnig onderschrijven. Het verschijnsel komt zeer veel voor en draagt er zeker toe bij, te bewijzen, dat er een nauwkeurige overeenkomst bestaat met de mentale verlichting. Met dit licht in het hoofd, dat de verlichtingstoestand schijnt te vergezellen, hebben we vermoedelijk ook de oorsprong van de stralenkrans die om het hoofd der verlichten van de wereld wordt afgebeeld.
De denkbeelden van Meester Eckart en C.G. Jung vinden we duidelijk in de Bhagavad Gîtâ die ver voor onze tijdrekening werd geschreven.
“Wankel is het denkvermogen, O Krishna, onstuimig en krachtig; zijn beteugeling houd ik voor even moeilijk te volbrengen als die van de wind.
Ongetwijfeld... is het denkvermogen moeilijk te breidelen; doch door onverdroten oefening... wordt het bedwongen.
Wanneer Uw ziel de verwarring van de waan te boven zal komen, zult ge geen acht meer slaan op wat U geleerd wordt of werd.
Eenmaal los van de traditionele leer, zal Uw ziel standvastig zijn, vast in de aanschouwing der ziel, dan zult ge eenheid met de ziel bereiken.”
(Bhagavad-Gîtâ)
Het meditatie-proces bestaat uit vijf delen, waarbij de ene stap naar de andere leidt, en deze zijn:
(1) Concentratie: Dit is de handeling van het concentreren van het denkvermogen op een punt, waarbij men leert hoe het te richten en te gebruiken.
(2) Meditatie: Het concentreren van de aandacht in een bepaalde richting waarbij het denkvermogen standvastig gericht blijft op een gewenst denkbeeld.
(3) Contemplatie: Een voltooiing van de ziel, los van het denkvermogen, waarbij de yogi in een toestand van rust wordt gehouden.
(4) Verlichting: Het resultaat van de drie voorgaande processen, en dat houdt in dat de ontvangen kennis naar het hersens bewustzijn wordt overgebracht.
(5) Inspiratie: Het gevolg van de verlichting, die leven van “actie en dienst” tot gevolg heeft.
De Bhagavad-Gîtâ zegt (8:12-13):
“Yoga betekent dat men zich onthoudt van alle zinsbedrijvigheid. Door alle poorten van de zinnen te sluiten, de geest te richten op het hart en de levenskracht op het hoogste punt van het hoofd, verankert men zich in yoga.
Wanneer men zich aldus in yoga bevindt en de heilige lettergreep OM, de allerhoogste lettercombinatie, laat klinken, en aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods denkend zijn lichaam verlaat, zal men zeker de geestelijke gewesten bereiken.”
De heilige Schrift heeft haar plaats, maar het is door directe realisatie dat het innerlijke kan bereikt worden en het uiterlijke zolang afgelegd. Meditatie is de weg naar innerlijke realisatie en
moet aangeleerd worden, persoonlijk, en van een bekwame leraar. De realisatie van de ware natuur van het onbewuste leidt tot meditatie.
Hieronder, wordt een eenvoudige techniek van meditatie beschreven.
(1) Was uw gezicht, ogen, handen en voeten; en zit in een keurig, rustige en donkere plaats in een comfortabel postuur, met hoofd, hals, ruggerecht recht en vertikaal. Geen muziek of wierook is tijdens de meditatie aanbevolen. De tijd en plaats van de meditatie moet eerst worden vastgesteld. Goed de levensprinciepen, gedachten, woorden en daden naleven. Bepaalde yogi oefeningen zijn nodig. Middernacht, s‟morgens en s‟avonds zijn de beste momenten om te mediteren, 15 tot 25 minuten iedere dag.
(2) Herinnert u een naam of vorm van een persoonlijke god waarin uw geloof gevestigd is en vraag Zijn of Haar zegen.
(3) Doe uw ogen dicht; neem 5 tot 10 minuten voor trage maar diepe ademhalingen.
(4) Vestig uw blik, uw geest (gemoed), en gevoelens binnen in het centrum van uw borst, de plaats van het oorzakelijk hart en adem heel traag. Mentaal, zing “Raa” en adem in, en “Maa” en adem uit. Visualiseert mentaal en volgt de loop van de ademhaling langs de neusgaten, naar het voorhoofd, en naar beneden tot in de borst of de longen. Voel de adem en de gewaarwordingen in het lichaam, en blijf waakzaam. Tracht uw ademhaling niet te controleren of te leiden, adem gewoon op een natuurlijke wijze.
(5) Bevestigt uw wil in de gedachte dat het verdwijnt in de grenzeloosheid van de lucht, terwijl u ademt. Indien uw gemoed van de ademhaling ontwijkt, start opnieuw met stap 4. Wees regelmatig en volhard zonder uitstellen.
Het geluid van OM of AUM is een combinatie van drie hoofdgeluiden: A, U, en M. Het is de bron van alle uitgesproken geluiden. Daarom, is dit het beste geluid als symbool van de Geest. Het is de oorspronkelijke impulsief dat de vijf zenuw centra doet bewegen die de functie van het lichaam controleert. Yogananda noemt OM het vibratiegeluid van de kosmisch motor. De Bijbel zegt: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.” (Johannes 1:1) (OM, Amen, Allah)
Deze kosmische geluidsvibratie wordt door de yogi‟s beluisterd als een geluid, of een mengeling van geluiden, of van verschillende frequenties.
De “OM” meditatie (in het Engels “Omnic Meditation”), door de Heer Krishna bekend gemaakt, is een zeer krachtige en sacrale techniek door heiligen en wijzen van alle godsdiensten in gebruik gebracht. Het combineert Patanjali‟s laatste zes stappen in drie gemakkelijke stappen, die u pas zult praktiseren na voorgaande meditatie een paar maanden te hebben beoefend. Samengevat, de “OM” methode oefent het “gemoed” (de geest) om doorlopend, het “AUM” geluid te verspreiden.
Voor hen die het conventionele pad van de meditatie niet kunnen volgen, heeft de Heer Krishna een eenvoudige methode van contemplatie medegedeeld:
“Voor iemand die onophoudelijk aan Mij denkt, ben Ik gemakkelijk te bereiken, O zoon van Prtha, vanwege zijn voortdurende activiteit in toegewijde dienst.” (8:14)
Hier eindigt het derde en laatste deel van onze inleiding. We zijn nu van plan stapsgewijze de 700 verzen van de Bhagavad-Gîtâ door te geven, met daarbij de vertaalde commentaar op de Gîtâ van Dr. Ramanand Prasad, Ph.D. Nodig belangstellenden en vrienden uit zich bij onze “E-mail Gîtâ Groep” aan te sluiten. Nieuwe e-mail leden zullen met een “bijvoegsel” voorbije studies kunnen inhalen.
Informatie:
Wij kunnen u drie vertalingen van de Bhagavad-Gîtâ in de Nederlandse taal en één in het Engels aanbevelen, namelijk:
(1) Bhagavad-Gîtâ, integraal vertaald naar het oorspronkelijke Sanskriet, door Hendrik van Teylingen. Uitgeverij, Altamire-Becht, Haarlem.
(2) De Bhagavad-Gîtâ zoals ze is, uitgegeven door “The Bhaktivedanta Book Trust. Uitgave met het Sanskriet tekst en commentaar.
(3) Bhagavad-Gîtâ, vertaald door Guus Nooteboom, bewerkt door zijn zoon Kuuk Nooteboom. Uitgeverij Ankl-Hermes bv – Deventer. Uitgave met het Sanskriet.
(4) Bhagavad Gita (Vrijheid volgens de), vertaald door Mansukh Patel, Uitgeverij Life Foundation Publications, Bilston, UK.
(5) Bhagavad Gita, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Erik Mossel. Uitgeverij Panta Rhei/Katwijk.
(6) Bhagavad Gita – Het heilig boek van de hindoes, door Gerda Staes met Winand M. Callewaert. (Davidsfonds/Leuven)
(7) Ten zeerste aangeraden de Engelse vertaling van de Bhagavad-Gîtâ door Dr. Ramananda Prasad, Ph.D. Het boek kan van een “website” opgeladen worden, namelijk deze van de “American and International Gîtâ Society”, en deze is: http://www.gita-society.com/bhagavad-gita.htm

De Bhagavad Gita in het Nederlands
(Het Boek van Yoga en Bezinning)
vertaald door
Philippe L. De Coster, B.Th., D.D
Naar het Sanskriet en het boek van
Ramananda Prasad, Ph.D.
Uitgave Gita Satsang Gent
© 2001 - 2012 Philippe L. De Coster, B.Th.,D.D.
The American/International Gîtâ Society
(Gita Society of Belgium)
2
De Bhagavad-Gîtâ - Inleiding
Deel I
De Bhagavad-Gîtâ is de leer van de universele waarheid. Haar boodschap is dus één, subliem, en helemaal niet sektarisch hoewel het als dusdanig een gedeelte is van de Sanaatana Dharma, de drievoudige Heilige Schrift, beter gekend als het Hindoeïsme.
De “Gîtâ” afgekorte benaming van deze Heilige Schrift is door gevorderde lezers in eender taal gemakkelijk te begrijpen. Door het veelvuldig lezen in geloof en vertrouwen is het boek een bron van inspiratie.
De Gîtâ is de meest wetenschappelijke metafysische leer, waarbij de psycholoog Carl Gustav Jung eigenlijk niets nieuws heeft gevonden betreffende het “Zelf” of de “ziel” of het Hoger Zelf, de kern in elk mens.
In de Thora spreekt de Allerhoogste door Mozes en de profeten, in het Evangelie door Jezus van Nazareth en de apostelen, en in de Koran door de profeet Mohammed, althans wat de diverse religieuze tradities als geloofswaarheid bekrachtigen. In de “Bhagavad-Gîtâ”, het Lied van de Verhevene, wordt de Allerhoogste “Krishna” in Eigen Persoon te spreken, en dat maakt de Gîtâ tot de gewichtigste theïstische openbaringstekst die de wereld godsdiensten beschikken. Tevens leert deze Heilige Schrift aan de mens een proces van individuatie. Dit is een psychisch rijpings- en differentiëringsproces van het Zelf: de verwezenlijking van het Zelf, die de mens leidt naar innerlijke evenwichtigheid en naar de ontwikkeling van de individuele psyche als een wezen dat van de collectieve psyche onderscheiden is, en toch met elkaar verenigt, de microkosmos in de macrokosmos.
De individuatie geschiedt eigenlijk door twee bewegingen, namelijk door een levenshouding om de hogere waarden van het leven te bevorderen in het licht van een bepaalde filosofie als deze van de Bhagavad-Gîtâ, die uiteindelijk de praktijk van de meditatie moet vergemakkelijken, namelijk mediteren in een rustig en gecontroleerd lichaam. Door de meditatie zal het “Ik” zich moeten vereenzelvigen met het “Zelf” en het “Zelf” (Ziel) zal, hoewel deelachtig aan de diepste coëxistentie toch moeten komen tot de grootst eigen en afzonderlijke ontwikkeling.
3
De Bhagavad-Gîtâ beantwoordt twee universele vragen: wie ben ik, en hoe kan ik een gelukkig en vredig leven leiden in een wereld van grote verscheidenheid! De Gîtâ is een Yogaboek van morele en geestelijke groei.
Hier volgen om uw aandacht te vestigen op de Bhagavad-Gîtâ, de grondbeginselen van een vruchtbare meditatie, genomen uit hoofdstuk 6, de “Verbinding door Meditatie”, de verzen 10-15:
10. Wie naar het bovenzinnelijke streeft, dient altijd te trachten zich op het Allerhoogste Zelf te richten; hij behoort zich af te zonderen op een eenzame plaats en steeds aandachtig zijn geest te beteugelen; hij dient vrij te zijn van alle begeerte en elk bezits-gevoel.
11. Om yoga te beoefenen dient men naar een eenzame plaats te gaan en er kusa-gras op de grond leggen en dit bedekken met een hertevel en een zachte doek. De zitplaats mag niet te hoog en niet te laag zijn en moet zich op een heilige plek bevinden. De yogi dient dan in zeer rechte houding yoga te beoefenen door geest en zinnen te beteugelen, het hart te reinigen en de geest op één punt te richten. (Verzen 11-12)
13. Men dient romp, hals en hoofd recht opgericht te houden en onafgebroken naar de punt van de neus te staren. Met onbewogen, bedwongen geest, vrij van angst en volkomen vrij van geslachtelijkheid, dient men in zijn hart op Mij te mediteren en Me het einddoel van zijn leven te maken. (Verzen 13-14)
15. Terwijl hij op deze wijze tracht lichaam, geest en aktiviteiten te beteugelen, bereikt de persoon die het bovenzinnelijke nastreeft het koninkrijk Gods (Krishna’s woning) door beëindiging van zijn stoffelijk bestaan.
Deel II
De Gîtâ’s boodschap benaderde de mensheid in de persoon van Arjuna’s weigering zijn plichten als een strijder te vervullen, daar voor hem vechten ondergang en dood betekende. Geweldloosheid of Ahimsa is een van de fundamentele leerstellingen van het Hindoeïsme. Al dat leeft, de mens of andere wezens evenals de natuur, zijn heilig. De onsterfelijke dialoog tussen de Verhevene Heer Krishna, en Zijn toegewijde vriend, Arjuna, gebeurt niet in een tempel of een afgezonderd woud, of op de top van een berg, maar op een oorlogsveld en op de vooravond van een oorlog, die in het grote heldendicht van de Mahaabhaarata wordt
4
verhaald. De Heer Krishna in de Gîtâ geeft aan Arjuna de goede raad op te staan om te gaan vechten. De opdracht te gaan vechten zou een misverstand onder de lezers kunnen veroorzaken tegenover de princiepen van Ahimsa indien de achtergrond van de Mahaabhaarata niet wordt uitgelegd. Als vriend van de Verhevene Heer Krishna was Arjuna boven alle onwetendheid verheven, maar op het slagveld van Kuruksetra werd hij in onwetendheid gedompeld teneinde de Verhevene Heer Krishna te kunnen ondervragen in verband met het probleem van het bestaan, zodat de Heer hem kon antwoorden ten behoeve van de komende geslachten, de mensheid zelf, en om het goddelijke levensplan te openbaren. Van nu af aan, kan de mens in overeenstemming met de goddelijke openbaring leven en volmaaktheid bereiken.
Het Mahaabhaarata houdt een historisch verband van de bewapening van de grote koning Bharata en zijn nageslacht tot aan de drie zoons van koning Vicitravïrya: Dhrtarästra, Pändu en Vidura. Als oudste zoon had Dhrtarästra de troon moeten erven maar daar hij blind was sinds zijn geboorte, viel de macht toe aan zijn jongere broer, Pändu. Pändu had vijf zoons: Yudhisthira, Bhïma, Arjuna, Nakula en Sahadeva: Dhrtarästra had er honderd, waarvan het hoofdpersonage Duryodhana noemde.
Dhrtarästra kon niet aanvaarden dat zijn jongste broer de troon zou erven, en hij onderrichte zijn zoons op in de vaste geloofsovertuiging dat de wereld op een zekere dag door hen zou worden geregeerd in plaats van de Pändava’s, de zonen van Pändu. Zo groeiden Duryodhana en zijn vele broers op terwijl ze de eerzucht van hun vaders vervulden, in trots en hebzucht. Ongelukkiglijk stierf Pändu voortijdig, terwijl zijn zoons onder de voogdij van Dhrtarästra werden geplaatst. Deze trachtte hen en hun moeder, Prthä, die tevens Kuntï genoemd werd, te doden. Maar de duistere plannen van de blinde Dhrtarästra werden verijdeld hoofdzakelijk door de tussenkomst van Vidura, de oom der Pändava’s, en de barmhartige bescherming van de Verhevene Heer Krishna.
De krijgsmacht en de leiders van die tijd, de ksatriya’s, hielden zich aan een erewoord, volgens welke het hun streng verboden was een uitdaging te verzuimen, of het nu ging om strijd of spelen zoals gokken. Door oplichterij en misbruik van deze regel, slaagde Duryodhana erin de vijf broers het koninkrijk af te nemen en zelfs hun absolute vrijheid, want hij dwong hen twaalf jaren in ballingschap te gaan. Toen de twaalf jaren voorbij waren, begaven de Pändava’s zich aan het hof van Duryodhana en vroegen hen een stuk land om het te besturen, naar de regels van de ksatriya’s, namelijk dat een krijgsman geen andere functie kon vervullen dan die van beschermer of vorst. De Pändava’s hadden genoeg met
5
slechts een dorp, maar Duryodhana gaf hen op een brutale wijze te verstaan, dat ze nimmer zoveel grond zouden krijgen, zelfs niet groot genoeg om er een naald door te steken.
Arjuna en de broers hadden verder geen andere keus dan bijstand te nemen tot wapen activiteit; en, zo begon er een strijd van kolossale omvang. De voorname krijgslieden van die tijd uit de gehele wereld, waren opgetrokken, hetzij om Yudhisthira, de oudste van de Pändava’s op de troon te zetten, hetzij om het te verhinderen, stelden ze zich bij Kuruksetra op voor de strijd. De slag van Kuruksetra duurde slechts achttien dagen, maar betekende de dood van het legendarische getal van 640 miljoen mensen. De Vedische beschaving was, inderdaad, heel belangrijk en volmaakt in de krijgskunst.
Aan het begin van de slag om Kuruksetra, kwam de Heer Krishna te voorschijn om ertussen te komen en daar tot een akkoord te komen en een vreedzame regeling bereiken. Toch, ondervindt de Heer Krishna dat Duryodhana vastgesteld heeft naar eigen welbehagen de aarde te overwinnen en zich te ontdoen van de Pändava’s, die zijn eigen troonbestijging in gevaar zouden brengen.
Als oprechte, nedere en zuivere toegewijden van de Heer Krishna, die leefden volgens de hoogste zedelijke normen, zien de Pändava’s de Heer Krishna als God en de Allerhoogste Persoon, maar de zonen van Dhrtarästra deden het niet. In ieder geval stelt de Heer Krishna voor, deel te nemen aan de strijd, waarbij de beide tegenpartijen mogen kiezen hoe Hij ze kan helpen. Hij zal niet meestrijden in eigen Persoon, maar Zijn troepen bevelen met de ene partij mee te vechten, terwijl Hij Zelf naar de andere kant als raadgever is gegaan. De Pändava’s stonden onder de bescherming en kregen bijstand van de Heer Krishna, terwijl Duryodhana zijn leger met de troepenmacht van de Heer Krishna ziet versterken.
Het verhaal eindigt dat de Heer Krishna de Wagenmenner werd van Zijn toegewijde en innige vriend Arjuna. En, hier begint de Bhagavad-Gîtâ: de legers staan in slagorde tegenover elkaar en Dhrtarästra vraagt ongerust aan zijn secretaris Sanjaya om rapport over de situatie op het slagveld.
Men dient steeds de glorie en de grootheid van de Schepper indachtig te zijn, wat de psycholoog Carl Gustav Jung de naam “God” als het Collectieve Onbewuste en Archetypen verwoord, waarbij de schepping verder door de mens wordt afgehandeld, en het vervullen van onze plichten zelfs wanneer op een bepaald ogenblik geweld niet kan worden uitgesloten.
6
Bepaalde personen voelen zich naar het geestelijke leven geroepen, terwijl anderen er geen tijd voor hebben. De boodschap van de Verhevene Heer Krishna is om gans de ontwikkeling van ons persoonlijk leven te heiligen, en onze ondernemingen tot meerdere glorie en voldoening van de Schepper. Geen enkele bijzondere inspanning is er voor nodig, daar het enkel gaat om de vervulling van onze plichten als een dienstbewijs aan de Heer, in alles de Almachtige te zien en de mensheid in Hem. De Bhagavad-Gîtâ is een leidraad die onze spirituele denkvermogen met de Heer verbindt.
Teneinde, zich geestelijk te ontwikkelen, dient persoonlijke discipline en eenvoud van kracht te zijn, een gezonde levenswijze, onbaatzuchtige dienstverlening (waarbij zelfverrijking is uitgesloten), yoga praktijken, meditatie, eredienst, het gebed, rituelen, studie van de Heilige Schriften, en verblijven in het gezelschap van heilige mensen, het aanroepen van de Heilige Namen Gods, en dagelijks zelfonderzoek zijn nodig om het lichaam, de gedachte en het intellect te zuiveren. Iederéén moet proberen de begeerte zowel als de woede boosheid te beheersen om de zes zintuigen te zuiveren (het gehoor, het gevoel, het zicht, de smaak, de reuk en het persoonlijke onbewuste.) We moeten allen in herinnering brengen dat alles wordt volbracht door natuurlijke energieën, en dat hij of zij niet de daders zijn maar de instrumenten. Iederéén dient naar volmaaktheid te streven in alle prestaties, en steeds een gezond evenwicht aanwakkeren in goede en slechte dagen, in overwinning of nederlaag, in winst of verlies, in pijn zowel als in genot.
Lezing uit de Bhagavad-Gîtâ, hoofdstuk 6, de verzen 16 tot en met 23:
(16) Alvast is deze yoga niet geschikt voor hem die te veel eet, ook niet die overdreven vast; die teveel of te weinig slaapt, o Arjuna.
(17) De yoga der meditatie verdrijft alle pijn voor hem, die matig is in eten en ontspanning, matig in zijn gedragingen, matig in slapen en waken.
(18) Als hij zo, met een beheerst gemoed, in de Eeuwige Wezen (Brahma) verblijft, vrij van verlangen naar alle begerenswaardige dingen, dan wordt er gezegd dat hij Brahma in Samâdhi (Trance) heeft bereikt.
7
(19) Zoals een lamp die, tegen de wind beschut, niet flikkert, hiermee vergelijkt men het beheerste gemoed van de yogi in meditatie op de Eeuwige Wezen (Brahma).
(20-23) Wanneer iemand de oneindige gelukzaligheid kent, die in het intellect wordt waargenomen en die buiten het bereik van de zinnen ligt; zijnde aldus, in de Eeuwige Wezen (Brahma) gerealiseerd, is hij van de absolute realiteit nooit gescheiden.
Wanneer hij, na Zelfrealisatie bereikt te hebben, inziet dat er niets hogers of beters kan zijn, als daarin gevestigd, kan het grootste leed hem niet doen wankelen.
Dan zal hij weten dat dit verheven zijn boven de vereenzelviging met pijn, yoga wordt genoemd. Deze yoga moet met een vastberaden en standvastig gemoed beoefend worden.
Meditatie eist dus zelfbeheersing in alle opzichten en nadien, wanneer het werk van mediteren gepaard gaat met alle vereisten hierboven vernoemd, zal haar doel beantwoord zijn. Fanatisme is zeker niet aan de orde, wat de Gîtâ duidelijk maakt. Met recht kan men de meditatie beschouwen als een deel van dat natuurlijk proces waardoor de mens tot dusver is vooruitgebracht langs het pad van de evolutie. Langs de Bhagavad-Gîtâ loopt de gouden draad van het goddelijk doel; en de wijze waarop het goddelijk doel zich openbaart; en de wijze waarop het bewustzijn van de mens overgaat tot het besef van het leven in de ziel, en de ziel-gewaarwording is meditatie. Door meditatie komt geestelijke kennis in het denkvermogen tot het rijpen, kennis en wijsheid.
Deel III
Het doel van de Bhagavad Gîtâ is om de mensheid te verlossen van de metafysische onwetendheid waarin haar bestaan verkeert. Een heilige Schrift die de stem is van het transcendente kan niet echt worden vertaald. De taal en vertalingen zijn onbekwaam om in alle duidelijkheid de kennis van het Absolute echt mede te delen. In deze richting, een poging is steeds gedaan om zo dicht mogelijk bij de grondtekst van het Sanskriet te blijven terwijl men de lezing gemakkelijk en begrijpelijk willen houden. Het is vooral het werk geweest van Dr. Ramanand Prasad toen hij de Gîtâ uit het Sanskriet vertaalde. In de Nederlandse taal gebruiken we doorgaans de vertaling van Sri Srimand A.C.
8
Bhaktivedanta Swami Prabhupada versie, “De Bhagavad-Gîtâ Zoals Ze Is”. Toch, een aanrader, de Nederlandse vertaling van Dr. Mansukh Patel (en Chris Barrington, Savitri MacCuish en John Jones), Stichting Life Foundation International. De aangehaalde vertalingen die deze inleiding sluiten zijn trouwens allemaal aan te raden. Zover hebben we de aangehaalde Nederlandse vertalingen gevonden, want er zijn waarschijnlijk meer. Andere vertalingen graag door jullie verteld.
Volgens de heilige Schriften, geen enkele zonde hoe afschuwelijk ook, kan de mens ooit aantasten die de Gîtâ leest, overweegt, en de leer in praktijk brengt, niet meer zoals het lotusblad tegen het water is bestand. De Heer zelf verblijft waar de Gîtâ wordt bewaard, gelezen, gezongen en onderwezen. De Gîtâ is de Verheven kennis en de precieze uitdrukking van het Absolute en de Eeuwigheid. Hij of zij die de leer van de Gîtâ leest, overweegt, en praktiseert in geloof, vertrouwen en devotie gaat de Moksha, bedoeld de Nirvana1 door Gods genade zeker bereiken.
Meester Eckhart, Duitse mystieker van de 13e eeuw, volgt op:
“Kennis heft de ziel op tot het niveau van God; liefde verenigt de ziel met God; door er gebruik van te maken wordt de ziel tot God vervolmaakt. Deze drie voeren de ziel rechtstreeks uit het tijdelijke in het eeuwige.”
Meester Eckhart: Franz Pleiffer)
Bij de ware verlichte yogi treffen we de combinatie van de mystieker en de kenner tegelijk. Door meditatie wordt de yogi de “kennis van vereniging”. Het verlichten van het denkvermogen en het doorgeven van diens kennis en wijsheid door de ziel, zoals het wordt ontluikt in de Bhagavad Gîtâ is het voorrecht van de ziel, waarvan het resultaat de vereniging is van hoofd en hart, van liefde en verstand zoals in de komende meditatie schema wordt aangehaald.
Voorheen nog dit, Carl Gustav Jung die het licht in het hoofd herkent, waarbij verdere bewijzen niet nodig zijn:
“... de licht-visie is een ervaring die vele mystieken gemeen hebben en is ongetwijfeld van de grootste betekenis, omdat het in alle tijden en op alle plaatsen verschijnt als dat onvoorwaardelijke, dat in zichzelf het grootste vermogen en de diepste betekenis verenigt.
1 Zijntoestand waarin het stoffelijk bestaan wijkt en welke voorafgaat aan alle geestelijke, toegewijde activiteit.
9
Hildegarde von Bingen, die naar haar mystiek een betekenisvolle persoonlijkheid was, drukt zich betreffende haar centrale visie op gelijkluidende wijze uit. “Sinds mijn kindsheid,” zegt zij, “zie ik altijd een licht in mijn ziel, maar niet met uitwendige ogen, evenmin door de gedachten van mijn hart; noch nemen de vijf uitwendige zintuigen deel aan deze visie... Het licht dat ik waarneem, is niet iets plaatselijks, maar veel helderder dan de wolk die de zon verbergt. Ik kan er geen hoogte, breedte of lengte bij ontwaren... Ik kan in dat licht geen enkele vorm herkennen, ofschoon ik er soms een ander licht in zie, dat mij bekend is als het levende licht... Terwijl ik het schouwspel van dit licht geniet, verdwijnen alle verdriet en zorgen uit mijn herinnering...”
“Ik ken enkele mensen die uit persoonlijke ervaring met dit verschijnsel vertrouwd zijn. Voor zover het mij ooit mogelijk is geweest het te begrijpen, schijnt het te maken te hebben met een verscherpte toestand van bewustzijn, die even intensief als abstract is, een ‘onhecht’ bewustzijn... dat, zoals Hildegarde nadrukkelijk opmerkt, gebieden van psychische gebeurtenissen tot het bewustzijn doet doordringen welke gewoonlijk in duisternis gehuld zijn. Het feit dat in verband hiermede de algemene lichamelijke gevoelens verdwijnen, toont aan dat hun bepaalde energie eraan is onttrokken en klaarblijkelijk ertoe medewerkt, de helderheid van bewustzijn te verhogen. Als regel treedt het verschijnsel spontaan op, komt en gaat naar eigen initiatief. Het gevolg ervan is in zoverre verwonderlijk, omdat het altijd de oplossing van psychische complicaties met zich brengt en daardoor de innerlijke persoonlijkheid van emotionele en ingebeelde verwarringen bevrijdt en zo een eenheid van bestaan schept, die algemeen als ‘verlossing’ wordt ervaren.” (The Secret of the Golden Flower, door Richard Wilhelm en Jung)
Deze woorden kan iedere ervaren yogi in meditatie ondubbelzinnig onderschrijven. Het verschijnsel komt zeer veel voor en draagt er zeker toe bij, te bewijzen, dat er een nauwkeurige overeenkomst bestaat met de mentale verlichting. Met dit licht in het hoofd, dat de verlichtingstoestand schijnt te vergezellen, hebben we vermoedelijk ook de oorsprong van de stralenkrans die om het hoofd der verlichten van de wereld wordt afgebeeld.
De denkbeelden van Meester Eckart en C.G. Jung vinden we duidelijk in de Bhagavad Gîtâ die ver voor onze tijdrekening werd geschreven.
10
“Onvast is het denkvermogen, O Krishna, onstuimig en krachtig; zijn beteugeling houd ik voor even moeilijk te volbrengen als die van de wind.
Ongetwijfeld... is het denkvermogen moeilijk te breidelen; doch door onverdroten oefening... wordt het bedwongen.
Wanneer Uw ziel de verwarring van de waan te boven zal komen, zult ge geen acht meer slaan op wat U geleerd wordt of werd.
Eenmaal los van de traditionele leer, zal Uw ziel standvastig zijn, vast in de aanschouwing der ziel, dan zult ge eenheid met de ziel bereiken.”
(Bhagavad-Gîtâ)
Het meditatie-proces bestaat uit vijf delen, waarbij de ene stap naar de andere leidt, en deze zijn:
(1) Concentratie: Dit is de handeling van het concentreren van het denkvermogen op een punt, waarbij men leert hoe het richten en te gebruiken.
(2) Meditatie: Het concentreren van de aandacht in een bepaalde richting waarbij het denkvermogen standvastig gericht blijft op een gewenst denkbeeld.
(3) Contemplatie: Een voltooiing van de ziel, los van het denkvermogen, waarbij de yogi in een toestand van rust wordt gehouden.
(4) Verlichting: Het resultaat van de drie voorgaande processen, en dat houdt in dat de ontvangen kennis naar het hersens bewustzijn wordt overgebracht.
(5) Inspiratie: Het gevolg van de verlichting, dat leven van “actie en dienst” tot gevolg heeft.
De Bhagavad-Gîtâ zegt (8:12-13):
“Yoga betekent dat men zich onthoudt van alle zinsbedrijvigheid. Door alle poorten van de zinnen te sluiten, de geest te richten op het hart en de levenskracht op het hoogste punt van het hoofd, verankert men zich in yoga.
Wanneer men zich aldus in yoga bevindt en de heilige lettergreep OM, de allerhoogste lettercombinatie, laat klinken, en aan de Allerhoogste
11
Persoonlijkheid Gods denkend zijn lichaam verlaat, zal men zeker de geestelijke gewesten bereiken.”
De heilige Schrift heeft haar plaats, maar het is door directe realisatie dat het innerlijke kan bereikt worden en het uiterlijke zolang afgelegd. Meditatie is de weg naar innerlijke realisatie en moet aangeleerd worden, persoonlijk, en van een bekwame leraar. De realisatie van de ware natuur van het onbewuste leidt tot meditatie.
Hieronder, wordt een eenvoudige techniek van meditatie beschreven.
(1) Was jouw gezicht, ogen, handen en voeten; en zit in een keurig, rustige en donkere plaats in een comfortabel postuur, met hoofd, hals, ruggraat recht en vertikaal. Geen muziek of wierook is tijdens de meditatie aanbevolen. De tijd en plaats van de meditatie moet eerst worden vastgesteld. Goed de levensprinciepen, gedachten, woorden en daden naleven. Bepaalde yogi oefeningen zijn nodig. Middernacht, s’morgens en s’avonds zijn de beste momenten om te mediteren, 15 tot 25 minuten iedere dag.
(2) Herinner je een naam of vorm van een persoonlijke god waarin jouw geloof gevestigd is en vraag Zijn of Haar zegen.
(3) Doe je ogen dicht; neem 5 tot 10 minuten voor trage maar diepe ademhalingen.
(4) Vestig jouw blik, jouw geest (gemoed), en gevoelens binnen in het centrum van uw borst, de plaats van het oorzakelijke hart en adem heel traag. Mentaal, zing: “Raa” en adem in, en “Maa” en adem uit. Visualiseert mentaal en volgt de loop van de ademhaling langs de neusgaten, naar het voorhoofd, en naar beneden tot in de borst of de longen. Voel de adem en de gewaarwordingen in het lichaam, en blijf waakzaam. Tracht jouw ademhaling niet te controleren of te leiden, adem gewoon op een natuurlijke wijze.
(5) Bevestig jouw wil in de gedachte dat het verdwijnt in de grenzeloosheid van de lucht, terwijl je ademt. Indien jouw gemoed van de ademhaling ontwijkt, start opnieuw met stap 4. Wees regelmatig en volhard zonder uitstellen.
Het geluid van OM of AUM is een combinatie van drie hoofdgeluiden: A, U, en M. Het is de bron van alle uitgesproken geluiden. Daarom, is dit het beste geluid als symbool van de Geest. Het is de oorspronkelijke impulsief dat de vijf zenuw centra doet bewegen die de functie van het lichaam controleert. Yogananda noemt OM het vibratiegeluid van de
12
kosmische motor. De Bijbel zegt: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.” (Johannes 1:1) (OM, Amen, Allah)
Deze kosmische geluidsvibratie wordt door de yogi’s beluisterd als een geluid, of een mengeling van geluiden, of van verschillende frequenties.
De “OM” meditatie (in het Engels “Omnic Meditation”), door de Verhevene Heer Krishna bekend gemaakt, is een zeer krachtige en sacrale techniek door heiligen en wijzen van alle godsdiensten in gebruik gebracht. Het combineert Patanjali’s laatste zes stappen in drie gemakkelijke stappen, die je pas zult praktiseren na voorgaande meditatie een paar maanden te hebben beoefend. Samengevat, de “OM” methode oefent het “gemoed” (de geest) om doorlopend, het “AUM” geluid te verspreiden.
Voor hen die het conventionele pad van de meditatie niet kunnen volgen, heeft de Verhevene Heer Krishna een eenvoudige methode van contemplatie verteld:
“Voor iemand die onophoudelijk aan Mij denkt, ben Ik gemakkelijk te bereiken, O zoon van Prtha, vanwege zijn voortdurende activiteit in toegewijde dienst.” (8:14)
Hier eindigt het derde en laatste deel van onze inleiding. We zijn nu van plan stapsgewijze de 700 verzen van de Bhagavad-Gîtâ door tesamen door te lichten, met daarbij de vertaalde commentaar op de Gîtâ van Dr. Ramanand Prasad, Ph.D.
Informatie:
Wij kunnen u drie vertalingen van de Bhagavad-Gîtâ in de Nederlandse taal en één in het Engels aanbevelen, namelijk:
(1) Bhagavad-Gîtâ, door Mansukh Patel uit het Sanskriet vertaalt, en verder in de Nederlandse gebracht voor de Stichting Life Foundation International, Postbus 88, 6670 AB Zetten, Nederland. www.LifeFoundation.nl Deze Nederlandse vertaling is zeker een aanrader.
(2) Bhagavad-Gîtâ, integraal vertaald naar het oorspronkelijke Sanskriet, door Hendrik van Teylingen. Uitgeverij, Altamire-Becht, Haarlem.
13
(3) Bhagavad-Gîtâ, vertaald door Guus Nooteboom, bewerkt door zijn zoon Kuuk Nooteboom. Uitgeverij Ankl-Hermes bv – Deventer. Uitgave met het Sanskriet.
(4) De Bhagavad-Gîtâ, zoals ze is, uitgegeven door “The Bhaktivedanta Book Trust”. Uitgave met het Sanskriet tekst en commentaar. (Bij deze Engelse en verdere vertalingen heb ik mijn bedenkingen, in vele opzichten vertaald volgens de overtuiging van de stichter van deze wereld beweging.
(5) Bhagavad Gita, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Erik Mossel. Uitgeverij Panta Rhei/Katwijk.
(6) Bhagavad Gita – Het heilig boek van de hindoes, door Gerda Staes met Winand M. Callewaert. (Davidsfonds/Leuven)
The American / International Gita Society
(The Gita Society of Belgium, Afdeling België)
Email: decosterphilippe6@gmail.com
14
Gita Dhyanam
Meditatie op de Gita
De Gita Dhyanam is een bijzondere hymne, die traditioneel wordt gereciteerd bij het begin van de Gitastudie. Door onze eerbiedwaardige houding staan wij nu open voor de wijsheid die we gaan ontvangen. Bij gebrek aan tijd zingen we alleen het laatste vers met volle intentie, concentratie en een open hart.
Om paarthaaya pratibodhitaam bhagavataa naaraayanenaswayam, Vyaasena grathitaam puraanamuninaa madhye mahaabhaaratam; Advaitaamritavarshineem bhagavateem ashtaadashaa dhyaayineem, Amba twaam anusandadhaami bhagavadgeete bhavadweshineem. (1)
AUM, O Bhagavad Gita, die Partha (Arjuna) tot verlichting heeft gebracht, geïnspireerd door de Heer Narayana (Krishna) zelf en uit achttien hoofdstukken is samengesteld binnen het kader van de Mahabharata door de oude geleerde Vyasa. O goddelijke Moeder, die een eind maakt aan wedergeboorte en die ons zegent met de nectar van eenheid. O Bhagavad Gita, mijn toegenegen moeder, ik mediteer op U.
Namostu te vyaasa vishaalabuddhe phullaaravindaayatapatranetra; Yena twayaa bhaaratatailapoornah prajwaalito jnaanamayah pradeepah.(2)
Gegroet zij U, O Vyasa, met uw helder verstand en ogen als bladen van een volledig ontloken lotusbloem, die de lamp van wijsheid heeft ontstoken, welke door de olie van de Mahabharata wordt gevoed.
Prapannapaarijaataaya totravetraikapaanaye; Jnaanamudraaya krishnaaya geetaamritaduhe namah.(3)
Hulde gebracht aan Krishna, die de Parijata of Kalpatru (wensboom) is en de wensen vervult van allen die hun toevlucht tot Hem nemen. Hij is de bezitter van een staf in de ene hand, en de houder van de Jnanamudra (symbool van wijsheid) de melker van de Gita-nectar.
Sarvopanishado gaavo dogdhaa gopaalanandanah; Paartho vatsah sudheer bhoktaa dugdham geetaamritam mahat.(4)
15
Alle Upanishads zijn de koeien, de melker is Krishna, de herder jongen is Arjuna, degenen die drinken zijn de mensen met een zuiver verstand en de melk is de veredelde nectar van de Gita.
Vasudevasutam devam kamsachaanooramardanam; Devakeeparamaanandam krishnam vande jagadgurum. (5)
Ik groet de Heer Krishna, de wereldleraar, zoon van Vasudeva en opperste gelukzaligheid van Devaki, de vernietiger van de demonen Kamsa en Chanura.
Bheeshmadronatataa jayadrathajalaa gaandhaaraneelotpalaa; Shalyagraahavatee kripena vahanee karnena velaakulaa; Ashwatthaama-vikarna-ghora-makaraa duryodhanaavartinee; Sotteernaa khalu paandavai rananadee kaivartakah keshavah. (6)
De rivier van de strijd, aan de oevers Bhishma en Drona, aan het water Jayadratha, waarbij de koning van Gandhara haar blauwe lotus was, Satya de krokodil, Kripa de stroming en Karna de beroering, Asvatthama en Vikarna waren de vreselijke alligators, en Duryodhana was de draaikolk. Zo werd het door de Pandava’s doorkruist, met Kesava (Krishna) als stuurman.
Paaraasharya vachah sarojamamalam geetaarthagandhotkatam; Naanaakhyaanakakesaram harikathaa sambodhanaabodhitam; Loke sajjana shatpadairaharahah pepeeyamaanam mudaa; Bhooyaadbhaaratapankajam kalimala pradhwamsinah shreyase.(7)
Moge de lotusbloem van de Mahabharata, ontloken in het meer van de woorden van de zoon van Parasara (Vyasa), zoet geurend met de betekenis van de Gita, met haar meeldraden als de vele verhalen, volledig geopend door de uiteenzettingen over Hari, die Kali’s zonden heeft vernietigd, waar de goede mensen van de wereld met vreugde dagelijks als bijen van drinken, gezegend met Zijn goedheid.
Mookam karoti vaachaalam pangum langhayate girim; Yatkripaa tamaham vande paramaanandamaadhavam.(8)
Hulde aan Madhava (de grote Krishna), de bron van opperste gelukzaligheid, van wie de genade de stommen doet spreken en de lammeren bergen laat beklimmen.
16
Yam brahmaa varunendrarudramarutah stunwanti divyaih stavaih, Vedaih saangapadakramopanishadair gaayanti yam saamagaah, Dhyaanaavasthitatadgatena manasaa pashyanti yam yogino, Yasyaantam na viduh suraasuraganaa devaaya tasmai namah.(9)
Hulde aan die God, die in lofzangen door Brahma, Indra, Varuna en de Maruts geprezen wordt, over wie de Sama zangers volgens de Pada en Krama methoden in de Veda’s, de Anga’s en de Upanishads zingen. Hij is degene die de yogi’s zien als hun geest (gemoed) volledig in meditatie opgaat, en van wie de deva’s en de asura’s het einde niet kennen.
17
SRI MAD-BHAGAVAD-GÎTÂ
Hoofdstuk 1
ARJUNA’ DILEMMA
“Laat van overal edele gedachten naar jou komen.” – De Vedas
Nota: De oorlog van Mahâbhârata begon na een onderhandeling met de Verhevene Heer Krsna, en anderen om hun nederlaag te voorkomen. De blinde Koning (Dhrtarâstra) was nooit zeker nopens de overwinning van zijn zonen (Kauravas) ondanks hun schitterend leger. De Wijze Vyâsa, de auteur van Mahabharata wou de blinde Koning de gunst van het zicht geven, zodat de Koning de gruweldaden van de oorlog kon zien, daar hij in de eerste plaats ervoor verantwoordelijk was. Maar de Koning weigerde het aanbod. Hij wou de gruweldaden van de oorlog niet zien, en verkoos de oorlogsrapporten van zijn wagenmenner, Sanjaya. De Wijze Vyâsa gaf Sanjaya de gave van helderziendheid. Met deze gave kon Sanjaya zien, horen, en het verleden, heden en toekomst oproepen. Hij was in staat als ooggetuige onmiddellijk een oorlogsrapport aan de blinde Koning die in zijn paleis verbleef mede te delen.
Bhîsma, de grootste man en hoofdcommando in Kauravas is door Arjuna buiten gevecht gesteld, en ligt op een doodsbed op het slagveld, de tiende dag van de achttien daagse oorlog. Toen de blinde Koning het slechte nieuws van Sanjaya hoorde, verloor hij alle hoop van zijn zonen’s overwinning. Nu wenst de Koning al de bijzonderheden van de oorlog vanaf het begin te vernemen, inbegrepen hoe het kwam dat de sterkste man en hoofdcommando van zijn verheven leger verkoos te sterven, verslagen op het slagveld. De leer van de Bhagavad Gîtâ begint met het onderzoek van de blinde Koning, nadien beschreef Sanjaya hoe Bhîsma was verslagen, zoals volgt:
Dhrtarâstra zei: o Sanjaya, wat deed mijn volk en de Pândavas, toen ze verlangend om te strijden op het heilig veld van Kuruksetra stonden, waar ze waren samengekomen? (01.01)
Sanjaya zei: o koning, toen vorst Duryodhana het in slagorde opgestelde leger van de Pândavas had aanschouwd, naderde hij zijn goeroe, Drona, en sprak deze woorden: (01.02)
18
O mijn meester, bezie het machtige leger van de zonen van Pându en hoe vakkundig het is opgesteld door uw begaafde leerling, de zoon van Drupada. (01.03)
Er zijn vele helden en machtige boogschutters, die Bhîma en Arjuna in de oorlog evenaren, zoals Yuyudhâna, Virâta en Drupada; de grote krijgers Dhrstaketu, Cekitâna, en de heldhaftige koning van Kâshi, Purujit, Kuntibhoja, de krachtige man Saibya; de geweldenaar Yudhâmanyu, de dappere Uttamauja, de zoon van Subhadrâ, en de zonen van Draupâdi, allen zijn grote krijgers. (01.04-06)
INLEIDING VAN HET LEGER COMMANDO
Hoor ook, o beste onder de tweemaal geborenen, wie onze bevelhebbers zijn. De namen van de bevelhebbers van mijn leger noem ik op, voor jouw informatie. (01.07)
Jezelf, Bhîsma, Karna, en Krpa die altijd zegevierend uit de strijd komen, Asvatthâmâ, Vikarna, zoon van Somadatta, en nog vele andere helden die voor mij hun leven willen offeren. Ze zijn allen goed uitgerust met allerlei wapens en bedreven in de krijgskunst. (01.08-09)
Ons leger, ofschoon door Bhîsma aangevoerd is ontoereikend, terwijl hun leger door Bhîma beschermt gemakkelijk overwonnen wordt. Daarom, moet ieder van jullie, op jullie plaats in jullie divisies Bhîsma onvoorwaardelijk beschermen. (01.10-11)
DE OORLOG BEGINT MET HET BLAZEN VAN DE SCHELPHOORNS
Vervolgens brulde als een leeuw Bhîsma, de machtige grootvader van de Kuru-dynastie, en blies krachtig op zijn schelphoorn, om Duryodhana tot vreugde te zijn. (01.12)
Toen klonken plotseling alle schelphoorns, signaalhoorns, trompetten, trommen en hoorns tegelijk, dat kabaal veroorzaakten. (01.13)
De Verhevene Heer Krsna en Arjuna, die op een grote, met witte paarden bespannen strijdwagen stonden, lieten van hun kant hun hemelse schelphoorns weerklinken. (01.14)
Hrsîkesa (Krsna) blies op Zijn schelphoorn, Pâncajanya geheten; terwijl Arjuna blies op de zijne, Devadatta; en Bhîma, de onverzadigbare eter en geduchte held, blies op zijn schrikwekkende schelphoorn Paundra. (01.15)
19
O Heer van de Aarde; Koning Yudhisthira, de zoon van Kunti, blies op zijn schelphoorn Anantavijaya, en Nakula en Sahadeva bliezen op de Sughosa en de Manipuspaka. De grote boogschutter de Koning van Kâsî; de grote strijder, Sikhandï; Dhstadyumna, Virâta en de onoverwinnelijke Sâtyaki, koning Drupada, de zoons van Draupadî en de anderen zoals de zoon van Subhadrâ met machtige wapens, bliezen allen op hun schelphoornen. (01.16-18)
Het schallen van al deze schelphoornen werd stormachtig - en trillend zoveel in de lucht als in de aardbodem, verscheurde het de harten van de Kauravas. (01.19)
ARJUNA WENST HET LEGER TE INSPECTEREN WAARTEGEN HIJ MOET VECHTEN
O Koning, toen nam Arjuna, de zoon van Pându, die op zijn strijdwagen stond en de Heer Hanumâna in zijn vaandel, voerde zijn boog op en maakte zich gereed, zijn pijlen af te schieten, zijn blik gericht op de zonen van Dhrtarâstra. O Koning, toen sprak Arjuna tot Hrsîkesa (Krsna) de volgende woorden: o Heer, rijd mijn wagen tussen de twee legers in, zodat ik kan zien wie er zijn, wie ernaar verlangen te vechten en met wie ik me in deze grote slag moet meten. (01.20-22)
Ik wens te zien wie er voor de strijd zijn aangetreden om de boosaardige zoon van Dhrtarâstra te behagen. (01.23)
Sanjaya zei: O Afstammeling van Bharata (Dhrtarâstra), toen Hrsîkesa (Krsna) aldus door Gudâkesa (Arjuna) was aangesproken, dreef Hij de prachtige strijdwagen midden tussen de beide legers. In tegenwoordigheid van Bhîsma, Drona en alle leiders van de wereld zei Hrsîkesa, de Heer: o Pârtha (Arjuna), kijk toch naar alle Kurus, die hier verzameld zijn. (01.24-25)
Zoals hij daar stond, kon Arjuna van tussen beide legers een goed zicht hebben over zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van moederskant, broers, zoons, kleinzoons, vrienden en ook zijn schoonvader – die allen daar aanwezig waren. (01.26)
ARJUNA’S DILEMMA
Bij het zien van schoonvaders en lotgenoten van beide legers in slagorde staan aangetreden, de zoon van Kuntî (Arjuna) werd met diep medelijden bewogen en sprak bedroefd: o Krsna, nu ik mijn vrienden en bloedverwanten in zo een strijdlustige stemming voor me zie, voel ik dat mijn ledematen beven en mijn mond droog wordt. Mijn hele lichaam trilt en mijn haar staat overeind. (01.27-29)
20
Mijn boog Gandiva glipt uit mijn hand en mijn huid gloeit, ik kan niet rechtop staan, mijn denkvermogen is losgelaten; en, ik zie slechte voortekenen, o Keshava (Krsna). Tevens zie ik geen heil in het doden van bloedverwanten in de strijd. (01.30-31)
Ik begeer noch verwinning, noch genoegens, noch het koningschap, o Krsna. Wat voor betekenis heeft een koninkrijk, of het leven zelf, o Govinda (Krsna)? Daar, degenen van wie wij het koningschap, vreugde, en genoegens verlangen, staan hier klaar voor de strijd, en hebben ze hun leven en bezittingen opgegeven. (01.32-33)
Ik wens geen leraren, onkelen, zonen, grootvaders, ooms van moeders zijde, schoon vaders, kleinzonen, zwagers en andere verwanten te doden, die klaar zijn ons te doden, zelfs niet om de heerschappij over de drie werelden, waarom dan wel over die van het aardse koninkrijk, o Madhusûdana ((Krsna). (01.34-35)
O Heer Krsna, welke genoegen beleven wij er aan, de zonen van Dhrtarâstra te doden? Wij begaan al een zonde als wij die woestelingen doodden. (01.36)
O Madhava (Krsna), daarom kunnen wij de zonen van Dhrtarâstra, onze bloedverwanten, niet doden. Hoe kunnen wij gelukkig zijn wanneer onze verwanten hebben gedood! (01.37)
Ofschoon zij, die vervuld zijn van hebzucht, niet inzien dat familievernietiging een zonde is en vijandschap tegenover vrienden een misdaad; waarom zouden wij, die zien dat het vernietigen van de familie kwaad is, dan niet ons van dat kwaad onthouden, o Janardana (Krsna)? (01.38-39)
ARJUNA VERHAALT DE GRUWELEN VAN DE OORLOG
Als een familie te gronde wordt gericht, dan gaan ook hun eeuwige tradities van orde, wet en gerechtigheid verloren, en doen ze onwettige dingen door zich van erfelijke tradities te ontdoen. (01.40)
Wanneer er goddeloosheid heerst in een familie, o Krsna, raken de vrouwen in de familie verdorven; en, op de verlaging der vrouwen, o Vârsneya (Krsna), raken de wetten van de samenleving in verval. (01.41)
Wanneer het ongewenste bevolkingsdeel aanwast, ontstaat er een helse toestand zowel voor de familie als voor degenen die de familie-traditie vernietigen. In zulke verdorven families wordt er aan de voorouders geen voedsel (portie rijst) en water meer geofferd. (01.42)
Door de zondige en onwettige daden van degenen die de familie-tradities verbreken, worden allerlei gemeenschappelijke ondernemingen en
21
activiteiten ten dienste van het welzijn van de familie te gronde gericht. (10.43
De mensen, o Janârdana (Krsna), welke familietradities zijn verloren gegaan, verblijven alvast – zo hebben we gehoord – voor onbepaalde tijd in de hel. (01.44)
Ach, hoe erg! Wij begaan een grote zonde als wij uit begeerte naar de genoegens van een koninkrijk onze bloedverwanten doden. (01.45)
Het zou voor mij beter zijn dat de zonen van Dhrtarâstra me doodden zonder dat ik het wapen tegen ze ophief of me verzette, dan dat ik de strijd met ze aanging. (01.46)
WANNEER VOORWAARTS GAAN HARD IS, ZELFS HARDE MENSEN KUNNEN MISLEIDT WORDEN
Sanjaya zei: nadat Arjuna deze woorden gesproken had op het slagveld, gooide hij boog en pijlen naast zich op de strijdwagen neer en ging zitten, met zijn gemoed door verdriet overweldigd. ( 01.47)
Er wordt gezegd dat Arjuna door de wil van de Heer Krsna, de Almachtige, tegenover een waantoestand werd gesteld, met het doel de leer van de Gîtâ te openbaren, daar de verlichting en troost voor neergeslagen zielen betekend.
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het eerste hoofdstuk, genaamd “Arjuna’s Dilemma”.
22
Hoofdstuk 2
TRANSCENDENTALE KENNIS
Sanjaya zei: toen Jij, Arjuna, vol medelijden en met tranen verduisterde ogen, en teneergeslagen zo zag zitten, sprak Madhusûdana (Krsna) de volgende woorden: (02.01)
De Verhevene Heer zei: vanwaar is deze neerslachtigheid, Arjuna? Dat past niet bij een Ariër (of, bij mensen met een edel gemoed en daden). Het voert u niet naar de hemel, maar naar schande. (02.02)
Wees niet zwak, o Pârtha (Arjuna), daar het je niet betaamt. Schud deze ellendige wankelmoedigheid van je hart af, en sta op (voor de strijd), o Parantapa. (02.03)
ARJUNA VOLHARDT IN ZIJN REDENERINGEN TEGEN DE OORLOG
Arjuna zei: hoe, o Madhusûdana (Krsna), kan ik met pijlen Bhîsma en Drona bevechten, die het waard zijn om vereert te worden? (02.04)
Men kan in deze wereld beter leven als bedelaar dan deze edele goeroes te doden. Doodde ik deze edele goeroes, die zo begerig zijn naar rijkdom, dan zou ik in deze wereld in hun bloed gedrenkt voedsel eten. (02.05)
Ook weten we niet wat beter is – de zonen van Dhrtarâstra overwinnen of door hen overwonnen worden. Doden we ze, dan kunnen we het beter niet overleven. Nu staan ze voor ons op het slagveld. (02.06)
Want ik weet niet meer wat mijn plicht is en ik ben uit zwakheid volkomen uit mijn doen over Dharma. In deze toestand verzoek ik Je me duidelijk te maken wat het beste voor mij is. Ik ben nu Jouw leerling, Je toegedaan met hart en ziel. Onderricht me. (02.07)
Ik weet niets te bedenken waarmee ik dit verdriet, dat me van mijn zinnen berooft, moet verdrijven. Ik zal het niet kunnen uitbannen, ook al win ik een welvarend koninkrijk op aarde of de heerschappij van een halfgod in de hemel. (02.08)
Sanjaya zei: na deze woorden zei Gudâkesia (Arjuna), de overwinnaar van zijn vijanden, aldus Hrsîkesa (Krsna) had toegesproken en tot Govinda (Krsna) gezegd had: “Ik vecht niet”, verviel in het zwijgen. (02.09)
O Afstammeling van Bharata, daarop sprak Hrsîkesa (Krsna) midden tussen beide legers glimlachend de volgende woorden tot de terneergeslagen Arjuna. (02.10)
23
DE LERINGEN VAN DE GITA BEGINNEN MET DE WARE KENNIS VAN DE GEEST EN HET MENSELIJK LICHAAM
De Verhevene Heer zei: je treurt om iets wat het verdriet niet waard is, toch spreekt je woorden die wijs klinken. Zij die wijs zijn treuren noch om de levenden, noch om de doden. (02.11)
Nooit was er een tijd waarin Ik niet bestond, noch jij, noch al deze vorsten; noch zal in de toekomst ook maar één van ons ophouden te zijn. (02.12)
Zoals de levende entiteit (Atmâ, Jîva, Jîvâtma) in dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Hierover treurt de wijze niet. (Zie ook 15.08) (02.13)
O zoon van Kunti (Arjuna), het contact met de materie, dat koude en hitte, vreugde en pijn veroorzaakt, komt en gaat: het is van voorbijgaande aard; daarom, leer ze geduldig te doorstaan, o Afstammeling van Bharata (Arjuna) (02.14)
De rustige mens, die hierdoor niet gekweld wordt, o Beste onder de mensen (Arjuna), die standvastig is in pijn en vreugde, maakt zich geschikt voor onsterfelijkheid. (02.15)
DE GEEST IS EEUWIG, HET LICHAAM IS VERGANKELIJK
De zieners, die de waarheid inzien, erkennen dat het onwerkelijke niet blijft en het werkelijke nooit vergaat. De waarheid over beide is ingezien door hen, die de stelligheid der dingen geschouwd hebben. (02.16)
Weet dat Tat waarvan het universum volledig doortrokken is, werkelijk onvernietigbaar is, en dat niemand kan vernietigen wat eeuwig is. (02.17)
Er wordt beweerd dat de belichamingen van de eeuwige, onvergankelijke en onmetelijke Geest, sterfelijk zijn; vecht daarom, o Afstammeling van Bharata (Arjuna). (02.18)
Wie denkt dat Atmâ (Geest) kan doden of kan worden gedood, in beide gevallen onwetend is. Wie werkelijk kennis bezit, weet dat Atmâ noch doodt, noch wordt gedood. (Een parallel vers vindt men in KaU 2.19) (2.19)
De Geest (Atmâ) kent geboorte noch dood. Eenmaal zijnde, houdt ze nooit op te bestaan. Ze is ongeboren, eeuwig, onveranderlijk, onsterfelijk en oorspronkelijk. Ze gaat niet dood wanneer het lichaam overlijdt. (Zie ook KaU 2.18) (02.20)
O zoon van Pârtha (Arjuna), hoe kan iemand die weet dat de Geest (Atmâ) onvernietigbaar, ongeboren, eeuwig en onveranderlijk is, iemand doden of iemand tot doden aanzetten? (02.21)
24
DE DOOD EN DE TRANSMIGRATIE VAN DE ZIEL
Zoals iemand zijn oude, versleten kleren wegdoet en nieuwe aantrekt, laat de levende entiteit (Atmâ, Jîva, Jîvâtma) het oude, nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw. (02.22)
Geen wapen kan de Geest (Atmâ, Zelf) ooit in stukken snijden, noch kan ze door vuur worden verbrand, door water verdronken of door de wind verdroogd. Atmâ kan breken noch oplossen, verbranden noch verdrogen. Ze is eeuwig, alomtegenwoordig, onveranderlijk, onbeweeglijk en vanouds geweest. (02.23-24)
Er is gezegd dat de Geest (Atmâ, Zelf) onzichtbaar, onvoorstelbaar en onveranderlijk is. Wetend daarom dat dit zo is, moet je niet treuren. (02.25)
Denk je echter dat deze levende entiteit of lichaam voortdurend geboren wordt en telkens sterft, dan bestaat er nog steeds geen reden om te treuren, O sterk-gearmde (Arjuna). Want, wie geboren is, gaat de dood zeker tegemoet; en wie dood is, wordt zéker weer geboren. Wees daarom niet bedroefd over wat onvermijdelijk is. (02.26-27)
Alle geschapen wezens zijn onzichtbaar voor de geboorte, zichtbaar als ze geboren zijn, en wederom onzichtbaar na hun dood. Waartoe valt er dus te treuren? (02.28)
DE ONVERGANKELIJKE GEEST TREEDT GEMOED EN SPRAAK BINNEN
Sommigen zien de Geest als een wonder, sommigen beschrijven haar als wonderlijk en sommigen horen over haar als een wonder, terwijl anderen, ook al hebben ze over haar gehoord, helemaal niets van haar begrijpen. (Zie ook KaU 2.07) (02.29)
O Afstammeling van Bharata (Arjuna), de Geest in het lichaam is eeuwig en kan nimmer worden gedood. Daarom hoeft je om niemand te treuren. (02.30)
Ten aanzien van jouw bijzondere plicht als strijder behoort je te weten dat er voor jou geen betere taak bestaat dan strijden volgens rechtvaardige beginselen – het is dus onnodig nog te weifelen. (02.31)
O Pârtha (Arjuna), bevoorrecht zijn de strijders die buiten hun toedoen een dergelijk gelegenheid krijgen om te strijden, dat voor hen de hemelpoort opent. (02.32)
Maar als je deze rechtvaardige oorlog echter niet strijdt, zult je wegens plichtverzuim jouw eer verspelen en aan zonde schuldig maken. (02.33)
De mensen zullen altijd oneer over jou blijven spreken. En, voor iemand in hoog aanzien, is eerloosheid erger dan de dood. (02.34)
25
De grote veldheren, die een hoge dunk hadden van je naam en eer, zullen denken dat je louter uit angst het slagveld hebt verlaten en je daarom een lafaard vinden. (02.35)
Jouw vijanden zullen vele kwetsende woorden over jou spreken, en jouw moed en bekwaamheid verkleineren.Kan er iets pijnlijker zijn dan dat? (02.36)
Je zult de hemel verwerven indien je gedood wordt (in de lijn van de plichtvervulling); behaald je de overwinning, dan zult je de heerschappij over de aarde verkrijgen. Sta dus op, o Zoon van Kunti, en trek vastbesloten tot de strijd. (02.37)
Beschouw vreugde en pijn, winst en verlies, overwinning en nederlaag als elkaars gelijke, en gordt je voor de strijd, en dan is geen zonde die je raakt. (02.38)
DE BELANGRIJKHEID VAN KARMA-YOGA, DE ONBAATZUCHTIGE DIENSTVERLENING
De wijsheid van transcendentale kennis werd je medegedeeld, o Zoon van Pritha (Arjuna). Luister nu naar wat Ik te zeggen heb over de wijsheid van Karma-yoga, de onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ), dan ben je loskomen van de banden die het gevolg zijn van uw handelingen (Karma). (02.39)
Wie Karma-yoga nastreeft lijdt geen verlies noch achteruitgang. Zelfs een geringe mate van inzicht in deze discipline beschermt je tegen de grote vrees van geboorte en dood. (02.40)
Een Karma-yogi is vastberaden en eenpuntig gericht in de God-realisatie, o Afstammeling van Kuru (Kurunandana) (Arjuna), maar eindeloos verstrooid en besluiteloos zijn degenen die voor de genoegens van de oost met de daarbij aanpalende vertakkingen werken. (02.41)
DE VEDA’s BEHANDELEN BEIDE MATERIËLE EN GEESTELIJKE ASPECTEN VAN HET LEVEN
Onwetende mensen voelen zich sterk aangetrokken door de bloemrijke taal der Veda’s, en zeggen: “Er is niets anders”, o Pârtha (Arjuna). (02.42)
Vol wereldse verlangens, met de voorbijgaande hemelse genoegens als doel boven eeuwige vereniging, bevelen ze talloze en specifieke riten aan om zich wereldse plezieren, rijkdom en macht aan te trekken. (Zie ook KaU 2.05, IsU 09) (02.43)
Resolute vastberadenheid tot Zelf-realisatie, wordt niet gevormd in het gemoed van hen die zich aan plezier en kracht hechten, en welk oordeel door ritualistische activiteiten wordt verduisterd. (02.44)
26
Een gedeelte van de Veda’s handelt over de drie geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur, o Arjuna. Bevrijd je van de paren van tegenstellingen, wees altijd standvastig in zuiverheid (Sattva), zonder begeerte naar bezit, en ga geheel op in het Zelf. (02.45)
Voor de Zelf-gerealiseerde persoon zijn de Veda’s ongeveer even nuttig als een waterbak dat overstroomt. (02.46)
THEORIE EN PRAKTIJK VAN KARMA-YOGA
Jij hebt het recht jouw voorgeschreven plicht te vervullen, maar de vruchten ervan komen jou niet toe. Laat de vruchten van jouw handelingen vervolgens ook niet jouw drijfveer zijn, maar verzuim ook niet te handelen. (02.47)
O Dhananjaya (Arjuna), vervul standvastig jouw plicht in Yoga, en geef alle zelfzuchtige gehechtheid op, en wees evenwichtig in succes en mislukking. Evenwichtigheid wordt Yoga genoemd. (02.48)
Bevrijd jezelf van alle baatzuchtig werk door toegewijde dienst of Karma-yoga en geeft je aan dat bewustzijn volledig over, O Dhananjaya (Arjuna). Zij die de vruchten van hun werk willen plukken zijn ongelukkig. (02.49)
Een Karma-yogi welke kennis is geworteld in gelijkmoedigheid, heeft zich in dit leven van zowel goede als slechte daden bevrijdt; houd je dus aan yoga; yoga is de kunst van het handelen. (02.50)
Karma-yogis zijn van de slavernij der wedergeboorte verlost, daar ze zelfzuchtige gehechtheid aan werkresultaten hebben prijs gegeven, om het gezegende en goddelijke oord van heil of Nirvana te benaderen. (02.51)
Wanneer jouw intellect uit het dichte woud der begoocheling te voorschijn komt, zal je onverschillig worden tegenover alles wat er gehoord is en alles wat er nog gehoord zal worden. (02.52)
Is jouw intellect niet meer in beweging te brengen door de Vedische teksten en verkeert deze onwankelbaar in de verheven rust der Zelf-realisatie de staat van volkomen eenheid, dan ben je het goddelijk bewustzijn deelachtig geworden. (02.53)
Arjuna zei: o Kesava (o Langharige, Krsna), waaraan herkent men iemand welk bewustzijn aldus opgaat in het Bovennatuurlijke (Samadhi)? Hoe spreekt hij en wat zijn zijn woorden? Hoe is zijn handel en wandel? (02.54)
DE KENMERKEN VAN EEN ZELF- GEREALISEERDE PERSOON.
De Verhevene Heer zei: o Pârtha (Arjuna), wanneer men alle zinnelijke verlangens dat uit het dwalen van de gedachten voortkomt laat varen en
27
wanneer men met het Eeuwige Wezen (Brahma) tevreden is, wordt de stabiliteit van denken (Sthita-prajna) genoemd. (02.55)
Hij welk denken onbewogen is in tegenspoed, vrij van begeerte, angst en boosheid, tevens gelijkmoedig in voorspoed, een dergelijke mens wordt Sthita-prajna genoemd, een wijze met een standvastig intellect. (02.56)
Wie zonder bindingen is, wie zich niet verheugt wanneer hem iets goeds overkomt, noch treurt wanneer er iets kwaads geschiedt, is echt verankerd in volmaakte kennis. (02.57)
Wie, gelijk een schildpad zijn ledematen voor bescherming intrekt, zijn zinnen afhoudt van de voorwerpen der zinnen, wordt aanzien als standvastig van intellect te zijn. (02.58)
De objecten der zinnen bestaan niet meer voor wie zich ervan weerhoudt, maar het verlangen ernaar nog wel. Doch ook deze verlaat hem wanneer hij de Verhevene Wezen heeft leren kennen. (02.59)
HET GEVAAR VAN ONBETEUGELDE ZINNEN
De van nature onstuimige zinnen slepen het denken mee, o Zoon van Kunti (Arjuna), ook van een wijze mens die naar volmaaktheid streeft. (02.60)
Laat de mens, die zijn zinnen bedwongen heeft in liefdevolle contemplatie rust vinden in Mij. Daar, hen die hun zinnen hebben beheerst, stabiel van denken geworden zijn. (02.61)
Hij, die op de voorwerpen der zinnen denkt, raakt de gehechtheid, waaruit het verlangen voorkomt, en uit het verlangen springt woede boosheid voort. (02.62)
Uit woede boosheid ontstaat begoocheling of wilde ideeën; en uit de begoocheling een verward geheugen. Wanneer de rede is aangetast, verblijft het gemoed onbeheerst. Men ontwijkt van het rechte pad wanneer de rede vernietigd is. (02.63)
HET BEREIKEN VAN VREDE EN GELUK DOOR DE BEHEERSING VAN DE ZINNEN EN KENNIS
Een gedisciplineerde persoon, die zich beweegt temidden van de objecten der zinnen, toch zich volledig beheerst, zonder er door aangetrokken of afgesloten te worden, bereikt rust. (02.64)
In deze rust wordt alle leed gedoofd, want het intellect van een kalme persoon komt spoedig volledig in evenwicht te staan en verenigt met de Eeuwige Wezen (Brahma). (02.65)
Er is geen Zelfkennis, noch het vermogen van concentratie bij hen die met de Eeuwige Wezen (Brahma) niet zijn verenigd. Zonder het
28
vermogen van concentratie kent men geen vrede, en zonder vrede kan er geen geluk zijn. (2.66)
Het gemoed, door de rovende zinnen beheerst, ontneemt het intellect gelijk een storm een schip op de woedende oceaan stuurloos van zijn bestemming verdwijnt – de spirituele landing. (02.67)
Daarom, o Sterkarmige (Arjuna), is het intellect van de mens van wie de zinnen volledig van de objecten der zinnen zijn onttrokken, in standvastigheid gegrondvest. (02.68)
Een yogi, de zelfbeheerste persoon, blijft wakker wanneer voor anderen nacht is; het is de nacht der onwetendheid voor de yogi die ziet (de Eeuwige Wezen kent) wanneer voor de andere schepselen dag is. (02.69)
Zoals de oceaan onveranderlijk blijft ook al vloeien alle kanten de wateren erin samen, zo vindt ook de mens in wie alle begeerten onberoerd blijven vrede, maar dat telt niet voor hen die verlangens koesteren. (02.70)
Hij die alle begeerten verzaakt, en zich bevrijdt van alle wangunst, en is verlost van het gevoel ‘ik’ en ‘mijn’, bereikt vrede. (02.71)
O Pârtha (Arjuna), dat is de superbewuste staat (Brahma). Wie deze bereikt kan niet meer dwalen. Wie in het uur van de dood daarvan niet afwijkt, bereikt Brahmanirvâna (of, verenigt zich met het Absolute). (02.70)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het tweede hoofdstuk, genaamd “Transcendentale Kennis”.
29
Hoofdstuk 3
HET PAD DER DIENSTBAARHEID
Arjuna zei: o Janârdana, wanneer Je gelooft dat transcendentale kennis hoger ligt dan het werk, waarom vraagt Jij mij dan deze verschrikkelijke daad te volbrengen, o Kesava (Krsna)? Met deze verbijsterende woorden, brengt Jij mij in de war. Wijs mij daarom met zekerheid de ene weg waarbij ik het hoogste geluk kan bekomen. (03: 01-02)
De Verhevene Heer zei: in deze wereld, o zondeloze Arjuna, zijn er, zoals Ik vroeger al aanhaalde twee paden van discipline toegewezen; dat van Zelfkennis (Jnâna-yoga) voor de contemplatieven, en het pad van onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Karma-yoga) voor de actieven. (03.03)
De mens bereikt geen bevrijding uit de boeien van Karma door niet te werken. Niemand bereikt volmaaktheid door gewoon het werk op te geven. Niemand kan ook maar één ogenblik werkeloos blijven. Iederéén is naar actie gedreven – heel hulpeloos – door de krachten van de natuur. (03.04-05)
Hij, die zijn organen van handeling beheerst, toch zijn gedachten op de objecten der zinnen vestigt, wordt een hypocriet genoemd. (03.06)
WAAROM ANDEREN DIENEN?
Hij die, met een getrainde en gezuiverd gemoed en intellect zijn zinnen beteugelt in onbaatzuchtige dienstverlening, is hoger in aanzien, o Arjuna. (03.07)
Vervul jouw voorgeschreven plicht, daar werken is beter dan niets doen. Een mens kan zonder werken zijn lichaam niet in stand houden. (03.08)
Menselijke wezens zijn aan de Karmische boeien van het werk gebonden, uitgezonderd onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna); daarom, o Zoon van Kunti (Arjuna), geef alle zelfzuchtige gehechtheden op, en verricht zo goed mogelijk uw plicht, als een offer aan Mij toegebracht. (03.09)
ELKAAR HELPEN IS HET EERSTE GEBOD VAN DE SCHEPPER
Prajâpati (Brahmâ), de schepper, schiep in het begin de mensheid samen met onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna, offer), en zei: “word vermenigvuldig hierdoor; en, moge het tot de vervulling zijn van jullie begeerten.” (03.10)
30
Indien men zich hiermee de halfgoden (Devas) voeden, dan voeden ze jullie; en, zo zullen jullie, elkaar voedende, het Verheven doel bereiken. (03.11)
De halfgoden (Devas) gevoed in onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna), zullen jullie in al uw behoeften voorzien. De mens die geniet van wat hem door de halfgoden worden geschonken, zonder hen een deel te offeren, is werkelijk een dief. (03.12)
De rechtvaardigen die eten wat van de offerande overblijft, worden van alle zonden bevrijd; maar, de goddelozen die alleen voedsel voor zichzelf bereiden, eten het voedsel van de zonde. (Zie ook RV 10.117.06) (03.13)
De levende wezens bestaan door voeding, dat slechts kan groeien wanneer er regen valt. De regen is het resultaat van onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna), en onbaatzuchtige dienstbaarheid komt voort uit handelen. (Zie ook 4.32) Handelen is in de Veda’s voorgeschreven. De Veda’s komen van Brahma (de Eeuwige Wezen). Zodoende, is het allesdoordringende Brahma altijd in Sevâ aanwezig. (03.14-15)
Wie, aldus, het in beweging gebrachte wiel der schepping niet verder draaiend houdt door het nakomen van de wet van de offerande (Sevâ), en die in zinnelijke genoegens zijn vreugde vindt, deze zondige mens leeft een nutteloos leven, o Pârtha (Arjuna). (03.16)
Maar voor de mens die zich in de Eeuwige Wezen (Brahma) verheugt, in de Eeuwige Wezen zijn voldoening en vrede vindt, bestaat voor deze Zelf-gerealiseerde persoon geen werk dat gedaan moet worden. (03.17)
Zo een persoon stelt geen belang in wat hij verkrijgt door handelingen die hij gedaan heeft. Een Zelf-gerealiseerde persoon is van niemand voor iets afhankelijk (uitgezonderd voor God). (03.18)
LEIDERS MOETEN HET VOORBEELD GEVEN
Daarom, verricht goed jouw plicht, zonder baatzuchtige gehechtheid aan de resultaten, want de mens die zonder gehechtheid handelt, bereikt de Verhevene Wezen. (03.19)
Zelfs koning Janaka en anderen hebben enkel door onbaatzuchtige dienstverlening (handelen) (Karma-yoga) volmaaktheid (of, Zelfrealisatie) bereikt. Ook jij moet jou plicht vervullen met het welzijn der mensheid voor ogen. (03.20)
Omdat, wat edele personen ook doen, anderen volgen. Welke normen zij ook stellen, de gehele wereld neemt hen als voorbeeld. (03.21)
O Pârtha (Arjuna), in de drie werelden (hemel, aarde, en de lagere gewesten), is niets dat door Mij gedaan moet worden, noch iets voor Mezelf te bereiken wat nog niet bereikt is; toch ben Ik voortdurend bezig met handelen. (03.22)
31
Als Ik niet onvermoeid zou doorwerken, dan zouden de mensen Mijn pad overal gaan volgen, o Pârtha. Deze werelden zouden vergaan als ik niet werkte, en zou Ik de oorzaak zijn van verwarring en de vernietiging van al deze mensen. (03.23-24)
WAT ZOU DE WIJZE TEGENOVER DE ONWETENDE MOETEN DOEN
Zoals de onwetenden werken, o Zoon van Bharata (Arjuna), met gehechtheid aan de vruchten der handeling, zo moet de wijze mens zonder enige gehechtheid werken voor het welzijn van de maatschappij. (03.25)
De wijzen mogen geen verwarring brengen in het denken der onwetenden die gehecht zijn aan de vruchten der handeling, maar de ‘één geworden persoon met Mij’ (de toegewijde) moet anderen inspireren om al hun handelingen toegewijd en zonder zelfzuchtige gehechtheid te volbrengen. (Zie ook 3.29) (03.26)
Alle handelingen zijn het gevolg van de energie en de kracht van de natuur, maar door de misleidende onwetendheid, denken de mensen de doeners te zijn. (Zie ook 5.09, 13.29, en 14.19) (03.27)
AL DE WERKEN ZIJN DE WERKEN VAN DE NATUUR
Maar hij die de Waarheid kent, o Sterkarmige (Arjuna), en het verband ziet tussen de krachten van de natuur en het handelen, eigent zich aan het handelen geen gehechtheid, goed wetende dat de krachten der natuur met hun instrumenten – onze organen – werken. (03.28)
Degenen die misleid worden door de illusoire kracht (Mâyâ) der natuur, raken gehecht aan de activiteiten door natuurkrachten verwezenlijkt. De wijze mens, mag de onwetende van wie de kennis onvolledig is, niet in verwarring brengen. ( Zie ook 03.26) (03.29)
Wijd al jouw handelingen aan Mij in een spirituele gemoedstoestand, zonder de koortsachtige begeerte, gehechtheid, en mentale ongenoegen. (03.30)
De mensen die altijd deze leer van Mij volgen – in geloof (of, volle attentie en oprechtheid), en zonder bedenkingen – zijn van de slavernij van Karma verlost. Zij, echter, die Mijn leer geringschatten en deze niet in praktijk brengen, weet dat ze door onwetendheid zonder kennis zijn, waardeloos en verloren. (03.31-32)
Alle wezens volgen hun natuur (aard). Zelfs de wijzen handelen volgens hun eigen natuur. Wat zou dan onderdrukking baten? (03.33)
32
TWEE STRUIKELBLOKKEN OP HET PAD VAN DE VOLMAAKTHEID
Gehechtheid en afkeer (Râga en Dvesa) tegenover de objecten der zinnen liggen verankerd in de zinnen. Men mag niet in de macht van deze twee komen te staan, daar ze twee hinderpalen zijn op het pad der Zelfrealisatie. (03.34)
Het is beter zijn eigen plicht onvolmaakt te vervullen dan de plicht van iemand anders volmaakt. Het is feitelijk beter te sterven bij het vervullen van zijn eigen plicht, want de plicht van een ander is vol gevaar. (Zie ook 18.47) (03.35)
LUST IS DE OORSPRONG VAN DE ZONDE
Arjuna zei: o Vârshneya (Krsna), wat is dat de mens doet zondigen, schijnbaar tegen zijn wil, en als het ware aangezet door een vreemde kracht? (03.36)
De Verhevene Heer zei: het is begeerte (lust, Kâma), voortspruitend uit passie (Rajo Guna) dat woede boosheid wordt (wanneer onverzadigd). De begeerte is onverzadigbaar, en is het grote kwaad. Weet, dat het de vijand is. (03.37)
Zoals vuur omgeven wordt door rook, zoals een spiegel bedekt wordt door stof, zoals de moederschoot het embryo omsluit, zo wordt Zelfkennis (Brahma-jnâna) door de begeerte verduisterd. O Zoon van Kunti (Arjuna), Zelfkennis (Brahma-jnâna) wordt door dit onverzadigbare vuur van verlangen omgeven, de onsterfelijke vijand van de wijzen. (03.38-39)
Men zegt, dat de zinnen, het gemoed, en het intellect de zetel zijn van de begeerte (lust, Kâma). Kâma, die de zinnen, het gemoed, en het intellect controleert, brengt de persoon in verwarring door Zelfkennis (Jnâna) te bedekken. (03.40)
Daarom, o beste van de Bharatas (Arjuna), beheerst eerst jouw zinnen, en dood dan deze boze geest der materiële begeerte, die Zelfkennis en Zelfrealisatie vernietigt. (03.41)
HOE LUST BEHEERSEN
Men zegt, dat de zinnen belangrijker zijn dan het lichaam, het gemoed belangrijker dan de zinnen, het intellect belangrijker dan het gemoed, en Atmâ (Geest) belangrijker dan het intellect. (Zie ook KaU 3.10, en Gîtâ 06.07-08) (03.42)
Aldus wetende, dat het Zelf (Atmâ) belangrijker is dan het intellect, en het gemoed beteugelend door het intellect (met spirituele praktijken
33
gezuiverd), moet men deze machtige vijand begeerte (lust, Kâma) verslaan, o Sterkarmige (Arjuna). (Zie ook KaU 03.03-06) (03.43)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het derde hoofdstuk, genaamd “Het Pad der Dienstbaarheid”.
34
HOOFDSTUK 4
HET PAD DER ZELFVERLOOCHENING DOOR KENNIS
KARMA-YOGA IS EEN OUDE VERGETEN GEBOD
De Verhevene Heer zei: deze eeuwige Karma-yoga, de wetenschap van de juiste handeling, maakte ik aan Vivasvan bekend. Vivasvan gaf het aan Manu. Manu onderwees het aan Ikshvaku. Aldus doorgegeven in opvolging, bleef deze Karma-yoga aan de Koninklijke Wijzen bekend. Na verloop van een lange tijd echter, geraakte de wetenschap van Karma-yoga in deze wereld verloren, o Parantapa (Arjuna). Deze zelfde oude wetenschap is je vandaag door Mij uiteengezet, want jij bent Mijn oprechte toegewijde en vriend. Karma-yoga is werkelijk een verheven geheime leer. (04.01-03)
Arjuna zei: Jij werd later geboren, terwijl Vivasvan in vroegere tijden leefde. Hoe kan ik dan begrijpen dat Jij in het begin van de schepping deze yoga hebt bekend gemaakt? (04.04)
HET DOEL VAN GOD’S INCARNATIE
De Verhevene Heer zei: ik en jij, zijn beiden door vele geboorten heengegaan. Ik ken ze allen, o Arjuna, maar jij kent de uwe niet, o Parantapa (Arjuna) (04.05).
Hoewel Ik eeuwig ben, onveranderlijk, en de Heer van alle wezens, toch word Ik, heersende over Mijn eigen materiële Natuur, geboren uit Mijn eigen potentiële goddelijke energie (Yoga-mâyâ). (Zie ook 10.14) (04.06)
Wanneer Dharma (Gerechtigheid) in verval geraakt, en Adharma (Ongerechtigheid) tot verheffing komt, o Bharata (Arjuna), dan verschijn Ik op aarde. Ik belichaam Mij dus van eeuw tot eeuw ter bescherming van het goede, ter vernietiging van het kwade, en tot herstel van rechtvaardigheid (Dharma). (Zie ook TR 1.120.03-04) (04.07-08)
Hij, die Mijn transcendentale verschijning en handelingen (der schepping, behoud en dissolutie) echt begrijpt, bereikt Mijn verheven woning, en wordt niet herboren na zijn lichaam te hebben verlaten, o Arjuna. (04.09)
Bevrijd van hartstocht, angst en woede boosheid, vervuld van Mij, zijn toevlucht bij Mij zoekend, gelouterd door het vuur van Zelfkennis, hebben al velen de verlossing (Mukti) bereikt. (04.10)
35
HET PAD VAN AANBIDDING EN GEBED
Op welke wijze de mensen Mij ook aanbidden, op die wijze vervul Ik hun verlangens. Mensen aanbidden Mij met verschillende motieven, o Pârtha (Arjuna). (04.11)
Zij, die naar succes verlangen in hun werk deze wereld, aanbidden de halfgoden (Devas), want actie heeft in de wereld der mensen snel welslagen tot gevolg. (04.12)
WERKVERDELING NAARGELANG DE VAARDIGHEID VAN DE MENSEN
De vier verdelingen (vierkastenstelsel) zijn uit Mij voortgevloeid in overeenstemming met het natuurlijk onderscheid in bekwaamheid en roeping. Ofschoon Ik hiervan de schepper ben, weet dan toch dat Ik de eeuwige niet-doener ben. (Zie ook 18.41) (04.13)
Handelingen hebben geen invloed op Mij; en, Ik verlang niet naar de vruchten van mijn handelingen. Wie deze waarheid volledig begrijpt en praktiseert, is aan Karma niet gebonden. (04.14)
De zoekers naar bevrijding uit vroegere tijden vervulden hun plichten in deze verstandshouding. Verricht ook jij daarom jouw plicht zoals de ouden dat ooit deden. (04.15)
GEBONDEN, ONTBONDEN, EN VERBODEN DADEN
Zelfs de grootste wijzen waren verward bij het stellen van de vragen: ‘wat is handelen, en wat is niet-handelen?’ Daarom, zal Ik u uitleggen wat de handeling is, daar deze kennis je van onheil zal bevrijden. (04.16)
De ware natuur van de handeling is zeer moeilijk te begrijpen. Daarom, moet men weten wat de natuur van de onbaatzuchtige handeling is, en tevens de natuur van de ongeoorloofde handeling. (04.17)
EEN KARMA-YOGI IS NIET ONDERWORPEN AAN DE KARMISCHE WETTEN
Wie niet-handelen in handelen ziet, en handelen in niet-handelen, is een wijze persoon. Hij is een yogi en volbrengt al zijn werk. (Zie ook 3.05, 3.27, 5.08 en 13.29) (04.18)
Wie alles wat hij onderneemt zonder begeerte volbrengt door in het vuur van de Zelfkennis geworteld te zijn, wordt door de wijzen als intelligent beschouwd. (04.19)
Hij die de begeerte naar de vruchten van de handeling heeft opgegeven, altijd tevreden is en van niets afhankelijk behalve tegenover God, en
36
hoewel in activiteit geëngageerd, doet in werkelijkheid niets, en ondergaat geen Karmische reactie. (04.20)
Wie zijn begeerten, zijn gedachten en zijn zinnen beheerst, van alle eigendomsrecht afstand heeft gedaan, hoewel hij handelt, blijft hij ontbonden van de boeien der Karmische reactie. (04.21)
Tevreden met alles wat zich voordoet, vrij van de invloed der ‘paren van tegenstellingen’, zonder afgunst, onberoerd in slagen en falen; en, hoewel hij handelt, de Karma-yogi is aan Karma niet gebonden. (04.22)
Hij die van gehechtheid vrij is, welk gemoed op Zelfkennis is gevestigd, en met dienstbaarheid (Sevâ) aan de Heer bezield, welke handelingen offeranden zijn, smelt alle Karmische gebondenheid weg. (04.23)
De Eeuwige Wezen (Brahma) is het offer. Brahma is de gezuiverde boter. Brahma offert in het vuur van Brahma. De mens die alles beschouwt als zijnde een handeling van Brahma, bereikt Brahma. (Zie ook 09.16) (04.24)
VERSCHILLENDE TYPEN VAN GEESTELIJKE PRAKTIJKEN OF OFFERDADEN
Sommige yogi’s schenken het offer aan de halfgoden (Devas), anderen bieden het offer van Zelfkennis in het vuur van de Eeuwige Wezen (Brahma). (04.25)
Anderen offeren de werking van hun gehoor en zinnen in het vuur van de zelfbeheersing; anderen offeren geluid en andere objecten der zinnen in het vuur der zinnen (om te komen tot volledige zelfbeheersing en Zelfkennis). (04.26)
Weer anderen offeren de functies der zinnen, en de functies van de vijf bio-impulsen (Prâna) in het vuur der zelfbeheersing, dat door kennis wordt ontstoken. (04.27)
Alweer offeren sommigen door het opgeven van hun materiële rijkdom, of hun ascese en onthouding, terwijl anderen dit doen door toewijding, studie en kennis, door matigheid en strenge geloften. (04.28)
Weer anderen offeren de inademing in de uitademing en de uitademing in de inademing; zij regelen en beteugelen de stroom van de uitademing en de inademing als offerande, volledig verzonken in een adembeheersing trance toestand (Samâdhi), (door korte Kriyâ ademhaling technieken te gebruiken). (04.29)
Nog anderen, sober met voedsel, offeren hun levensadem in de levensadem. Ze weten allen wat offeren is, en worden door hun offers van hun zonden (Karmische schuld) bevrijd. (04.30)
Zij, die zich laven in onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna) bekomen de nectar van Zelfkennis als resultaat van hun offer, en gaan in tot het onveranderlijke, Eeuwige Wezen (Brahma). O beste der Kurus
37
(Arjuna), voor hem die niet offert is er geen plaats in deze wereld, en in de andere wereld nog veel minder. (Zie ook 04.38 en 05.06) (04.31)
Zo bevinden zich verschillende soorten disciplines beschreven in de Veda’s. Weet dat zij alleen uit Karma of de handeling van het lichaam, het gemoed, en de zinnen geboren zijn. Dit wetende zult gij de verlossing (Moksa, Nirvâna) bereiken. (Zie ook 03.14) (04.32)
HET BEREIKEN VAN TRANSCENDENTALE WIJSHEID IS EEN SUPERIEURE GEESTELIJKE PRAKTIJK
Beter dan het materiële offer is het offer van kennis, o Parantapa (Arjuna); daar, alle handelingen samen in transcendentale kennis culmineren, o Pârtha (Arjuna). (04.33)
Ontvangt de transcendentale kennis van een Zelf-gerealiseerde persoon in nederigheid, oprechte onderzoek, en in dienstbaarheid. De wijzen die de Waarheid hebben gerealiseerd zullen u onderrichten. (04.34)
Indien jij de transcendentale wetenschap eigen hebt gemaakt, o zoon van Pandu (Arjuna), dan ga je nooit meer in verwarring geraken. Met deze kennis zult je de ganse schepping in je eigen zelf zien en aldus in Mij. (Zie ook 06.29, 06.30, 11.07, 11.13) (04.35)
Zelfs al ben je de grootste van alle zondaren, dan nog kunt je de oceaan der zonde oversteken op het vlot van Zelfkennis (Brahma-jnâna). (04.36)
Zoals het brandende vuur hout tot as herleidt; zo herleidt het vuur van Zelfkennis (Brahma-jnâna) alle handelingen van Karma tot as, o Arjuna. (04.37)
TRANSCENDENTALE KENNIS IS AAN DE KARMA-YOGI AUTOMATISCH GEOPENBAARD
In deze wereld is er niets dat zo reinigt als Jnâna, de ware kennis van de Verhevene Wezen (Para-Brahma). Hij, die door Karma-yoga gezuiverd is, ontdekt deze kennis langzaamaan vanzelf in zich ontwaken. (Zie ook 04.31, en 05.06, 18.78). (04.38)
De mens die geloof heeft en oprecht is in yogische praktijken, daarbij de zinnen heeft beheerst, vindt spoedig transcendentale kennis. In deze verworvenheid, bereikt hij vlug de verheven vrede. (04.39)
De onwetende, sceptische, en ongelovige mens gaat verloren. De ongelovige mens kent geen geluk in deze wereld, noch in de volgende. (04.40)
38
TRANSCENDENTALE KENNIS EN KARMA-YOGA ZIJN BEIDE VOOR NIRVANA NODIG
Hij, die door Karma-yoga aan alle handelingen heeft verzaakt, is door niets meer gebonden, daar hij elke twijfel door Zelfkennis en zelfbeheersing heeft verdreven, o Dhananjaya (Arjuna). (04.41)
Daarom, roei met het zwaard van Zelfkennis de twijfel uit je gemoed die door onwetendheid is ontstaan, en neem toevlucht tot Karma-yoga, en sta op om te vechten, o Bharata (Arjuna). (04.42)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het vierde hoofdstuk, genaamd “Het Pad der Zelfverloochening door Kennis”.
39
HOOFDSTUK 5
HET PAD DER VERZAKING
Arjuna zei: o Krsna, jij prijst transcendentale kennis (Sâmkhya, Karma-samnyâsa), en ook het beoefenen van onbaatzuchtige dienstbaarheid (Karma-yoga). Zeg mij duidelijk wat van deze twee het beste is. (Zie ook 05.05) (05.01)
De Verhevene Heer zei: het pad der Zelfkennis (Karma-samnyâsa) en het pad der onbaatzuchtige dienstbaarheid (Karma-yoga, Sevâ), voer beide naar het verhevene doel. Maar, van deze twee, is Karma-yoga beter dan Karma-samnyâsa. (05.02)
Als ware Nitya Sannyâsin (Verzaker) moet beschouwd worden, hij die geen haat noch begeerte koestert, die onverschillig staat tegenover de paren van tegenstellingen, o Sterkarmige (Arjuna). Hij wordt zodoende gemakkelijk uit de Karmische gebondenheid bevrijd. (05.03)
BEIDE PADEN LEIDEN TOT DE VERHEVENE
Slechts de onwetenden – niet de wijzen – maken verschil tussen het pad der Zelfkennis (Karma-samnyâsa) en het pad van onbaatzuchtige dienstbaarheid (Karma-yoga) als zijnde verschillend van elkaar. De persoon die zich toelegt op de ene, verwerft zich de vruchten van beide. (05.04)
Het doel dat verkregen wordt door de verzaker (Samnyâsî), wordt eveneens bereikt door de Karma-yogi die hetzelfde doel treft. Daarom, hij die ziet dat het pad der verzaking en het pad van onbaatzuchtige activiteit één zijn, heeft het juiste inzicht verworven. (Zie ook 06.01 en 06.02) (05.05)
Maar, ware verzaking (Samnyâsa), o Sterkarmige (Arjuna), is zonder Karma-yoga moeilijk te bereiken. De wijze die aan Karma-yoga is toegewijd bereikt snel Brahma. (Zie ook 04.31, en 04.38) (05.06)
De Karma-yogi, van wie het gemoed zuiver is, en het gemoed en zinnen onderworpen zijn, en die de ene en dezelfde Eeuwige Wezen (Brahma) in alle schepselen herkent, is aan Karma niet gebonden, al handelt hij. (05.07)
EEN TRANSCENDENTALE BESCHOUWT ZICHZELF ALS IEMAND DIE NIETS DOET
De wijze (of Samnyâsî) die de waarheid kent, denkt: “ik ben het niet die handelt.” Bij het zien, horen, voelen, ruiken, eten, lopen, slapen, ademen, spreken, geven, nemen, de ogen open of gesloten, de Samnyâsî gelooft
40
dat enkel de zinnen zijn die zich bewegen temidden van de objecten der zinnen. (Zie ook 03.27, 13.29, en 14.19) (05.08-09)
EEN KARMA-YOGI WERKT VOOR GOD
Wie handelt door zijn daden aan de Heer te offeren – en iedere gehechtheid aan de gevolgen heeft prijs gegeven – wordt door Karmische reactie of zonde niet aangetast, evenmin als een lotusblad door water. (05.10)
Na zich van gehechtheid te hebben ontdaan, verrichten de Karma-yogi’s met hun lichaam, gemoed, intellect, en zinnen, handelingen met het doel zichzelf te zuiveren. (05.11)
Een Karma-yogi die de vrucht der handeling heeft opgegeven, bereikt de verhevene gelukzaligheid; terwijl andere, die aan de vrucht der handeling gehecht zijn, raken aan gehechtheid verstrikt (05.12)
HET PAD VAN DE KENNIS
De mens die zichzelf beheerst en aan de vruchten van de handelingen volledig heeft verzaakt, woont in vrede in de stad met negen poorten. Hij handelt niet, noch is hij de oorzaak tot handelen. (05.13)
De Heer schept voor de mensen noch het vermogen tot handelen, noch de werking ervan, noch de verbinding tussen de handeling en haar vruchten. Het zijn de krachten (Gunas) van de Natuur die alles doen (05.14)
De Heer heeft geen deel aan iemands goede of slechte daden. De Zelfkennis wordt verduisterd door onwetendheid, waarbij mensen op een dwaalspoor worden gebracht (en, doen slechte daden). (05.15)
Transcendentale kennis vernietigt de onwetendheid van het Zelf en openbaart de Verhevene zoals de zon de schoonheid van de wereld laat zien. (05.16)
Het denken gevestigd op de Eeuwige Wezen (Brahma, TAT), het gemoed en het intellect op Brahma berustend, Brahma makend tot het enige doel en toevlucht, en als het enige onderwerp van toewijding, zodoende van onzuiverheid (zonde) ontlast door de kennis van Brahma, worden deze mensen nooit meer herboren. (05.17)
BIJKOMENDE KENMERKEN VAN EEN VERLICHTE PERSOON
De verlichte mens (door de Heer in alles te zien) maakt geen onderscheid tussen een geleerde en nederige Brahmaan, een paria, zelfs een koe, een olifant, of een hond. (Zie ook 6.29) (05.18)
41
Iemand met een evenwichtig en harmonisch gemoed, overwint alles in dit leven. Zo een mens heeft de Eeuwige Wezen (Brahma) gerealiseerd, daar de Eeuwige Wezen perfect is en dezelfde in iederéén. (Zie ook 18.55, en ChU 2.23.01)(05.19)
De mens die de Eeuwige Wezen (Brahma) kent, verheugt zich niet wanneer hij verkrijgt wat aangenaam is, noch bedroeft het hem wanneer hij verkrijgt wat onaangenaam is. (05.20)
Zo een persoon, waarvan het hart niet gehecht is aan uiterlijke sensuele genoegens, en die in eenheid verblijft met de Eeuwige Wezen (Brahma), ontdekt de vreugde van het Zelf door contemplatie, en neem deel aan transcendentale gelukzaligheid. (05.21)
Sensuele genoegens zijn waarlijk een bron van ellende, en hebben een begin en een einde. Daarom, o zoon van Kunti (Arjuna), verblijden de wijzen niet in sensuele genoegens. (Zie ook 18.38) (05.22)
Wie hier op aarde in staat is, nog vóór de dood, de aandrang van verlangens en woede boosheid weet te weerstaan, is een yogi, en een gelukkige persoon. (05.23)
Wie innerlijk gelukkig is, die innerlijke vreugde kent, die door Zelfkennis verlicht is, die yogi bereikt Brahma-nirvâna, en gaat naar de Verhevene Wezen (Para-Brahma). (05.24)
De zieners, van wie de zonden (onvolmaaktheden) zijn vernietigd, hun twijfels door Zelfrealisatie (Jnâna) verdwenen, van wie het gemoed gedisciplineerd is, altijd gericht op het welzijn van alle schepselen, bereiken de Verhevene Wezen (Par-Brahma). (05.25)
Zij die van begeerte (verlangens) en woede boosheid vrij zijn, die hun gemoed en zinnen beheersen en het ware Zelf kennen, bereiken spoedig Brahma-nirvâna. (05.26)
HET DERDE PAD – HET PAD VAN DEVOTIONELE MEDITATIE EN CONTEMPLATIE
De wijze is vrij, die waarlijk aan sensuele genoegens heeft verzaakt, door zijn ogen en gemoed te vestigen (op het ingebeelde zwarte punt) tussen de wenkbrauwen, die de adem, zowel bij het in- als het uitademen, gelijkmatig door beide neusgaten laat gaan (met de Kriyâ technieken); de zinnen, het gemoed en het intellect onder beheersing, verlossing (Mukti) als enige doel hebbend; en, alle verlangens, boosheid, en vrees voor altijd van zich te hebben geworpen. (05.27-28)
Zo bereikt mijn devoot (toegewijde) vrede door Mij te kennen (of, Krsna, de Verhevene Wezen (Para-Brahma), als de Genieter van offeranden en ascese, de Machtige Heer van het gehele universum, en de vriend van alle wezens. (05.29)
42
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het vijfde hoofdstuk, genaamd “Het Pad der Verzaking”.
43
Hoofdstuk 6
HET PAD DER MEDITATIE
EEN KARMA-YOGI IS EEN VERZAKER
De Verhevene Heer zei: hij, die zijn plicht verricht dat gedaan behoort te worden, zonder (om persoonlijke genoegens) de vruchten ervan te eisen is een verzaker (Samnyâsi) en een Karma-yogi. Men wordt geen Samnyâsi door het vuur niet aan te steken, noch wordt men een yogi door geen werk te verrichten. (06.01)
O zoon van Pându (Arjuna), dat wat verzaking (Samnyâsa) genoemd wordt, staat ook als Karma-yoga bekend. Niemand wordt een Karma-yogi zonder zijn baatzuchtige doeleinden op te geven. (Zie ook 05.01, 05.05, 06.01, en 18.02) (06.02)
EEN DEFINITIE VAN YOGA
Voor de wijze die streeft naar het achtvoudige yoga pad, is onbaatzuchtig handelen het middel. Voor iemand die yoga bereikt heeft, standvastigheid is het doel (van de Zelfrealisatie). Er wordt gezegd, dat een persoon yogische volmaaktheid heeft bereikt wanneer hij of zij alle gehechtheid heeft opgegeven, en niet is gebonden aan de voorwerpen van de zinnen of handelingen. (06.03-04)
HET GEMOED IS DE BESTE ZOWEL ALS DE SLECHTSTE VRIEND
Men dient het zelf door het Zelf laten verheffen, en niet dulden dat het Zelf wordt vernederd. Het Zelf is de vriend, of de vijand van het zelf. Het Zelf is, waarlijk, de vriend van het zelf van hen die het hebben beheerst. Maar voor hen die het zelf niet overwonnen hebben is het Zelf aan een vijand gelijk. (06.05-06)
Wie het zelf heeft overwonnen – het gemoed en de zinnen – beleeft de rust van de zelfbeheersing in hitte en koude, in vreugde en pijn, in eer en oneer, en verblijft standvastig tegenover het verhevene Zelf. (06.07)
Een persoon wordt een yogi genoemd die tegelijk in Zelfkennis en Zelfrealisatie verankerd is, die het gemoed en de zinnen beheerst, voor wie een kluit aarde, een kei, en een klomp goud eender zijn, wat men gelijkmoedigheid noemt (06.08)
Een persoon die zonder voorkeur staat tegenover metgezellen, vrienden, vijanden, neutralen, buitenstaanders, haatdragers, verwanten, heiligen en zondaren. (06.09)
44
MEDITATIE TECHNIEKEN
De yogi behoort voortdurend in de eenzaamheid en stilte te verblijven om zich op de Verhevene Wezen te concentreren, na het gemoed en de zinnen te hebben beheerst, vrij van begeerte en drang naar bezit. (06.10)
Op een reine plek gezeten, op een eigen vaste zitplaats die niet te hoog of te laag is, bedekt met een laken, de huid van een antilopenhuid en kushagras, boven op elkaar gelegd. Laat hem daar, als hij het denken eenpuntig gemaakt heeft met zijn gedachten en zintuigen onder beheersing, en op die zitplaats gezeten zich richten op meditatie om het zelf te zuiveren. (06.11-12)
Met zijn lichaam, hoofd en hals rechtop, onbeweeglijk en bedaard, gaat hij met gesloten ogen de blik gericht op de punt van de neus, in geen andere richting kijken. Zo dient hij er te zitten innerlijk in vrede, onbevreesd, onwrikbaar in het celibaatleven (de belofte van een Brahmachari), zijn denken beheersend, zijn gedachten gericht op Mij als het verheven doel. (Zie ook 04.29, 05.27, 08.10 en 08.12) (06.13-14)
De yogi die zijn denkvermogen beheerst, en aldus steeds gericht is op Mij, komt tot de vrede van Brahma-nirvâna, en dat is in Mij. (06.15)
Alvast is deze yoga niet geschikt voor hem die te veel eet, ook niet die overdreven vast; die teveel of te weinig slaapt, o Arjuna. (06.16)
Meditatie-yoga verdrijft alle pijn voor hem, die matig is in eten en ontspanning, matig in zijn gedragingen, matig in slapen en waken. (06.17)
Als hij zo, met een beheerst gemoed, in de Eeuwige Wezen (Brahma) verblijft, vrij van verlangen naar alle begerenswaardige dingen, dan wordt er gezegd dat hij Brahma in Samâdhi (Trance) heeft bereikt. (06.18)
Als een lamp die, tegen de wind beschut, niet flikkert, hiermee vergelijkt men het beheerste gemoed van de yogi in meditatie op de Eeuwige Wezen (Brahma). (06.19)
Wanneer door de beoefening van de meditatie het denkvermogen tot rust is gekomen, dan openbaart de Eeuwige Wezen (Brahma) zich. Als de persoon het eenmaal met het gezuiverde intellect heeft gezien, dan vindt hij vervulling en tevredenheid. (06.20)
Wanneer iemand de oneindige gelukzaligheid kent, die in het intellect wordt waargenomen en die buiten het bereik der zinnen ligt; zijnde aldus, in de Eeuwige Wezen (Brahma) gerealiseerd, is hij van de absolute realiteit nooit gescheiden. ( Zie ook KaU 3.12) (06.21)
Wanneer hij, na Zelfrealisatie bereikt te hebben, inziet dat er niets hogers of beters kan zijn, als daarin gevestigd, kan het grootste leed hem niet doen wankelen. (06.22)
45
Dan zal hij weten dat dit verheven zijn boven de vereenzelviging met pijn, yoga wordt genoemd. Deze yoga moet met een vastberaden en standvastig gemoed beoefend worden. (06.23)
Wanneer hij elk baatzuchtige verlangen, die door voornemens zijn ontstaan, achter zich heeft gelaten, en door het denkvermogen de zinnen en organen onderworpen heeft aan de Eeuwige Wezen (Brahma), zal hij langzaam maar zeker, door geduld, voortdurende inspanning en beheerste rede tot innerlijke kalmte komen, om aan niets anders te denken. (06.24-25)
Hoe het rusteloze en ongestadige denkvermogen ook moge ronddolen, moet hij het beheersen en terugbrengen onder de macht van de Heer Krsna, de Verhevene Personaliteit van de Goddelijkheid. (06.26)
WIE IS EEN YOGI
De verheven vreugde komt tot de Zelfgerealiseerde yogi, daar het gemoed in vrede is, de hartstochten en verlangens beteugeld, en die van zonde (of fouten) is bevrijd. (06.27)
Zo een yogi, die vrij is van zonde, bereikt moeiteloos de Eeuwige Wezen (Brahma), daar in voortdurende vereniging met Brahma. (06.28)
Wie opgaat in deze yoga, ziet de Eeuwige Wezen (Brahma) in alle wezens, en alle wezens in de Eeuwige Wezen, dus overal ziet hij de Eeuwige Wezen. (Zie ook 04.35, 05.18) (06.29)
Wie Mij in alles ziet, en alle dingen in Mij, die verlaat Mij niet, en is nooit door Mij verlaten. (06.30)
Wie in spirituele eenheid gevestigd is, en Mij aanbidt als wonende in alle wezens, verblijft in Mij in de toestand hij ook verkeert. (06.31)
Hij wordt als de beste yogi beschouwd, die gelijkheid ziet in alle wezens, en reageert op de vreugde en het verdriet van anderen als betrof het zichzelf, o Arjuna. (06.32)
TWEE METHODEN OM HET RUSTELOOS GEMOED TE BEDWINGEN
Arjuna zei: o Madhusûdana (Krsna), in deze yoga van de meditatie, die zoals jij hebt verklaard als zijnde de yoga van evenwichtigheid en gelijkmoedigheid, vind ik door rusteloosheid van het gemoed geen vaste grondslag. Want, het gemoed is vol onrust, onstuimig, sterk, en weerspannig, o Krsna. Ik geloof dat het even moeilijk te beteugelen is als de wind. (06.33-34)
De Verhevene Heer zei: ongetwijfeld, o Sterkarmige (Arjuna), is het gemoed rusteloos en moeilijk te beteugelen; maar door regelmatige
46
oefening in volharding en ongehechtheid, o zoon van Kunti, kan het bedwongen worden. (06.35)
Naar mijn mening, is yoga door een onbeheerst gemoed moeilijk te bereiken. Niettemin, is yoga bereikbaar, voor wie zijn gemoed beheerst aan de hand van eigen en juiste inspanning. (06.36)
HET LOT VAN EEN ONBEKWAME YOGI
Arjuna zei: wat is de bestemming van iemand die oprecht gelooft, maar die het gemoed niet helemaal kan beheersen en afdwaalt van het pad van de meditatie waarbij hij zijn doel uit het oog verliest, o Krsna? (06.37)
Zal hij, gescheiden van deze beide, als een vaneen gescheurde wolk, o Sterkarmige (Krsna), onzeker en zonder steun verloren gaan (yoga en Bhoga, de hemelse en wereldse genoegens), op het pad der Zelfrealisatie? (06.38)
O Krsna, jij bent de enige die in staat is mijn twijfel volledig te verdrijven, daar geen ander dan jij in staat is mijn twijfel uit te wissen. (Zie ook 15.15) (06.39)
De Verheven Heer zei: o zoon van Pritha (Arjuna), zulk een yogi gaat niet verloren, noch hier, noch in het hiernamaals. Een transcendente (hij die goede dingen doet) kan niet te gronde worden gebracht, mijn geliefde vriend. (06.40)
Hij of zij, die in yoga tekort is geschoten, na vele jaren in de hemel zijn verbleven, wordt in het huis der vromen en voorspoedigen herboren. Of, in een familie van wijze yogi’s geboorte verkrijgen, maar een dergelijke geboorte is zeer moeilijk te halen in deze wereld. (06.41-42)
Aldus wedergeboren, wordt de wijsheid van hem of zij die in voorgaande levens zijn verworven wederom tot ontwaken gebracht, om meer dan voorheen naar volmaaktheid te streven, o Afstammeling van Kuru (Arjuna). (06.43)
Hij of zij, die in yoga tekort is geschoten, wordt onweerstaanbaar naar de Eeuwige Wezen gedreven op grond van de inspanningen (Sanskara) in yogische praktijken van vorige levens. Zelfs de zoekende in yoga naar gemeenschap met God, stijgt uit boven hen die Vedische rituelen volgen. (06.44)
De yogi die met ijver streeft, wordt volledig bevrijdt van al zijn zonden (of onvolmaaktheden), na zichzelf in ontelbare levens te hebben vervolmaakt, en zal uiteindelijk het verheven doel bereiken. (06.45)
47
WIE IS DE BESTE YOGI
De yogi staat boven de asceten. De yogi staat boven de (Vedische) scholastieken. De yogi staat boven de ritualisten. Daarom, o Arjuna, wees in alle omstandigheden een yogi. (06.46)
Ik beschouw de yogi-toegewijde als de beste, die Mij met liefde aanschouwt in verheven geloof, waarbij gemoed steeds in Mij opgaat. (Zie ook 12.02 en 18.66) (06.47)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het zesde hoofdstuk, genaamd “HetPad der Meditatie”.
48
Hoofdstuk 7
ZELFKENNIS EN VERLICHTING
De Verhevene Heer zei: o Zoon van Pârtha (Arjuna), hoor thans hoe jij met jouw gemoed steeds op Mij gericht, door het beoefenen van yogische praktijken tot Mij jouw toevlucht neemt, en Mij ten volle en zonder enige twijfel zult kennen. (07.01)
METAFYSISCHE KENNIS IS DE UITERSTE KENNIS
Ik zal je deze Zelfkennis (Jnâna) en geestelijke verlichting (Vijnâna), ten volle openbaren, en wanneer jij je die eigen hebt gemaakt, blijft er verder niets over te weten. (Zie ook MuU 1.01.03). (07.02)
DE WARE ZOEKERS ZIJN MAAR WEINIG
Onder duizenden mensen is er misschien één die naar de volmaaktheid der Zelfrealisatie streeft, en onder de weinige die zo streven is er misschien een enkele die Mij werkelijk kent. (07.03)
DEFINITIES VAN DE MATERIE, BEWUSTZIJN, EN GEEST
Het gemoed, intellect, ego, ether, lucht, vuur, water, en aarde, dit is de achtvoudige indeling van Mijn materiële energie (Prakrti). (Zie ook 13.05) (07.04)
De materiële energie is Mijn lagere Natuur (Aparâ-sakti, Prakrti, materie). Weet dat Mijn hogere Natuur (Parâ-sakti, Cetanâ, Purusa, Geest) uit het element leven bestaat en het universum in stand houdt, o Sterkarmige (Arjuna). (07.05)
DE VERHEVENE GEEST IS DE GRONDVEST VAN DE MATERIE, BEWUSTZIJN EN GEEST
Weet dat al de schepselen als uit een moederschoot ontspringen. Ik – de Verhevene Wezen (Para-Brahma, Krsna) - ben de bron waaruit het geschapene te voorschijn komt en eveneens de ontbinding van het gehele universum. (Zie ook 13.26) (07.06)
Er is niets, dat hoger is dan Ik, de Verhevene Wezen (Para-Brahma Paramâtmâ), o Dhananjaya (Arjuna). Alle dingen zijn met Mij verweven als parelen aan een snoer. (07.07)
49
DE VERHEVENE GEEST STAAT AAN DE BRON VAN ALLES
O Zoon van Kunti (Arjuna), Ik ben de smaak in het water, het stralende licht in de zon en de maan, de heilige lettergreep AUM (OM° in al de Veda’s, het geluid in de ruimte (akasa, ether), en de mannelijkheid in de man. Ik ben de zoete geur van de aarde, de gloed in het vuur, het leven van al de levende wezens, en de gestrengheid van de asceten. (07.08-09)
O Zoon van Pârtha (Arjuna), ken Mij als het eeuwige zaad van alle schepselen. Ik ben de wijsheid der wijzen, en de stralende pracht van de prachtige dingen. (Zie ook 09.18 en 10.39).
Ik ben de kracht der sterken die ontdaan zijn van lust en zelfzuchtige gehechtheid. Ik ben de lust (Kâma) in de menselijke wezens, in overeenstemming met rechtvaardigheid (Dharma) (voor het enige sacrale doel van de voortplanting in het huwelijksleven), o Heer der Bharata’s (Arjuna). (07.10-11)
Weet dat de drie geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur – goedheid (Sattva), hartstocht (Rajas), en onwetendheid (Tamas), uit Mij voorspruiten. Hoewel Ik niet in hen ben, zijn zij in Mij. (Zie ook 09.04 en 09.05) (07.12)
De menselijke wezens zijn door de verschillende aspecten van deze drie geaardheden (Gunas) der materiële Natuur misleid; daarom kennen ze Mij niet, als de eeuwige en boven deze geaardheden verheven. (7.13)
HOE DE GODDELIJKE ILLUSOIRE KRACHT (MAYA) OVERWINNEN
Want deze, Mijn goddelijke kracht (Mâyâ), bestaande uit de drie geaardheden (Gunas) van het gemoed, is moeilijk te overwinnen. Alleen zij, die hun toevlucht tot Mij nemen, kunnen Mâyâ gemakkelijk overwinnen. (Zie ook 14.26, 15.19 en 18.66) (07.14)
WIE ZIJN OP ZOEKTOCHT NAAR DE ALMACHTIGE?
De boosdoeners, de onwetenden, de laaghartigen die door de begoocheling zijn versluierd, en aan de demonische natuur zijn gehecht door de goddelijke illusoire kracht (Mâyâ), aanbidden en komen niet tot Mij. (07.15)
Vier typen deugdelijke mensen aanbidden Mij, o Arjuna. Ze zijn: hen die lijden, de zoekers naar Zelfkennis, die rijkdom nastreven, en de wijzen die de Verhevene hebben benaderd. (Zie ook TR 1.21.03) (07.16)
Onder hen overtreft de toegewijde (Jnâni-bhakta, de verlichte) die altijd met Mij verenigd is, en de toewijding (devotie) standvastig is, daar Ik de toegewijde (de verlichte devoot) heel dierbaar ben, en hij (of zij) is Mij dierbaar. (07.17)
50
Al deze zoekenden zijn waarlijk edel; maar Ik beschouw de toegewijde (de verlichte devoot) als Mijn zelf, want hij (of zij) die standvastig is, verblijft in Mijn verheven woonst. (Zie ook 09.29) (07.18)
Na vele geboorten komt de wijze (de verlichte devoot) tot Mij, daar hij (of zij) realiseert dat werkelijk alles Vâsudeva (Krsna) is. Zulk een Mahâtma (grote ziel) is moeilijk te vinden. (07.19)
De personen wier denken door begeerten misvormd is, wenden zich in overeenstemming met hun Karmische uitdrukking (Samskâra) tot verschillende rituele gebruiken en nemen hun toevlucht tot andere godheden (devas, halfgoden). (07.20)
DE AANBIDDING VAN EEN GODHEID IS OOK DE ALMACHTIGE AANBIDDEN
Hoe iemand, vol geloof en vertrouwen een godheid aanbidt (ongeacht de naam, vorm, en methode), maak Ik zijn geloof en vertrouwen in de godheid standvastig. Op dat geloof en vertrouwen steunende, zoekt hij een dergelijke godheid (deva, halfgod) te aanbidden, en ontvangt hij de vervulling van zijn wensen, waarvan de voordelen alleen door Mij worden geschonken. (07.21-22)
Deze materiële vruchten die mindere verstandige menselijke wezens ten deel vallen zijn vlug vergaan. De aanbidders van de halfgoden (devas) worden door de halfgoden opgenomen, en zij die Mij aanbidden komen tot Mij. (07.23)
GOD KAN IN EEN BEELD VAN EENDER GEWENSTE VORM VAN AANBIDDING GEZIEN WORDEN
De onwetenden – onbekend met Mijn onveranderlijk, onovertroffen, en transcendentale vorm (of bestaan) – zijn niet in staat om Mij, de Verhevene Wezen (Para-Brahma) te zien, die vormloos ben, en toch vormen of incarnatie aantrek. (07.24)
Versluierd in Mijn goddelijke kracht (Mâyâ), ben Ik voor de onwetenden niet zichtbaar daar ze Mij niet kennen noch begrijpen als de ongeborene, eeuwige, transcendentale vorm en personaliteit. (07.25)
Ik ken, o Arjuna, de wezens van het verleden, het heden en de toekomst, maar in werkelijkheid Mij kent niemand. (07.26)
Door het illusoire van de paren der tegenstellingen, die ontstaan zijn uit aantrekking en afstoting, o Bhârata (Arjuna), vervallen alles wezens bij hun geboorte tot dwaling, o Parantapa (Arjuna). Maar van wie onder de mensen de handelingen zuiver zijn, van wie de Karma of zonde tot een einde gekomen is, die bevrijd zijn van de begoochelende paren van tegenstellingen, aanbidden Mij, standvastig in hun geloften. (07.27-28)
51
Zij die, hun toevlucht volledig tot Mij nemen, strevend naar bevrijding van geboorte, ouderdom en dood, begrijpen Brahma (de Eeuwige Wezen); de natuur van Brahma; en, Karma, de scheppende kracht van Brahma. (07.29)
De standvastige personen die Mij kennen de Adhibhûta ( de sterfelijke wezen), de Adhidaiva ( de tijdelijke Goddelijke Wezens), en Adhiyajna (de Superziel), ook in het uur van de dood, bereikt Mij. (Zie ook 08.04) (07.30)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het zevende hoofdstuk, genaamd “Zelfkennis en Verlichting”.
52
Hoofdstuk 8
DE EEUWIGE BRAHMAN
Arjuna zei: O Krsna, wie is de Eeuwige Wezen (Brahma)? Wat is Adhyâtma, of de natuur van de Eeuwige Wezen? Wat is Karma? Wie zijn de sterfelijke wezens (Adhibhûta)? En, wie zijn de goddelijke Wezens (Adhidaiva)? Wie is de Superziel (Adhiyajna), en hoe verblijft Hij in het lichaam? Hoe zult Jij in het uur van de dood herinnert worden door hen die het gemoed hebben beheerst, o Madhusudhana (Krsna) (? (08.01-02)
DEFINITIE VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, INDIVIDUELE ZIEL, EN KARMA
De Verhevene Heer zei: het onvergankelijke Atmâ (Geest) wordt Brahma (de Eeuwige Wezen) genoemd. Brahma’s wezenlijke aard noemt men het Zelf. De scheppende kracht van Brahma die de geboorte van alle levende entiteiten (Jîva) veroorzaakt noemt men Karma. (08.03)
Sterfelijke wezens worden Adhibhûta genoemd. De uitbreiding van de Goddelijke Persoonlijkheid – als Nârâyana, Mahâ-visnu, Isvara, enz. – worden Goddelijke Wezens (Adhidaiva) genoemd. Ik ben de Superziel (Adhiyajna) wonend in het lichaam als de innerlijke Getuige, o jij beste onder de levende wezens (Arjuna). (08.04)
DE THEORIE VAN REINCARNATIE EN KARMA
Wie in het stervensuur zijn gedachten op Mij gevestigd houdt, komt, wanneer hij zijn lichaam verlaat tot Mij, daar is geen twijfel aan. (Zie ook PrU 03.10) (08.05)
Aan welk object iemand denkt aan het einde van zijn leven bij het verlaten van het lichaam, dat object bereikt hij, o zoon van Kunti (Arjuna), daar hij er in gedachten steeds van vervuld was. (Zie ook ChU 03.14.01) (08.06)
EEN EENVOUDIGE METHODE VAN DE GOD-REALISATIE.
Richt daarom jouw gedachten steeds op Mij en vecht. Met jouw gemoed en intellect op Mij gevestigd zult jij ongetwijfeld tot Mij komen. (08.07)
Met een door Yoga en meditatie geoefend gemoed, dat door niets anders wordt afgeleid, o zoon van Pritha (Arjuna), gaat men tot de Verhevene Wezen. (08.08)
Wie steeds mediteert op de Verhevene Wezen (Para-Brahma) – als de Almachtige, de Alwetende, de Heerser over het Al, de Kleinste van het
53
kleine (en de grootste van het hoogste), de Onderhouder van alles, onbegrijpelijk van vorm, glansrijk als de zon, transcendentaal of verheven boven materiële realiteit – vastberaden, onwrikbaar in toewijding gevestigd door de kracht van Yoga tot in het uur van de dood, zijn levensadem in het krachtmiddelpunt tussen de wenkbrauwen samentrekkend, bereikt de mens Krsna, de Verhevene Goddelijke Persoon. ( (Zie ook de verzen 04.29, 05.27, 06.13, en YV 31.18, KaU 02.20) (08.09-10)
Ik wil je nu in het kort de toestand beschrijven die door de Veda-kenners het onvernietigbare wordt genoemd, en die door hen bereikt worden die van gehechtheid bevrijd zijn, begerig het leven te leiden, waartoe het celibaat beoefend wordt. (Zie ook KaU 02.15) (08.11)
BEREIKT VERLOSSING DOOR OP HET UUR VAN DE DOOD OP GOD TE MEDITEREN
Hij, die alle poorten van het lichaam sluit, zijn gemoed op God gevestigd houdt, en prâna (levensadem) in het hoofd vestigt, voortdurend geconcentreerd in yogische praktijken; verzonken in meditatie op Mij, en de heilige monosyllabe OM uitspreekt, het krachtige geluid van de Eeuwige Wezen (Brahma), bereikt de verheven woonst. (08.12-13)
Ik ben gemakkelijk bereikbaar, o Pârtha (Arjuna), door de altijd toegewijde yogi die steeds op Mij denkt, zonder zijn gedachten op iets anders te richten. (08.14)
Deze verheven zielen die aldus tot Mij gekomen zijn, hoeven niet meer herboren te worden in deze ellendige tijdelijke wereld, daar ze de hoogste volmaaktheid hebben bereikt. (08.15)
De bewoners van alle werelden – tot en met de wereld van Brahmâ, de schepper – zijn aan ellende en herhalende ‘komen en gaan’ onderworpen. Maar, wie Mij heeft bereikt, o Arjuna, wordt niet wederom geboren. (Zie ook 9.25) (08.16)
ALLES IN DE SCHEPPING IS CYCLISCH
Zij die weten dat de Dag van Brahmâ duizend Yuga’s duurt (een kalpa, dit is 432.000.000 jaar), en dat ook de Nacht van Brahmâ duizend Yuga’s omvat, kennen dag en nacht. (08.17)
Aan het begin van de dag komt uit het ongeopenbaarde al het geopenbaarde voort; en, bij het vallen van de nacht lost het zich weer in het ongeopenbaarde op. (08.18)
Deze menigte van wezens, die voortdurend te voorschijn komt, wordt bij het naderen van de nacht weer opgelost, o zoon van Pritha (Arjuna), en emaneert opnieuw op bij het aanbreken van de dag. (08.19)
54
Er is een andere eeuwige transcendentale bestaan dat niet vergaat – hoger dan de veranderlijke materiële Natuur (Prakrti) - terwijl andere geschapen wezens wel vergaan. Dat ongeopenbaarde Eeuwige Wezen (Avyakta Aksara Brahma) wordt het onvergankelijke, het hoogste pad, ook Parama-dhâma, de verheven woonst genoemd. Zij, die Mijn verheven woonst bereiken, keren niet terug. (08.20-21)
TWEE FUNDAMENTELE VERTREKPADEN UIT DE WERELD
De verheven woonst, o Pârtha, waarin alle schepselen wonen en waardoor het gehele universum wordt doordrongen, kan door onwankelbare toewijding aan Mij alleen bereikt worden. (Zie ook 9.04 en 11.55) (08.22)
O beste der Bharata’s (Arjuna), Ik zal u de verschillende paden uitleggen, op welke tijd de yogi’s na het overgaan niet terugkeert, en tevens van de tijd waarin men als yogi na het overgaan wel terugkeert. (08.23)
Vuur, licht, dag, de veertien dagen van de wassende maan, de zes maanden van de noordelijke zonnebaan, daarin gaan de yogi’s die de Eeuwige Wezen (Brahma) kennen, en bereiken Brahma. (Zie ook ChU 04.15.05, 05.10.01, BrU 06.02.15, PrU 01.10, en IsU 18) (08.24)
Rook, nacht, de donkere veertien dagen van de afnemende maan, en terwijl de zon haar zuidelijke pad volgt, keren, wanneer de yogi’s het licht van de maan bereikt hebben, terug tot de sterfelijke geboorte. ( Zie ook 09.21, ChU 05.10.03-05, BS 03.01.08) (08.25)
Deze twee paden van licht (door spirituele praktijken en Zelfkennis), en duisternis (door materialisme en onwetendheid) worden geacht de eeuwigdurende paden van de wereld te zijn. De ene leidt naar verlossing (Mukti, Nirvâna), en de andere naar de wedergeboorte. (08.26)
TRANSCENDENTALE KENNIS LEIDT TOT VERLOSSING
Deze twee paden kennende, o Pârtha (Arjuna), is de yogi nooit in verwarring. Wees daarom te allen tijde met Mij standvastig in yoga. (08.27)
De yogi die deze kennis bezit, gaat voorbij aan de vruchten van verdienstelijke daden verbonden aan de studie van de Veda’s, het verrichten van offers, ascetisme, ook liefdewerken, en bereikt Parama-dhâma, de Verheven Eeuwige Woonst. (08.28)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het achtste hoofdstuk, genaamd “De Eeuwige Geest”.
55
Hoofdstuk 9
DE VERHEVENE KENNIS EN HET GROTE GEHEIM
De Verhevene Heer zei: aan jou die niet ongelovig bent, zal ik dit allerdiepste geheim der transcendentale kennis en onderscheidingsvermogen openbaren. Wanneer gij dit kent zult gij van de ellende der wereldse bestaan bevrijd worden. (09.01)
KENNIS RONDOM DE NATUUR VAN DE VERHEVENE IS HET GROOTSTE GEHEIM
Deze Zelfkennis is de koning van alle kennissen, het grootste geheim, het allerheiligste, gekend door instinctieve ervaring, in overeenstemming met de gerechtigdheid (Dharma), gemakkelijk te beoefenen en onvergankelijk. (09.02)
O Parantapa (Arjuna), mensen die in deze kennis niet geloven, bereiken Mij niet, maar keren terug naar het pad van dood en wedergeboorte. (09.03)
Het ganse universum is van Mijn ongeopenbaarde vorm doordrongen. Alle wezens zijn uit Mij, maar Ik ben niet uit hen. (Zie ook 07.12) (09.04)
Aanschouwt de kracht van Mijn goddelijke geheim; in werkelijkheid, Ik – de instandhouder van alle levende wezens – ben van hen niet afhankelijk, en zij niet afhankelijk van Mij. (In feite, is de gouden keten niet van het goud afhankelijk; de gouden keten is niets anders dan goud. Ook, zijn de materie en energie verschillend en tevens aan elkaar ongelijk). (Zie ook BP 02.09.34-36) (09.05)
Weet dat alle schepselen in Mij rusten, zoals de machtige lucht, die overal in beweging, eeuwig in de ether verblijft. (09.06)
DE THEORIE VAN ONTWIKKELING EN VERWIKKELING
Alle schepselen keren terug tot Mijn oorspronkelijke materiële Natuur (Âdi Prakrti) aan het einde van een Kâlpa (of cyclus meer dan 311 triljoen zonnestelsel jaren) , o zoon van Kunti (Arjuna), en Ik schep hen opnieuw aan het begin van een nieuwe Kâlpa. (Zie ook 8.17) (09.07)
Terwijl ik Mijn eigen materiële Natuur (Prakrti of Mâyâ) beheers, emaneer Ik zonder ophouden deze ganse menigte onafhankelijke wezens, die hulpeloos onder de controle staan van de geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur (Prakrti). (09.08)
Al deze handelingen van de schepping binden Mij niet, o Dhananjaya (Arjuna), daar Ik onverschillig, onaangedaan blijf te midden van deze handelingen. (09.09)
56
De goddelijke kinetische kracht (Mâyâ) –met de hulp van de materiële Natuur (Prakrti) – schept al het beweeglijke en het onbeweeglijke voort onder Mijn toezicht, en zo houdt de schepping zich draaiend, o zoon van Kunti (Arjuna). (Zie ook 14.03) (09.10)
DE PADEN VAN DE WIJZE EN VAN DE ONWETENDE ZIJN VERSCHILLEND
De dwazen kijken niet verder dan Mijn uiterlijke wanneer Ik in menselijke vorm voorkom, daar ze Mijn transcendentale natuur als de grote Heer van alle wezen niet erkennen (en beschouwen Me als een gewone menselijke wezen). Omdat ze valse hoop, valse handelingen, en valse kennis nastreven, hellen zij over tot de natuur van de duivelse en demonische staten die erg misleidend is. (09.11-12)
Maar de grote zielen (mahatma), o Partha (Arjuna) die aan de goddelijke natuur deel hebben (zie 16.01-03), kennen Mij als de onvernietigbare oerbron, de materiële en efficiënte oorzaak deze schepping, en aanbidden Mij in liefdevolle toewijding, hun denken alleen op Mij gericht. (09.13)
Vastberaden personen aanbidden Mij in ijverige, standvastige toewijding door Mijn glorie onophoudelijk te bezingen, buigend voor Mij in aanbidding, bereiken ze Mij. (09.14)
Sommige aanbidden Mij door het offer van de kennis. Anderen vereren de Alomaanwezige als de Ene in allen (of, zonder dualiteit), als de Meester van allen (of, dualiteit), dat zich in alle richtingen uitstrekt. (09.15)
ALLES IS DE MANIFESTATIE VAN DE ABSOLUUT
Ik ben het ritueel, Ik ben het offer, Ik ben de offerande, Ik ben het kruid, Ik ben de mantra, Ik ben de geklaarde boter (ghî), Ik ben het vuur, en Ik ben degene die het offer ontvangt. (Zie ook 04.24) Ik ben de instandhouder van het gehele universum, de vader, de moeder, en de grootvader. Ik ben wat gekend moet worden, de heilige lettergreep OM, en ook de Rig-, Sama- en Yagur-Veda. Ik ben het doel, het toevluchtsoord, de Heer, de getuige, de woonst, de toevlucht, de vriend, de oorsprong, de oplossing, de grondslag, de schatkamer (het substraat), en het onvergankelijke zaad. (Zie ook 07.10 en 10.39) (09.16-18)
Ik geef hitte, Ik stuur de regen en neem ze terug. Ik ben de onsterfelijkheid en ook de dood. Evenzo, ben Ik de Absolute (Sat of Aksara) en het tijdelijke (Asat of Ksara), o Arjuna. (De Verheven Wezen is alles geworden, zie ook 13.12). (09.19)
57
VERLOSSING BEREIKT DOOR DEVOTIONELE LIEFDE
Zij die de voorgeschreven rituelen in de drie Veda’s volbrengen, die het soma-sap der toewijding drinken, en gezuiverd zijn van zonden, aanbidden Mij door goede daden (Yajna) te verrichten om het hemelpad te bereiken. Als resultaat voor hun verdienstelijke daden gaan ze naar de hemel en genieten van de hemelse genoegens van de goden. (09.20)
Nadat zij de uitgestrekte hemelwereld hebben genoten, keren ze naar de sterfelijke wereld terug, wanneer hun goede Karma (Punya, verdiensten) is uitgeput. Toch, wie de Vedische wetten naleven, maar handelen enkel om te oogsten, blijven aan geboorte en dood onderworpen. (Zie ook 08.25) (09.21)
Ik verzorg persoonlijk het spirituele en materiële welzijn van ieder standvastige toegewijde van wie het gemoed nooit afdwaalt, en Mij steeds herinnert en aanbid in een niet-aflatende contemplatie. (09.22)
O zoon van Kunti (Arjuna), zelfs de devoties die in geloof en vertrouwen andere goden vereren, aanbidden Mij, ofschoon niet op de juiste wijze. (09.23)
Als de Verhevene Wezen (Para-Brahma), ben Ik alleen de genieter van alle offerbare diensten (Yajna), en de Heer van het universum. Maar, de mensen kennen Mijn ware transcendentale natuur niet; daarom, vallen zij (in de herhalende cyclus van geboorte en dood). (09.24)
Aanbidders van de halfgoden (Deva’s) gaan naar de Devas, de aanbidders van de voorouders gaan naar de voorouders, en de aanbidders van de natuurgeesten naar de natuurgeesten, maar Mijn toegewijden komen tot Mij (en worden niet wedergeboren). (Zie ook 08.16) (09.25)
DE HEER AANVAARDT EN EET HET OFFER VAN LIEFDE EN DEVOTIE
Van hem (of zij) die met toewijding aan Mij een blad, een bloem, een vrucht of water offert, aanvaard en eet Ik het toegewijde offer van dat zelf dat naar zuiverheid streeft. (Zie ook BP 10.81.04) (09.26)
O zoon van Kunti (Arjuna), wat je ook doet, wat je ook eet, wat je ook offert als offerande op het heilig vuur dat je als gift ook schenkt, hoe ascetisch je ook bent, doe alles als een offer aan Mij. (Zie ook 12.10, 18.46) (09.27)
Zo ga je bevrijdt worden van de boeien van Karma – of die goed of slecht zijn – met de gedachte gericht op het pad van onthechting (Samnyâsa-yoga). Zodoende, ga je, wanneer je bevrijd bent, tot Mij komen. (09.28)
Het Zelf is in alle wezens gelijk, en Ik koester voor niemand voorliefde of haat. Maar, hen die Mij met liefde en toewijding aanbidden, zijn in Mij en Ik in hen. (Zie ook 07.18) (09.29)
58
ER IS GEEN ZONDAAR DIE NIET KAN VERGEVEN WORDEN
Zelfs de ergste zondaar die beslist Mij met onverdeelde liefdevolle toewijding te aanbidden, dan moet hij als een rechtvaardige worden beschouwd, want het juiste besluit werd getroffen. (09.30)
Zo een persoon wordt spoedig rechtvaardig en verwerft eeuwige vrede. Weet en verkondigt, o zoon van Kunti (Arjuna), dat Mijn toegewijde nimmer zal teloor gaan of afvallen. (09.31)
HET PAD VAN DEVOTIONELE LIEFDE IS GEMAKKELIJKER
Wie tot Mij in liefdevolle toewijding hun toevlucht nemen, ongeacht de afkomst, vrouwen, kooplieden, werkmensen, en de laaggeborenen, bereiken ook de verheven woonst, o zoon van Pritha (Arjuna). (Zie ook 18.66) (09.32)
Hoeveel te meer dan voor de heilige Brahmanen en toegewijde koninklijke wijzen om de Verhevene Wezen te bereiken. Daarom, nu jij die deze vergankelijke en vreugdeloze wereld betreden hebt, vereert Mij met liefdevolle toewijding. (09.33)
Vestig je gemoed op Mij, en wees Mij toegewijd, aanbidt Mij, en buig voor Mij neer. Eén geworden met Mij, ga je zeker tot Mij komen, als de enige toevlucht en verheven doel. (09.34)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het negende hoofdstuk, genaamd “De Verhevene Kennis en het grote Geheim”.
59
Hoofdstuk 10
DE MANIFESTATIE DER ABSOLUTE
De Verhevene Heer zei: o Machtigarmige (Arjuna), luister nog eens naar Mijn verheven woord die Ik tot u, die Mij dierbaar bent, voor uw welzijn ga richten. (10.01)
GOD IS HET BEGIN VAN ALLES
Noch de halfgoden (Devas), noch de grote wijzen kennen Mijn oorsprong, want Ik ben de bron van alle Devas en ook de grote wijzen overal. (10.02)
Hij, die Mij kent als de Ongeborene, de beginloze, en de Verheven Heer van het universum, wordt als zijnde wijs onder de stervelingen beschouwd, en is aan de gebondenheid der karma bevrijd. (10.03)
Waarnemingsvermogen, Zelfkennis, doelbewustheid, vergevingsgezindheid, waarheid, zelfbeheersing, kalmte, vreugde, pijn, geboorte, dood, angst, onbevreesdheid, geweldloosheid, gelijkmoedigheid, tevredenheid, zelfdiscipline (ascese), liefdadigheid, eer en oneer – deze diverse kenmerken van de menselijke wezens komen in werkelijkheid uit Mij voort. (10.04-05)
Der zeven grote wijzen, en de vier aloude Sanakas (grondleggers), en de veertien Manus, waar alle aardse schepselen uit zijn ontstaan, vinden hun oorsprong in Mijn potentiële energie. (10.06)
Hij, die Mijn verschijningsvormen en yogische krachten werkelijk begrijpt, is in onwankelbare devotie met Mij verbonden. Daaraan valt niet te twijfelen. (10.07)
Ik ben de oorsprong van alles. Alles komt uit Mij voort. Dit begrijpend, de wijzen aanbidden Mij in liefde en devotie. (10.08)
Deze wijze toegewijden zijn steeds tevreden en vervuld. Hun gedachten zijn volledig op Mij gericht, en hun leven aan Mij onderworpen. Zij spreken voortdurend met elkaar over Mij (10.09
DE HEER SCHENKT ZIJN TOEGEWIJDEN KENNIS
Aan hen die mij steeds toegewijd zijn en Mij met liefde aanbidden, geef Ik de yoga van het onderscheidingsvermogen, waardoor zij tot Mij kunnen komen. (10.10)
Wonend in hun innerlijke psyche als bewustzijn, vernietig Ik uit louter mededogen de duisternis van hun onwetendheid door de heldere lamp van transcendentale kennis. (10.11)
60
Arjuna zei: Gij zijt de Verhevene Wezen, de Verhevene Toevluchtsoord, de Verheven Reiniger, de Eeuwige, Goddelijke Wezen, de Oergod, de Ongeborene, de Alomtegenwoordige. Alle wijzen hebben Jouw verkondigd. De goddelijke Nârada, Asita, Devala, Vyâsa, en nu zegt u het ook tegen mij. (10.12-13)
O Krsna, wat Jij mij allemaal zegt houd ik voor waar. O Heer, noch de afgoden (Devas), noch de demonen, kennen Jouw ware natuur. (Zie ook 04.06) (10.14)
O Schepper en Heer van alle wezens, de God van alle hemelse heersers (Devas), Verheven Persoon, en Heer van het universum, Je bent Zelf de enige, die weet wie en wat je bent. (10.15)
Daarom, wil mij toch gans Jouw eigen goddelijke heerlijkheid en verschijningsvormen verkondigen, waarmee Jij deze werelden hebt en blijft doordringen. (10.16)
O Soevereine Yogi (Krsna), hoe moet ik voortdurend mediteren om Jouw te kennen? In welke verschijningsvorm ga Jij door mij overdacht moeten worden, o Gezegende Heer? (10.17)
O Janardana (Krsna), vertel mij nog eens heel precies over Jouw yogische krachten en Jouw heerlijkheid; want ik kan niet genoeg verzadigd worden door het aanhoren van jouw levengevende woorden. (10.18)
ALLES IS EEN MANIFESTATIE DER ABSOLUTE
De Verhevene Heer zei: o beste der Kurus (Arjuna), Ik zal je nu het voornaamste van Mijn goddelijke verschijningsvormen uitleggen, want Mijn volheid kent geen grenzen. (10.19)
O Gudâkesa (Arjuna), Ik ben de Geest (Atmâ) die in de innerlijke psyche van alle wezens zetelt. Ik ben het begin, het midden en ook het einde van alle wezens. (10.20)
Ik ben Visnu tussen de (twaalf) zonen van Aditi, Ik ben de stralende zon tussen de lichten, Ik ben Marici tussen de windgoden (Maruts), Ik ben de maan tussen de sterren. (10.21)
Ik ben de Samaveda tussen de Veda’s, Ik ben Indra tussen de hemelse heersers (Devas). Ik ben het gemoed tussen de zinnen, Ik ben het bewustzijn in de levende wezens. (10.22)
Ik ben Siva van de Rudras, ik ben Kubera van de Yaksas en de demonen, Ik ben het vuur van de Vasus, en van de bergtoppen ben Ik Meru. (10.23)
Onder de priesters, o zoon van Pritha (Arjuna), ben Ik het hoofd, Brihaspati. Ik ben Skanda onder de legeraanvoerders. Ik ben de oceaan van de watervlakten. (10.24)
Ik ben Bhrgu tussen de grote wijzen; Ik ben de kosmische monosyllabe geluid OM, van tussen de woorden; Ik ben Japa-yajna onder de spirituele
61
disciplines (yajna); en Ik ben de Himalaya tussen de onbeweeglijke dingen. (10.25)
EEN KORTE BESCHRIJVING VAN DE GODDELIJKE MANIFESTATIES
Onder de bomen ben Ik de Asvattha (de heilige vijgenboom), Nârada onder de goddelijke wijzen, Citraratha onder de Gandharvas, en de wijze Kapila (de denker, die de Sankhya filosofie verkondigd heeft) onder de Siddhas. (10.26)
Weet, dat Ik onder de paarden Uccaihsravas ben, en geboren uit de oceaan der nectar, het vorstelijke rijdier Airâvata onder de olifanten, en koning onder de mensen. Onder de wapens ben Ik de bliksem, Kâmadhenu onder de koeien, Ik ben de macht van het verlangen, Kandarpa, de liefdesgod, en Ik ben Vâsuki, de koning der slangen. (10.27-28)
Ik ben de eindeloze kosmische slang Ananta onder de Nâgas, Varuna onder de watergoden, en Aryamâ onder de voorzaten. Ik ben van hen die orde en gerechtigheid handhaven. Ik ben Yama, de god van de dood. Ik ben Prahlâda geboren onder de Daitya’s (demonen), de tijd ben Ik onder de rekenaars, de leeuw onder de dieren, en Garuda onder de vogels. (10.29-30)
Ik ben de wind onder de zuiveraars, en de Heer Râma onder de strijders. Ik ben de haai tussen de vissen, en de heilige Ganges onder de stromende rivieren. (10.31)
Ik ben het begin, het midden, en het einde van de schepping, O Arjuna. Van de wetenschappen ben Ik de kennis van het verheven Zelf. Ik ben de logica van alle redenaars. (10.32)
Ik ben de letter “A”, en van alle samengestelde woorden de Dvandva. Ik ben de eindeloze tijd (Aksaya Kâla). Ik ben de behoeder van alles, welke menigvuldige gezichten naar alle kanten kijken (of, Ik ben de Alomtegenwoordige). (10.33)
Ik ben de alles verslindende Dood, en de oorsprong van komende wezens. Ik ben de zeven godinnen (Devis) of engelbewaarders fungerende over de zeven kwaliteiten – roem, voorspoed, rede, geheugen, intellect, standvastigheid en vergevingsgezindheid. (10.34)
Ik ben Brhatsâma onder de Samâ hymnen. Ik ben Gâyatri onder de Vedische mantras, Ik ben November-December (de Mârgasîrsha) onder de maanden, en Ik ben de lente (Kasumâkara) onder de jaargetijden. (10.35)
Van de bedriegers ben Ik de kansspelen; de Glans van de glansrijke zaken; Ik ben de overwinning en de vastberadenheid; en de goedheid onder de goeden. (10.36)
62
Ik ben Vâsudeva (Krsna) uit de Vrsnî familie, van alle Pandavas ben Ik Arjuna, onder de wijzen ben Ik Vyâsa, en Usanâ onder de dichters. (10.37)
Ik ben de kracht (scepter) van de heersers; van degenen die de overwinning zoeken, ben Ik het staatsmanschap; van de geheimen ben Ik het stilzwijgen, en de Zelfkennis van de wijzen. (10.38)
Ik ben de oorsprong of het zaad van alle wezens, o Arjuna. Er is niets bewegend of onbewegend, dat zonder Mij kan bestaan. (Zie ook 07.10 en 09.18) (10.39)
DE GEMANIFESTEERDE SCHEPPING IS MAAR EEN HEEL KLEINE FRACTIE VAN DE ABSOLUTE
Er is geen eind aan Mijn goddelijke verschijningsvormen, o Parantapa (Arjuna). Wat nu door Mij werd verteld is maar een korte beschrijving van Mijn oneindige verschijningsvormen. (10.40)
Hoe glorierijk, schitterend en machtig de gemanifesteerde schepselen ook zijn, bedenk dat ze uit één vonk van Mijn pracht voorkomen. (10.41)
Maar waartoe dien je deze uiteengezette kennis, o Arjuna? Ik ondersteun voordurend het hele universum met slechts een fractie van Mijn goddelijke kracht (Yoga-maya). (Zie ook ChU 03.12.06) (10.42)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het tiende hoofdstuk, genaamd “De Manifestatie der Absolute”
63
HOOFDSTUK 11
HET VISIOEN DER KOSMISCHE VORM
Arjuna zei: mijn illusie is verdreven door jouw onderricht over het verheven geheim van de Eeuwige Wezen (Brahma), die je uit mededogen tot mij hebt gesproken. (11.01)
O Heer met Jouw lotusogen (Krsna), nauwkeurig heb ik van Jou gehoord over het ontstaan en vergaan der wezens, evenals Uw onvergankelijke heerlijkheid. (11.02)
GOD’s VISIOEN IS HET UITERSTE DOEL VAN DE ZOEKER
O verheven Heer, zoals Je eigen hebt beschreven, wens ik nu Jouw goddelijke kosmische vorm te zien, o Purushottama (Krsna). (11.03)
O Heer, als Je het mogelijk acht voor mij om Jouw universele vorm te aanschouwen, o Heer der yogi’s, openbaar dan Jouw transcendentale vorm. (11.04)
De Verhevene Heer zei: O Pârtha (Arjuna), aanschouw mijn honderden, duizenden verschillende goddelijke vormen van velerlei kleur en variaties. (11.05)
Zie de Âditya’s, de Vasu’s, de Rudra’s, de Asvins (tweelingen) en de Maruts. O Bhârata (Arjuna), aanschouw alle wonderlijke dingen die nog nooit werden gezien. (11.06)
O Gudâkesa (Arjuna), aanschouw nu de ganse schepping, het beweeglijke en het onbeweeglijke, en wat jij verder daarin wenst te zien, verenigt als één in Mijn lichaam. (11.07)
Maar, jij bent niet in staat Mij met jouw fysische ogen te zien; daarom, geef Ik je het goddelijk oog om Mijn majestueuze macht en heerlijkheid te aanschouwen. (11.08)
DE HEER TOONT DE KOSMISCHE VORM AAN ARJUNA
Samjaya zei: nadat o Koning, Hari (Krsna), de grote Heer van de mystieke yogische kracht, had gesproken, openbaarde Hij Zijn verheven majestueuze vorm aan de zoon van Pritha (Arjuna). (11.09)
Arjuna zag de Universele Vorm van de Heer met vele monden en ogen, met talloze wonderlijke visioenen, allerlei schitterende sieraden, en met vele omhoog geheven goddelijke wapenen. Getooid met goddelijke bloemenkransen en gewaden, gezalfd met hemelse oliën en parfums, schitterend, oneindig, met het gezicht naar alle kanten gericht. (11.10-11)
64
Als duizenden zonnen tegelijk aan de hemel zouden verschijnen, dan zou hun schittering daarvan overeenkomen met de pracht van het verheven wezen. (11.12)
Pândava (Arjuna) aanschouwde het ganse universum en al zijn verschillende vormen als één geheel in het transcendentale lichaam van Krsna, de Heer van de hemelse heersers (Devas). (Zie ook 13.16, en 18.20) (11.13)
EEN PERSOON ZOU NOG NIET BEREIDT OF GEKWALIFICEERD ZIJN DE HEER TE ZIEN
Dhananjaya (Arjuna) was met verbazing getroffen, (bij het aanschouwen van de kosmische vorm van de Heer); welke haren rezen te berge, boog zijn hoofd voor de Heer en bad met gevouwen handen. (11.14)
Arjuna zei: o Heer, Ik zie alle halfgoden (Devas) en ook alle soorten levende wezens, in Jouw lichaam verenigd; alle wijzen, hemelse slangen, de Heer Siva en ook de Heer Brahma op zijn lotusbloem gezeten. (11.15)
O Heer van het universum, ik zie Je overal in oneindige vormen, met talloze armen, buiken, gezichten en ogen. O Universele Vorm, ik zie noch Je begin, noch Je midden, noch Je einde. (11.16)
Ik zie Je getooid met jouw kroon, scepter en discus, stralend alom, en moeilijk te aanschouwen, in iedere richting schijnend zoals de schittering van de zon of een laaiend vuur. (11.17)
Ik geloof dat Je de Verhevene Wezen (Para-Brahma) bent, de enige dat gerealiseerd (of, gekend) dient te worden. Je bent het toevluchtsoord van het universum. Je bent de Eeuwige Wezen (Brahma, Atmâ, Geest), en de beschermer van de eeuwige wet (Dharma). (11.18)
Ik zie Jouw oneindige kracht, zonder begin, midden, of einde; met talrijke armen, met de zon en de maan als Jouw ogen, met Jouw mond als een laaiend vuur dat het hele universum met stralende pracht vervult. (11.19)
O Mahâtma (Grote Ziel), de volledige ruimte tussen hemel en aarde in alle richtingen zijn vervuld van Jouw alleen. Bij het zien van Jouw wonderlijke en schrikaanjagende vorm, sidderen de drie werelden (Lokas). (11.20)
De menigte der halfgoden gaan tot Jou in. Sommigen roepen Jou verschrikt aan met gevouwen handen en zingen Jouw Namen en heerlijkheden. Scharen van Maharshi’s en Siddha’s begroeten en aanbidden Jou met overvloedige lofprijzingen. (11.21)
Rudra’s, Âditya’s, Vasu’s, Sâdhya’s, Visva’s, de Asvins, de Maruts, de Ûshmâpa’s, de Gandharvas, de Yaksha’s, de Asura’s en Siddha’s, al deze hemelse wezens aanschouwen Jouw vol ontzag. (11.22)
65
Alle werelden die Jouw oneindige vorm aanschouwen met vele monden, ogen, armen, dijen, voeten, buiken en schrikwekkende tanden, beven van angst, en ik ook, o Machtigarmige (Mahâ-bâho) (Krsna) (11.23)
ARJUNA IS BEVREESD OM DE KOSMISCHE VORM TE ZIEN
Jouw vorm, laaiend met talrijke kleuren bedekt de hemel, Jouw wijd open monden en grote schitterende ogen, verschrikken mij, en heb alle moed en vrede verloren, o Vishnu (Krsna). (11.24)
Wanneer ik Jouw monden zie met hun schrikwekkende tanden, aan het verslindende vuur van Kâla (de Tijd) gelijk, ben ik verloren en troostloos. O Heer der hemelse heersers (Devas), toevluchtsoord van het universum, ontferm Je over mij. (11.25)
De zonen van Dhrtarâstra evenals de schare vorsten; Bhîsma, Drona, Karna samen met onze edelste krijgers, komen haastig binnen jouw afschrikwekkende monden vol met slagtanden. Sommige ziet men tussen Jouw tanden gevangen, hun hoofden verpletterd en tot stof verbrijzeld. (11.26-27)
Deze machtige strijders uit de sterfelijke wereld worden door Jouw vurige monden ingedreven, zoals vele rivieren naar de oceaan stromen. (11.28)
Al deze mensen vliegen haastig in Jouw monden om daar te worden vernietigd, zoals de motten die met grote snelheid in de brandende vlammen vliegen om daarin de dood te vinden. (11.29)
Jij lekt verslindend allerwegen de werelden met Jouw vlammende tongen. Jouw machtige stralen vervullen het ganse universum met hun felle gloed en verschroeien alles, o Vishnu (Krsna). (11.30)
Vertel mij wie Jij bent in deze verschrikkelijke vorm? Voor Jou buig ik, o beste der hemelse heersers (Devas), heb genade! Ik wens Je te begrijpen, o Oorspronkelijke Wezen, daar ik Jouw opdracht niet ken. (11.31)
DE HEER BESCHRIJFT ZIJN KRACHTEN
De Verhevene Heer zei: Ik ben de Tijd (kâlo), de grote wereldvernietiger. Ik ben gekomen om al deze mensen te verslaan. Ook zonder jouw ingrijpen in de strijd, zullen al deze krijgers in tegenovergestelde gelederen geschaard voor de slag, ophouden te bestaan. (11.32)
Daarom, sta dus op, en behaal de roem. Overwin de vijanden, en geniet van een voorspoedig koninkrijk. Al deze krijgers zijn al door Mij verslagen. Jij bent slechts een instrument, o Savyasâchin (o Linkshandige) (Arjuna). (11.33)
Dood Drona, Bhîsma, Jayadratha, Karna, en andere grote strijders die al door Mij zijn gedood. Vrees niet. Jij gaat al jouw vijanden overwinnen; daarom, strijd! (11.34)
66
ARJUNA’s GEBEDEN TOT DE KOSMISCHE VORM
Samjaya zei: nadat hij deze woorden van Kesava had gehoord, sprak Kirîtin (de gekroonde Arjuna) met verstikte stem en bevende van angst, de handen eerbiedig tegen elkaar, buigend voor Krsna: (11.35)
Arjuna zei: inderdaad, o Hrishîkesa (Krsna), de wereld verheugt zich en verheerlijkt Je vol vreugde. Afschuwelijke demonen (Râkshasa’s) vluchten in alle richtingen. De schare van Siddha’s buigen in aanbidding voor Jou neer. (11.36)
Hoe zouden zij ook anders, o Mahâtman (o grote ziel), voor Jouw buigen, de oorspronkelijke Schepper die zelfs groter is dan Brahmâ, de schepper der materiële werelden? O oneindige Heer, o God van alle hemelse heersers (Devas), o Toevluchtsoord van het universum, Jij bent Sat (Eeuwig) zowel als Asat (Tijdelijk), en de Verhevene Wezen (Para-Brahman). Jij bent Dát, transcendentaal. (11.37)
Jij bent de oorspronkelijke God, de alleroudste Persoon. Jij bent de allerhoogste verblijfplaats van het universum. Jij bent de kenner, het onderwerp van de kennis, en het verheven oord. Het ganse universum wordt door Jou doordrongen, o onbegrensde Heer. (11.38)
Jij bent Vâyu, Yama, Agni, Varuna, Sasânka, en Brahmâ, zowel als de vader van Brahmâ. Geëerd ben Jij duizendvoudig, en altijd weer, ‘ere bent Jij’. (11.39)
Mijn groeten aan Jou, aan elke zijde en achteraan. O Heer, mijn gehoorzaamheid aan Jou langs elke kant. Jij bent onbegrensd en onmeetbaar in kracht. Jij doordringt alles, en daarom ben Jij overal en in alles. (11.40)
Onbekend met Jouw Majesteit, hield ik Je voor een vriend, en mij aan Jouw onbedacht en achteloos in mijn genegenheid voor Jou opdrong als “o Krsna, o Yâdava, o Vriend”. (11.41)
Vergeef mij als ik voor de grap me oneerbiedig heb gedragen of te vriendschappelijk ben geweest tijdens het spel, in de rustpoos, bij het zitten, of tijdens een maaltijd, alleen of in gezelschap. O Krsna, de Onwrikbare, ik smeek U om vergiffenis. (11.42)
Jij bent de Vader van het beweeglijke en onbeweeglijke, de grootste goeroe die men kan aanbidden en vereren. Niemand is aan Jou gelijk in de drie werelden. Wie kan Jou evenaren? O Wezen van onvergelijkelijke Majesteit! (11.43)
Daarom, o lovenswaardige Heer, ik buig voor Jou neder, en neergebogen smeek ik Jou om barmhartigheid. Vergeef mij zoals van vader naar zoon, van vriend naar vriend, en van echtgenoot tot zijn geliefde vrouw, o Heer. (11.44)
Ik heb gezien wat niemand ooit heeft aanschouwd en ik verheug mij, maar mijn gemoed is toch vervuld met vrees. Daarom, o God van de
67
hemelse heersers (Devas), toevluchtsoord van het universum, heb genade, en toon mij Jouw andere (vier-armige) vorm. (11.45)
MEN KAN GOD IN EENDER VORM OF NAAR KEUZE ZIEN
Ik verlang Jou te zien de kroon op het hoofd, de scepter en discus in de hand zoals voorheen. Daarom, o Heer, o Duizendarmige, o Universele Vorm, verschijn in Uw vier-armige gestalte. (11.46)
De Verhevene Heer zei: o Arjuna, met genoegen heb Ik jou Mijn eigen yogische krachten getoond. Deze vorm van Mij, glansrijk, universeel, oneindig, oorspronkelijk, is door niemand ooit aanschouwd behalve nu door jou. (11.47)
O held der Kuru’s (Arjuna), noch door de studie van de Veda’s, of door offers, liefdadigheidswerken, rituelen, en strenge ascese, kan Ik in deze kosmische vorm door iemand anders dan jou in de menselijke wereld gezien worden. (11.48)
DE HEER TOONT ARJUNA ZIJN VIERARMIGE EN MENSELIJKE VORM
Wees niet verontrust noch verward daar jij Mijn verschrikkelijke vorm zag. Met een vreesloos en verheugd gemoed, aanschouw Mij opnieuw in de vroegere (vier-armige) gedaante. (11.49)
Samjaya zei: nadat Vâsudeva (Krsna) zo tegen Arjuna had gesproken, nam Hij zijn voormalige (vier-armige) vorm weer aan. En aldus, in een zachtmoedige gedaante gehuld, verdreef de Mahâtman (de Verheven Ziel) Arjuna’s vrees. (11.50)
Arjuna zei: o Janârdana (Krsna), nu ik Jouw zachtmoedige menselijke vorm zie, is mijn gemoed gekalmeerd, en ben ik opnieuw mijzelf. (11.51)
DE HEER KAN IN LIEFDEVOLLE DEVOTIE GEZIEN WORDEN
De Verheven Heer zei: deze (vier-armige) vorm van Mij, die jij hebt gezien, is zeer moeilijk te aanschouwen. Zelfs de halfgoden (Devas) verlangen steeds deze vorm te zien. (11.52)
Het aanschouwen van de (vier-armige) vorm die jij hebt gezien, kan noch door de studie van de Veda’s, noch door ascese, noch door liefdadigheidswerken, noch door het offeren gezien worden, zoals Ik Mij aan jou hebt laten zien. (Zie ook KaU 02.23) (11.53)
Alleen door onwankelbare toewijding aan Mij, kan Ik in deze vorm gezien, werkelijk gekend, en benaderd worden, o Arjuna. (11.54)
68
Hij, van wie handelingen slechts Mij gewijd zijn, en voor wie Ik het verheven doel ben, die mijn toegewijde (devoot) is, vrij van gehechtheid, zonder haat tegenover welk wezen ook; bereikt Mij, o zoon van Pandu (Arjuna). (11.55)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het elfde hoofdstuk, genaamd “Het Visioen der Kosmische Vorm”
69
Hoofdstuk 12
HET PAD DER TOEWIJDING
ZOU MEN EEN PERSOONLIJKE OF EEN ONPERSOONLIJKE GOD MOETEN AANBIDDEN
Arjuna zei: wie worden er beschouwd als méér volmaakt: zij die zich op de juiste wijze verbonden hebben in toegewijde dienst aan Jou, of zij die de onpersoonlijke, vormloze God aanbidden? (12:01)
De Verhevene Heer zei: Hen van wie de geest gericht is op Mijn persoonlijke gedaante en die altijd bezig is Mij met groot en verheven geloof te aanbidden, die beschouw Ik als de hoogste in Yoga. (12.02)
Maar zij die het Onvergankelijke, Onbeschrijfelijke, Onzichtbare, Allesdoordringende, Ondenkbare, Onveranderlijke, Onbeweeglijke, Eeuwige Wezen (Brahma) aanbidden, al hun zinnen beteugeld hebben, aandacht besteden voor het welzijn van alle schepselen, zullen ook Mij bereiken. (12: 03-04)
REDENEN WAAROM EEN PERSOONLIJKE VORM VAN GOD TE AANBIDDEN
Zelfrealisatie is moeilijker voor hen die hun gemoed op een onpersoonlijke, ongemanifesteerde, en vormloos Absolute vestigen; daar het ongemanifesteerde moeilijk te begrijpen is voor hen die in een lichaam leven. (12:05)
Voor hen die Mij aanbidden, die al hun handelingen aan Mij wijden en Mij onveranderlijk trouw zijn, die verbonden zijn in toegewijde dienst en altijd op Mij mediteren, die hun gedachten op Mij gericht houden, O Arjuna, - voor hen ben Ik de spoedige redding uit de oceaan van geboorte en dood. (12: 06-07)
VIER PADEN TOT GOD
Daarom, vestig jouw gemoed op Mij, en laat jouw intellect op Mij alleen verblijven door meditatie en contemplatie. Hierna ga je ongetwijfeld Mij bereiken. (12: 08)
Maar als je niet in staat bent jouw aandacht standvastig op Mij gericht te houden, probeer dan tot Mij te komen door de yoga van oefening (Sadhana), O Arjuna. (12:09)
Zo je ook niet opgewassen bent tot deze geestelijke beoefening (Sadhana), houd je dan ijverig bezig in dienstbetoon aan Mij; door al het
70
handelen onbaatzuchtig aan Mij op te dragen, en volmaaktheid bereiken. (Zie ook 09:27, 18:46 (12:10)
Zo je zelfs hiertoe niet in staat bent, neem dan jouw toevlucht tot eenwording met Mij; geef alle resultaten van handeling op en bewerkt zelfbeheersing. (12:11)
KARMA-YOGA IS HET BESTE OM ERMEE TE BEGINNEN
Schriftuurlijke kennis (Jnana) is beter dan louter rituele praktijken (Adhyasa); meditatie is beter dan schriftuurlijke kennis; beter dan meditatie is verzaking (Tyaga) aan de vruchten van handeling; de onthechting aan de vruchten van handeling (Karma-phala-tyaga) leidt onmiddellijk tot vrede (Shanti) . (Zie meer over het onderwerp ‘verzaking’ in 18.02, 18.09) (12:12)
DE ATTRIBUTEN VAN EEN TOEGEWIJDE
Wie niet afgunstig, maar een goede vriend van alle levende wezens is, vrij van zelfzucht en hoogmoed, gelijkmoedig in geluk en verdriet, altijd vergeving schenkt, steeds voldaan en onwankelbaar in het verrichten van toegewijde dienst aan Mij en zijn geest en verstand op Mij zijn afgestemd – die is Mij zeer dierbaar. (12: 13-14)
Wie niemand in moeilijkheden brengt, zich niet door angst laat verontrusten en evenwichtig is in geluk en verdriet, ook hij is mij dierbaar. (12:15)
Wie volledig onthecht, zuiver, verstandig, onverdeeld, en door niets verontrust is, wie alle initiatief heeft opgegeven en Mij toegewijd is, die is Mij dierbaar. (12: 16)
Wie zich niets aantrekt van vreugde of verdriet, wie klachten noch begeerten koesteren en wie zich noch met prettige, noch met onprettige zaken inlaat, is Mij zeer dierbaar. (12: 17)
Wie gelijkgezind is tegenover vriend en vijand, wie evenwichtig blijft in eer en schande, in hitte en kou, geluk en verdriet, roem en smaad, zonder gehechtheid is, altijd zwijgzaam en met alles tevreden, wie zich niet bekommert om zijn onderdak, wie in kennis verankerd is en bezield in toegewijde dienst, is Mij zeer dierbaar. (12: 18-19)
MEN ZOU IN ALLE OPRECHTHEID MOETEN PROBEREN GODDELIJKE KWALITEITEN TE ONTWIKKELEN
Maar de trouwe toegewijden, die Mij als hun verhevene bestemming hebben genomen en volgen – of die gewoon in oprechtheid proberen te
71
ontwikkelen – de hierboven beschreven nectar van morele waarden eer betonen, zijn Mij heel dierbaar. (12:20)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het twaalfde hoofdstuk, genaamd “Het Pad der Toewijding”.
72
Hoofdstuk 13
DE SCHEPPING EN DE SCHEPPER
DE SCHEPPINGSTHEORIE
Arjuna zei: o Késava (Krsna), ik zou graag meer vernemen over de materie (prakriti), en de ziel (purusa), het veld en de Kenner van het veld, over kennis en wat gekend moet worden. (0)
De Verhevene Heer zei: o zoon van Kunti, dit fysieke lichaam, het universum in miniatuur, wordt het veld (Kshetra), of de schepping genoemd. Zij die bekend zijn met de ware natuur van de schepping, noemen wat daarvan kennis draagt de kenner van het veld (Kshetrajna). (13.01)
O Bhârata (Arjuna), ken Mij als zijnde de schepper van de gehele schepping. De ware kennis van beide de schepper en de schepping wordt door Mij als transcendentale (of metafysische) kennis geacht. (13.02)
Wat de schepping is, wat zijn aard is, welke zijn bijzondere verschijningsvormen zijn, waar de oorsprong ligt, hoe de schepper is, en wat Zijn machten zijn, hoor nu in het kort van Mij. (13.03)
De zieners, ieder voor zich, hebben de schepping en de schepper in de Vedische hymnen op verschillende wijzen verwoordt, en zeer duidelijk en overtuigend in de Brahma-Sûtra uiteengezet. (13.04)
De oorspronkelijke materiële Natuur (Âdi Prakriti of Avyakta), de kosmische intelligentie (Mahat), het “Ik-bewustzijn” of ego, de vijf fundamentele elementen, de tien organen, het gemoed, de vijf objecten der zinnen; begeerte, haat, vreugde, pijn, het gehele fysieke organisme, het bewustzijn, en de vastberadenheid, vormen in het kort samengevat het veld en zijn transformaties. (Zie ook 07.04) (13.05-06)
DE VIERVOUDIGE EDELE WAARHEID ALS MIDDEL TOT NIRVANA
Nederigheid, bescheidenheid, geweldloosheid, vergevingsgezindheid, eerlijkheid, dienstbaarheid aan de goeroe, zuiverheid (in gedachte, woord en daad), standvastigheid, zelfbeheersing; onverschilligheid voor de objecten van de zinnen, zelfverloochening, overpeinzing van smart, en het lijden dat geboorte, de dood, ouderdom en ziekte brengen; (13.07-08)
Ongehechtheid, niet geïdentificeerd met zoon, vrouw, gezin, enz.; duurzame gelijkmoedigheid van denken in gewenste en ongewenste omstandigheden; en, blijvend, niet-afdwalende toewijding aan Mij, verblijven op eenzame plaatsen, het vermijden van sociale vergaderingen en achterklap; standvastigheid in de kennis van de Eeuwige Wezen
73
(Brahma), begrijpen dat de alomtegenwoordige Verhevene wezen (Par-Brahma, Krsna) overal is – dat is wat men kennis noemt. Het tegenovergestelde is onwetendheid. (13.09-11)
GOD KAN DOOR PARABELEN WORDEN BESCHREVEN, EN OP GEEN ENKEL ANDERE MANIER
Ik zal nu ten volle verklaren wat gekend moet worden, daar als men het weet die kennis onsterfelijkheid doet ervaren, de beginloze Verhevene Wezen (Para-Brahma), waarvan wordt gezegd dat “Het” bestaat (Sat) maar ook niet-bestaat (Asat). (Zie ook 09.19, 11.37, en 15.18) (13.12)
De Eeuwige Wezen (Brahma) heeft overal handen, voeten, ogen, hoofden, monden en oren, daar Hij allesomvattend en alomtegenwoordig is. (Zie ook RV 10.81.03, ShU 03.16) (13.13)
Hij is de waarnemer van alle zintuiglijke objecten zonder de fysische zintuiglijke organen; ongehecht, en toch alles onderhoudende; vrij van de drie geaardheden (Gunas) der materiële Natuur (Prakrti), en toch de genieter van de Gunas der Prakrti (door een levende entiteit (Jîva) te worden.) (13.14)
Hij is binnen zowel als buiten alle wezens, beweeglijk of onbeweeglijk. Hij is onwaarneembaar door Zijn subtiliteit. En, door Zijn alomtegenwoordigheid, is Hij zeer nabij – die woont in ieder’s innerlijke psyche, zowel als veraf in de Verheven Woonst (Parama-dhâma). (13.15)
Hij is onverdeeld, en toch blijkt Hij onder de wezens verdeeld. Hij, de behoeder van de bestaande dingen is: Brahmâ, de schepper; Visnu, de instandhouder; en, Siva de vernietiger van alle wezens. (Zie ook 11.13, en 18.20) (13.16)
Para-Brahma, de Verhevene Persoon, is het Licht uit de lichten, en boven alle duisternis (onwetendheid of Mâyâ) verheven. Hij is de Zelfkennis, het object der Zelfkennis, en gezeten in de innerlijke psyche (of, het causale hart als bewustzijn) (zie vers 18.61) van alle wezens, en Hij wordt door Zelfkennis (Jnâna, Târatamya-Jnâna, Brahma-vidyâ) gerealiseerd. (Zie ook 15.06 en 15.12, en MuU 03.01.07, ShU 03.08) (13.17)
Aldus is de schepping zowel als de kennis en het object der kennis in het kort uiteengezet. Wie Mij toegewijd is en dit begrijpt, bereikt Mijn verheven woonst. (13.18)
EEN BESCHRIJVING VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, MATERIËLE NATUUR, EN DE INDIVIDUELE ZIELEN
Weet, dat beide de materiële Natuur (Prakrti) en de Geestelijke Wezen (Purusa) zonder begin zijn. Weet dat alle veranderingen en de drie hoedanigheden van het gemoed en de materie, genaamd geaardheden of
74
Gunas uit Prakrti voorspruiten. Prakrti wordt de oorzaak genoemd van het voortbrengen van oorzaken en gevolgen. Men noemt Purusa (bewustzijn) de oorzaak van het ervaren van vreugde en pijn. (13.19-20)
De Geestelijke Wezen (Purusa) geniet van de drie geaardheden (Gunas) der materiële Natuur (Prakrti) door zich met Prakrti te associëren. Gehechtheid aan de Gunas (ten gevolge der onwetendheid door vorige Karma’s veroorzaakt) is de oorzaak van de geboorte der levende entiteit (Jîva) uit een goede of een slechte moederschoot. (13.21)
De Eeuwige Wezen (Brahma, Âtma, Geest) in het lichaam wordt ook de getuige, de leider, de ondersteuner, de genieter, de grote Heer, en ook de Verheven Zelf genoemd. (13.22)
Zij die waarlijk de Geestelijke Wezen (Purusa) en de materiële Natuur (Prakrti) met de drie geaardheden (Gunas) begrijpen, worden niet herboren, ongeacht hoe ze hebben geleefd. (13.23)
Sommigen aanschouwen de Superziel (Paramâtmâ) in hun eigen psyche door meditatie, en anderen door metafysische kennis, en weer anderen door Karma-yoga.(13.24)
GELOOF ALLEEN KAN TOT NIRVANA LEIDEN
Anderen, daartegen, die niet met de yoga meditaties, kennis, en handeling bekend zijn, maar het van anderen hebben gehoord, zelfs dezen overwinnen de dood door toewijding aan wat zij gehoord hebben. (13.25)
Onthoud, o beste van de Bharatas (Arjuna), dat alles wat is ontstaan, hetzij beweeglijk of onbeweeglijk, voorkomt uit de vereniging tussen het veld (Prakrti of materie) en de Kenner van het veld (Purusa of Geest). (Zie ook 07.06) (13.26)
Wie dezelfde eeuwige Verhevene Heer als Geest (Âtma) op dezelfde wijze in alle wezens ziet, het Onvergankelijk in het vergankelijke, heeft het ware inzicht. (13.27)
Ziende dat de Heer overal en in alles gelijk is, beschadigt hij het Zelf niet door het zelf, aldus bereikt hij het hoogste doel. (13.28)
Wie ziet dat alle handelingen alleen door de materiële Natuur (Prakriti) worden volbracht en dat het Zelf (of Âtma) niet de dader is, waarlijk die begrijpt. (Zie ook 03.27, 05.09, en 14.19) (13.29)
Vanaf het ogenblik dat hij ziet, dat de verscheidenheid onder de wezens wortelt in het Ene en daaruit voorspruit, bereikt hij de Verhevene Wezen (Para-Brahma). (13.30)
DE ATTRIBUTEN VAN DE GEEST (BRAHMA)
Omdat de Eeuwige Superziel (Paramâtma) zonder begin is, en zonder de drie geaardheden van de materiële Natuur, handelt Het niet en wordt Het
75
niet aangetast door in het lichaam te wonen, o zoon van Kunti (Arjuna). (13.31)
Zoals de allesdoordringende ruimte (Ether) wegens haar subtiliteit niet wordt aangetast, zo blijft de Geest (Âtma) dat ieder lichaam doordringt, onaangetast. (13.32)
Zoals de ene zon de gehele wereld verlicht, zo verlicht de Eeuwige Wezen (Brahma, de Kenner van het veld) de ganse schepping (het volledige veld), o Bharata (Arjuna). (13.33)
Wie zo met het oog van de Zelfkennis dat verschil ziet tussen de schepping (of, het lichaam, het veld) en de Schepper (of, Âtma, de Kenner van het veld), en ook de verlossing van de wezens uit de banden van illusie (Mâyâ), bereikt de Verhevene. (13.34)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het dertiende hoofdstuk, genaamd “De Schepping en de Schepper”.
76
Hoofdstuk 14
DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE NATUUR
De Verhevene Heer zei: Ik zal je nu nog meer vertellen over de verheven kennis, die alle kennis te boven gaat, waardoor al de wijzen na dit leven de hoogste volmaaktheid bereikten. (14.01)
Zij die in de transcendentale kennis toevlucht genomen hebben, voelen zich in Mij verenigd; en, worden in de schepping niet meer herboren, noch lijden ze op het moment van dissolutie. (14.02)
ALLE WEZENS ZIJN DOOR DE VERENIGING VAN GEEST EN MATERIE GEBOREN
Mijn materiële Natuur (Prakrti) is de moederschoot van de schepping, waarin Ik het zaad stort (der Bewustzijn of Purusa); waaruit alle wezens geboren worden, o Bhârata (Arjuna). (Zie ook 09.10) (14.03)
Van alle vormen die uit de schoten geboren worden, o zoon van Kuntî (Arjuna), is het grote Brahman de oorspronkelijke moederschoot, en Ik ben de vader die het zaad geeft. (14.04)
HOE DE DRIEVOUDIGE MATERIËLE NATUUR DE GEEST ZIEL AAN HET LICHAAM BINDT
Sattva of goedheid Rajas of hartstocht, activiteit; en Tamas of onwetendheid, inertie door de materiële Natuur (Prakrti) voortgebracht, binden de onsterfelijke ziel (Jîva) aan het lichaam, o Machtige van wapenen (Arjuna). (14.05)
Van deze geeft de geaardheid goedheid (Sattva) verlichting en goedheid, daar het zuiver is. Sattva bindt de levende entiteit (Jîva) door gehechtheid aan geluk en kennis, o Anagha (Arjuna). (14.06)
Weet, o zoon van Kuntî, dat de geaardheid hartstocht, de bron is van verlangen en gehechtheid. Rajas houdt de levende entiteit (Jîva) gekluisterd door banden van handeling. (14.07)
Weet, o Bhârata (Arjuna) dat de geaardheid onwetendheid (Tamas), alle levende entiteiten (Jîva) misleidt. Tamas bindt Jîva door zorgeloosheid, luiheid en slaap. (14.08)
O Bhârata (Arjuna), de geaardheid goedheid (Sattva) verschaft geluk, de geaardheid hartstocht spoort aan tot handelen, en de geaardheid onwetendheid bindt aan achteloosheid en versluiert Zelfkennis. (14.09)
77
KARAKTERISTIEKEN VAN HET DRIEVOUD DER NATUUR
Wanneer goedheid (Sattva) domineert, overtreft de hartstocht (Rajas) en onwetendheid (Tamas); en, onwetendheid (Tamas), doet goedheid (Sattva) en hartstocht (Rajas) teniet. (14.10)
Wanneer het licht van Zelfkennis uit alle poorten van het lichaam straalt, dan weet men dat goedheid (Sattva) overheerst. (14.11)
O Bharatarshabha (Arjuna), als hartstocht (Rajas) domineert, hebzucht, activiteit, het ondernemen van baatzuchtige werken, rustloosheid, en begerige motieven treden aan de dag. (14.12)
O vreugde der Kuru’s (Arjuna), wanneer inertie overheerst; ontstaan onwetendheid, luiheid, zorgeloosheid, en verwarring. (14.13)
DE DRIEVOUDIGE AARDEN ZIJN OOK DE VOERTUIGEN VOOR DE TRANSMIGRATIE VAN DE INDIVIDUELE ZIEL
Wie sterft terwijl goedheid domineert, gaat naar de vlekkeloze sferen, de zuivere wereld waar zij verblijven die de Verhevene kennen. (14.14)
Wie sterft terwijl hartstocht (Rajas) domineert, wordt herboren onder de mensen die aan het werk zijn verslaafd; en, wanneer onwetendheid (Tamas) het sterkst is, worden ze herboren in de schoot van de redelozen. (14.15)
De vrucht van de goede daad noemt men heilig en behoort tot goedheid (Sattva); de vrucht van hartstocht (Rajas) is smart; en de vrucht van onwetend handelen (Tamas) is luiheid. (14.16)
Zelfkennis komt voort uit de geaardheid goedheid (Sattva); hebzucht uit de geaardheid hartstocht (Rajas); onverschilligheid, onwetendheid en dwaasheid uit de geaardheid onwetendheid (Tamas). (14.17)
Zij die gegrondvest zijn in goedheid (Sattva) gaan naar de hemel (of, gaan omhoog); zij die hartstochtelijk (Rajas) zijn blijven in de middensfeer; en, de onwetenden (Tamas) gaan in het laagste guna-niveau. (14.18)
HET BEREIKEN VAN NIRVANA NA DE DRIEVOUDIGE AARD DER MATERIËLE AARD TE HEBBEN OVERTROFFEN
Als de ziener inziet dat er geen drijvende kracht is buiten de drie geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur, en kent degene die erboven staat, gaat hij in Mij op. (Zie ook 03.27, 05.09, en 13.29) (14.19)
Wanneer de bewoner van het lichaam zich boven de drie geaardheden van materiële Natuur verheft, waaruit alle lichamen zijn voortgekomen, is hij bevrijd van geboorte en dood, van ouderdom en smart, en bereikt zodoende de staat van onsterfelijkheid. (14.20)
78
HET VERLOOP OM BOVEN DE DRIE AARDEN TE KOMEN
Arjuna zei: wat zijn de kenmerken van hem die zich boven de drie geaardheden van de materiële Natuur verheft, o Heer Krsna? Hoe gedraagt hij zich en hoe komt hij de drie geaardheden te boven? (14.21)
De Verhevene Heer zei: wie, o Pândava (Arjuna), noch het stralend licht (verlichting), noch activiteit, noch verwarring verfoeit wanneer ze zich voordoen, noch naar ze verlangt wanneer ze verdwijnen; wie zich afzijdig en onberoerd houdt tegenover de geaardheden (Gunas) der materiële Natuur (Prakrti), en hen onwankelbaar naast staat, wetende dat het slechts de geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur zijn die handelen. (14.22-23)
Wie evenwichtig is in vreugde en smart, op zichzelf vertrouwt en standvastig is, voor wie een aardkluit, een steen en goud hetzelfde zijn, voor wie genegenheid en afkeer, lof en blaam gelijk zijn; die gelijkmoedig is in eer en oneer, dezelfde voor vriend en vijand, en alle zelfzuchtig streven heeft opgegeven, van hem wordt gezegd dat hij aan de geaardheden van de materiële Natuur heeft laten varen. (14.24-25)
DE BANDEN VAN DE DRIE AARDEN KUNNEN DOOR DEVOTIONELE LIEFDE WORDEN AFGEDAAN
Wie Mij alleen dient door standvastige toewijding (Bhakti-Yoga) stijgt boven de geaardheden van de materiële Natuur, en maakt hij zich geschikt om op te gaan in Brahma-nirvâna. (Zie ook 07.14 en 15.19) (14.26)
Want Ik ben de verblijfplaats van de onsterfelijke Eeuwige Wezen (Brahma), de eeuwige gerechtigheid (Dharma), en van eindeloze zaligheid (Amanda). (14.27)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen de Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het veertiende hoofdstuk, genaamd “De Drievoudige Aard der Materiële Natuur”.
79
Hoofdstuk 15
DE VERHEVENE (ABSOLUTE) WEZEN
DE SCHEPPING IS ZOALS EEN BOOM DOOR DE KRACHTEN VAN MAYA GESCHAPEN
De Verhevene Heer zei: er wordt gesproken over de eeuwige Asvattha-boom waarvan de wortels omhoog en de takken omlaag groeien. De bladeren zijn de Vedische hymnen. Wie deze boom begrijpt is een kenner van de Veda’s. (Zie ook KaU 06.01, BP 11.12.20-24, en Gîtâ 10.08) (15.01)
De takken spreiden zich naar beneden en naar boven, in stand gehouden door de drie geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur (Prakrti); de zintuiglijke dingen zijn de loten; en zijn wortels reiken naar beneden tot in de mensenwereld waar zij de boeien van handeling teweeg brengen. (15.02)
HOE ZICH VAN DE BOOM DER GEHECHTHEID ONTTREKKEN EN VERLOSSING BEREIKEN DOOR GOD’S TOEVLUCHT TE ZOEKEN
Zijn vorm, zijn einde, zijn begin noch zijn natuur kunnen op aarde begrepen worden. Wanneer men deze sterk gewortelde Asvattha-boom met de bijl van ongehechtheid heeft geveld, dan moet men naar de plaats zoeken waarvan zij die het bereikt hebben niet meer terugkeren, zeggende: “Ik zoek mijn toevlucht bij de oorspronkelijke Purusa, waaruit de aloude kracht is voortgekomen.” (15.03-04)
Zij, die bevrijd zijn van misleiding door trots en waan, die het kwaad van gehechtheid overwonnen hebben, die voortdurend in het Verheven Zelf verblijven, hun begeerten hebben overwonnen, bevrijd van de paren van tegenstellingen zoals vreugde en verdriet, bereiken het hoogste doel. (15.05)
Geen zon, maan en vuur verlichten deze. Dat is Mijn verheven Oord, waarvan zij die het bereiken niet meer terugkeren. (Zie ook 13.17, 15.12, en KaU 05.15, ShuU 06.14, MuU 02.02.10) (15.06)
DE BELICHAAMDE ZIEL IS DE GENIETER
De eeuwige individuele ziel (Jîvatmâ) in het lichaam van de levende wezens is, werkelijk, een integrale deel van Mijzelf. Het onthult zich met de vijf zinnen die uit Prakrti (materiële Natuur) ontspringen en waarvan het gemoed de zesde is. (15.07)
80
Als Isvara (de Heer) een lichaam aanneemt en ook als Hij het verlaat, dan neemt Hij de zinnen en het gemoed (de rede) met zich mee, zoals de wind de geur van bloemen meevoert. (Zie ook 02.13) (15.08)
De levende entiteit (Jîva) geniet van de objecten der zinnen en maakt daarbij gebruik van de zes zintuiglijke faculteiten, namelijk het gehoor, gezicht, gevoel, smaak, reuk en het gemoed. De onwetenden zien Jîva niet, wanneer Hij gaat of komt, of verbonden is met de geaardheden van de materiële Natuur. Alleen degenen die het oog der Zelfkennis bezitten kunnen zien. (15.09-10)
De yogi’s die naar volmaaktheid streven, kunnen de levende entiteiten (Jîva) zien in hun innerlijke psyche (als bewustzijn); maar de onwetenden, en bij hen van wie innerlijke psyche onzuiver is, zien hem niet, hoe ze zich er ook voor inspannen. (15.11)
DE GEEST IS DE ESSENTIE VAN ALLES
Weet, dat de stralende energie van de zon, die de gehele wereld verlicht, ook van de maan en van het vuur, van Mij is. (Zie ook 13.17 en 15.06) (15.12)
Ik doordring iedere planeet om door Mijn energie alle leven in stand te houden, en als de saprijke Soma (waterige maan) voed Ik alle planten. (15.13)
Als levensvuur (Vaisvânara), wonende in de lichamen van alle levende wezens, verenig Ik Mij met Prâna en Apâna (in- en uitademen), en verteer de vier soorten voedsel (aarde, water, vuur en lucht). (15.14)
Ik woon in de innerlijke psyche van alle wezens. Herinnering, Zelfkennis, en het verlies ervan komen uit Mij. Ik ben de samenstelling van de Vedânta, en ook de werkelijke Kenner van de Veda’s. (Zie ook 06.39) (15.15)
WIE ZIJN DE VERHEVENE GEEST, GEEST EN DE INDIVIDUELE ZIEL
Er zijn twee entiteiten (Purusa’s) in deze wereld: de vergankelijke en tijdelijke Goddelijke Wezen (Ksara Purusa) en de onvergankelijke Eeuwige Wezen (Brahman, Aksara Purusa). De vergankelijke omvat al het bestaande, maar de Eeuwige Wezen is onvergankelijk. (15.16)
Er is nog een andere Verheven Goddelijke Personaliteit (boven beide het tijdelijke en het eeuwige), genaamd de Absolute Realiteit of Paramâtmâ die beide het tijdelijke en het eeuwige (Ksara en Aksara) ondersteunt. De eeuwige Heer (Isvara) doordringt en onderhoud de drie planetaire sferen (Lokas). (15.17)
81
Daar Ik het vergankelijk (Ksara) en de eeuwige (Aksara) overtref, ben Ik in deze wereld en in de Veda’s als de Verhevene Wezen (Para-Brahma, Paramâtmâ, Purusottama, de Absolute, de Waarheid, Sat, de Superziel, enz.) bekent. (Zie ook MuU. 02.01.02) (15.18)
De verstandige mens die Mij werkelijk als de Verhevene Wezen (Purusottama) kent, is alwetend en aanbidt Mij met zijn gehele wezen, o Bhârata (Arjuna). (Zie ook 07.14, 14.26 en 18.66). (15.19)
En zo heb Ik dan de allergeheimste wetenschap van de Zelfkennis (Târatamya-vidyâ, Brahma-vidyâ) doorgegeven, o gij Zondeloze Arjuna. Wie dit alles begrijpt, wordt verlicht, en zo heeft hij dan al zijn plichten volbracht. (15.20)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het vijftiende hoofdstuk, genaamd “De Verhevene (Absolute) Wezen”.
82
Hoofdstuk 16
DE GODDELIJKE EN DE DEMONISCHE AARD
EEN LIJST VAN GROTE GODDELIJKE EIGENSCHAPPEN DAT WORDEN AANGEKWEEKT OM VERLOSSING TE BEKOMEN
De Verhevene Heer zei: onbevreesdheid, levensloutering, ontwikkeling van geestelijke kennis, barmhartigheid, zelfbeheersing, het brengen van offers, het bestuderen van de Veda’s, soberheid en eenvoud; geweldloosheid, waarheidlievendheid, woedeloosheid; verzaking, rust, afkeer van vitten, onwankelbare vastberadenheid; energie, vergevingsgezindheid, kracht, reinheid, vrijheid van afgunst en van het verlangen naar eer – deze bovennatuurlijke eigenschappen, O Bharata (Arjuna), treft men aan bij lieden die begaafd zijn met een goddelijk karakter. (16: 01-03)
EEN LIJST VAN DEMONISCHE EIGENSCHAPPEN DAT VÓÓR HET BEGIN VAN DE SPIRITUELE REIS MOET OPGEGEVEN WORDEN
Hypocrisie, verwaandheid, ijdelheid en woede, boosheid, ruwheid en onwetendheid zijn eigenschappen van degenen die demonisch van aard zijn, O Pârtha (Arjuna). (16:04)
De goddelijke eigenschappen leiden tot verlossing, terwijl de demonische eigenschappen tot gevangenschap leiden. Vrees niet, O Pândava (Arjuna), want gij zijt geboren met de goddelijke eigenschappen. (16:05)
ER ZIJN MAAR TWEE SOORTEN MENSELIJKE WEZENS – DE WIJZE EN DE ONWETENDE
Er zijn in deze wereld twee emanaties van wezens (of casten), O Pârtha (Arjuna), de goddelijke of de wijze, en de demonische of de onwetende. Ik heb je al omstandig uiteengezet wat de goddelijke eigenschappen zijn. Luister nu naar wat Ik over de demonische te zeggen heb. (16.06)
Degenen dat demonisch zijn weten niet hoe het wel en niet hoort. Men vindt bij hen reinheid, noch wellevendheid, noch waarheidlievendheid. (16:07)
Ze beweren dat deze Universum onwerkelijk is en nergens op berust en dat er geen God is die alles bestuurd; ze komt voort uit seksueel verlangen en kent geen andere oorzaak dan lust. (16:08)
Van deze opvattingen uitgaande wijden de demonische wezens, die verloren zijn voor zichzelf en geen verstand bezitten, zich aan heilloze,
83
gruwelijke werken, die tot bedoeling hebben de wereld te vernietigen. (16:09)
De demonische wezens, die zich overgeven aan ijdelheid, trots en onverzadigbare wellust, vallen ten prooi aan begoocheling. Geboeid door het tijdelijke, wijden ze zich aan onreine praktijken. (16:10)
Zichzelf overgevend aan verderfelijke mening naar wereldse dingen, die alleen op de dood uitloopt; de bevrediging van hun lusten als het hoogste beschouwend; omdat zij denken dat dit alles is. (16:11)
In verslaving gehouden door het leven uit de verwachting, overgegeven aan lusten en woede boosheid, trachten zij langs slinkse wegen grote rijkdom te vergaren voor hun zinnelijke bevredigingen. (16:12)
Dit heb ik vandaag gewonnen; dat doel zal ik morgen bereiken; dit heb ik al en dat zal ik binnenkort ook nog bezitten. (16:13)
Deze vijand heb ik gedood en anderen zal ik nog doden. Ik heers, ik geniet, ik ben volmaakt, ik heb macht, ik ben gelukkig. (16:14)
Ik ben rijk, en van hoge geboorte, wie kan mij evenaren? Ik wil offers brengen, ik wil aalmoezen geven, ik wil genieten. Zo worden dergelijke personen door onwetendheid begoocheld. (16:15)
Aldus verward door allerlei zorgen en verstrikt in het net der zinsbegoocheling, raken de demonische personen gehecht aan zinsgenot en vallen in de hel. (16:16)
Verwaand als ze zijn en altijd onbeschaamd, begoocheld door rijkdom en ijdelheid, brengen ze soms offers (Yajna) om een goede indruk te maken, zonder zich ook maar aan één regel van de Schriftuur te houden. (16:17)
Overgegeven aan zelfzucht, heerszucht, onbeschaamdheid, wellust, wraakgierigheid, haten deze boosaardigen Mij in hun eigen lichaam en in dat van anderen. (16:18)
HET LIJDEN IS DE BESTEMMING VAN DE ONWETENDE
Deze meedogenloze haters, het schuim der mensheid, werp Ik in de oceaan der materiële ellende in de verschillende demonische levensvormen. (16:19)
Telkens wedergeboren onder de demonische moederschoot, begoocheld in de ene geboorte na de andere, nimmer Mij bereikend, O Zoon van Kuntî (Arjuna), betreden zij om te eindigen in de helse diepte. (16:20)
LUST, WOEDE, EN HEBZUCHT ZIJN DE DRIE POORTEN VAN DE HEL
Er zijn drie poorten die toegang geven tot deze hel – begeerte (lust), woede boosheid en hebzucht. Ieder verstandig mens dient zich hiervan af te wenden, want ze leiden de ziel omlaag. (Zie ook MB 5.33.66) (16:21)
84
De mens, die bevrijd is van deze drie poorten der duisternis, O Zoon van Kuntî (Arjuna), bewerkt zijn eigen welzijn en bereikt aldus het hoogste doel. (16:22)
MEN MOET DE SCHRIFTELIJKE BEVELEN VOLGEN
Maar hij die de voorschriften van de Schriften verwerpt en zich gedraagt zoals het hem uitkomt, bereikt noch volmaaktheid, noch geluk, nog het hoogste doel. (16:23)
Laat je daarom leiden door het gezag van de Schriften bij het bepalen van wat wel en wat niet gedaan moet worden. Verricht hier op aarde je plicht met de kennis van de voorschriften die in de Schriften zijn voorgeschreven. (16:24)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het zestiende hoofdstuk, genaamd “De Goddelijke en de Demonische Aard”.
85
Hoofdstuk 17
HET DRIEVOUDIG GELOOF
Arjuna zei: O Krishna, iemand die zich niet aan de beginselen van de Schriften houdt, maar op eigen wijze aanbidt, waar bevindt hij zich? Is hij in goedheid, in hartstocht of in onwetendheid? (17:01)
DE DRIE TYPEN VAN GELOOF
De Verhevene Heer zei: Naar gelang de geaardheden van de natuur waarin de belichaamde ziel zich bevindt, kunnen er drie vormen van geloof voorkomen – in goedheid, hartstocht of onwetendheid. Luister nu hieromtrent. (17:02)
O Bhârata (Arjuna): Naar gelang men beïnvloedt wordt door de verschillende geaardheden van de natuur, ontwikkeld men een bepaalde vorm van geloof. Van het levend wezen wordt verwacht een vorm van geloof aan te hangen die overeenkomt met de mate waarin het door geaardheden is beïnvloed. (17:03)
Personen in de geaardheid goedheid aanbidden de hemelse heersers (Devas); personen in de geaardheid hartstocht aanbidden demonen; en personen in de geaardheid onwetendheid aanbidden de schimmen van de afgestorvenen en troepen van elementalen. (17:04)
Zij die ernstige onthoudingen naleven en boete doen welke niet in de Schriften worden aanbevolen en dit uit trots, geldingsdrang, lust en gehechtheid, die door hartstocht gedreven worden en zowel hun lichaamsorganen als de Superziel die in ze woont martelen, dienen beschouwd te worden als demonen. (17:05-06)
DE DRIE TYPEN VAN VOEDSEL
Zelfs het voedsel dat iedereen eet is van drievoudige aard, in overeenstemming met de drie geaardheden van de materiële natuur. Hetzelfde geldt voor offers, boetedoening en barmhartigheid. Luister nu het onderscheid. (17:07)
Het voedsel, dat vitaliteit, energie, kracht, gezondheid, blijmoedigheid en opgewektheid ten goede komt, dat heerlijk en aangenaam smaakt, voedzaam en aangenaam is, dat hebben de mensen graag die de geaardheid goedheid naleven. (17:08)
Mensen in de geaardheid hartstocht verlangen voedsel, dat bitter, zuur, zout, zeer heet, pikant, droog en brandend scherp is en dat pijn, leed en ziekte veroorzaakt. 17:09)
86
Wat oudbakken, verschaald, rottend en bedorven is, overschoten restjes en onrein voedsel is wat onwetende mensen graag eten. (17:10)
DE DRIE TYPEN VAN OFFERS
Van alle offers dat plichtsgetrouw en volgens de bepalingen van de Schriften gebracht wordt, zonder dat men er beloning voor verwacht, behoort tot de geaardheid goedheid. (17:11)
Weet dat het offer, dat gebracht wordt met het oog op de vruchten van handeling en ook inderdaad ter wille van eigen glorie, tot de geaardheid hartstocht behoord, O Beste der Bharata’s (Arjuna). (17:12)
Het offer dat tegen de Schriften ingaat en waarbij geen geestelijk voedsel wordt verdeeld, geen gezangen worden gezongen en geen giften geschonken aan de priesters, en dat zonder geloof wordt gebracht – dat offer behoort tot de geaardheid onwetendheid. (17:13)
ASCESE IN GEDACHTE, WOORD, EN DAAD
Eerbetoon aan hemelse heersers, de priesters, de goeroe en de wijze; alsook zuiverheid, oprechtheid, celibaat, en geweldloosheid; noemt men de ascese van het lichaam. (17:14)
Het gesproken woord, dat geen ergernis wekt, dat waar, aangenaam en weldadig is, en met de gewoonte de Schriften te bestuderen, noemt men de ascese van de spraak. (17:15)
Rust, eenvoud, ernst, zelfbeheersing en zuiverheid van denken noemt men mentale ascese. (17:16)
DE DRIE TYPEN VAN ASCESE
Deze drievoudige ascese (in gedachte, woord en daad), beoefend door yogi’s die geen materiële gewin nastreven, maar voldoening vinden in het verhevene geloof, behoort tot de geaardheid goedheid. (17:17)
De ascese, die beoefend wordt met het doel respect roem en verering te winnen, en ter wille van het uiterlijk vertoon, noemt men hartstocht. Ze zijn onbestendig en kortstondig. (17:18)
De ascese, die men, uit onverstand met zelffoltering gepaard, beoefend of met het doel iemand anders te doden of te kwetsen, noemt men onwetendheid. (17:19)
DE DRIE TYPEN VAN NAASTENLIEFDE
Het geschenk welke gegeven wordt uit plicht, te juister tijd en plaats, aan iemand die het waard is, zonder dat men er iets voor terug verwacht, wordt beschouwd als barmhartigheid in de geaardheid goedheid. (17:20)
87
Dat wat gegeven wordt met het doel er iets voor in de plaats ontvangen of in de verwachting van de vruchten van handeling, of met tegenzin, wordt beschouwd als zijnde de geaardheid hartstocht. (17:21)
De aalmoes, die niet op de juiste plaats en tijd en aan de verkeerde personen wordt geschonken, met geringschatting en minachting, behoort tot de geaardheid onwetendheid. (17:22)
DE DRIEVOUDIGE NAAM VAN DE ALMACHTIGE
Sinds het begin van de schepping zijn de drie lettergrepen ‘Aum Tat Sat’ gebruikt om de Verhevene Absolute Waarheid aan te duiden. Hiermede werden Brahmanas, Vedas en offeranden geheiligd. (17:23)
Daarom worden de offeranden, giften en ascese, zoals deze voorgeschreven zijn in de schriften, steeds door de kenners van het eeuwige Brahman ingeleid met het uitspreken van het woord “Aum”. (17:24)
De zoekers naar verlossing verrichten verschillende types van offer, naastenliefde en ascese door “Hij is alles”(TAT) uit te spreken, zonder daarom een beloning te verwachten. (17:25)
Het woord “Waarheid” (SAT) staat voor Realiteit en goedheid. Het woord Waarheid wordt eveneens voor een gunstige handeling aangehaald, O Arjuna. (17:26)
Standvastigheid in het verrichten van offers, naastenliefde, en ascese worden ook Waarheid (SAT) genoemd. Ongehechte dienstbaarheid voor de zaak van de Verhevene wordt ook als Waarheid bepaald. (17:27)
Alles wat men zonder geloof verricht – ongeacht het offer, naastenliefde, ascese of eender welke andere handeling is nutteloos. Het heeft geen waarde hier en in het hiernamaals, O Pârtha (Arjuna) . (17:28)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het zeventiende hoofdstuk, genaamd “Het Drievoudig Geloof ”.
88
Hoofdstuk 18
VERLOSSING DOOR VERZAKING
Arjuna zei: Ik verlang te weten waartoe verzaking dient en waartoe de respectievelijke zelfverzaking (een levensorde) dient, O Heer Krsna. (18:01)
DEFINITIE VAN DE VERZAKING EN OFFER
De Verhevene Heer zei: de wijzen noemen het verzaken van handelingen, die door begeerte worden ingegeven, zelfverzaking (Sannyasa of levnsorde). Het afzien van de vruchten van alle handeling wordt door de wijzen onthouding (Tyaga) genaamd. (Zie ook 5.01, 5.05, en 6.01) (18:02)
Sommige filosofen verklaren dat alle vruchtdragende activiteit dient te worden gestaakt, maar er zijn ook anderen die erop houden, dat men activiteit betreffende offers, barmhartigheid en ascese niet mag nagelaten worden. (18:03)
O Bharatasattama (Arjuna), luister nu naar wat Ik je uitéénzet over verzaking. Verzaking is, zoals gezegd wordt, drievoudig van aard. (18:04)
Activiteiten in verband met offers, barmhartigheid en ascetisch leven dienen niet te worden gestaakt, maar te worden volbracht. Want offers, barmhartigheid en ascese reinigen de Wijzen. (18:05)
Al deze activiteiten dienen te worden verricht zonder dat men er iets voor terug verwacht. Ze dienen te worden verricht uit plichtsbetrachting, is mijn oprechte overtuiging, O Arjuna. (18:06)
DRIE TYPEN VAN OFFERS
Voorgeschreven plichten dient men nimmer te ontlopen. Als men als gevolg van begoocheling zijn voorgeschreven plichten staakt, noemt men deze verzaking de geaardheid onwetendheid. (18:07)
Wie zijn voorgeschreven plichten staakt omdat hij ze lastig vindt, of uit vrees, wordt geacht te handelen in de geaardheid hartstocht. Deze vorm van handelen leidt nimmer tot de beloning die men door verzaking bereikt. (18:08)
Het verrichten van een voorgeschreven plicht als iets dat moet worden verwezenlijkt, O Arjuna, terwijl alle eigenbelang daarbij terzijde wordt gesteld en elke gehechtheid aan de handeling is opgegeven, behoort tot de geaardheid goedheid. (18:09)
89
Zij die geen afkeer hebben van onaangename arbeid, noch gehecht zijn aan aangename handeling in de geaardheid goedheid, kennen wat betreft eigen handelen geen twijfel. (18:10)
Het is trouwens onmogelijk voor iemand, die in een lichaam leeft, volledig van handeling af te zien; maar wie afziet van de vruchten van handeling, die beoefent waarlijk verzaking. (18:11)
Wie niet van verzaken weet, vallen na de dood de drievoudige vruchten van zijn handelen toe – de gewenste, de ongewenste en gemengde. Maar zij die zich in het ascetisch leven bevinden dienen niet van de vruchten van eigen handelen te lijden of te genieten. (18:12)
VIJF FACTOREN VOOR HET HANDELEN
Leer van Mij, O Machtige van de Wapenen (Arjuna), de vijf factoren voor het verrichten van alle handelingen, zoals deze uiteengezet zijn in de Sankhya-doctrine. Deze zijn: de zetel van handeling (het lichaam) en de handelende (het verschijnsel ik), de verschillende organen, de diverse soorten van werkingen (bewegingen, ingespannen pogingen, wilsdaden) en ook de Voorzienigheid als de vijfde. (18: 13-14)
Wat een mens ook doet naar lichaam, geest of woord, hetzij goed, hetzij slecht, wordt door de vijf factoren veroorzaakt. (18:15)
Maar hij, die door zijn onvolkomen ontwikkeling van zijn kennis – zijn individuele zelf alleen aanziet voor het handelende, ziet onjuist en is traag van begrip. (18:16)
Wie niet gedreven wordt door de ik-gerichtheid en niet verward is het verstand, doodt niet, zelfs al doodt hij deze volkeren. Evenmin wordt hij door zijn doen en laten gebonden. (18:17)
Kennis, het doel van de kennis en de kenner zijn de drie factoren welke tot handelen leiden; de zinnen, de handeling en de handelende persoon vormen de drievoudige samenstelling van het handelen. (18:18)
DRIE TYPEN VAN KENNIS
Zelfkennis (Jnana), handeling (Karma) en handelende (Karta) zijn in de categorie der geaardheden elk afzonderlijk, ook drievoudig door het verschil tussen de geaardheden (de Guna van Samkhya); verneem dit eveneens zoals het behoort. (18:19)
De kennis waarmee men in alle vormen van bestaan één onverdeelde geestelijke natuur ziet in het verdeelde, is kennis in de geaardheid goedheid. (Zie ook 11.13, en 13.16) (18:20)
De kennis waarmee men in de verschillende soorten lichamen verschillende soorten levende wezens ziet, is kennis in de geaardheid hartstocht (18:21)
90
En de kennis waarmee men aan één soort werk gehecht geraakt, alsof er niets anders bestaat, zonder enig inzicht in de waarheid, en die uiterst ongemotiveerd en onbeduidend is, noemt kennis in de geaardheid onwetendheid te zijn. (18:22)
DRIE TYPEN VAN HANDELEN
De handeling die verricht moet worden en volbracht zonder gehechtheid, zonder liefde of haat, door iemand die niet naar de vrucht van handeling verlangd, behoort tot de geaardheid goedheid. (18:23)
Maar de handeling waarvoor men zich grote moeite getroost en die ter wille van zinsbevrediging verricht wordt vanuit een gevoel van ik-gerichtheid, wordt handelen in de geaardheid hartstocht genoemd. (18:24)
De handeling die in onwetendheid wordt ondernomen, zonder acht te slaan op de gevolgen, de mogelijkheid tot uitvoering of het nadeel en de schade die kunnen worden aangericht, behoord tot de geaardheid onwetendheid. (18:25)
DRIE TYPEN VAN HANDELENDE PERSONEN
De handelde mens die vrij is van alle materiële gebondenheid en van ik-gerichtheid, die geestdriftig en vastberaden is en onverschillig staat tegenover welslagen of falen, werkt in de geaardheid goedheid. (18:26)
De handelde mens die driftig werk verricht, vol verlangen naar de vruchten van handeling, hebzuchtig, schade berokkenend, onzuiver, gedreven door vreugde en smart, werkt in de geaardheid hartstocht. (18:27)
De mens, die handelingen met grote inspanning verricht worden uit gehechtheid aan de gevolgen, voor de voldoening van zijn verlangens, met hoogmoed, hebzucht en onzuiverheid, terwijl hij wordt bewogen door vreugde en smart, bezit de geaardheid onwetendheid. (18:28)
DRIE TYPEN VAN INTELLECT
Verneem nu ook volledig en alles na elkaar de drievoudige indeling van inzicht en standvastigheid volgens de geaardheden, O Arjuna. (18:29)
O Pârtha (Arjuna), het onderscheidsvermogen dat weet wat handelen en niet-handelen is, wat gedaan en wat niet gedaan moet worden, wat gevreesd en niet gevreesd moet worden, wat bindt en wat bevrijdt, is uit de geaardheid goedheid. (18:30)
En dat inzicht dat geen onderscheid weet te maken tussen de religieuze (Dharma) en de niet-religieuze (Adharma) levenswijze, tussen handelingen die wel en die niet verricht dienen te worden, dat onvolmaakte inzicht, O Arjuna, is in de geaardheid hartstocht. (18:31)
91
Het onderscheidingsvermogen dat in duisternis gehuld is, dat onrecht voor recht houdt, dat alle dingen verkeert opvat, bevindt zicht in de geaardheid onwetendheid, O Arjuna. (18:32)
DE DRIE TYPEN VAN RESOLUTIE, EN DE VIER DOELPUNTEN VAN HET MENSELIJK LEVEN
De resolutie waarmee men de geest, de Prana (bio-impuls) en de zinnen onwankelbaar in de Godrealisatie laat opgaan, O Arjuna, is in goedheid. (18:33)
En die resolutie waarmee men zich vastklampt aan de vruchten van zijn streven op het gebied van plicht (Dharma), van het verwerven van goederen (Artha) en van zinsbevrediging (Kama), is in de geaardheid hartstocht, O Arjuna. (18:34)
En die resolutie welke niet kan uitstijgen boven gedroom, vreesachtigheid, geklaag, gemelijkheid en begoocheling – dit soort onintelligentie standvastigheid bevindt zich in de geaardheid onwetendheid, O Pârtha (Arjuna). (18:35)
DRIE TYPEN VAN GENOEGENS
Hoor nu van Mij, O Bharatarshabha (Arjuna), over de drie vormen van vreugde. De vreugde dat men van geestelijke praktijken geniet, waardoor alle leed ten einde komt. (18:36)
Dat, wat in het begin als vergif, maar eigenlijk nectar is; die vreugde, voortspruit uit de rustige kalmte van de Zelfkennis, noemt men de geaardheid goedheid. (18:37)
Sensuele plezieren die eerst als nectar voorkomen, maar eigenlijk als vergif lijken te veranderen; dergelijke genoegens komen van de geaardheid hartstocht. (Zie ook 5.22) (18:38)
En het plezier dat zowel in het begin als daarna zelfbegoocheling is en dat voorkomt uit slaap, luiheid en zorgeloosheid, wordt plezier in de geaardheid onwetendheid genoemd. (18:39)
Er bestaat geen enkel wezen, noch hier, noch onder de hemelse heersers in de hemelse gewesten, dat vrij is van de invloed der drievoudige aard der materiële natuur. (18:40)
DE VERDELING VAN DE WERKZAAMHEID IS VOLGENS PERSOONLIJKE BEVOEGDHEID AFHANKELIJK
De werkzaamheden van Brahmanen, beschermers (Kshattriyas), meesters (Vaishyas) en knechten (Sudras), O Parantapa (Arjuna) (O Verdelger van jou vijanden), zijn verdeeld al naar gelang de hoedanigheden, uit hun eigen aard voortgesproten. (Zie ook 4.13) (18:41)
92
Vreedzaamheid, zelfbeheersing, soberheid, reinheid, verdraagzaamheid, eerlijkheid, wijsheid, kennis en vroomheid – van deze aard is het werk van de Brahmanen. (18:42)
Dapperheid, kracht, vastberadenheid, behendigheid, moed in de strijd, edelmoedigheid en leiderschap vormen de aard van het werk van de beschermers. (18:43)
Landbouw, veeteelt en handel geven de aard van het werk van de meesters aan, en de dienaren dienen de anderen door hun arbeid. (18:44)
HET BEREIKEN DER VERLOSSING DOOR PLICHT VERVULLING, DISCIPLINE, EN DEVOTIE
Ieder mens komt tot volmaaktheid, als hij opgaat in zijn eigen plicht. Luister, hoe volmaaktheid wordt verkregen door de mens, die geheel gericht is op zijn eigen natuurlijke (Karmische) plicht. (18:45)
Door aanbidding van de Verhevene Wezen, de oorsprong van alle schepselen, die alomtegenwoordig is, kan de mens bij het vervullen van zijn eigen plicht tot volmaaktheid komen. (Zie ook 9.27, 12.10) (18:46)
Het is beter zich aan zijn eigen taak te wijden, ook al verricht men haar gebrekkig, dan zich over andermans taak te ontfermen en haar volmaakt te verrichten. De plichten die de mens zijn voorgeschreven naar gelang zijn wezen leiden nimmer tot terugslagen zoals bij zondige activiteiten. (Zie ook 3.35) (18:47)
Men behoort zich niet van zijn plicht af te wenden, O Zoon van Kunt (Arjuna), zelfs al wordt alle ondernemingen gebrekkig vervuld. Alle menselijke handelingen worden door fouten omringd, evenals het vuur door rook wordt omhuld. (18:48)
De mens kan de vruchten van de verzaking ontvangen louter door zelfbeheersing, onthechting van materiële zaken en geringschatting van materiële genoegens. Dat is de hoogste volmaaktheid van de verzaking. (18:49)
O Zoon van Kuntî (Arjuna)), verneem van Mij in het kort hoe men tot het hoogste peil van de volmaaktheid, Brahman, kan komen, door te handelen op een wijze die Ik nu kort zal samenvatten. (18:50)
Wanneer men door zijn verstand gelouterd wordt en de geest vastberaden beteugeld; wanneer men wat de zinnen bevredigd laat varen en zich zo bevrijdt van gehechtheid en haat; wanneer men in afzondering leeft, weinig eet, lichaam en tong beheerst, altijd in verheven concentratie is en onthecht, zonder ik-gerichtheid, valse kracht, valse trots, lust en woede; en, wanneer men geen materiële zaken aanneemt, raakt men beslist bevordert tot het peil der zelfverwerkelijking met de Verhevene Wezen (Para-Brahma).(18: 51-53)
93
Opgaande in de Verhevene Wezen, verheven kalm in het Zelf, treurt hij niet en begeert hij niet; tegenover alle schepselen hetzelfde, bereikt hij de hoogste staat van toewijding aan Mij. (18:54)
Door dit Deel van Mij kent Hij Mij, die Mijn essentie is en wat Ik in waarheid ben; en Mij zo kennende gaat hij rechtstreeks in dat Deel van Mij op. (Zie ook 05.19) (18:55)
Een Karma-yogi toegewijde bereikt de eeuwige onveranderlijke woonst van Mijn genade (Moksa) – zelfs terwijl alle verplichtingen worden verricht – gewoon door in Mij toevlucht te zoeken (door overgave van alle handelingen in liefdevolle devotie aan Mij). (18:56)
Wijd in oprechtheid alle handelingen aan Mij, en plaatst Mij als jouw verhevene doel, en verbindt je gans aan Mij. Vestig steeds jouw gemoed op Mij, en verblijf in Karma-yoga. (18:57)
Aan mij denkend, ga je door Mijn genade alle belemmeringen te boven komen; maar zo je uit zelfzucht niet wilt luisteren, ga je tenietgaan. (18:58)
DE KARMISCHE GEBONDENHEID
Handel jij niet volgens Mijn aanwijzingen en weigert jij te strijden, dat is een tevergeefs besluit, want je eigen natuur zal je ertoe dwingen. (18:59)
O Arjuna, gebonden door je eigen karma, dat uit je eigen aard is voortgekomen, ga je juist dat hulpeloos verrichten wat jij uit dwaasheid niet wenst te doen. (18:60)
WIJ WORDEN DE MARIONETTEN VAN ONZE EIGEN VRIJE WIL
De Verhevene Heer zetelt in ieders hart, O Arjuna, en bestuurt (Isvara) het doen en laten van alle levende wezens, die zich in het lichaam als het ware in een mechaniek (van de Karma) bevinden, dat gemaakt is van de materiële energie. (18:61)
Neem je toevlucht tot de Verhevene Heer (Krsna of Isvara) met geheel jouw wezen, O Bhârata (Arjuna); door zijn genade ga je de opperste vrede verkrijgen, de Eeuwige Woonst (Parama-dhama). (18:62)
Zo heb ik je de kennis verteld die geheimste van alle geheimen is: denk er goed over na, en handelt naar eigen goeddunken. (18:63)
HET PAD VAN OVERGAVE IS DE ULTIEME PAD NAAR GOD
Luister nog eens naar Mijn meest verheven woord, dat het meest verborgen is van al. Jij bent Mij dierbaar en jij bent standvastig; daarom wil ik in jouw belang spreken. (18:64)
94
Vestig jouw gedachten (Manas) onafgebroken op Mij en wees Mij toegewijd. Offer aan Mij en bewijs Mij eer. Zo ga je voorzeker tot Mij komen. Ik geef je Mijn woord; jij bent Mij dierbaar. (18:65)
Laat alle vormen van geloof (Dharma) voor wat ze zijn en geeft je slechts aan Mij over. Ik zal je verlossen van de terugslagen van al jouw zonden (of van Karma gebondenheid). Treur niet. (18:66)
Jij moet dit nimmer aan niemand openbaren, die geen asceet is, nooit met iemand zonder toewijding en ook niet met iemand, die niet wenst te luisteren en evenmin met degene, die Mij afgunstig is. (18:67)
DE HOOGSTE DIENST AAN GOD EN DE BESTE NAASTENLIEFDE
Wie dit verhevene filosofische geheim (of de transcendentale kennis van de Gita) aan Mijn toegewijden verklaart, en in Mij het hoogste vertrouwen heeft, zal ongetwijfeld het (Parama-dhama) bereiken en tot Mij komen. (18:68)
Er zal onder de mensen niemand zijn die Mij meer behagen dan hij; van allen op aarde zal hij Mij het meest dierbaar zijn. (18:69)
DE GENADE VAN DE GÎTÂ
En Ik verklaar dat hij die zich in dit heilige gesprek verdiept, Mij aanbidt met zijn verstand (Jnana-yajna, Kennis-offer). Daarvan ben Ik overtuigd. (18:70)
En wie gelovig en zonder tegenspraak naar deze woorden luistert wordt bevrijd van de terugslagen van zijn zonden en gaat naar de hemelse gewesten waar de vromen verblijven. (18:71)
O Pârtha (Arjuna) hebt jij aandachtig naar dit alles geluisterd? Is jouw verwarring, veroorzaakt door onwetendheid, weggenomen, O Dhananjaya (Arjuna)? (18:72)
Arjuna zei: Mijn dierbare Achyuta (Krsna), O Onfeilbare, mijn illusies zijn thans geweken. Door Jouw goddelijke genade heb ik mijn geheugen weer terug en ik ben nu sterk, vrij van twijfel en bereid te handelen zoals Jij het mij opdraagt. (18:73)
Samjaya zei: Aldus heb ik de woorden vernomen die twee grote zielen, Krsna en Mahatma Arjuna, tot elkaar spraken. En deze boodschap is zo wonderbaarlijk dat mijn haar ervan overeind staat. (18:74)
Door de goedgunstigheid van de wijze (goeroe) Vyasa heb ik geluisterd naar dit geheim en de geheime yoga van de Heer van yoga, Krsna zelf, zoals hij voor mijn aangezicht sprak. (18:75)
95
O Koning! Telkens als ik me deze verwonderlijke en heilige samenspraak van Kesava (Krsna) en Arjuna telkens opnieuw voor de geest haal, tril ik onophoudelijk van vreugde. (18:76)
O Koning! Wanneer ik aan de heerlijke gedaante van Heer Krsna denk, word ik bevangen door nog groter verbazing en verheug ik me telkens opnieuw. (18:77)
TRANSCENDENTALE KENNIS EN HANDELING ZIJN BEIDE NODIG VOOR EEN EVENWICHTIG LEVEN
Overal waar Krsna, de Heer van yoga, (of Dharma) als schriftuur (Sastra), en Arjuna met de wapens (Sastra) van plicht en bescherming zullen zijn; zal er eeuwige voorspoed, overwinning, geluk en moraliteit zijn. Dit is mijn overtuiging. (18:78)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen Sri Krsna en Arjuna, staat aldus het achttiende hoofdstuk beëindigd, genaamd “Verlossing door Verzaking ”.
EPILOOG
DE AFSCHEIDSREDE VAN DE HEER KRISHNA
De Heer Krishna op de avond van Zijn vertrek van de arena deze wereld, nadat was beëindigd de moeilijke taak de Dharma te vestigen, gaf Hij zijn laatste afscheidsrede aan Zijn onkel Uddhava die daarbij Zijn geliefde devoot en volgeling was. Op het einde van een lange preek met de inhoud van meer dan duizend verzen (BP 11.06-29), zei Uddhava: “O Heer, ik denk dat het naleven van yoga zoals Jij (aan Arjuna, en nu) tot mij hebt verteld, moeilijk is en zelfs voor de meeste mensen, daar het de controle bevat van de onhandelbare zinnen. Vertel me kort, eenvoudig, en gemakkelijk de weg naar de Godrealisatie. De Heer Krishna gaf op Uddhava’s aanvraag de bijzonderheden om in deze moderne tijd tot zelfrealisatie te komen, en deze zijn:
1. Vervul zo goed mogelijk jouw plichten voor Mij, zonder zelfzuchtige bedoelingen, en herinner Mij ten alle tijde – voor het begin van het werk, bij het voleindigen van een taak, en tijdens de inactiviteit.
2. Praktiseer om Mij in alle creaturen te zien in gedachte, woord en daad; en maak hen mentaal een buiging.
96
3. Ontwaak jouw slapende Kundalini Sakti en besef dat God’s kracht steeds met je is; door de activiteiten van het gemoed, de zinnen, de ademhaling, en de emoties; en dat Hij voortdurend al het werk verricht door jouw als een te instrument in gebruik. Yogïrâja Muntaz zei: de persoon die zich als een louter instrument herkend en zijnde een sportveld voor het gemoed en de materie, kent Brahma of de Waarheid. Het beëindigen van alle begeerten door de ware essentie van de wereld en menselijk gemoed te realiseren, is Zelfrealisatie. Paramahamsa Hariharânanda zei: God is alles en zelfs boven alles. Daarom, indien je Hem wilt realiseren, dient je Hem te zoeken en Hem zien in ieder atoom, in iedere materie, in ieder lichamelijke functie, en elk wezen in een houding van overgave.
De essentie van de Godrealisatie is bovendien in de Bhagavad Mahâ Purâna (BP 2.09.32-35) als volgt opgesomd:
De Verhevene Heer Krishna zei: O Brahma, de persoon die Mij wenst te kennen, de Verhevene Goddelijke Persoonlijkheid, de Heer Srî Krishna, zou moeten begrijpen dat Ik voor de schepping bestond, dat Ik in de schepping besta, en evenzo na de dissolutie. Al andere bestaan is niets anders dan Mijn denkbeeldig energie. Ik besta in de schepping, en tezelfdertijd buiten de schepping. Ik ben de alvervullend Verhevene Heer die overal bestaat, in alles, en te allen tijde.
Harih AUM tatsat Harih AUM tatsat Harih AUM tatsat
Srî Krsnârpanam astu subham bhûyât.
AUM Sântih Sântih Sântih
Het boek is aan de Heer Sri Krishna geschonken. Moge Hij ons allen zegenen met goedheid, voorspoed, en vrede.
97
NASCHRIFT
Aldus Eindigt de vertaling uit het Sanskriet, diverse Hindoeïstische manuscripten en naar de Engelse vertaling van Dr.Ramananda Prasad, Ph.D., boek nu in zijn vierde editie. De Bhagavad Gita wordt “de Zang des Heren” genoemd, en is het boek dat een synthese is van alle Religies, Filosofie en Wetenschap in de echte betekenis van deze woorden.
Men kan er van alles mee doen, al naar het eigen karakter en de daarmee samenhangende doelstellingen in het leven; want, “Zelfs hij die er met vertrouwen en zonder tegenspraak naar luistert, zal bevrijd de hemelse gewesten der rechtvaardigen bereiken.”
Wij dragen deze uitgave op aan allen die de huidige steeds maar falende toestand van de wereldgodsdiensten beu zijn, en aan allen die zich verantwoordelijk voelen voor hun medemensen, in het algemeen of in geringe kring, omdat de praktische toepassing van de door de Verhevene Heer Krishna gegeven aanwijzingen tot de oplossing van het leed in deze huidige wereld van verwarring zal leiden.
Waar alle Heilige Geschriften in deze tijd niet meer verantwoord zijn in onze huidige samenleving, is de Bhagavad Gita absoluut hedendaags daar filosofisch en wetenschappelijk gerechtvaardigd, namelijk het hoogste doel bereiken in jezelf.
Regeerders van deze wereld, zielenherders en psychologen, mannen en vrouwen van de wetenschap, maatschappelijke bewogenen, allen die in nood verkeren:
Shanti, Shanti, Shanti (Vrede)
Philippe L. De Coster, B.Th., D.D.
98
VEERTIG VERZEN VAN DE GÎTÂ
(Voor Dagelijkse Lezing en Contemplatie)
De Tien geboden van het Hindoeïsme
Volgens de wijze Patanjali (Patanjali’s Yoga Sutra 2.30-32) zijn:
(1) Geweldloosheid
(2) Waarheidsliefde
(3) Eerlijkheid (zich niets onregelmatig toe-eigenen)
(4) Celibaat of controle over de zinnen
(5) Onhebzuchtigheid
(6) Zuiverheid in gedachte, woord en daad
(7) Tevredenheid
(8) Strenge soberheid
(9) Studie der Schriften, en
(10) Zelfovergave aan God in gelovig en liefdevolle devotie
Ik offer mijn gehoorzaamheid aan de Heer Krishna, de wereld leraar, die de zoon van Vasudeva is, de opheffer van alle opstakelen, en wie’s genade de sprakeloos welsprekend maakt en de kreupele bergen laat doorkruisen.
1.
Dhrtarästra zei: O Samjaya, nadat mijn zoons en de zoons van Pändu, verlangend naar de strijd, zich op het bedevaartsveld Kuruksetra hadden verzameld, - wat deden ze? (1.01)
2.
De Verhevene Heer zei: je spreekt geleerde woorden, maar treurt om iets wat het verdriet niet waard is. Zij die wijs zijn weeklagen noch om de levenden, noch om de doden. (2.11)
3.
Zoals de belichaamde ziel in dit lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze bij de dood naar een ander lichaam over. Een zelfverwerkelijkte ziel raakt door zo een verandering niet uit haar evenwicht. (Zie ook 15.08) (2.13)
99
4.
Zoals iemand zijn oude, versleten kleren wegdoet en zich in nieuwe steekt, laat de ziel het oude, nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw. (2.22)
5.
Strijd om der wille van de strijd, zonder te denken aan geluk of verdriet, verlies of winst, zege of nederlaag – als je zo handelt, blijf je altijd van zonden vrij. (2.38)
6.
Jij hebt het recht jouw voorgeschreven plicht te vervullen, maar de vruchten ervan komen jou niet toe. Laat de vruchten van jouw handelingen vervolgens ook niet jouw drijfveer zijn, maar verzuim ook niet te handelen. (02.47)
7.
Wie toegewijde dienst verricht, bevrijdt zich nog tijdens dit leven van de terugslagen zowel van goede als van slechte daden, Arjuna. Tracht dus te handelen in Karma-yoga of Seva – de kunst van alle arbeid. (2.50)
8.
Zoals de stormwind een schip stuurloos over de wateren jaagt, zo zal die ene van de dolende zinnen, waarvan het bewustzijn zich gehecht heeft, de mens het verstand ontnemen. (2.67)
9.
De geestelijke ziel, die door de invloed van de drieërlei aard van de materiële natuur geheel in de war is, denkt dat ze zélf van alles doet, wat in werkelijkheid door de natuur wordt gedaan. (Zie ook 5.09, 13.29, and 14.19) (3.27)
10.
Wanneer men aldus weet dat men boven de materiële zinnen, de geest en het verstand verheven is, dient men het lagere door het hogere zelf te beteugelen en zo – door bovenzinnelijke kracht – deze onverzadelijke vijand, bekend als lust, te overwinnen. (3.43)
11.
Waar en wanneer ook maar de dienst van God in verval raakt, O Arjuna, en goddeloosheid de overhand neemt – daar en te dien tijde daal Ik Zelf neer. Om de devoties te bevrijden en de goddelozen te verdelgen en om de beginselen van de godsdienst te herstellen,
100
verschijn Ik Zelf in tijdperk na tijdperk. (4.07-08)
12.
In overeenstemming met de drieërlei aard van de materiële natuur en de werkzaamheid daaraan toebedeelt, werden de vier geledingen der menselijke samenleving door Mij geschapen. En hoewel Ik de schepper van dit stelsel ben, dien je te weten dat Ik er niet aan gebonden ben, want Ik ben onveranderlijk. (Zie ook 18.41) (4.13)
13.
Wie niet-handelen in handelen ziet, en handelen in niet-handelen, is een wijze persoon. Een dergelijke persoon is een yogi en heeft alles volbracht. (Zie ook 3.05, 3.27, 5.08 en 13.29) (4.18)
14.
De Geest zal bij hem worden verwezenlijkt die alles als een manifestatie beschouwd, of een handelen van de Geest. (Zie ook 9.16) (4.24)
15.
Er is in deze wereld niets zo verheven en zuiver als bovennatuurlijke kennis. Deze kennis is de rijpe vrucht van alle mystiek. En wie haar verworven heeft, zal spoedig in zichzelf de vreugde van het zelf ervaren. (Zie ook 4.31, and 5.06, 18.78). (4.38)
16.
Tenzij men in toegewijde dienst is van de Heer, kan louter verzaken van activiteit iemand niet gelukkig maken. De wijzen echter, die gelouterd zijn door toegewijde werken, bereiken onverwijld Nirvana. (Zie ook 4.31, en 4.38) (5.06)
17.
Wie zijn taak doet zonder eraan gehecht te zijn en de baten hiervan overdraagt aan de Allerhoogste, is niet onderhevig aan de terugslag van zondig doen en laten, zoals een lotusbloem niet aangeraakt wordt door het water. (5.10)
18.
Voor wie Mij overal ziet en alles in Mij ziet, ben Ik nimmer verloren, noch is hij ooit verloren voor Mij. (6.30)
19.
O Arjuna, vier soorten vrome lieden bewijzen me toegewijde dienst – de verdrietige, hij die rijkdom
101
begeert, de nieuwsgierige en hij die naar kennis van het Absolute zoekt. (7.16)
20.
Na vele geboorten komt de verlichte, die vervuld is van wijsheid tot Mij (of Verhevene Wezen). Zo een grote ziel is uiterst zeldzaam. (7.19)
21.
Onverstandige lieden, die Mij niet kennen, denken dat Ik deze gedaante en persoonlijkheid heb aangenomen. Als gevolg van hun geringe kennis, weten ze niets van Mijn hogere natuur, die onveranderlijk en hoog verheven is. (Zie ook 15.16) (7.24)
22.
De zijnstoestand die men zich bij het verlaten van het lichaam herinnert, zal men voorzeker weer bereiken. (8.06)
23.
Denk daarom voortdurend aan Mij alleen, en strijd. Als jouw verstand en jouw vrede vast op Mij gevestigd zijn, ga jij tot Mij komen, daar is geen twijfel aan. (8.07)
24.
Ik ben gemakkelijk bereikbaar, o Pârtha (Arjuna), door de altijd toegewijde yogi die steeds op Mij denkt, zonder zijn gedachten op iets anders te richten. (08.14)
25.
Maar wie Mij toegewijd aanbidden en op Mijn bovennatuurlijke gedaante mediteren, schenk Ik wat ze missen en laat Ik behouden wat ze hebben. (9.22)
26.
Als men Mij met liefde en toewijding een blad, een bloem, fruit of water offert, zal Ik het aanvaarden. (9.26)
27.
Denk onafgebroken aan Mij, bewijs Mij eer en aanbid Mij. Als jij volkomen in Mij opgaat, ga jij zeker tot Mij komen. (9.34)
28.
Ik ben de oorsprong van allen; alles komt uit Mij voort; dit begrijpend, in aanbidding verzonken, aanschouwen de wijzen Mij (het Zelf). (10.08)
29.
Mijn dierbare Arjuna, hij die handelingen verricht om
102
Mijnentwil, hij voor wie Ik het hoogste heil ben, hij die Mij is toegewijd, bevrijd van alle gehechtheid, zonder haat tegen welke mens dan ook, hij zal tot Mij komen. (Zie ook 8.22) (11.55)
30.
Daarom, vestig jouw gemoed op Mij, en laat jouw intellect op Mij alleen vertoeven door meditatie en contemplatie. Hierna ga jij zeker in Mij verblijven. (12.08)
31.
Hij die dezelfde eeuwige Verhevene Heer ziet als het onvergankelijke in het vergankelijke, terzelfdetijd verblijvend in alle schepselen, ziet de dingen zoals ze zijn. (13.27)
32.
Wie Mij alleen dient door standvastige toewijding (Bhakti-Yoga) stijgt boven de geaardheden van de materiële Natuur, en maakt hij zich geschikt om op te gaan in Brahma-nirvâna. (Zie ook 07.14 en 15.19) (14.26)
33.
Ik woon in ieders hart en van Mij komen geheugen, kennis en vergetelheid. De bedoeling van alle Veda’s is dat men Mij leert kennen. Ik ben voorwaar de schrijver van de Vedanta en degene die de Veda’s doorgrondt. (Zie ook 6.39) (15.15)
34.
Er zijn drie poorten die toegang geven tot deze hel – lust, woede en hebzucht. Ieder verstandig mens dient zich hiervan af te wenden, want ze leiden de ziel omlaag. (16.21)
35.
Het gesproken woord, dat geen ergernis wekt, dat waar, aangenaam en weldadig is, en de gewoonte de schriften te bestuderen, noemt men de ascese van de spraak. (17.15)
36.
Door toewijding leert hij Mij in essentie kennen, wie en wat Ik ben; Mij aldus in essentie kennend, gaat hij zonder verwijl op in het koninkrijk Gods. (Zie ook 5.19) (18.55)
37.
De Verhevene Heer zetelt in ieders hart, O Arjuna, en
103
bestuurt het doen en laten van alle levende wezens, die zich in het lichaam als het ware in een mechaniek bevinden, dat gemaakt is van de materiële energie. (18.61)
38.
Laat alle vormen van geloof voor wat ze zijn en geeft je slechts aan Mij over. Ik zal je verlossen van de terugslagen van al jouw zonden. (18.66)
39.
Wie dit verheven geheim aan de toegewijden onthult komt voorzeker tot toegewijde dienst en zal tenslotte tot Mij terugkeren. (18.68)
40.
Overal waar Krishna, de Heer van yoga, of Dharma in de vorm van de schriften, en Arjuna met de wapens van plicht en bescherming zullen zijn; zal er eeuwige voorspoed, overwinning, geluk en moraliteit wezen. Dit is mijn overtuiging. (18.78)
Harih AUM tatsat Harih AUM tatsat Harih AUM tatsat
Srî Krsnârpanam astu subham bhûyât.
AUM Sântih Sântih Sântih
Het boek is aan de Heer Sri Krishna geschonken. Moge Hij ons allen zegenen met goedheid, voorspoed, en vrede.
104
Gita Mahatmya
De Glorie van de Gita
De Gita Mahatmya is een dankzegging aan de Bhagavad Gita die traditiegetrouw bij het afsluiten van een Gitalezing wordt gereciteerd. Bij beperktheid in tijd wordt enkel de verzen 21 en 22 gelezen.
Sri ganesaya namah
Sri radharamanaya (Krsna) namah
Gegroet Ganesha, die alle hindernissen uit de weg ruimt. Gegroet Sri Radharamana (Krsna)
Vers 1
Dharovaacha: Bhagavan parameshaana bhaktiravyabhichaarinee; Praarabdham bhujyamaanasya katham bhavati he prabho.(1)
De aarde zei:
O hoogste God, hoe kan iemand die verstrikt is in het mondaine leven onwrikbare toewijding betrachten?
Vers 2
Sri Vishnuruvaacha: Praarabdham bhujyamaano hi geetaabhyaasaratah sadaa; Sa muktah sa sukhee loke karmanaa nopalipyate.(2)
De Heer Vishnu zei:
Zelfs de persoon die aan de wereldse verplichtingen verbonden is, kan door het bestuderen van de Gita een gelukkig mens in deze wereld worden, en geraakt niet verstrikt in nieuw karma.
Vers 3
Mahaapaapaadipaapaani geetaadhyaanam karoti chet; Kwachit sparsham na kurvanti nalineedalam ambuvat.(3)
Hij die regelmatig de Gita opzegt, wordt ordelijk zoals een waterdruppel die van het lotusblad afrolt, niet aangetast door negatieve daden.
105
Verzen 4 en 5
Geetaayaah pustakam yatra yatra paathah pravartate; Tatra sarvaani teerthaani prayaagaadeeni tatra vai.
Sarve devaashcha rishayo yoginahpannagaashcha ye; Gopaalaa gopikaa vaapi naaradoddhava paarshadaih.(4-5)
De plek waar men de Bhagavad Gita in ere houdt, wordt de woning van alle heilige pelgrimsoorden, Prayagas en andere heilige oorden inbegrepen. Hier verblijven alle Goden, wijzen, yogi’s, goddelijke slangen, vrienden en devoties van Krishna, (Gopala’s en Gopika’s) evenals Narada, Uddhava en anderen.
Vers 6
Sahaayo jaayate sheeghram yatra geetaa pravartate; Yatra geetaavichaarashcha pathanam paathanam shrutam; Tatraaham nishchitam prithvi nivasaami sadaiva hi.(6)
Waar de Gita wordt gelezen, beluisterd en onderwezen of waar men zich in haar verdiept daar ben Ik aanwezig. En wanneer op die plek hulp nodig is, zal zij vlug komen.
Vers 7
Geetaashraye’ham tishthaami geetaa me chottamam griham; Geetaajnaanam upaashritya treen Uokaan paalayaamyaham.(7)
Ik verblijf in het toevluchtsoord van de Gita; de Gita is mijn woning bij uitstek. Ik bescherm de drie werelden gegrondvest op de wijsheid van de Gita.
Verzen 8 en 9
Geetaa me paramaa vidyaa brahmaroopaa na samshayah; Ardhamaatraaksharaa nityaa swaanirvaachyapadaatmikaa.
Chidaanandena krishnena proktaa swamukhato’rjuna; Vedatrayee paraanandaa tatwaarthajnaanasamyutaa.(8-9)
De Gita is Mijne Hoogste Wetenschap, die ongetwijfeld de belichaming is van de eeuwige Brahman; deze Wetenschap is absoluut;
106
onvergankelijk, eeuwig, en bevat de essentie van Mijn ondefinieerbare Toestand. Het bevat alle drie Veda’s; ze zijn heilig, en beschrijven het realiseren van de ware natuur van het Zelf. Het werd door de Almachtige en Gezegende Krishna zelf aan Arjuna overgedragen.
Vers 10
Yoashtaadasha japen nityam naro nishchalamaanasah; Jnaanasiddhim sa labhate tato yaati param padam.(10)
Hij van wie de geest (het gemoed) zuiver en evenwichtig is, zal door het dagelijks lezen van de achttien hoofdstukken Gita de hoogste, en meest volmaakte kennis bereiken.
Vers 11
Paathe’asamarthah sampoornam tato’rdham paathamaacharet; Tadaa godaanajam punyam labhate naatra samshayah.(11)
Zou men hiertoe niet in staat zijn, dan zal het lezen van slechts de helft van de Gita ongetwijfeld evenveel voordeel opleveren als het schenken van een koe.
Vers 12
Tribhaagam pathamaanastu gangaasnaanaphalam labhet; Shadamsham japamaanastu somayaagaphalam labhet.(12)
Het opzeggen van maar een derde deel van de Gita geeft dezelfde zegen als het nemen van een bad in de heilige rivier de Ganges. Als men slechts een zesde deel van de Gita reciteert, ontvangt men dezelfde zegen als wanneer men een offer (Soma-offer) opdraagt.
Vers 13
Ekaadhyaayam tu yo nityam pathate bhaktisamyutah; Rudralokam avaapnoti gano bhootwaa vasecchiram (13)
107
Degene die met devotie één hoofdstuk van de Gita per dag voorleest, verwerft toegang tot de wereld van Rudra (Rudraloka) en wordt voor vele jaren de dienaar van Shiva.
Vers 14
Adhyaayam shlokapaadam vaa nityam yah pathate narah; Sa yaati narataam yaavanmanwantaram vasundhare.(14)
Toch zelfs als men per dag slechts een kwart van een hoofdstuk of zelfs maar een deel van een vers leest dan zal men tot aan het einde van een manvantara (en, dat is de periode van 308.448.000 jaar) de menselijke vorm behouden.
Verzen 15-16
Geetaayaah shloka dashakam sapta pancha chatushtayam;
Dwautreenekam tadardhamvaa shlokaanaam yah pathennarah. Chandralokam avaapnoti varshaanaam ayutam dhruvam; Geetaapaathasamaayukto mrito maanushataam vrajet. (15-16)
Doch als men tien verzen herhaalt of zeven of minder, ja zelfs een half vers dan heeft men toegang verdiend tot het gebied van de maan (Chandraloka) en mag men daar 10.000 jaar verblijven. De persoon die het lichaam verlaat terwijl hij of zij de Gita aan het lezen is, bereikt de regio van de mens.
Vers 17
Geetaabhyaasam punah kritwaa labhate muktim uttamaam; Geetetyucchaarasamyukto mriyamaano gatim labhet.(17)
Men zal complete bevrijding (Mukti) bereiken door het voortdurende bestuderen van de Gita en door op het ogenblik van sterven enkel het woord “Gita” te uiten, gaat men het einddoel bereiken.
Vers 18
Geetaarthashravanaasakto mahaapaapayuto’pi vaa; Vaikuntham samavaapnoti vishnunaa saha modate.(18)
108
Zelfs de persoon die gruwelijke zonden heeft begaan gaat naar Vaikuntha (verblijf van Vishnu) en woont in gemeenschap met Vishnu, indien hij of zij het heerlijk vindt om naar de betekenis van de Gita te luisteren.
Vers 19
Geetaartham dhyaayate nityam kritwaa karmaani bhoorishah; Jeevanmuktah sa vijneyo dehaante paramam padam.(19)
Als men gaat mediteren op de betekenis van de Gita en zijn best doet om goed te handelen, zal men na dit leven het verhevene doel bereiken en tijdens dit leven als een Jivanmukta (bevrijde ziel, adept) worden beschouwd.
Vers 20
Geetaam aashritya bahavo bhoobhujo janakaadayah; Nirdhootakalmashaa loke geetaa yaataah param padam.(20)
Vele koningen, zoals Janaka en anderen, zijn volledig gezuiverd en hebben hun hoogste doel bereikt, doordat ze hun toevlucht namen tot de Gita. Zo wordt het geprezen!
Vers 21
Geetaayaah pathanam kritwaa maahaatmyam naiva yah pathet; Vrithaa paatho bhavet tasya shrama eva hyudaahritah. (21)
Als men niettemin de Gita leest zonder daarna deze Mahatmya te lezen, verliest men alles wat men heeft gewonnen en zijn de inspanningen het enige resultaat.
Dit vers is alleen als een test te begrijpen, een bevestiging als het ware van het geloof (Shraddha) in de Bhagavad Gita, die niet alleen een literaire of filosofisch boek van hoge morele waarde, maar ook het woord van God is, zoals veel andere heilige geschriften in de wereld, en moet daarom worden onderzocht met een groot geloof en echte devotie (toewijding). Tijdens het lezen van de Bhagavad Gita, treedt men werkelijk in de Verhevene Aanwezigheid van God, zoals trouwens in meditatie. Wees stil, heel stil, en hoor de stille, zachte stem in je, en kom je tot innerlijke rust. De “Gita Mahatmya” genereert deze toewijding in je hart.
109
Vers 22
Etanmaahaatmyasamyuktam geetaabhyaasam karoti yah; Sa tatphalamavaapnoti durlabhaam gatim aapnuyaat.(22)
Doch als men de Gita bestudeert en ook de Mahatmya leest, zal men alle vruchten ontvangen die hierin beschreven staan, en komt men tot het doel die moeilijk te bereiken is.
Vers 23
Suta Uvaacha: Maahaatmyam etad geetaayaah mayaa proktam sanaatanam; Geetaante cha pathedyastu yaduktam tatphalam labhet.(23)
Suta zei: Als men na het bestuderen van de Gita de Mahatmya opzegt zoals deze door Mij is verwoord, zal men de beloningen hierin beschreven ontvangen.
Iti sri varaha purana sri gita mahatmyam sampurnam
Aldus eindigt de Gita Mahatmya, onderdeel van de Varaha Purana
AUM, Shanti, Shanti, Shanti
Nawoord:
Deze uitspraken lijken enigszins fantastisch, zo niet belachelijk voor een kritische student. Maar de gedachte achter deze geestelijk oefeningen moet eerst worden begrepen. Zoals men dagelijks dient te eten voor de goede fysische en mentale conditie te verzekeren, in overeenstemming met wat men dagelijks nodig heeft, zo dient de aspirant of devotie ook zijn of haar geestelijk leven met het goddelijk woord onderhouden. Overdosis bestaat in het geestelijk leven niet. Men maakt vooruitgang in verhouding tot wat men er zelf van maken in het appliqueren van het praktische en theoretische onderwijs en princiepen gevonden in de Bhagavad Gita.
110
De traditionele melodie van de Sanskriet verzen van
de Bhagavad Gita
Reciteer de verzen volgens de onderstaande melodieën. Men dient de
ritme vrij te houden en zing gewoon losjes. De meeste verzen worden
gezongen volgens de noten van hoofdstuk 1:1. Een aantal verzen worden
gezongen volgens de noten van hoofdstuk 2:5. Deze zijn te herkennen aan
een sterretje * voor de fonetische weergave.
Voordat men uit de Bhagavad Gita lezen, reciteren we gewoonlijk de
aanhef van het betreffende hoofdstuk 1 zingen we zoals de voorbeeld
hieronder.
De melodieën zijn hier genoteerd in G# en D#. Het gebruik van een
snaarinstrument zoals een tampura, helpt zuiver te zingen en vooral in het
ritme te blijven.
Hoofdstuk 1:1
Hoofdstuk 2:5
111
WOORD- EN TEKSTVERKLARING
IN DE GÎTÂ
Hoofdstuk per hoofdstuk
HOOFDSTUK 1
?
AUM
“AUM” is een woord waaraan in India, in het bijzonder in de Brahmaanse literatuur heilige betekenis wordt toegekend. Gebeden en heilige geschriften worden ermee geopend en gesloten. Het is een samenstelling van de beginletters van de namen van de goden Agni, vuur; Varuna, water, en Maruts, lucht. Op een bepaalde wijze uitgesproken veroorzaakt de klank een rustgevende weerkaatsing in het brein.
1. Kurukshetra. De oorspronkelijke tekst begint met de woorden “dharmakshetre kurukshetre”, wat duidt op de gemanifesteerde wereld als het ervaringsveld van het menselijke bewustzijn, het strijdtoneel, waarop de strijd tussen de ‘krachten des Lichts’ en de ‘krachten der Duisternis’ moet worden gevoerd.
2. Sanjaya. De wagenvoerder en zanger van de koning. Door Vyâsa begiftigd met goddelijke visie, opdat het kleinste detail kon worden naverteld.
3. Drupada. Zoon van Prishata, koning Panchâla; vader van Draupadî.
4. Bhîma. ‘De verschrikkelijke’. De tweede zoon van Kuntî bij Vâyu, de god van de wind.
Yuyudhâna. ‘De krijgshaftige’. Een van de namen van Sâtyaki.
Virâta. Koning van Virâtam, het land waar de Pândava’s het laatste jaar van hun ballingschap doorbrachten.
5. Dhrishtaketu. ‘Vol vertrouwen in zuiverheid’. Zoon van Sisupâla, koning van de Chedi’s: bekend om hun trouw aan de oude wetten en instellingen.
Chekitâna. Zoon van Dhrishtaketu.
Kâsi. Het tegenwoordige Benâres.
Purujit. ‘Overwinnaar van velen’.
Kuntibhoja. Broeder van Purujit.
112
Saivja. Koning der Sivi’s.
6. Yudhâmanyu. ‘Bezitter van een krijgshaftige geest’.
Uttamaujas. “Van uitmuntende waarde’.
Subhadrâ. ‘De zeer gelukkige’; jongere zuster van Krsna en vrouw van Arjuna.
Draupadî. Dochter van Draupada. Geslachtsnaam van Krsna. Symbolisch, ‘het aardse leven van de persoonlijkheid’.
7. Dvijottama. ‘Beste der tweemaal geborenen’.
8. Bhîshma. Zoon van koning Santanu en de riviergodin Gangâ. De eigenlijke gerechtigde op de troon der Kuru’s. Hij deed afstand te gunste van de kinderen van zijn vaders tweede vrouw Satyavati, maar bleef de beschermer van de troon. Hij werd door de zonen van Dhrtarästra overgehaald hun zijde te kiezen.
Karna. Zoon van Prîtha bij Sûrya, de zon. Halfbroer van Arjuna.
Kripa. Zoon van de wijze Saradvat, met zijn zuster geadopteerd door koning Santanu.
Asvatthâman. Zoon van Drona en Kripâ, de zuster van Kripâ.
Vikarna. Derde van de honderd zonen van Dhrtarästra.
Somadatta. ‘Geschenk van de maan’.
15. Pânchajanya. Hoorn in de vorm van een schelp. Krsna verwierf deze door de gelijknamige zee-elementaal, die de vorm van een schelp had aangenomen, te overwinnen. De naam betekent ‘vijf klassen’ en heeft betrekking op de vijf ‘lagere’ klassen van wezens die door de Hindoes beschouwd werden het universum te bevolken. Deze als ‘demonen’ te beschouwen is onjuist, daar ook de mensen één van de vijf Pânchajanya’s vormen.
Devadatta. ‘Geschenk der goden’, door Indra, Arjuna’s vader, geschonken.
16. Yudhishthira. ‘Standvastig in de strijd’. De oudste van de vijf zonen van Kuntî en de ‘god der rechtvaardigheid’, Dharma. De eerste historische koning van Sacca bij de aanvang van Kali-Yuga, het ijzeren tijdperk dat 432.000 jaar duurt. Hij leefde 3202 jaar voor Christus. Symbolisch de Hogere Ego in de mens.
Ananta-Vijaya. ‘Eeuwige overwinnaar’.
Nakula en Sahadeva. Zonen van Madrî, de tweede vrouw van Pându, en de Ásvins, de tweelinggoden van het uitspansel.
Sughosha. ‘Maker van veel lawaai’.
Manipushpaka. De juweelbloemige’.
17. Sikhandin. Zoon van Drupada. Zijn geschiedenis is een van de voorbeelden van reïncarnatie, die veelvuldig in de Mahâbhârata voorkomen.
Dhrishtadyumna. ‘Vol vertrouwen in kracht’. Zoon van Drupada.
113
Sâtyaki. Bloedverwant van Krsna, fungerende als diens wagenmenner.
20. Hanumân. De vereerde aapgod van de Râmâyana, zoon van de Pavana, de god van de wind. Hem worden bovennatuurlijke eigenschappen toegekend.
24. Gudâkesa. ‘Bezitter van veel haar’, een van de namen die aan Arjuna worden gegeven. Het ‘bezit van veel haar’ symboliseert grote kracht.
25. Drona. Huwde Kripâ, de halfzuster van Bhîshma. Was leermeester in de krijgskunst, zowel van de Kuru’s als de Pândavas. Hij koos wegens zijn familierelatie met Bhîshma de zijde der Kuru’s.
Pârtha. Arjuna, Zoon van Prîtha.
30. Gândiva. De boog Gândiva werd oorspronkelijk door Soma aan de god Varuna geschonken, die hem op zijn beurt aan Agni gaf. Arjuna ontving hem van deze vuurgod ten einde hem bij te staan in een strijd met Indra, de god van het firmament. De boog kon slechts met bovennatuurlijke kracht gespannen worden. Soma, is astronomisch de Maan. Esoterisch echter de mysteriegod die de mystieke en metafysieke natuur in de mens en universum bestuurt.
31. Kesava. ‘Bezitter van veel of fijn haar’. Een naam voor Krsna, evenals voor Vishnu.Betekent ook: ‘hij wiens stralen zich als allesomvattend manifesteren.
32. Govinda. ‘Hoofd der koeherders’. Een naam voor Krsna, verwijzende naar zijn jeugd, daar hij door een herdersvolk werd grootgebracht.
35. Madhusûdana. Een naam voor Krsna en Vishnu. Vernietiger van Madhu, het demonische.
De drie werelden. In de exoterische betekenis: hemel, aarde en hel; esoterisch de geestelijke, psychische en aardse sfeer – ook in het menselijke bewustzijn.
36. Janârdana. ‘De eeuwig geborene’. Krsna in Zijn Avatârische manifestatie van Vishnu.
37. Mâdhava. Een naam van Krsna of Vishnu.
42. Kaste-verwording. (Breken met familie-tradities, of de vernietigers van het geslacht) De oorspronkelijke betekenis der kasten lag niet in de maatschappelijke orde die gevormd wordt door afkomst, maatschappelijke positie of intellectuele scholing, maar volgde de natuurlijke door Karma tot uitdrukking komende hoofdtypen van menselijk bewustzijn. Men behoorde niet tot een kaste door geboorte in een bepaald milieu, maar door de mate waarin het bewustzijn was gericht op de geestelijke of de stoffelijke zijde der natuur.
114
HOOFDSTUK 2
Sânkhya. Eén van de zes Scholen van Wijsheid – Shad Darsana’s. Deze school werd ‘die van de rekenaars’ genoemd, omdat de aanhangers ervan mens en universum in 25 elementaire beginselen verdeelden, waarvan de 24 voertuiglijke of lichamelijke bestuurd worden door het ware Zelf (Purusha).
De zes scholen zijn te verdelen in drie paren die elk verband houden met een aspect van het menselijke bewustzijn:
ARAMBA (wetenschap)
NYÂYA
VAISESHIKA
PARINÂMA (filosofie)
YOGA
SÂNKHYA
VIVARTA (religie)
KLEINE VEDÂNTA
GROTE VEDÂNTA
3. Parantapa. ‘Kastijder van vijanden’, bedoeld op Arjuna.
7. Zeg mij dit met zekerheid. Onderricht mij. De innerlijke strijd van de mens die naar spirituele bewustwording streeft, brengt niet alleen een gevoel van machteloosheid en moedeloosheid, maar ook het verlangen naar zekerheid over de juiste weg mee. Doordat de persoonlijkheid gedurende vele levens werd opgebouwd, zijn vermogens en karaktereigenschappen vertrouwde en bekende zaken geworden. In de Bhagavad-Gîtâ worden ze voorgesteld als verwanten, bekenden en leraren. Vandaar dat Arjuna, het strijdende menselijke bewustzijn, in onzekerheid verkeert over de rechtmatigheid van het doden van verwanten, leraren (goeroes), enzovoort’. De moderne psychologie kent dit verschijnsel evenzeer door de ervaring dat het ‘onderdrukken van karaktereigenschappen’ tot ernstige psychische spanningen leidt.
10. Bhârata. Afstammeling van Bharata, een naam die zowel van toepassing is op de Kuru’s als op de Pândavas. In dit geval Dhrtarâstra. Algemene opmerking: Bharata (zonder ^) is het geslacht, terwijl Bhârata (met ^) is een lid van het geslacht.
12. Nimmer was er een tijd waarin Ik niet bestond. De eerste stap tot het overwinnen van moedeloosheid is het kiezen van een uitgangspunt. Hier wordt gekozen voor het spirituele in plaats van het materiële. Dit laatste is vergankelijk en steeds wisselend; het spirituele is ‘het altijd blijvende’.
14. Kaunteya. ‘Zoon van Kunti’.
115
16. In de Geest (Zijn) is geen niet-Geest (niet-Zijn). Hoewel één Universeel Beginsel aan alles ten grondslag ligt, onstaat in de manifestatie de dualiteit – geest en stof. De wordt voorgesteld als Zijn en niet-Zijn, het blijvende en het vergankelijke.
17. TAT. Het Grenzenloze, het Al, het Oneindige Onuitsprekelijke Beginsel waaruit alles voortvloeit. Alle wezens zijn ‘kinderen’ van TAT. Vandaar dat de devoot op het Pad wordt geleerd: Tat twam asi – Gij zijt het Grenzeloze.
22. De bewoner van het lichaam (de ziel). Het bewustzijn hult zich in gewaden van verschillende graad van stoffelijkheid. Deze variëren van leven tot leven. Het bewustzijn zelf is onaantastbaar voor al die zaken die tot bederf en vernietiging van de hulsels kunnen leiden.
26. Mahâvâho. ‘Machtige van Wapenen’.
31. Kshattriya. De kaste der regeerders, edelen en krijgslieden.
37. Kunti: geslachtsnaam van Prithâ, de zuster van Krsna’s vader, Vâsudeva, en de moeder van Arjuna.
39. Karma. Van de wortel kri, ‘handelen’. Staat in de Esoterische (Metafysische) Wijsbegeerte voor ‘de wet van oorzaak en gevolg’.
40. Dharma. Van de wortel dhri, ‘vestigen’, ‘houden’. De wetmatigheid per se; ook plicht. Dharma is Waarheid, de essentie van religie, filosofie en wetenschap. Dharma is de grondslag van de Boeddhistische ethiek, waarvan de regels zijn: rechtvaardigheid, harmonie, billijkheid en deugdzaamheid.
41. Kurunandana. ‘Vreugde der Kuru’s’.
42. Veda’s. ‘Openbaring’. De Veda’s zijn de heilige schriften van de Hindoes. Van de wortel vid, ‘weten’ of ‘goddelijke kennis’. De oudste en heiligste van de Sanskriet werken.
45. De drieërlei aard van de stoffelijke natuur. Sattva, Rajas en Tamas. Deze worden in de hoofdstukken 14 en 18 uitgebreid behandeld.
46. Brahmana. Een lid van de hoogste van de vier kasten. Oorspronkelijk behoorden daartoe slechts zij die ‘ingewijden’ waren. Het behoren tot een kaste door geboorte – zoals thans het geval is – is een degeneratie van het oorspronkelijke onderscheid in menselijk bewustzijn.
48. Dhananjaya. ‘Winner van rijkdom’.
49. Buddhi-Yoga. Het zich verenigen met en het toepassen van het onderscheidingsvermogen. Korte uitleg van andere woorden van belang:
Buddhi. Beginsel van verlichting. Van de wortel budh, ‘weten’ of ‘verlichting’.
Yoga. (Het streven naar) Eénwording.
Samâdhi. De hoogste Yoga-toestand of éénheid met de innerlijke god. De vereniging met Atmâ, het Zelf. Yoga beoefenen betekent harmonie met de goddelijke wil. Contemplatie is ook Samâdhi.
Kesava. Krsna.
116
56. Muni. Wijze. In het bijzonder een die de belofte van zwijgzaamheid heeft afgelegd. Ook, de mens die éénheid met zijn innerlijke god heeft bereikt.
72. Brahmanirvâna. Toestand van volmaakte verlichting door éénwording met het Universele Zelf.
HOOFDSTUK 3
Karma-Yoga. Eénwording door het juiste handelen. Het eerste der vier Yogapaden die geacht worden geschikt te zijn voor elke der kasten (zie 9.32)
Karma-Yoga. Voor de Sûdra;
Bhakti-Yoga. Voor de Vaisya;
Râja-Yoga. Voor de Kshattriya;
Jnâna-Yoga. Voor de Brâhmana (zie hoofdstuk 4)
Zie verder 18.41-44)
5. Geaardheden van de stoffelijke natuur. Zie de hoofdstukken 14 en 18.
8. In de Bijbel, namelijk het Nieuwe Testament, wordt Gita 03.08 met de woorden van de apostel Paulus nogal sterk uitgedrukt als volgt: “Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten” (2 Thessalonicenzen 3: 10b)
10. Prajâpati. ‘Heer der Voortbrenging’.
Prajâpati is een naam die aan Brahmâ wordt gegeven, de grote ontwikkelaar van het zonnestelsel. Er zijn vele Prajâpati’s.
Kâmadhuk. Van kâma, ‘begeerte’ en dhenu, ‘melkkoe’: ‘Moeder Aarde’.
12. Een dief gelijk. Degene die uitsluitend handelt ten gunste van eigen voordeel en niet de intentie heeft daardoor bij te dragen tot het algemeen welzijn, onthoudt ‘de goden hun offer’. Het Heelal kan slechts bestaan en functioneren door de onderlinge verbondenheid en samenwerking van alle wezens.Degene die zich daarvan afwendt, leeft in het gevoel van afgescheidenheid, wat in het Boeddhisme wordt beschouwd als de ‘de grootste ketterij’.
15. Brahman. In de Metafysische (Esoterische) Wijsbegeerte wordt onderscheid gemaakt tussen Brahman of Brahma, de onzijdige vorm, en Brahmâ, de mannelijke vorm. Brahman is de meest verheven Hiërarch of Goddelijkheid van onze Kosmos; het Zelf van ons ‘eiland-universum (microkosmos), of de Melkweg. Het aantal Brahmans is even groot als er melkwegstelsels zijn. Brahmâ is het Zelf van het zonnestelsel. Het aantal Brahmâ’s is even groot als er zonnestelsels zijn.
20. Janaka. Koning van de Mithilâ-dynastie. Hij werd door zijn goede werken en rechtvaardigheid een Brâhmana. Hij was de vader van Sïtâ die ‘ontsprong aan een voor, welke hij met zijn ploeg had gemaakt’.
117
22. Driegebieden. Tri-loka of tri-bhuvana: Svarga, Bhûmi en Pâtâla. In de exoterische betekenis: hemel, aarde en hel; esoterisch de geestelijke, psychische en aardse sfeer – ook in het menselijk bewustzijn.
26. Geen verwarring brengen. De wijze kent zijn verantwoordelijkheid en zorgt ervoor, dat hij slechts werkelijke kennis overdraagt op een manier, die de onwetende niet tot verkeerde gevolgtrekkingen brengt. Daarom moet wat hij anderen onderwijst ook in zijn eigen daden tot uitdrukking laten komen. Zijn motto is: Iti mayâ srutam – Aldus heb ik gehoord.
33. Alle wezens volgen hun aard. Zonder onderscheid volgen alle wezens het in vele levens opgebouwde karakter. Het onderdrukken van karaktereigenschappen baat niet; ze dienen overwonnen te worden door veredeling van het karakter. Zelfs indien men daarbij ‘te gronde gaat’ (35), is dat beter, omdat wat daaruit geleerd wordt, bijdraagt tot grotere vermogens in volgende levens. ‘De plicht van een ander is vol gevaar’, omdat daardoor aan het eigen karakter vreemde elementen in het bewustzijn worden opgenomen, die tenslotte opnieuw herzien moeten worden. (Zie ook 1.7-8).
36. Vârshneya. Zie 1.41.
37. Kâma. De kracht der begeerte. Deze is goed noch kwaad, maar ontleent het karakter aan de intentie der begeerte. In dit geval aan:
Rajas. Een van de drie eigenschappen en wel de eigenschap ‘activiteit’. Zie de hoofdstukken 14 en 18.
40. Het zetelt in de zinnen en het denkvermogen. Niet ‘het vlees is zondig’. Het is de wijze waarop het denkvermogen op de zintuiglijke waarneming reageert, die bepalend is.
42. Manas. Denkvermogen, denker. Van de wortel man, ‘denken’.
Sat. Het ware, de werkelijkheid.
HOOFDSTUK 4
1. Jnâna-Yoga. Eénwording door beoefening van wijsheid.
2. Vivasvat. ‘De briljante’. Een naam voor de zon. Ook de vader van Vaivasvata-Manu, de zevende Manu en voorvader van het huidige vijfde wortelras. Vaivasvata-Manu overleefde ‘de zondvloed’ na het bouwen van een ark in opdracht van Vishnu.
Manu. Van de wortel man, ‘denken’. Er zijn 14 Manu’s in een Manvantara of Dag van Brahmâ.
Ikshvâku. Zoon van Vaivasvata-Manu en ‘verwekker’ van het huidige ras.
Râjarshi’s. Koning-wijzen of Koning-adepten; een van de drie klassen van Rishi’s in India met dezelfde betekenis als de Koning-hiërofanten van het oude Egypte.
118
4 en 5 Verzen 4 en 5. Vergelijk met Johannes 08.58 (Bijbel); ‘Vóór Abraham was, ben Ik”.
1. Mâyâ. Van de wortel ma, ‘meten’.
13. De vier kasten. Zie 01.43
16. Handelen (Karma) en niet-handelen (Akarma). Niet-handelen heeft geen betrekking op het nalaten van een handeling, daar dit nalaten evenzeer tot gevolgen leidt en daarom ook handelen is. Er bestaat in beginsel geen verschil tussen het verrichten van een handeling en het nalaten ervan. Niet-handelen wil zeggen dat men niet aan het resultaat van het verrichten of nalaten van een handeling gebonden is, zodat dit voor degene die handelt geen gevolgen heeft.
22. Paren van tegenstellingen. Zie Plato’s Phaidoon (15), waarin wordt aangetoond dat de paren van tegenstellingen niets anders zijn dan de toestanden waarin iets verkeert. Wie de toestanden van iets niet acht, maar zich geheel richt op dat iets, verheft zich boven Mâyâ.
23. Karma. Zie 02.39.
24. Brahman. Zie 03.15.
29. Prânâyâma. Het vierde Yoga-stadium. Van prâna, ‘adem’, en ‘âyâma’, ‘regelen’ of ‘beteugelen’. Wordt voornamelijk toegepast door beoefenaars van Hatha-Yoga, zelden door beoefenaars van hogere Yoga-methoden. (Zie 08.10 en 15.14)
41. Dhananjaya. Arjuna. Zie 02.48.
42. Bhârata. Arjuna. Zie 02.14.
HOOFDSTUK 5
3. Nitya Sannyâsin. Nitya: voortdurend, standvastig. Sannyâsam: het verzaken van de wereld en stoffelijke zaken, en het betreden van het pad dat tot mystieke kennis leidt. Dus: ‘iemand die met volharding streeft naar geestelijke kennis en daarvan niet wordt afgeleid door uiterlijke zaken’.
13. De stad met negen poorten. Het stoffelijke lichaam. De negen poorten hebben betrekking op de openingen van het lichaam, zoals oren, ogen, neus, mond, enz.
14. Svabhâva. Een samengesteld woord van de wortel bhû, ‘worden’ en sva, ‘zelf’. Letterlijk daarom: ‘zelfwording’. De betekenis ervan is dat elk wezen zijn eigen karakteristieke kenmerk tot uitdrukking brengt; zichzelf wordt. Dit kenmerk komt tot stand door handelen en denken, waardoor leven na leven elk wezen een eigen karakter opbouwt, dat van andere wezens verschillend is.
17. TAT. Het Grenzenloze, het Al, het Oneindige Onuitsprekelijke Beginsel waaruit alles voortvloeit. Alle wezens zijn ‘kinderen’ van TAT.
119
Vandaar dat de devoot op het Pad wordt geleerd: Tat twam asi – Gij zijt het Grenzeloze.
18. Brâhmana. Een lid van de hoogste der vier kasten. Oorspronkelijk behoorden daartoe slechts zij die ‘ingewijden’ waren. Het behoren tot een kaste door geboorte – zoals thans het geval is – is een degeneratie van het oorspronkelijke onderscheid in menselijk bewustzijn.
21. Brahma-Yoga. Die vorm van streven naar éénwording die alle Yoga-paden omvat.
24. Brahmanirvâna. Toestand van volmaakte verlichting door éénwording met het Universele Zelf.
HOOFDSTUK 6
1. Sannyâsin. Of Sannyâsam: het verzaken van de wereld en stoffelijke zaken, en het betreden van het pad dat tot mystieke kennis leidt. Dus: ‘iemand die met volharding streeft naar geestelijke kennis en daarvan niet wordt afgeleid door uiterlijke zaken’. De Sannyâsin ontsteekt geen offervuur, brengt geen offerande en verricht geen ceremoniën; maar het feit, dat iemand dit achterwege laat, stempelt hem nog niet tot een sannyâsin; zonder waarachtige zelfverzaking is hij geen sannyâsin.
2. Sannyâsam. Zoals hierboven.
Sankalpa in sommige vertalingen, is het vermogen van de verbeeldingskracht, waarmee men de toekomst uitbeeldt.
5 en 6 Vriend en vijand. De innerlijke spirituele natuur van de mens, het Zelf, is de vriend van de lagere natuur, omdat deze zonder datgene, waaruit ze is voortgevloeid niet kan bestaan. Het Zelf is echter de vijand van diezelfde lagere natuur, indien dit gericht is op de vergankelijke uiterlijke wereld, slechts persoonlijke doeleinden nastreeft en leeft in het gevoel van afgescheidenheid.
Meditatie Technieken (Ramanand Prasad):
De plaats voor de meditatie zou de sereniteit, de eenzaamheid, en de geestelijke atmosfeer van reukvrije, geluidsvrije, en lichtvrije ruimten van de Himalayas grotten moeten zijn. Massieve, kolossale gebouwen met bijzondere uitgehouwen marmeren figuren van hemelse bewaarders zijn niet genoeg. Ze zijn dikwijls met de spiritualiteit tegenstrijdig en helpen enkel godsdienstige commerciële doeleinden.
De acht meditatiestappen volgens Patanjali’s Yoga Sutra (PYS 2.29) zijn:
120
1. Zedelijk gedrag
2. Geestelijk praktijk
3. De gepaste houding en yogische oefeningen
4. Yogische ademhaling
5. Het terugtrekken van de gevoelens
6. Concentratie
7. Meditatie, en
8. Trance, of superbewuste staat van gevoel.
Men moet de acht stappen één voor één onder eigen leiding volgen om vooruitgang in de meditatie te boeken. Het gebruik van ademhaling en concentratie technieken zonder de nodige zuivering van het gemoed, en zonder sublimatie van de gevoelens en verlangens door moreel gedrag en geestelijke praktijken (zie Bhagavad Gita 16.23) kan het gemoed in gevaarlijke neurotische staten leiden. Patanjali zegt: De zit postuur voor meditatie moet stabiel, relaxerend en comfortabel zijn voor het individuele fysisch lichaam (PYS 2.46).
Yogische ademhaling is niet het krachtdadige – dikwijls gevaarlijk ophouden van de adem in de longen zoals gewoonlijk verkeerd begrepen en in praktijk gebracht. Patanjali definieert deze als de controle van de Prana – de bio-impuls of de astrale levenskrachten – dat het ademhalingsproces veroorzaakt (PYS 2.49). Het is een geleidelijke ontwikkeling van onder controle brengen of tot vertraging leiden – door het gebruik van yogische standaard technieken zoals yogische houdingen, ademhalingsoefeningen, uitsluitingen, en bewegingen – van de bio-impuls die de motor en de zintuiglijke zenuwen activeren om de ademhaling in regelmaat te brengen evenals datgene buiten onze controle staat.
Wanneer het lichaam super gevuld is met het grote reservoir van de alomtegenwoordige kosmische stroom doorheen de oblongata merg, de nood om te ademhalen is verminderd of zelfs verwijderd en waarbij de yogi de ademloze trance staat behaalt, en dat is de laatste mijlsteen van de geestelijke tocht. De Upanishad zegt: “Geen enkel sterveling leeft enkel met het ademhalen van zuurstof in de lucht. Ze zijn van iets anders afhankelijk. (KaU 5.05) Jezus zegt: “De mens zal bij brood (voedsel, water, en lucht) alleen niet leven, maar bij alle woord (of kosmische energie), dat door den mond Gods uitgaat.” (Matth. 4.4) Het ademkoord houdt de levende entiteit (ziel) aan het lichaam-gemoed complex. Een yogi bevrijdt
121
de ziel van het lichaam, en bindt ze met de Superziel tijdens de ademloze “trance” staat.
Het intrekken van de gevoelens is voor de yogi een groot obstakel in het nakomen van zijn doel. Wanneer het gevoel is onttrokken; concentratie, meditatie en Samadhi zijn zeer gemakkelijk te bereiken. Het gemoed zou moeten gecontroleerd en opgeleid worden naar het intellect toe in plaats van langs de hoofdzintuigen zoals het horen, voelen, zicht, smaak en reuk. Het gemoed is natuurlijke wijze onrustig. Het observeren van het natuurlijke in- en uit gaan van de adem, en het alternatief ademen brengen het gemoed tot kalmte.
De twee meest gebruikte technieken om het gevoel te beheersen zijn:
1. Concentreer uw volle aandacht op één punt tussen de wenkbrauwen. Voorzie en verbreidt er een sfeer van een draaiende wit licht.
2. Zingt zo spoedig mogelijk mentaal een mantra of een heilige naam van de Heer, en laat uw gemoed door het geluid van het mentaal zingen doordringen, zodanig dat u het tikken van een dichtst bijgelegen klok niet meer hoort. De snelheid en de geluidssterkte van het mentaal zingen moeten vermeerderd worden naargelang de rusteloosheid van het gemoed, of omgekeerd.
Concentratie op een bijzonder aspect van een god, op het geluid van een mantra, op de gang van de ademhaling naar verschillende energie centra in het lichaam, tussen de wenkbrauwen, op de top van de neus, en op een ingebeeld karmozijn (rood) lotusbloem binnen de borst centrum, kalmeert het gemoed en schorst het zwerven.
7. Paramâtman. ‘Het Hoogste Zelf’. De Vader in de Hemel’; en, het Zelf van de Kosmos; Brahmaan.
Âtman de schakel met het Grenzenloze
Buddhi het verlichtingsbeginsel, geest
Manas het denkvermogen
Kâma het begeertebeginsel
Prâna het levensbeginsel
Linga-sarîra het model- of astraallichaam
Sthûla- sarîra het fysieke lichaam
122
Het woord Paramâtman is een samenstelling van parama, ‘verheven’ en âtman, ‘zelf’.
Ramanand Prasad: Een yogi zou op eender mooie vorm van God moeten beschouwen (comtempleren) totdat de vorm in zijn gemoed tegenwoordig is. Korte meditaties in volle concentratie zijn beter dan lange zonder concentratie. Het gemoed (de geest) gefixeerd op één enkel voorwerp der contemplatie voor twaalf (12) seconden, twee minuten vijftig seconden (2 1/2),en een half uur staan achtereenvolgens voor concentratie, meditatie, en trance. Meditatie begint wanneer het gemoed ophoudt te oscilleren en is van het punt van concentratie verdwenen.
In het laagste stadium van de trance, wordt het gemoed zodanig gevestigd op een gedeelte van een godheid zoals het gezicht, of de voeten dat al het overige is vergeten. Het is zoals een droom in een staat van “wakker zijn” (of slaaploosheid toestand), welbewust van het gemoed, de gedachten, en omgeving. In een hoger trance-staat, verblijf het lichaam stil en onbeweeglijk, en het gemoed experimenteert verschillende aspecten van de Waarheid. Het gemoed verliest zijn individuele identiteit en wordt één met het kosmische onbewuste.
De superbewuste staat van gemoed is het hoogste trance etappe. In deze gemoedsstaat, wordt het gewone menselijke bewustzijn doordrongen door het kosmische onbewustzijn; bereikt een gedachteloze, en polsslagloze, ademloze staat, en ervaart niets anders dan vrede, blijdschap, en de hoogste zaligheidgeluk. In deze hoge trance toestand verblijvend, wordt de energie centrum (Chakra) boven aan het hoofd (kruin) geopend, het gemoed verzonken in het eeuwige; waar geen gemoed of gedachte meer is, maar het gevoel van Zijn transcendentale bestaan, bewustheid, en zaligheidgeluk. Een persoon die deze staat heeft bereikt, wordt een wijze genoemd.
11. Kusa. Een heilig gras dat door de asceten in India wordt gebruikt en dat ‘het gras van de gelukkige voorspelling’ wordt genoemd. “Het is zeer occult”, verantwoordt Mevrouw H.P. Blavatsky.
12. Eenpuntig. Eenpuntig, ekagra, d.w.z. als hij in concentratie is.
13. Punt van de neus. Om door pranayama de in- en uitademing tot harmonie te brengen; dan de aandacht vestigend op het voorhoofdcentrum, brengt hij denken en ademhalen tot harmonie. (Zie ook Gîtâ 04.29 en 05.27-28).
14. Brahmachari. Iemand die zich aan de gelofte houdt van beheersing der zinnen, van het celibaat.
123
15. Nirvâna. Letterlijk: ‘uitgeblazen’. Het is een toestand van bewustzijn die wordt bereikt door de hoogste Ingewijden, die verlichting hebben bereikt en wier bewustzijn in samenklank is met het Universum. Er zijn vele graden van Nirvâna. Het ‘uitgeblazen’ zijn heeft betrekking op de lagere of persoonlijke natuur, die geen attractie meer uitoefent op de Yogi.
21. Buddhi. “Rust vinden in Buddhi” betekent, dat de mens zich boven Manas, het denkvermogen heeft verheven en “buiten het bereik der zinnen” is. Dat wil niet zeggen dat het denkvermogen niet meer werkzaam is, maar dat het onder controle staat van het geestelijk beginsel, als instrument wordt gebruikt en geen eigen onafhankelijk leven meer leidt. Ditzelfde geldt voor ‘de zinnen’. Zie 2.49 en 6.7.
24. Yogi:
1. Transcendentalist van de eerste, tweede of derde orde, respectievelijk bhakta, yogi en jnani, of anders aangeduid: bhakta, paramatmavadi en brahmavadi.
2. Transcendentalist van het tweede plan, bedreven in astanga-yoga of een der hiermee verwante yoga’s.
3. Yoga-beoefenaar in meest algemene zin.
Ook, naam van Krishna, de allerhoogste Yogi.
27. Brahman. Zie 3.15. Anders bekeken, het onpersoonlijke Absolute; een thesis in de Advaita-vedanta.
30. De Eeuwige Wezen (Brahma). ‘Ik’, ‘Mij’, ‘het Zelf’ in dit verband en in de volgende verzen is het universele Zelf, het Eeuwige Brahma. Vergelijkt Gîtâ 03.30 en 04.11, 13, 14.
33. Madhusûdana. Zie 1.35. Een naam van Krsna – doder van de demon Madhu.
38. Gescheiden van deze beide. Dat wil zeggen: gescheiden van het goede Karma, van goede daden en spirituele kennis, verworven door het beoefenen van Yoga. Ook, deze wereld waaruit hij na zijn dood verdwijnt; en de andere wereld, die voor hem gesloten blijft, doordat hij te kort geschoten is.
Zonder steun. Dit heeft betrekking op de beloften in de Brahmaanse wet aan degenen die zich daaraan houden.
41. De sferen der rechtvaardigen. In de Esoterische Wijsbegeerte ‘Devachan’; een samengesteld woord uit het Sanskriet en Tibetaans, dat letterlijk ‘plaats of wereld der goden’ betekent. Devachan is een toestand van bewustzijn, waarin de Reïncarnerende Ego verkeert na het verlaten van het lichaam bij de dood en na de scheiding van de hogere en lagere beginselen in de astrale werelden Kâma-loka.
124
HOOFDSTUK 7
2. Jnana: (letterlijke kennis) Geestelijke kennis, of kennis waardoor men in staat is onderscheid te maken tussen het stoffelijk lichaam en de geestelijke ziel.
Vijnana: (1) Kennis aangaande de ziel, haar wezenlijke natuur en de eeuwige band die haar met God verbindt. (2) Toegepaste kennis.
4. Aarde, water, vuur, lucht, ether. De vijf elementen, evenals Manas en Buddhi, worden hier gebruikt in hun betekenis van beginselen of essenties van de Kosmos. Er worden zeven Tattva’s of elementen onderscheiden:
Âdi - het Ene
Anupapâdaka - het Ouderloze
Âkâsa - ether
Taijasa of Tejas - vuur
Vâyu - lucht
Âpas - water
Prithivî - aarde
Dat in dit verband moet worden gedacht aan instrumenten van bewustzijn en beginselen van manifestatie wordt duidelijk door de toevoeging van het achtste element:
Ahankâra. Met de betekenis van egoïsch bewustzijn of ik-ben-ik, leidende tot het gevoel van afgescheidenheid. Vandaar “de achtvoudige verdeling van Mijn (lagere) Natuur”.
Manas. Het denkvermogen, het mentale vermogen; datgene wat de mens onderscheidt van het dier. Het is het beginsel van individualiteit; datgene waardoor de mens in staat wordt gesteld te begrijpen dat hij bestaat, voelt en ondervindt.
Siddhi: Psychische of occulte kracht.
Tattvatah: De Absolute Waarheid in haar drie verschillende aspecten. (Let op de Christelijke leer van de goddelijke drievuldigheid.)
6. Ik ben de Oorzaak. In de cyclische beweging van het verschijnen en verdwijnen van werelden, mensen en dingen is het steeds het spirituele bewustzijn dat zich belichaamt, gedurende enige tijd de manifestatie onderhoudt en zich terugtrekt, waarop het ‘Heelal’, de tijdelijke manifestatie, wordt ontbonden.
Purusha: Letterlijk, het mannelijke princiep: (1) Met betrekking tot Krishna: ook genaamde de “allerhoogste genieter”. (2) Het levend wezen dat van het stoffelijk bestaan tracht te genieten. Het heeft eveneens betrekking op de Absolute Waarheid in Haar uiteindelijke, persoonlijke
125
gedaante. (3) Het geestelijk of belichaamde zelf. Het woord betekent letterlijk, “De bewoner van de stad” ofwel de bewoner van het lichaam. “Pura” komt vanzelfsprekend uit het Sanskriet en betekent stad of lichaam, terwijl “usha” een afleiding is van het werkwoord “vas”, wonen.
10. Buddhi (verstand). De Universele Ziel of het Universeel Denkvermogen. Het is de geestelijke ziel in de mens en bijgevolg het voertuig van Atma, de Geest.
11. Dharma. Zie 02.40. Letterlijk betekent dit woord ‘wat bijeenhoudt’, maar het aantal betekenissen waarin het woord wordt gebruikt is te groot om hier te vermelden. De betekenis is ook, “het juiste leer”. Dharma: (1) “Religie” – de natuurlijke en eeuwige functie van het levende wezen: het naleven van de natuurwetten die door God zijn ingesteld en Hem met liefde en toewijding dienen. (2) Andere naam voor de verschillende religieuze, filosofische, maatschappelijke en persoonlijke plichten van de mens.
13. De drie Guna’s. Zie 02.45, 03.37, en de hoofdstukken 14 en 18. De drie eigenschappen of attributen van prakriti: sattva, rajas en tamas.
Prakriti. Stof in een ongedifferentieerde vorm, te onderscheiden van mûlaprakriti doordat prakriti de guna’s (eigenschappen) reeds werkzaam zijn.
Sattva. Goedheid, helend, opbouwend.
Rajas. Lust, drift, beweging.
Tamas. Inertie, duisternis, blokkerend.
14. Mâyâ. Zie 04.06 Illusie, schijn, maar symbool voor vele zaken.
15. Asura. Wezens met goddelijke krachten. Vaak foutief vertaald met ‘antigod’ (duistere goden). Hoogstwaarschijnlijk bestaat er een etymologisch verband met ‘Ahura (Mazda)’ uit het Zoroastrisme. Asuras: Ieder die zich niet aan de regels van de Schriften houdt en diens enige levensdoel bestaat voortdurend van wereldse zaken te genieten. Hoe meer hij zich hecht aan de materie, hoe demonisch hij wordt en hoe heviger hij het bestaan van de Allerhoogste ontkent.
19. Vâsudeva. De vader van Krishna. De innerlijke god.
Mahâtman. Van mahâ, ‘groot’, en âtman, ‘zelf’. Wordt toegepast als een titel voor mensen met uitzonderlijke kwaliteiten.
21. Devata. Een goddelijk wezen met een engel vergelijkbaar. Deugdbaar wezen, dienaar van de Verhevene. Levend wezen, dar door de Verhevene begiftigd is met de macht om een gedeelte van het universum te besturen, zoals zon, regen, vuur, enz, en tevens te waken over het welzijn van alle levende wezens. Het gaat hier dus om een halfgod. De halfgoden (Deva’s) bestaan ook in het christendom (uitgezonderd bij de Reformatorische Christenen), ze worden “heiligen” genoemd. Het zijn gelovige overledenen die een onwankelbare levenswandel hebben gehad, goede en uitzonderlijke daden hebben gedaan, en die door kerkelijke
126
instanties na vrij lange procedure eerst zalig dan heilig verklaard worden. (Een kandidaat tot de heiligverklaring moet minstens één mirakel hebben gedaan.) Onwetende christenen gaan heiligen wel aanbidden. Een heilig verklaring wordt niet als dogma beschouwd, dus geen verplichte geloofsvoorwaarde. Bij de Reformatorische Christenen op grond van de Bijbel, is een heilige een gedoopte gelovige, of gewoon een gelovige in Jezus Christus. Halfgoden of Deva’s zijn ook engelen, in het Hindoeïsme eveneens als een “god” beschouwt. In het Sanskriet is een godheid rijk aan stralende schoonheid. Een Deva is een hemels wezen, hetzij goed, slecht, of onbelangrijk. De Deva’s zijn verdeeld in vele groepen en worden niet alleen engelen en aartsengelen genoemd, maar dragen ook de naam van kleinere en grotere bouwers, in het Katholicisme heiligen genoemd. Ramananda Prasad noemt ze “hemelse controleurs” (letterlijk vertaald). Wij kozen alvast voor de Nederlandse taal “hemelse heersers” waar de vertaling erom vraagt (keuze vatbaar voor verandering).
22. Aanbidding. De kracht van de godheden komt van de Verhevene Heer zoals het aroma van de wind door de bloemen (BP 6.04.34). God vervult alle wensen van zijn aanbidders (BP 4.13.34). Men zou naar eender methode om God te zoeken niet mogen overwegen, omdat al de erediensten, de aanbidding van dezelfde God is. Hij vervult al de oprechte en nuttige gebeden van de devoties, indien Hij in geloof en liefde is aanbeden. De wijze realiseert dat al de namen en gedaanten van Hem zijn, terwijl de onwetende het spel van de heilige oorlog speelt in de naam van de godsdienst om persoonlijke winst op de kosten van de anderen te vergaren. Er wordt gezegd dat een persoon gelijk eender god mag aanbidden, daar zijn of haar totale gehoorzaamheid en gebeden de Verhevene Wezen bereikt zoals het vallen van regenwater die uiteindelijk de oceaan bereikt. Eender welke naam en goddelijke gedaante dat wordt aanbeden, blijft het de eredienst aan dezelfde Verhevene Wezen, en men ontvangt de beloning van de goddelijke eredienst wanneer in geloof volbracht. De gewenste resultaten der eredienst, zijn langs de favoriete god door de Heer rechtstreeks geschonken. De menselijke wezens leven in de duisternis der gevangeniscellen van de paren van tegenstellingen. Goden zijn zoals iconen die vensters kunnen openen waardoor de Verhevene kan worden waargenomen. Niettemin, het aanbidden van de goden zonder volledige kennis van de natuur van de Verhevene Wezen wordt als een vorm van onwetendheid beschouwd. (Ramananda Prasad)
23. De ware eredienst. Zij die hemelse heersers aanbidden staan onder het passionele; en hen die veel lagere graden van eredienst praktiseren zoals het aanbidden van duistere geesten, spoken, zwarte magie, en Tantra – ook als afgoderij bekend – om een overledene op te roepen, faam, of om vijanden te vernietigen, staan onder de modaliteit van onwetendheid. De Heer Krishna waarschuwt tegen deze lage vormen van eredienst en raadt
127
aan enkel de ene en ware Verhevene Heer te aanbidden, hoe dan ook zijn naam en gedaante. De devoties van Krishna kunnen, af en toe, Krishna in een andere gedaante aanbidden. In Mahabharata, de Heer Krishna zelf geeft Arjuna de raad om een zachte moeder gedaante van God te aanbidden, bekend als Moeder Durga, juist voor het begin van de oorlog, de overwinning tegemoet gaande. Het is zoals een kind die iets bij Moeder komt vragen, en niet bij de Vader. De Heer is beide moeder en vader van alle schepselen.
25. Mâya-Yoga. De illusie die veroorzaakt wordt door het richten van het bewustzijn op de manifestatie, de stoffelijke gebieden.
27. Parantapa. Zie 02.03
29. Adhyâtman. Samenstelling van adhi, ‘boven’ en âtma, ‘zelf’. Het verheven of oorspronkelijke Âtma. Equivalent voor Paramâtman. Zie 06.07) Behorende tot het hoogste zelf, het totaal van de elementen die het zelf bepalen.
30. Âdi-Bhûta. ‘Oorspronkelijke Element’. De oorspronkelijke grondslag van de stof in haar kosmische aspect.
Âdi-Daivata. Het goddelijke in allen en alles. Een algemene term voor het goddelijke deel van elk wezen.
Âdi-Yajna. Het ‘Oorspronkelijke Offer’. Heeft kosmische betrekking op de Kosmische Logos, die in de Esoterische Wijsbegeerte wordt voorgesteld als zich offerend voor het welzijn van de wereld. Doordat de Logos zich manifesteert, wordt aan de scharen van wachtende monaden de mogelijkheid geboden tot aanzijn te komen.
HOOFDSTUK 8
1. Brahman. Het Eeuwige Wezen.
Adhibhuta: het principe van het objectieve bestaan. (De stoffelijke natuur.)
Adhidaiva: het principe van subjectief bestaan. (De goddelijke natuur.)
Purushottama. Letterlijk: ‘Beste der mensen’. Metafysisch is het echter de geest, de Verhevene Ziel van het Universum; een titel van Vishnu.
2. Adhiyajna. Het principe van het offer, incarnatie.
Madhusudhana. Een naam van de Heer Krishna (Krsna) – doder van de demon Madhu.
3. Onvergankelijke. Aksaram: Datgene wat niet onderworpen is aan de wet van Karma.
Karma: Stoffelijke actie. Metafysisch: de wet van vergelding; de wet van oorzaak en gevolg of ethische veroorzaking. Er bestaat karma van verdienste en karma van berisping. Het is de kracht die
128
alle dingen beheerst, de einduitkomst van morele actie of de morele uitwerking van een ten uitvoer gebrachte daad ter verkrijging van iets dat de persoonlijke begeerte bevredigt.
4. Purusha. De mannelijke scheppende energie. De allerhoogste Purusha is de god-mens. God manifest en het Ongemanifesteerde. Ook de spirituele Mens in ieder menselijk wezen – het spirituele Zelf. (Zie hoofdstuk 13) S. Radhakrishnan zegt naar aanleiding van vers 4: de samensteller van de Bhagavad Gîtâ wil, dat wij een integrale kennis bezitten van het goddelijke in al zijn aspecten. Daar is het onveranderlijke Goddelijke, het Brahman; daar is de persoonlijke God, Isvara, het voorwerp van alle devotie; daar is het kosmische Zelf, Hiranyagarbha, de hoogste godheid van de kosmos; en daar is de jiva, de individuele ziel, die deel heeft en aan de hogere natuur van het Goddelijke, en aan prakriti, de veranderlijke natuur. (Hoofdstuk 7, vers 4 en verder.)
7. Commentaar. Het hoogste doel van het leven is om een persoonlijke uitgekozen God te allen tijde in ere te houden, zodanig dat men zich God op het stervensuur kan herinneren. De Absolute en onpersoonlijke God herinneren is voor de meeste menselijke wezens een onmogelijke zaak. Een zuivere devoot, echter, is bekwaam de ecstasy van de innerlijke persoonlijke tegenwoordigheid van de Heer te experimenteren en Zijn Verhevene Woonst te benaderen door Hem altijd te herinneren. Verblijven we steeds in een voordurende geestelijke bewustzijn. (Ramananda Prasad)
8. Commentaar. Men komt tot geestelijke ontwaking en God’s visie door tijdens de meditatie steeds op God te denken, in de stille herhaling van God’s heilige naam, en contemplatie. De inspanning van een heel leven schaaft onze toekomst. Geestelijke praktijken zijn bedoeld om het gemoed door Zijn gedachten doordrongen, tevens aan Zijn voeten bij de lotus te verblijven. Ramakrishna heeft gezegd, indien men iets verlangt dient men het Moeder aspect van God in gebed te benaderen, in een eenzame plaats, met tranen van oprechtheid in de ogen, terwijl onze wensen worden vervuld. Hij heeft daarbij de mogelijkheid aangehaald om binnen de drie dagen Zelfrealisatie te bereiken. Indien een persoon door en door geestelijke discipline handhaaft, zal hij vlugger volmaaktheid bereiken. De intensiteit der overtuiging en geloof met diep verlangen, rusteloosheid (totdat men rust in de Heer heeft gevonden) intense begeren, en volharding bepalen de snelheid van geestelijke ontwikkeling. Het werkelijk praktiseren van Hatha Yoga zijn niet de yogische oefeningen zoals aangeleerd in moderne yoga centra, maar door consequent, in volharding, en met aandrang naar de Verhevene Waarheid te zoeken. Zelfrealisatie is geen eenvoudige handeling maar een verloop van trapsgewijze geestelijke groei, te beginnen met de intentie, het geleidelijk overgaan naar de plechtig gelofte (een eenzame beslissing),
129
goddelijke genade, geloof, en uiteindelijk het realiseren van de Waarheid (YV 19,30). De Verhevene Wezen is door het beluisteren van preken, het intellect, of geleerdheid niet realiseerbaar. Het is enkel te realiseren indien iemand erna verlangt in oprechtheid en vaste wilskracht. Door in alle oprechtheid aan onszelf te schaven, komt de goddelijke genade tot stand, en de Verhevene Wezen ontsluiert. (Ramananda Prasad)
10. Prâna. Het levensbeginsel in de mens. In de esoterische filosofie wordt algemeen over Prâna gesproken als die levenstroom uit Âtma, die zich in de meer fysieke gebieden manifesteert en de mens zijn vitaliteit verschaft. Het oude Sanskriet literatuur spreekt van Prâna als de uitademing en als slechts één van de zeven levensadems die in de mens werken. (Zie 15.14)
11. Brahmachârya. De term wordt gewoonlijk toegepast op de eerste fase in het leven van de Brâhmana. (Zie 02.46)
12. Poorten. De negen poorten van het lichaam, de ogen, de oren, de neusgaten, de mond en de twee openingen onder aan het lichaam.
13. AUM. Schriftuurlijke kennis heeft haar plaats, maar het is door directe realisatie dat het innerlijke kan bereikt worden en het uiterlijke zolang afgelegd. Meditatie is de weg naar innerlijke realisatie en moet aangeleerd worden, persoonlijk, en van een bekwame leraar. De realisatie van de ware natuur van het onbewuste leidt tot meditatie.
Hieronder, wordt een eenvoudige techniek van meditatie beschreven.
1. Was jouw gezicht, ogen, handen en voeten; en zit in een keurig, rustige en donkere plaats in een comfortabel postuur, met hoofd, hals, ruggerecht recht en vertikaal. Geen muziek of wierook is tijdens de meditatie aanbevolen. De tijd en plaats van de meditatie moet eerst worden vastgesteld. Goed de levensprinciepen, gedachten, woorden en daden naleven. Bepaalde yogi oefeningen is nodig. Middernacht, s’morgens en s’avonds zijn de beste momenten om te mediteren, 15 tot 25 minuten iedere dag.
2. Herinner je een naam of vorm van een persoonlijke god waarin jouw geloof gevestigd is en vraag Zijn of Haar zegen.
3. Doe je ogen dicht; neem 5 tot 10 minuten voor trage maar diepe ademhalingen.
4. Vestig jouw blik, geest (gemoed), en gevoelens binnen in het centrum van jouw borst, de plaats van het oorzakelijke hart en adem heel traag. Mentaal, zing: “Raa” en adem in, en “Maa” en adem uit. Visualiseert mentaal en volgt de loop van de ademhaling langs de neusgaten, naar het voorhoofd, en naar beneden tot in de borst of de longen. Voel de adem en de
130
gewaarwordingen in het lichaam, en blijf waakzaam. Tracht jouw ademhaling niet te controleren of te leiden, adem gewoon op een natuurlijke wijze.
5. Bevestig jouw wil in de gedachte dat het verdwijnt in de grenzeloosheid van de lucht, terwijl je ademt. Indien jouw gemoed van de ademhaling ontwijkt, start opnieuw met stap 4. Wees regelmatig en volhard zonder uitstellen.
Het geluid van OM of AUM is een combinatie van drie hoofdgeluiden: A, U, en M. Het is de bron van alle uitgesproken geluiden. Daarom, is dit het beste geluid als symbool van de Geest. Het is de oorspronkelijke impulsief dat de vijf zenuw centra doet bewegen die de functie van het lichaam controleert. Yogananda noemt OM het vibratiegeluid van de kosmische motor. De Bijbel zegt: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.” (Johannes 1:1) (OM, Amen, Allah). Deze kosmische geluidsvibratie wordt door de yogi’s beluisterd als een geluid, of een mengeling van geluiden, of van verschillende frequenties.
De “OM” meditatie (in het Engels “Omnic Meditation”), door de Heer Krishna bekend gemaakt, is een zeer krachtige en sacrale techniek door heiligen en wijzen van alle godsdiensten in gebruik gebracht. Het combineert Patanjali’s laatste zes stappen in drie gemakkelijke stappen. Samengevat, de “OM” methode oefent het “gemoed” (de geest) om doorlopend, het “AUM” geluid te verspreiden. Wanneer het gemoed door het repeteren van het goddelijke geluid is doordrongen, het individuele bewustzijn verenigt zich met het Kosmische Bewustzijn. Een eenvoudige methode van contemplatie is door de Heer Krishna in vers 8 medegedeeld, meer bepaald voor hen die de conventionele meditatie zoals bovenaan beschreven niet kunnen volgen. (Ramananda Prasad)
16. De werelden. Alle werelden tot en met Brahmaloka zijn onderworpen aan het tijd-ruimetijke; alles is daar vergankelijk. Maar, de Heer Krishna zei: ... Ik ben boven tijdruimte verheven, eeuwig...
17. Yuga. Tijdperk. De tijdrekening der Hindoes kent vier Yuga’s:
Krita-yuga - 1.728.000 jaren
Tretâ-yuga - 1.296.000 jaren
Dwâpara-yuga - 864.000 jaren
Kali-yuga - 432.000 jaren
Deze vier Yuga’s vormen tezamen
1 Mahâ-yuga van 4.320.000 jaren.
131
1 Dag van Brahmâ is 1.000 Mahâ-yuga’s of 4.320.000.000 jaren of een Manvantara; de levensperiode van de planeet. Een Nacht van Brahmâ of Pralaya is van gelijke lengte.
23. Bhâratarshabha. ‘Beste der Bharata’s. (Arjuna)
24. Vuur, licht, dag, enz. Onder de stimulerende invloed van de op aarde toenemende zonne-energie.
26 & 28. De eeuwigdurende paden van de wereld. Degene die de tweevoudige beweging in de natuur kent als een eeuwig komen en gaan, als eb en vloed, weet dat ook de vruchten van verdienstelijke daden niet blijvend zijn. Derhalve zal hij geen verdienstelijke daden doen om het resultaat, maar omdat ze verricht moeten worden. (Zie 06.38)
Vers 26. De yogi’s (de toegewijden), u en ik, die na het overlijden door de gewesten trekken van Agni, de god van het vuur, en van de goden van licht, dag, de heldere veertien en de zes maanden van het noordelijk pad van de zon, zullen, daar ze ervan kennis hebben betreffende de Geest, door die goddelijke krachten geleid worden tot de gelukzalige eenwording met de Eeuwige Verhevene. De toegewijden, die na het overgaan door de gewesten trekken van rook, nacht, de duistere veertien dagen en de zes maanden van het zuidelijk pad van de zon, zullen, daar zij gehecht waren aan de vruchten van hun daden, door de goddelijke krachten van deze gewesten geleid worden en, bekleed met de glans van de maan, in de onzichtbare wereld de vruchten genieten van hun goede daden, waarna zij terugkeren om opnieuw geboorte te nemen op aarde. Om beter te begrijpen, dus met andere woorden: ons leven is een voortdurende strijd van op en neer gaan, dwalend tussen licht en duisternis, en wij zullen door onze passiviteit tegenover de hogere waarden van het leven weer langs het pad van duisternis dezer wereld moeten gaan, totdat wij door yoga-beoefening kennis verschaffen betreffende de “Eeuwige Geest” en langs het pad van de Zelfrealisatie en van licht, algeheel opgaan in de Eeuwige Geest en Woonst.
HOOFDSTUK 9
3. Dharma. Zie 2.40. Letterlijk betekent dit woord ‘wat bijeenhoudt’, maar het aantal betekenissen waarin het woord wordt gebruikt is te groot om hier te vermelden. Het betekent ook ‘de juiste leer’.
4. Alle wezens zijn uit Mij. Een nadere uitwerking van het uitgangspunt der spiritualiteit van alle wezens. Het ‘Leven’, ‘Geest’, of Bewustzijn is de oorzaak van al het bestaande, in tegenstelling met de opvatting vanuit het materialistische standpunt, dat leven of bewustzijn ontspringt aan de materie. Hoewel alle wezens uit het goddelijke voortvloeien, daalt het
132
goddelijke er niet in af’, verenigt zich er niet mee, maar wordt erdoor versluierd.
6. Âkâsa. Het vijfde Kosmische Element, van de wortel kâs, ‘schijnen’, ‘stralen’. Derhalve de ‘stralende substantie’. Âkâsa is oorspronkelijke ruimtelijke substantie van een subtiele bovennatuurlijke en spirituele aard en zij doordringt alle dingen. Zij is het zintuig van Goddelijk Denken en vandaar dat wordt gezegd dat ze slechts één kenmerk heeft, namelijk geluid. Âkâsa is het medium van de hogere gedachten van de mens, waardoor hij in contact kan komen met de goden. Soms wordt Âkâsa ‘occulte elektriciteit’ genoemd en wordt gebruikt voor het teweegbrengen van magische en spirituele verschijnselen. Door de Mahâtmans wordt ze het ‘gedenkschrift’ van zowel de hiërarchie der Dhyân-Chohans als van elke geestelijke Ego genoemd, terwijl het Astrale Licht het ‘gedenkschrift’ der aarde en van de dierlijke mens is. Wanneer een mens, zoals Boeddha alle wezens liefheeft, omringt hij zich met Âkâsische substantie, die een schild vormt waardoor geen negatieve invloeden kunnen doordringen. (Judith Tyberg: Sanskrit Keys to the Wisdom Religion)
7. Kâlpa. Eeuw, tijdperk. (Zie 8.17) Kâlpa is een tijdperk bestaande uit een dag en nacht van Brahma, 4.320.000.000 jaren.
Prakriti. Letterlijk: productie of voortbrenging. In het gewone gebruik wordt het ‘de natuur’ genoemd, de voortbrengster van wezens en dingen. In de Hindoe-filosofie betekent het hetzelfde als ‘sakti’ en ‘maya’ of ‘mahâ-maya’. (Zie 004.06 en 13) Samengevat: stof in een ongedifferentieerde vorm, te onderscheiden van mûlaprakriti doordat in prakriti de guna’s (eigenschappen) al werkzaam zijn.
12. Asura. Zie hoofdstuk 16. Demonisch wezen, overheerst door rajas; vol eerzucht, heerszucht, hebzucht en bedrog.
Râkshasa’s. In het volksgeloof, kwade geesten, demonen of duivels. (Zie ook 10.23) duivelachtige wezen, overheerst door tamas; vreugde scheppend in wrede kwellingen en bestialiteit.
13. Mahatma (grote zielen). Hij die er volkomen van doordrongen is dat Krishna alles is en zich daardoor aan Hem overgeeft en volkomen opgaat in toegewijde dienst aan de Heer. Bijvoorbeeld, aan Gandhi werd de titel “Mahatma Gandhi” gegeven en dan wel door het volk omwille van zijn ongehecht streven tot de onafhankelijkheid van India, ten koste van zijn leven daar hij vermoord werd.
14. Bhakti. De yoga van intense liefde en devotie.
Nitya yukta. Altijd verbonden.
15. In dit vers is sprake van de categorieën van eenheidszoekers langs de weg van advaita en vashistadvaita; de mensen aanbidden en vereren de Allerhoogste, die ons allerwegen tegemoetkomt als de levende kern in al
133
het geschapene en toch los van het geschapene; boven alles uit en steeds Zichzelf alleen; het Zijn.
16. Mantra. Offerspreuk. Van de wortel man, ‘denken’. Een Mantra wordt beschouwd als een instrument van het denken. De Veda’s (zie 02.42) worden verdeeld in de Mantra en Brâhmana. Het Mantra-deel bevat gezangen, gebeden en incantaties, waaraan occulte kracht wordt toegekend indien ze op de juiste wijze gezongen worden.
17. Rik, Sâman, Yajus. Verzen en gebeden uit de Veda’s. Vedas: Heilige Boeken van India, het Weten, in vier verdeelt: De Rig-, Sama- en Yagur-Veda, en de Atharva).
19. Sat en Asat. Werkelijkheid en illusie, het Zijn en het niet-Zijn. Niettemin kan Asat ook in hoogst mystieke zin betekenen ‘dat wat boven Sat is’.
Verzen 20 – 25. De volgende zes verzen van Gîtâ 9 is geen uitnodiging om blindelings op de Verhevene te vertrouwen en de hele dag niets anders te doen dan mediteren, bidden en zingen, in afwachting dat al wat we nodig hebben, zelfs tot een maaltijd, zomaar in ons bereik komen. Onder datgene wat God’s dienaars dienen te hebben bevinden zich ook het brein en de handen waarmee ze tot Zijn eer in hun levensbehoeften kunnen voorzien. Anderzijds zal de Verhevene Zijn dienaar die zich in een reddeloze situatie bevindt, hetzij fysiek uitkomst bieden, hetzij hem de nodige innerlijke vrede en blijmoedigheid schenken waarmee hij zijn naderende fysieke einde gaat accepteren. De Heer Krishna voorziet in die zin in de behoeften van Zijn toegewijde dienaars dat ze al hun krachten en talenten leren aanspreken tot Zijn eer en glorie. Zo geraken ze werkelijk vervuld en zo zullen ze bij het verlaten van hun lichaam zeker Zijn hemel bereiken. Wat met de beloofde hemel bedoeld is, dat men in plaats van omhoog te gaan naar de goddelijke wereld, waarvan men onmogelijk meer omlaag kan komen, gewoon blijft rond draaien in de kringloop van dood en geboorte, om en weer op deze aarde te verblijven. Men kan zich, natuurlijk, beter toeleggen op de bedevaart naar de goddelijke wereld, om daar een eeuwige leven vol gelukzaligheid en kennis te leiden en nooit meer terug te keren naar het stoffelijk bestaan. Daartegen, het pad door de Veda-priesters voorgeschreven leidt niet naar de Verhevene; zij die alleen verlangen naar de Verhevene, geven alle andere verlangens op; geven zich volkomen aan de Verhevene. Hij draagt alle lasten en zo komt men tot de God-realisatie (8.22).
20. Somadrank. Door ingewijde Brâhmana’s gemaakt uit een zeldzame bergplant. De drank heeft dezelfde betekenis als de ‘ambrosia’ of ‘nectar’ van de Olympische goden. Wat nu nog als Somadrank wordt gebruikt is slechts een substituut. De betekenis is in werkelijkheid geheel en al mystiek en gelijk aan het drinken van ‘het bloed van Christus” bij de Eucharistieviering.
134
Svarga. Hemel. Letterlijk, ‘het gaan of leidende tot het tehuis van het licht’. (Zie 03.22) Svarga, is ook svarloka, de derde loka (gebied of gebieden van de kosmos). De apostel Paulus (Nieuw Testament) spreekt van de hemelse gewesten.
Indra. De god van het firmament, de koning der goden van de tussenliggende gebieden, de heer van regen en donder en de leider van de Maruts, de stormgoden. Hij wordt voorgesteld als rijdende in een gouden wagen, getrokken door twee kleurige paarden en oorlogvoerende tegen de demonen der duisternis.
21. Hemels zingenot smaken. Als zij de beloning voor hun goede daden volledig hebben genoten.
25. Deva (devas). Een geestelijk-goddelijk wezen, ‘een stralende’ (engel). Deva is een algemene term die alle graden van geestelijke wezens omvat, zowel onzelfbewuste als zelfbewuste. (Zie hoofdstuk 16.)
Pitri’s. De ‘Vaders’ der mensheid, de ‘scheppers’ van de verschillende aspecten van het menselijk wezen. (Zie 06.07) Onderscheiden worden:
1. De Zonnepitri’s, Kumâra’s, Agnishwâtta’s en Mânasaputra’s, de verwekkers van de hogere delen van de menselijke natuur.
2. De Maanpitri’s, Barhishads, degenen die het astrale model voor het stoffelijke lichaam verschaffen.
Bhûta’s. (De oorspronkelijke elementen.) De schillen der overledenen in ‘Kâma-loka’, ‘dat wat geweest is’ of het Kâma-rûpa.
26. Commentaar op vers. Deze vers of citaat doet ons denken aan “prasâda” (letterlijk: genade), het algemeen voedsel dat eerst aan de Heer is geofferd, en nadien onder de gelovigen verdeeld als van de Heer Zelf ontvangen.
28. Commentaar op vers. Zoals in vorige hoofdstukken aangehaald, Yoga van verzaking is alle handelingen verrichten als offerande aan de Verhevene, dus zonder de vruchten van handelingen te begeren.
29. Commentaar op vers. Het volledig opgaan in Sat-Purusha wordt parabhakti genoemd; dit is de uiteindelijke stap, die alle Jnana-yogis zullen moeten ondernemen, willen ze tot Zelfrealisatie komen.
32. Uit de schoot der zonde geboren. Het begrip ‘zonde’ heeft in de Westerse wereld een bijzondere betekenis gekregen die echter weinig gemeen heeft met de oorspronkelijke bedoeling. In de algemene betekenis moet meer worden gedacht aan ‘overtredingen’, ‘struikelen’ of ‘dwalingen’. Deze leiden tot dienovereenkomstige gevolgen, welke, gedurende een aantal levens volgehouden, de zich wederbelichamende entiteit brengen in een overeenkomstig milieu.
Vrouwen. In religieuze en filosofische geschriften wordt doorgaans laatdunkend over ‘vrouwen’ gesproken, namelijk in de Bijbel, Plato, enz.). De achtergrond ervan ligt in de kennis over de oorzaken die tot
135
‘vrouw-zijn’ leiden, zoals dat zich in de huidige evolutieperiode der mensheid manifesteert. Daarom moet veeleer gedacht worden aan het zich overgeven aan passiviteit (Tamas) en niet aan specifieke lichamelijke kenmerken.
Vaisya’s en Sûdra’s. Zie hoofdstukken 03 en 18.41-44. Vaisya’s en Sûdra’s, een van de vier kasten in India.
32. Brâhmana’s, toegewijde Koninklijke Wijzen (Kshattriya’s). Zie de hoofdstukken 03 en 18.41-44.
HOOFDSTUK 10
3. Maharshi’s. ‘Grote Wijzen’, van mahâ, ‘groot’, en rishi, ‘wijze’.
4-5. Commentaar. “Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.” (Matthéus 6.14) “Dat gij den boze niet wederstaat.” (Matthéus 5.39a) Woede boosheid door de vergever beheerst, kan groot kwaad veroorzaken tevens de goede Karma van de schuldige aantasten indien de dader om geen vergiffenis vraagt. (MB 5.36.05) De persoon die kwaad doet gaat op dezelfde manier ten onder, indien hij of zij geen vergiffenis vraagt. (MS 2.163). De persoon die overtreders vergeeft is gelukkig, daar de woede boosheid van de vergever is uitgeroeid. Iemand’s opgang door geestelijke discipline is gedwarsboomd wanneer zijn inter-persoonlijke relatie met woede boosheid en negatieve gevoelens is gevuld, al komt het tegenover een enkele levende wezen.
Zelfs deugden hebben hun eigen ondeugden. De vergeving kan dikwijls als een teken van zwakheid worden beschouwd; daarom is genadeverlening de kracht van de sterkenen, en de deugd van de zwakken. Iemand moet worden vergeven, indien hijzelf en in alle oprechtheid om vergeving vraagt, als het de eerste belediging is, de belediging niet bedoeld was, en de overtreder in het verleden toch gedienstig is geweest. Het strafrechtelijk mag worden opgelegd, zonder gevoel van revanche – wanneer de overtreder intentioneel en herhaaldelijk is herbegonnen, en dit om de persoon te corrigeren. (Dr. Ramananda Prasad)
6. Rishi. Zie 5.25 De wijzen in de Veda’s, ook algemene naam voor geestelijke leraren, enz.
Manu. Zie 04.01 De veertien ‘gidsen’ van de zeven tijdvakken in een manvantara. Ook anders uitgedrukt, de eerste mens bij het begin van elk nieuwe ras, en wereldtijdperk
De vier Ouden zijn de vier Kumaras, de eeuwige Jongelingen, die er vanouds geweest zijn, de allerhoogsten in de occulte hiërarchie van onze aarde.
136
10. Buddhi-Yoga. Zie 02.29. Yoga der kennis. Intelligentie (buddhiyoga): het intellect wordt verhelderd tot intelligentie en verkrijgt zekerheid door de intuïtie van buddhiyoga. Het is de methode van het ontwikkelen van geestelijke kennis door gebruikmaking van het verstand, of de weg van het handelen in bhakti-yoga.
Verdere commentaar. De Veda liet de laatste vraag aangaande de oorsprong van de ultieme Realiteit onbeantwoord, door het benadrukken dat niemand de ultieme bron kent waardoor de schepping is gekomen. Geleerden gingen verder zeggen dat misschien Hij het ook niet weet (RV 10.129.06-07). Iemand die zegt God te kennen, kent Hem niet; iemand die de Waarheid kent, zegt dat hij het niet weet. Voor een persoon met ware kennis blijft God de onbekende, alleen de onwetende weet het (KeU 2.01-03). De ultieme bron van kosmische energie is en zal een geheim blijven. Elke specifieke beschrijving van God, tevens deze van hemel en aarde, is niets anders dan mentale speculatie. (Dr. Ramananda Prasad)
12. Para-Brahman. Letterlijk: ‘boven Brahman’. Para-Brahman is de “Werkelijkheid” of het Zijnde van de Grenzeloze Ruimte en is dus het AL of TAT.
13. Nârada. Eén van de zeven of tien grote Rishi’s of Prajâpati’s, uit de geest van Brahmâ geboren.
Uit het Engels:
“O' Narada being very satisfied by your goodness and service you were taught the ultimate science of transcendental devotion to the Supreme Lord fully illuminating the truth of the soul which is perfectly known by souls surrendered to Lord Krishna.”
Srimad Bhagavatam, Canto 2, chapter 7, verse 9
Asita, Devala. Vedische Wijzen.
Vyâsa. Letterlijk: ‘Een die uitbreidt of versterkt’. In de Mahâbhârata de halfbroer van Vichitravïrya en Bhîshma. Vanwege zijn donkere huid werd hij Krishna genoemd. De Purâna’s (Srimad Bhagavatam, in achttien delen) vermelden 28 Vyâsa’s, welke de incarnaties van Brahmâ of Vishnu voorstellen. Een van hen wordt beschouwd als de grondlegger van het Vedânta-systeem. (Zie de hoofdstukken 02 en 10.37.)
Uit het Engels:
“In course of time Vyasa bearing in mind the intelligence and short life span of humanity at large considered his compilation of the Vedas to be too difficult, so he divided the Vedic knowledge into different branches.”
Srimad Bhagavatam, Canto 2, chapter 7, verse 36
(Het woord purâna betekent letterlijk ‘oud’, het is de naam van een groep geschriften waarin geschiedenis, mythen en genealogie tot een geheel is gemaakt.)
Amritam: het elixir van onsterfelijkheid.
137
14. Dânava’s. Reuzen en demonen, de tegenstanders van de goden der ritueel.
15. Purushottama. Zie 08.01 en hoofdstuk 15. Purushottama: (Purusha-uttama) wat betekent Allerhoogste of Verhevene (Soevereine) Heer.
18. Amrita. De nectar der goden die onsterfelijkheid brengt indien hij met grote teugen wordt gedronken. Daarom wordt hij ‘de wateren der onsterfelijkheid’ of ‘levenselixer’ genoemd. Amrita (Soma der goden) werd gemaakt toen de goden Ananta (zie 10.29) gebruikten voor het karnen van de oceaan. Mystiek aangehaald, het water van bovenaardse wijsheid en het spiritueel baden in zijn levengevende kracht. (Zie 14.20)
20. Gudâkesa. Zie 01.24. Arjuna.
21. Âditya’s. De zeven zonen van Aditi; de zeven planetaire goden. Aditi is de ‘moedergodin’ (zoals de Mariaverering in het christendom, vooral bij de Katholieken en Orthodoxen); haar aardse symbool is de oneindige ruimte. In een diepere betekenis: ‘goddelijke wijsheid’. Enkele meer mystieke geschriften spreken van twaalf Âditya’s of planetaire goden, waaronder vijf onzichtbare planeten.
Maruts. De stormgoden (energieën) en helpers van Indra. Ze vertegenwoordigen de hartstochten die woeden in het innerlijk van de leerling, maar ook de occulte vermogens die verborgen zijn in de lagere beginselen van Âkâsa.
22. Samaveda. De derde van de Veda’s.
Vâsava. Een naam van Indra.
23. Sankara. Een naam van Siva, een van de aspecten van de Hindoese drie-eenheid (herinnert u de leer van de Drievuldigheid in het Christendom, Vader, Zoon, Geest).
Brahmâ - de Schepper;
Vishnu - de Onderhouder;
Siva - de Vernietiger en Herschepper.
Rudra’s. Een andere naam voor de stormgoden of Maruts. Ze vertegenwoordigen een ander aspect van de Kumâra’s. Zie 09.25.
Vittesa. Een naam voor Kubera, de god der weelde.
Yaksha’s. Een klasse van hemelse wezens die in het algemeen met Kubera in verband worden gebracht. In de Esoterische Wijsbegeerte zijn ze slechts negatieve invloeden die de mensen aandoen wanneer deze daarvoor open staan.
Râkshassa. Zie 09.12. Demonen.
Pâvaka. Eén van de acht Vasu’s of vuren. Ook toegepast op Agni, met de betekenis van ‘schitterend’ of ‘stralend’.
Meru. Mythologisch een berg in het centrum van de aarde. H.P. Blavatsky zegt: “Meru is niet de fabelachtige berg in de navel van de aarde, maar zijn wortels vormen die navel, hoewel deze zich in het hoge
138
noorden bevindt.” “De Noordpool is het land van ‘Meru’, die de zevende afdeling is, daar deze correspondeert met het zevende beginsel.”
24. Brihaspati. De vader der goden. Ook de bestuurder van de planeet Jupiter.
Skanda. Kârttikeya, de god van de oorlog.
Bhrigu. Een van de meest vereerde Vedische wijzen, een van de tien Prajâpati’s
Japa. Een van de mystieke praktijken van toegewijden, bestaande uit het steeds herhalen van verschillende magische formules. De Heer Krishna beschouwt het prevelen van mantra’s (japa) als het belangrijkste offer dat een mens kan brengen. Onder de mantra’s – geestgeleiders – die men prevelend kan reciteren, zijn die welke Krishna’s Heilige Namen bevatten – en niet de namen van grootheden in de tweede en derde graad zoals Siva, Ganesha, Sarasvatî – het voornaamst.
25. Commentaar. Dr. Ramananda Prasad: voordurende zingen van een mantra, of van een heilige naam van God, zijn door heiligen en wijzen van alle godsdiensten beschouwd als de gemakkelijkste en meest krachtige methode van zelfrealisatie in deze tijd. Het in praktijk brengen van deze geestelijke discipline in geloof, verspreid geluidsvibratie in de diepste lagen van het gemoed, waar het als een bevochtiger werkt om het opkomen van de golven der negatieve gedachten en ideeën tot de innerlijke ontwaking te voorkomen. Meditatie is het uitgebreide en hogere stadium van deze ontwikkeling. Het moet eerst goed gepraktiseerd worden alvorens met de transcendentale meditatie te beginnen. Swami Harihar zegt: onnodig om herhaaldelijk de goddelijke naam te repeteren in ruil voor wereldse voorwerpen. De geestelijke kracht van de goddelijke naam mag zomaar niet worden gebruikt, zelfs niet om de ondergang van de zonde te bekomen. Het kan enkel worden gebruikt voor goddelijke realisatie.
De vormgeving van de Heer kan door het gemoed niet worden vastgesteld, of zonder een benaming begrepen. Indien iemand zingt, of mediteert op de naam zonder de vorm te zien, komt deze te voorschijn als een voorwerp van liefde op het scherm van het gemoed. Een grote heilige zei: plaatst de lamp van de naam van de Heer naast de deur van uw tong indien u binnen en buiten wenst verlicht te zijn. De naam van God is groter dan de onpersoonlijke en persoonlijke aspecten van God, daar de kracht van de naam beide aspecten van God controleert. Er wordt gezegd dat de herinnering en het herhalen van de naam van God de beste geestelijke inspanning zijn.
26. Asvattha. Zie 15.01.
Nârada. Zie 10.13.
Gandharva’s. De musici en zangers der goden, wier woonplaats het firmament is. Zij bereiden de hemelse Somadrank voor de goden. In de
139
Veda’s worden ze beschreven als degenen die de geheimen der hemelen en de goddelijke waarheden aan de mensen openbaren. Kosmisch zijn de Gandharva’s het aggregaat van krachten van het zonnevuur. Psychisch zijn ze de intelligentie die zetelt in de Sushumma – de eerste van de zeven stralen der zon, maar ook de ruggengraatzenuw die het hart met de Brahmaranda verbindt. Mystiek de occulte kracht in Soma. Fysiek de oorzaak van het waarneembare geluid. Spiritueel de noumenale oorzaak van het geluid en de ‘Stem der Natuur’.
Chitraratha. De koning der Gandharva’s.
Kapila. Een van de Rishi’s. O.a de stichter van de Sânkhya-school. Zie hoofdstuk 27. Uchchaihsravas. Het witte paard dat door de goden werd voortgebracht bij het karnen van de oceaan.
Airâvata. Evenals het strijdros van Indra geboren bij het karnen van de oceaan.
28. Kandarpa. De god der liefde.
Vâsuki. De koning der Nâga’s, symbool van onsterfelijkheid en wijsheid. Ingewijden werden Nâga’s genoemd.
29. Ananta. Naam van de zevenkoppige slang Sesha, die tijdens een Pralaya het rustbed van Vishnu is. Hij wordt Ananta – of oneindige – genoemd, omdat hij door Manvantara’s en Pralaya’s heen blijft bestaan. Ananta wordt voorgesteld als drager van een ploeg en een stamper, omdat de goden hem bij het maken van Amrita als een touw gebruikten, zijn staart rond de berg Mandara kronkelden, om deze aldus als een karn te gebruiken. De zeven koppen van Sesha zijn het symbool van de zeven beginselen van de manifestatie, die uit het ‘karnen van de oceaan’, de Ruimte, ontstaat.
Varuna. Een van de oudste goden der Veda’s. Wordt gepersonifieerd met het alomvattende firmament, de schepper en onderhouder van hemel en aarde; bezitter van ongelimiteerde kennis. Regeert echter voornamelijk over de nacht.
Aryaman. Het hoofd van de Pitri’s. Ook een van de Âditya’s. Zie 09.25 en 10.21.
Yama. De god van de onderwereld. Zoon van de Zon, Vivasvat. De dodenrechter. De god van gerechtigheid, Dharma. Volgens de Esoterische Filosofie vertegenwoordigt Yama met zijn tweelingzuster Yamî o.a. de tweevoudige Manas.
30. Daitya’s. De titanen die voortdurend met de goden in de oorlog zijn. In de Esoterische Filosofie zijn ze de aandrijvers van de evolutionaire groei in de kosmische processen.
Prahlâda. Een van de Daitya’s die echter een vereerder van Vishnu werd. Daarvoor werd hij door zijn vader ter dood veroordeeld, toch geen wapen van de Daitya’s was in staat hem te doden.
140
Garuda. De drager van Vishnu, voorgesteld met het lichaam en de ledematen van een mens, maar met kop, vleugels, klauwen en snavel van een adelaar. De koning der vogels. Symbolisch en esoterisch de grote cyclus.
31. Pavana. De god van de wind. Ook Vâyu. Zie 11.39.
Râma. De zevende Avatar van Vishnu; incarneerde aan het einde van Tretâ-yuga. Zie 11.39.
Makara. Het voertuig van Varuna, de god van de oceaan.
Jâhnavî. De Ganges.
Dvandva. Een paar van tegenstellingen. Dva, ‘twee’.
33. A. De andere letters van het Sanskrit worden allen uitgesproken met de A: bijvoorbeeld Akatha.
Dvandva. Woord dat paren van dingen uitdrukt, bijvoorbeeld hastyasvau, olifant en paard.
35. Brihatsâma. Hymnen geschreven in de versmaat 8-8-12-8.
Gâyatri. Een oude versmaat 8-8-8.
De Mantra:
Aum Bhûr Bhuvah Svah
Aum Tat Savitur varenyam bhargo devasya dhîmahi
Dhiyo yo nah prachodayât
Aum
Vertaling:
Aum
O, Schepper van het heelal
Mogen wij Uw soevereine zondevernietigend licht ontvangen
Moge U onze intellect in de goede richting leiden
Aum
Mârgasîrsha. De maand waarin de volle maan Mrigasîras binnengaat; de tiende of in later tijden de eerste maand van het jaar.
Kasumâkara. De lente.
37. Vrishni. Een afstammeling van Yadu, de eerste van het Yâdava-geslacht dat met Krishna uitstierf. Yadu was dus de halfbroer van Puru, de voorvader van de Kuru’s.
Vâsudeva. Zie 07.19.
42. Ekamsena, eka amsena, dit is: met een uiterst klein deeltje, een fractie. De goddelijke eenheid moet men zich echter niet denken als in stukken gebroken. De kosmos is slechts een openbaring in tijd-ruimte. De Allerhoogste, Purusha-uttama is boven tijd-ruimte uit, de Al-Ene.
141
HOOFDSTUK 11
1. Adhyâtman. Zie 07.29. Geestelijk licht, enz. In de “Yoga Sutra’s van Patanjali” leest men: “Bij het verkrijgen van de allerhoogste zuiverheid van het Nirvicara (een toestand van het bewustzijn tijdens samprajnata samadhi, als geestelijk licht begint te dagen) stadium van Samadhi, begint het geestelijk licht te dagen.” (Deel I. Vers 47).
3. Purushottama. Zie hoofdstuk 15. De Verhevene Persoon.
Paramesvara: de Opperheer.
4. Yogesvara: de Heer van alle mystieke kracht.
6. Âditya’s. Zie 10.21. De zonen van Aditi, de naam die in de Veda’s aan Mûlaprakriti wordt gegeven.
Vasu’s. Een klasse van goden, verbonden met Indra.
De acht Vasu’s zijn:
Âpa - water
Dhruva - de Poolster
Soma - de Maan
Dhara - de Aarde
Anila - de Wind
Pâvaka - het Vuur
Prabhâsa - de schaduw
Pratyûsha - het licht
Rudra’s. Zie 10.23. Een groep machtige Deva’s.
Asvins (of Asvinau). Twee Vedische goden, die worden voorgesteld als een ruiter-tweeling, de voorboden van de schaduw. Hun eigenschappen zijn jeugd en schoonheid.
Maruts. Zie 10.21.
7. Gudâkesa. Zie 01.24.
8. Goddelijk oog. De goddelijke visie, een gave van God, dient om de schoonheid en de glorie van God’s Verheven Personaliteit te zien. (Ramananda Prasad)
11. Commentaar. “Onderwerp uw ‘ik’ aan het Zelf.
14. Dhanajaya. Zie 02.48.
15. Nâga’s. Slangen der wijsheid, volledig ingewijden. De slang is in het Occultisme altijd gebruikt als het symbool van onsterfelijkheid en wijsheid.
Rishis: wijzen, in het meervoud. Het zijn mensen tot volmaaktheid gekomen, en die beschikken over bijzondere paranormale vermogens, zoals helderziendheid, helderhorend, enz.
Uragan: slangen of kosmische lichtkracht.
142
18. Dharma. Zie 02.40. Het Juiste Leer, of het Recht (Rechtvaardigheid). De Wet.
Purusa. Het betekent zowel geest in algemene zin als het geestelijk deel van de mens.
Sanatana purusa: de eeuwige god (mens), zuiver bewustzijn.
21. Sura’s. Een algemene term voor goden, zoals Deva’s.
Maharshi’s. Letterlijk: ‘Grote Wijzen’. In het bijzonder wordt hier verwezen naar de tien Maharshi’s die de ‘aan de geest ontsproten’ zonen van Prajâpati waren en worden opgesomd als volgt: Marîchi, Atri, Angiras, Pulastya, Pulaha, Kratu, Prachetas, Vasishta, Bhrigu en Nârada. Ze worden ook de tien Prajâpati’s genoemd. Soms wordt ernaar verwezen als zijnde zeven in getal, zoals in 10.06.
Siddha’s. Een klasse van half-goddelijke wezens van grote zuiverheid en volmaaktheid. Ze worden voorgesteld als de bezitters van de acht bovennatuurlijke vermogens (Siddhi’s).
Svasti. Een uitroep met de betekenis van ‘het gaat u goed’.
22. Sâdhya’s. ‘Goddekijke offers’. Een van de namen van de ‘twaalf grote goden’, welke door Brahmâ werden geschapen.
Visva’s. De zonen van Visva, ‘de Aldoordringende’. Een klasse van goden.
Ûshmapâ’s. Een klasse van half-goddelijke wezens, welke in verband worden gebracht met de Pitri’s.
25. Kâla. De tijd, het lot, een cyclus en een naam van Yama, de koning der onderwereld en de rechter der doden.
33. Savyasâchin. ‘Dubbel gewapende’. Arjuna was een geweldige boogschutter die de hemelse boog zowel met de rechter- als met de linkerhand kon spannen.
34. Jayadratha. ‘Bezitter van overwinnende wagens’. Een prins van de Chandravansa, de maan-dynastie.
35. Kirîtin. ‘Hij met de schitterende diadeem’. (Arjuna)
36. Hrishîkesa. ‘Meester over de zinnen’. Een naam voor de Heer Krsna en Vishnu.
39. Vâyu. Zie 10.31 – Pavana.
Yama. Zie 10.29.
Agni. De god van het vuur; een van de meest belangrijke Vedische goden, waaraan het grootste aantal hymnen is gewijd. Hij heerst voornamelijk over de aarde en wordt beschouwd als de middelaar tussen de mensen en de goden. Metafysisch is Agni de goddelijke essentie in elk atoom in het universum, het Hemelse Vuur, en daarom wordt Agni vaak gebruikt als synoniem voor de Âditya’s. (Zie 10.21)
Varuna. Zie 10.29.
Sasanka. De Maan.
Prajâpati. Zie 03.10.
143
41. Yâdava. Een afstammeling van Yadu; van het grote ras waarin de Heer Krsna werd geboren. Het Yâdava-geslacht stierf met de Heer Krsna uit.
48-53. Overweging rondom vers 48. Alle uiterlijke hulpmiddelen falen bij het proberen het bewustzijn te verruimen, indien het denken niet wordt veranderd. Door het bewustzijn te richten op de spirituele achtergrond van het leven, het hoger Zelf, kan een universele visie ontwikkeld worden.
54. Commentaar. Geloven in iemand, is ook vertrouwen in de persoon. Toewijding betekent totale overgave.
HOOFDSTUK 12
Het Pad van de Toewijding (Devotie), of Bhakti-Yoga. Eénwording door toewijding. Zie hoofdstuk 3.
1. Commentaar. Vertaald naar R.P.: “Self-realization is more difficult for those who fix their mind on the impersonal, unmanifest, and formless Absolute; because, comprehension of the unmanifest by embodied beings is attained with difficulty. “(12.05)
Een persoon dient vrij te zijn van lichamelijke gevoelens en zich vestigen in het gevoelsleven van het Zelf alleen, wil hij vorderingen maken in het praktiseren van de eredienst der vormloze Absolute. Men wordt bevrijdt van de lichamelijke conceptie van het leven, wanneer men volledig gezuiverd in totale en enige toewijding met de Verheven Heer is verbonden. Het bereiken van een dergelijke staat is voor de doorsnee mens onmogelijk, echter wel voor gevorderde zielen. Daarom, is het voor de gewone zoeker zeker verantwoordt God met een vorm voorstelling te aanbidden. Dus, is de manier van aanbidding van het individu zelf afhankelijk. Men zou voor zichzelf moeten uitmaken welke methode voor hem of zij het beste is. Het is volledig nutteloos om aan een kind te vragen een vormloze God te aanbidden, terwijl de wijze God in elke vorm ziet, en heeft echter geen beeld of prent nodig om God te aanbidden.
Liefdevolle contemplatie en de eredienst van een persoonlijke God is een nodige eerste stap tot de realisatie van een onpersoonlijke Absolute. Er wordt ook gezegd dat de devotie naar een persoonlijk aspect van God ook tot Zijn transcendentale aspect kan leiden. God is niet enkel een extra kosmische, almachtige Wezen, maar tevens het Zelf in alle wezens. De aanbidding van God als een persoon in de vorm van iemand’s geprefereerde, persoonlijke god stimuleert goddelijke liefde tot de opwekking van het zelfbewustzijn, en ten gepaste tijde de ervaring van
144
eenheid. God, de transcendent, openbaart zich in de zuivere innerlijke psyche van de persoon nadat hij de liefdevolle contemplatie van de immanente God heeft betracht.
Er is eigenlijk geen verschil tussen de twee paden – het pad der devotie tot een persoonlijke God en het pad van Zelfkennis tot een onpersoonlijke god in het bereiken van het hoogste doelpunt. In het hoogste stadium van de realisatie, zijn ze met elkaar verbonden en eengemaakt. Andere wijzen vinden het pad der devotie gemakkelijker dan de tweede, vooral bij beginnelingen. Naar Tulasidasa is het pad van Zelfkennis moeilijker te begrijpen, te verklaren, en te volgen. Het is dan ook zeer gemakkelijk te hervallen, of zich op het lage sensuele vlak der bewustzijn van het pad der Kennis terug te deinzen. (TR 7.118.00) In de volgende twee verzen zegt de Heer dat het pad der devotie niet gemakkelijk is, toch vlugger dan het pad der Kennis.
De persoonlijke en de onpersoonlijke, de fysieke vorm en de transcendentale vorm, zijn de twee kanten van de munt der ultieme realiteit. Ramakrishna zei: “Beeldaanbidding is in het begin nodig, maar nadien niet, daar een stellage nodig is tijdens de constructie van een gebouw.” Een persoon moet eerst leren zijn gedachten en gemoed op de vorm van een persoonlijke God te richten, en vervolgens na deze te hebben verworven zich op de transcendentale vorm te vestigen. De hoogste bevrijding is pas mogelijk door de Godrealisatie als het enige Zelf in alle wezens, (BS 4.3.15, ShU 3.07) en het is pas door de devotionele rijpheid in een persoonlijke God en Zijn genade bereikt. Deze realisatie is de tweede (of geestelijke) geboorte, of de tweede komst van Christus. Jezus zei: het koninkrijk van de Vader is op aarde verspreidt maar de mensen zien het niet. Een andere heilige zei: het is gelijk een vis die in het water dorst heeft, en naar water zoekt.
Volgens oude schriften, eender geestelijke praktijk wordt krachtiger, wanneer het wordt voltooid door kennis, geloof, en contemplatie in een persoonlijke God (ChU 1.01.10). Ascetische praktijken, gebed, naastenliefde, boetedoening, uitvoeren van offers, belofteaflegging, en andere godsdienstige verplichtingen zijn om het afsmeken van de Heer’s barmhartigheid nutteloos, zoals tevens onvermengde en zuivere devotie. De magneet (kennis, geloof en contemplatie) brengt de Heer gemakkelijker naderbij (TR 6.06-07). (Dr. Ramananda Prasad)
6.Commentaar. Een persoon dient vrij te zijn van lichamelijke gevoelens en zich vestigen in het gevoelsleven van het Zelf alleen, wil hij vorderingen maken in het praktiseren van de eredienst der vormloze
145
Absolute. Men wordt bevrijdt van de lichamelijke conceptie van het leven, wanneer men volledig gezuiverd in totale en enige toewijding met de Verheven Heer is verbonden. Het bereiken van een dergelijke staat is voor de doorsnee mens onmogelijk, echter wel voor gevorderde zielen. Het is het voor de gewone zoeker zeker verantwoordt God met een vorm voorstelling te aanbidden. Dus, is de manier van aanbidding van het individu zelf afhankelijk. Men zou voor zichzelf moeten uitmaken welke methode voor hem of zij het beste is. Het is volledig nutteloos om aan een kind te vragen een vormloze God te aanbidden, terwijl de wijze God in elke vorm ziet, en heeft echter geen beeld of prent nodig om God te aanbidden.
Liefdevolle contemplatie en de eredienst van een persoonlijke God is een nodige eerste stap tot de realisatie van een onpersoonlijke Absolute. Er wordt ook gezegd dat de devotie naar een persoonlijk aspect van God ook tot Zijn transcendentale aspect kan leiden. God is niet enkel een extra kosmische, almachtige Wezen, maar tevens het Zelf in alle wezens. De aanbidding van God als een persoon in de vorm van iemand’s geprefereerde, persoonlijke god stimuleert goddelijke liefde tot de opwekking van het zelfbewustzijn, en ten gepaste tijde de ervaring van eenheid. God, de transcendent, openbaart zich in de zuivere innerlijke psyche van de persoon nadat hij de liefdevolle contemplatie van de immanente God heeft betracht.
Er is eigenlijk geen verschil tussen de twee paden – het pad der devotie tot een persoonlijke God en het pad van Zelfkennis tot een onpersoonlijke god in het bereiken van het hoogste doelpunt. In het hoogste stadium van de realisatie, zijn ze met elkaar verbonden en eengemaakt. Andere wijzen vinden het pad der devotie gemakkelijker dan de tweede, vooral bij beginnelingen. Naar Tulasidasa is het pad van Zelfkennis moeilijker te begrijpen, te verklaren, en te volgen. Het is dan ook zeer gemakkelijk te hervallen, of zich op het lage sensuele vlak der bewustzijn van het pad der Kennis terug te deinzen. (TR 7.118.00) In de volgende twee verzen zegt de Heer dat het pad der devotie niet gemakkelijk is, toch vlugger dan het pad der Kennis.
De persoonlijke en de onpersoonlijke, de fysieke vorm en de transcendentale vorm, zijn de twee kanten van de munt der ultieme realiteit. Ramakrishna zei: “Beeldaanbidding is in het begin nodig, maar nadien niet, daar een stellage nodig is tijdens de constructie van een gebouw.” Een persoon moet eerst leren zijn gedachten en gemoed op de vorm van een persoonlijke God te richten, en vervolgens na deze te hebben verworven zich op de transcendentale vorm te vestigen. De hoogste bevrijding is pas mogelijk door de Godrealisatie als het enige Zelf in alle wezens, (BS 4.3.15, ShU 3.07) en het is pas door de
146
devotionele rijpheid in een persoonlijke God en Zijn genade bereikt. Deze realisatie is de tweede (of geestelijke) geboorte, of de tweede komst van Christus. Jezus zei: het koninkrijk van de Vader is op aarde verspreidt maar de mensen zien het niet. Een andere heilige zei: het is gelijk een vis die in het water dorst heeft, en naar water zoekt.
Volgens oude schriften, eender geestelijke praktijk wordt krachtiger, wanneer het wordt voltooid door kennis, geloof, en contemplatie in een persoonlijke God (ChU 1.01.10). Ascetische praktijken, gebed, naastenliefde, boetedoening, uitvoeren van offers, belofteaflegging, en andere godsdienstige verplichtingen zijn om het afsmeken van de Heer’s barmhartigheid nutteloos, zoals daarbij onvermengde en zuivere devotie. De magneet (kennis, geloof en contemplatie) brengt de Heer gemakkelijker naderbij (TR 6.06-07). (Dr. Ramananda Prasad)
8. Manas. Zie 03.42.
Buddhi. Zie 06.21.
Vertaald naar R.P.: “Therefore, focus your mind on Me, and let your intellect dwell upon Me alone through meditation and contemplation. Thereafter you shall certainly attain Me.”(12.08)
9. Dhananjaya. Zie 02.48.
12. Kennis (Jnana).Geestelijke kennis, of kennis waardoor men in staat is onderscheid te maken tussen het materiële omhulsel en de geestelijke ziel. Karma-phala-tyaga: afzien van het resultaat van vruchtdragende activiteit.
19. Geen vaste woonplaats heeft. Wie zich overal thuis voelt en niet gehecht is aan zijn woonplaats. Door zijn Svabhâva wordt de mens bij de geboorte aangetrokken tot het milieu en de plaats van geboorte. De gehechtheid eraan is een bron van onrust.
20. Commentaar. Iemand kan niet al de deugden bezitten, maar de oprechte wilskracht om dezen te ontwikkelen, is door de Heer bijzonder geapprecieerd. De strijdende is zodoende zeer kostbaar voor de Heer. De hogere klasse van toegewijden begeren niets, ook niet om de verlossing van de Heer te bekomen, behalve voor een enkele gunst: de devotie aan de lotusvoeten van een persoonlijke God geboorte na geboorte (TR 2.204.00). De lage klas tiegewijden gebruiken God als dienaar om hun materiële vragen en begeerten te vervullen. De ontwikkeling van onwankelbare liefde en devotie aan de lotusvoeten van de Heer is het uiterste doel van alle geestelijke disciplines en verdienstelijke daden zowel als het doel van de menselijke geboorte. Een ware devoot beschouwt zichzelf als de dienaar, de Heer als de meester, en de ganse schepping als Zijn lichaam.
Het pad van devotie is het meest bereikbare voor menige mensen, maar devotie komt niet tot ontwikkeling zonder de combinatie van persoonlijke wilskracht, geloof en God’s genade. Er zijn negen technieken om devotie
147
aan te wakkeren – door een intensieve liefde voor God als een persoonlijke Wezen – gebaseerd op Tulasi Ramayana (TR. 3.34.04-3. 35.03) en deze zijn:
1. De nabijheid van heilige wijzen (mystieken) te zoeken.
2. Het beluisteren en lezen van verhalen over de Heer’s incarnatie en Zijn scheppingsactiviteiten, behoud en ontbinding zoals in godsdienstige Schriften aangehaald.
3. Seva of God dienen door dienstbaarheid aan noodlottigen, heiligen, en de gemeenschap.
4. Gemeenschappelijke zingen en gezangen tot God’s glorie.
5. De herhaling van de Naam des Heren en mantras uitgesproken met vast geloof.
6. Discipline en controle over de zes zinnen, en ongehechtheid.
7. Eigen persoonlijke God in alles en overal zien.
8. Tevredenheid en ontzeggen aan verdiensten, daarbij de fouten van anderen te ontzien.
9. Eenvoud in alles, gemis aan woede, jaloersheid, en haat.
Het beste dat de mens kan doen is een liefde voor God ontwikkelen. De Heer Rama zei dat men de hierboven aangehaalde methoden dienen in geloof na te leven en God’s liefde naleven om waarlijk een devoot te worden.
Het goede gezelschap van heiligen en wijzen is een krachtige tuig om tot Godrealisatie te komen. Het wordt gezegd dat vriendschap, discussie, onderhandelingen, en huwelijken met gelijkdenkende of met mensen die beter zijn dan wij gezocht moet worden, en geenszins met mensen die van een lagere intellectuele stand komen (MB 5.13.117). Iemand is trouwens in eigen kring steeds beter bekend. Volgens de meeste heiligen en wijzen, is het pad der devotie eenvoudiger en beter om na te volgen. Men kan beginnen met gewoon een persoonlijke mantra te zingen, of eender welke naam van God. De ontwikkeling van devotionele dienstbaarheid bepaalt zich tot de volgende praktijken: luisteren naar spreekbeurten, de heilige naam van God zingen, God in herinnering brengen en Hem aanschouwen, Hem aanbidden en tot Hem bidden, God en de mensheid dienen, in totale overgave aan Zijn wil. (Dr. Ramananda Prasad)
Amrita-Dharma. De wetten of plichten die tot onsterfelijkheid leiden.
HOOFDSTUK 13
0. Prakriti en Purusa, Kshetra en Kshetrajna, kennis en het onderzoek van kennis, deze, O Kesava; zou ik willen ter kennis gebracht worden.
148
Sommige uitgaven van de Bhagavad Gîtâ kennen dit vers niet. Waarschijnlijk werd het weggelaten om het traditionele aantal van 700 verzen niet te verstoren. In navolging van S. Radkakrishnan wordt het hier ongenummerd opgenomen.
Prakriti. Van pra, ‘bevorderen’ en kri, ‘handelen’. In het algemeen de Natuur. Door Prakriti werkt Purusa. Door de prikkeling van Purusa brengt Prakriti de materie voort. Zie 09.07.
Kshetrajna. De wederbelichamende ego in de menselijke constitutie, Buddhi-Manas.
Kshetra. Het veld van handeling en waarneming voor de ‘kenner’, het bewustzijn. Zie 01.01.
1. Commentaar. Er bestaat ook een inleidend vers dat in sommige uitgaven zoals in de onze wordt weggelaten, en het luidt als volgt: “Materie en geest, het veld en de Kenner van het veld, kennis en dat wat geweten moet worden, dit zou ik graag willen vernemen, O Heer Krishna.” De verdeling in drie: kennis, de kenner, en het kennen, hoort tot de wereld van het betrekkelijke, het vergankelijke.
Dr. Ramananda Prasad: wat hier in het lichaam gevonden wordt, is ook in de kosmos; wat ginder is, hetzelfde is ook hier (KaU4.10). Het menselijke lichaam, de microkosmos, is een kopie van het universum, de macrokosmos. Het lichaam wordt het terrein van de activiteiten van de ziel genoemd. Het lichaam of de schepping is anders dan de ziel, of de schepper. Om het verschil te weten, dient men de metafysische kennis te verkennen, zoals in huidig hoofdstuk aangehaald.
4. Commentaar. De Gîtâ verklaart daarbij de waarheden van andere gewijde schrifturen. Alle schrifturen zowel als deze van heiligen en wijzen van alle godsdiensten, putten het water der waarheid van dezelfde oceaan van de Geest. Hun uitdrukking kan verschillen volgens de noden van het individu en de contemporaine maatschappij. (Dr. Ramananda Prasad)
5. Ahankâra. Zie 07.04.
Buddhi. Zie 02.49; 06.07; 06.21.
7-8. Eerbied voor de leraar (Goeroe). (A) Men moet zich van leraars (goeroes) behoeden die erop aanspraak maken bepaalde meesters, adepten of ingewijden te zijn. Een ware leraar blijft zoveel mogelijk verborgen, daar alleen wat de Waarheid is, is belangrijk. Bovendien, wat de leraar zelf door de harde ervaring heeft geleerd is voor de leerling nuttig. Toch, moet worden opgelet, daar tegenwoordig veel onjuiste leringen zijn betreffende het denkvermogen en de ziel. Vele onder hen laten het licht vallen op datgene, dat de objectieve vorm tot stand zal brengen, welke vorm door henzelf van hoedanigheden wordt voorzien. Zij versterken hun eigen doel in die van de denkenden, om hun eigen
149
zinnen ten uitvoer te brengen. Het is dus op te letten, maar men moet ook niet veralgemenen. Het staat ieder leerling vrij over deze punten na te denken, om nutteloze speculaties van leraars en goeroes achterwege te laten. Sluiten we ons gewoon bij de Bhagavad Gîtâ aan (4.6): “Hoewel Ik ongeboren ben en Mijn bovenzinnelijk lichaam nooit vergaat en hoewel Ik de Heer van alle geboren wezens ben, verschijn Ik in ieder tijdvak in Mijn oorspronkelijke bovennatuurlijke kracht (Maya).” Het gaat om zelf te discrimineren wat voor ons goed of slecht is, en door wie we precies worden aangesproken en waarom, we hebben daarvoor onze eigen onderscheidingsvermogen. (Ph. De Coster) Bijvoorbeeld: de goeroe die beweert door de Verhevene Heer zelf een openbaring te hebben ontvangen, mag niet voor waar genomen worden.
(B) Vers 13.08 van de Gîtâ vormt het beginsel van het Boeddhisme. De voortdurende contemplatie en begrip van agonie en lijden bij de geboorte, ouderdom, ziekte, en de dood worden in het Boeddhisme het begrip van de Viervoudige Edele Waarheid genoemd. Een duidelijk begrip van deze waarheid is nodig om de spirituele reis te ondernemen. Afgunst en ontevredenheid tegenover de onzin en de irrealiteit met de daarbij verbonden objectieven zijn het nodige voorspel om met de spirituele reis te beginnen. Zoals de vogels wanneer ze moe zijn op een boom onderdak vinden; zoekt de mens eveneens goddelijke bescherming nadat ze de frustratie en het sombere van het materialisme ontdekt hebben. (Dr. Ramananda Prasad)
9. Commentaar. De afwezigheid van aanhankelijkheid ten opzichte van zoon, vrouw of huis wil niet zeggen dat bestaande relaties moeten worden verbroken of veronachtzaamd. Veeleer moet gedacht worden aan een houding waarin men de bestaande relaties op een zodanige afstandelijke wijze kan beoordelen dat fouten of onvolkomenheden op dezelfde kritische wijze worden benaderd als ten opzichte van anderen wordt gedaan.
10. Commentaar. Bij het vermijden van volksmenigten wordt voorkomen dat beïnvloeding door het magnetisme van de massa ontstaat. Men vrijwaart zich voor de mogelijkheid op te gaan in massapsychose.
11. Adhyâtman. Zie 07.29.
13. TAT. Zie 02.17.
13-14. Commentaar.Deze twee verzen lijken met elkaar in tegenspraak. De grondgedachte is dat Tat – het Ene Universele Beginsel, het Grenzenloze – geen eigenschappen in het bijzonder kan bezitten, omdat er dan geen sprake kan zijn van grenzenloosheid. Maar dat het Grenzenloze ALLES is, “woont” “Het” zowel in de gemanifesteerde wereld als in al wat buiten de zintuiglijke waarneming valt. Lao Tze zegt in de Tao Teh King als volgt: “Kon TAO genoemd worden, dan zou het het eeuwige TAO niet zijn. Als niet-Zijn kan men het noemen het begin
150
van hemel en aarde; als Zijn kan men het noemen de moeder aller dingen. TAO is ledig en toch zijn zijn werkzaamheden onuitputtelijk.”
Guna’s. Geaardeheden. De drie geaardheden. Zie hoofdstukken 14 en 18.
19. Prakriti. Zie 09.07 en 13. (1) De stoffelijke of materiële natuur (apara-prakrti). (2) De levende wezens (para-prakrti). De naam “prakriti” is afgeleid uit de functie ervan als de materiële oorzaak van de eerste evolutie van het heelal. Men kan zeggen dat de naam is samengesteld uit twee woordkernen, namelijk “pra”, het openbare, en “krita”, het maken, en er wordt dus datgene ermee bedoeld wat de oorzaak was waardoor het heelal zich ging openbaren.
Purusa of Purusha. Zie 08.04. Het geestelijk zelf. Het belichaamde zelf. Het woord betekent letterlijk “De bewoner van de stad” of wel de bewoner van het lichaam. “Pura” komt uit het Sanskriet en betekent stad of lichaam, terwijl “usha” een afleiding is van het werkwoord “vas”, wonen. (Dit werd in vroegere hoofdstukken aangehaald.) Feitelijk kan “Purusha” van beide, bewustzijn en materie zijn, of Purusha en Prakriti in de verzen 19 en 20, worden gezien, daar de aanwezigheid van beide noodzakelijk is, opdat het functioneert. Als het een gevorderde yogi betreft, kan de “geest” ervaring zich telkens weer herhalen en dan gaat hij van het ene gebied naar het andere over, totdat hij de laatste sprong doet van het ijlste gebied (het Atmische gebied) naar de Werkelijkheid zelf – het bewustzijn van Purusha. Als dus het lagere denken geheel en al opgaat in het object in Nirvitarka Samadhi dan is het Purusha, werkend in Zijn hogere beginselen, die alles onder Zijn hoede heeft en die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de voortdurende en tere transformaties die plaats vinden in de verdere stadie van Samadhi. Purusha dient beschouwd te worden als degene, die leiding geeft aan de evolutie.
22. Mahesvara. Letterlijk: ‘Grote Heer’. Van mahâ, ‘groot’ en îsvara, ‘heer’, ‘meester’. Zie 28. Een titel die ook aan Siva wordt gegeven.
24. Commentaar. Vergelijken de verzen 2, 12, 22, 30 en 31 van dit hoofdstuk. Parameshvara schijnt hier te betekenen: Brahman of Paramatma, d.w.z. Purusha plus Prakriti (zie voetnoot 8), het Zelf plus het immer-veranderde, het Ene en het Andere, de Al-Ene in Zijn schepping.
25-26. Commentaar. Het overwinnen van de dood houdt daarbij in het zich bevrijden van steeds terugkerende geboorten. De attractie die het gemanifesteerde bestaan op het bewustzijn uitoefent, doordat aan de uiterlijke wereld, Mâyâ, werkelijkheid wordt toegekend, is de oorzaak van reïncarnatie. “De vereniging van Kshetra en Kshetrajna” betekent het zich verbinden van het bewustzijn met de manifestatie. Het objectief idealisme stelt dat een zaak slechts in zoverre werkelijk is als enig waarnemend bewustzijn er werkelijkheid aan toekent.
151
Bharatarshabha. Zie 08.23.
27. Paramesvara. Letterlijk: ‘Allerhoogste Heer’.
28. Commentaar. Het ‘beschadigen van het Zelf” betekent het verwringen van de zuivere stroom van bewustzijn tot een persoonlijke opvatting over de waargenomen dingen. Naarmate men zich bewust wordt van de fundamentele éénheid van al het bestaande, zal de stroom van bewustzijn vrijer kunnen vloeien.
Îsvara. De verpersoonlijking van de godheid, de Logos.
29. Prakriti. Zie 09.07 en 13.
31. Paramâtman. Zie 06.07. Samengesteld uit para (hoogste) en âtman (ziel), de term wordt soms vertaald met ‘superziel’.
32. Âkâsa. Zie 07.04 en 09.06.
33. Kshetrin. De verzorger of onderhouder van Kshetra.
HOOFDSTUK 14
3 en 4. Commentaar. De verzen 3 en 4 samen anders gelezen: “O Arjuna, voor Mij is de schoot de algemene materie, waaraan Ik het zaad schenk: daarin ligt het ontstaan van alle schepselen. O Arjuna, van de levensvormen die in alle schoten tot aanzijn komen is de materie de oerschoot en ben Ik de zaadgevende Vader.” Bij de schepping verkrijgt de individuele ziel (jivatma) een gewaad, ontstaan uit prakriti, gevormd door de drie gunas en geweven uit draden der subtiele verlangens (vasanas). Vasanas zijn er geweest van den beginne, want in ieder mens is het verlangen om te leven onverwoestbaar aanwezig van in het begin; subtiele verlangens (vasanas) zijn de grondslag van het bestaan in deze wereld. Jivatma: de individuele ziel, de microkosmos, die in het aardse bestaan evolueert totdat hij volmaakt is geworden. Gunas: Een der drie geaardheden der materiële natuur – goedheid, hartstocht en inertie. Anders uitgedrukt, de drie vibraties van de door purusa, belevendigde prakriti of materie, (weerspiegeling van Sat-Chit-Ananda); ze vormen de basis van het gemanifesteerde heelal. Vasanas: Potentiële begeerte, tendens (gebondenheid aan het rad van geboorte en dood veroorzakend “vasanas” vergezellen alle voertuigen van bewustzijn en gradaties van citta (spiegel of scherm van het bewustzijn o.a.).
5. Guna’s. De Guna’s zijn in beginsel in alles aanwezig, hetgeen in het Christendom zoiets als de ‘erfzonde’ wordt genoemd, maar hebben er weinig van begrepen. Zij werken in elk wezen naar zijn aard (Svabhâva), toch kunnen door het menselijk bewustzijn gericht worden toegepast. De hier gegeven omschrijvingen, maar vooral de aanwijzingen in hoofdstuk 18, geven duidelijk weer hoe de levenshouding dient te zijn van iemand die van de Guna’s bewust gebruik wil maken. Ze houden echter tevens een waarschuwing in vanwege hun bindend karakter. Daarom is het beter
152
‘te handelen omwille van de handeling zelf’ en de Guna’s het werk te laten doen. Zie verzen 19 en 20.
6. Anagha. ‘Zondeloze’.
Verzen 5 en 6. De verzen 5 en 6 anders vertaald: “O Arjuna, goedheid, hartstochtelijk streven en inertie – dat zijn de leibanden ontwonden door de natuur: zij zijn het die de onvergankelijke ziel aan het lichaam binden. O zondeloze Arjuna, van hen bindt de verlichtende en heilzame goedheid vanwege haar zuiverheid de ziel door gehechtheid aan geluk en kennis.” Voor de spirituele zoekers zijn hartstochtelijk streven en inertie gemakkelijk te herkennen en omzeilen. Maar de invloed van goedheid is moeilijk te onderscheiden omdat deze zo subtiel is. Geluk en kennis zijn begeerlijk. En, zolang men ze wilt bezitten, is men aan de materie gebonden door haar subtielste leibanden. Alleen indien men ze als een bijkomend iets beschouwd van zijn levensloutering, waarop men geen aanspraak mag maken, en de blik vast op de Verhevene Heer gericht houdt, met de hoop Hem werkelijk te zullen dienen, laat deze subtiele leiband los.
9. Geaardheden.
Sattva: De geaardheid goedheid van de materiële natuur. Ook, harmonie, evenwichtigheid inzicht; een van de drie gunas, het vermogen om te zien, waar te nemen.
Rajas: Een van de gunas: goedheid, hartstocht en inertie.
Tamas: Een van de gunas, zoals traagheid, inertie, luiheid, vadsigheid, stabiliteit.
Commentaar door dr. Ramananda Prasad: de geaardheid der goedheid houdt de mens van zondige handelingen weg, en leidt hen tot Zelfkennis en geluk, maar niet tot de verlossing. De geaardheid hartstocht schept Karmische slavernij en houdt het individu op verdere afstand van de bevrijding. Deze mensen weten wat goede en slechte handelingen zijn gebaseerd op godsdienstige princiepen, maar zijn onbekwaam deze te volgen daar hun sterke zinnelijke lusten. De geaardheid der hartstocht behandelt de eigenlijke kennis van het Zelf en veroorzaakt het experiment van pijn en de genoegens van het wereldse leven. Deze personen voelen zich sterk aangetrokken tot rijkdom, macht, prestige, sensuele genoegens, en zijn zeer baatzuchtig en begerig. In de geaardheid onwetendheid is men onbekwaam het werkelijke doel van het leven te herkennen, onbekwaam om tussen goed en kwaad onderscheid te maken, en blijven zodoende met zondige en verboden activiteiten verbonden. Dergelijke persoon is lui, gewelddadig, ontbreekt beredenering, en heeft voor geestelijke kennis geen interesse.
11. Commentaar. De zintuigen (neus, tong, ogen, huid, gemoed, en intellect) zijn de poorten tot Zelfkennis in het lichaam. Het gemoed en het intellect komen bij de geaardheid goedheid te staan, en komt voor
153
Zelfkennis receptief, wanneer de zinnen door onbaatzuchtige dienstbewijs, discipline en geestelijk praktijken zijn gezuiverd. In vers 14.17 wordt aangehaald dat Zelfkennis opkomt wanneer het gemoed in de geaardheid goedheid sterk is gevestigd. Zoals voorwerpen duidelijk in het licht te zien zijn, evenzo, de waarneming en het denken in een juiste perspectief; schuwen de zintuigen datgene ongeschikt is; waarbij het gemoed geen plaats vindt voor sensuele plezier, zodra deze verlicht wordt door de dageraad van het licht der Zelfkennis. (Dr. Ramananda Prasad)
18. Commentaar. Met andere woorden, “In goedheid gaat men opwaarts; in hartstocht blijft men in het midden; en de onwetenden, aan de laagste leiband, gaan omlaag.” (14:18) “Gewesten” kunnen als ‘geestelijke niveaus” van het hoogste naar het laagste worden beschouwd, in gebruik bij de apostel Paulus in zijn brief aan de Epheziërs (tenminste in de Nederlandse Nieuwe Vertaling van de Bijbel): “Geestelijke zegen in de hemelse gewesten” (Eph. 1:3), (in goedheid gaat men opwaarts); “want wij hebben niet geworsteld tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis” (Eph. 6:12a), (in hartstocht blijft men in het midden); “tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Eph. 6:12b) (en de onwetenden, aan de laagste leiband, gaan omlaag). ‘Opwaarts’ wordt veelal geïnterpreteerd naar de goden of totdat men de Nirvana heeft bereikt waar geen terugkeer op aarde (noch in geboren worden en sterven) mogelijk is. ‘In het midden’ als ‘in de mensenwereld op aarde’; of ‘omlaag’ zoals ‘naar de hel’ of naar het helse van het aardse leven, te vergelijken met de dierenwereld en de planten. Naar deze drie niveaus of gewesten, wordt de kosmos in de Veda “de drie werelden genoemd. (Ph. De Coster)
19. Commentaar. Andersom: “Als de ziener inziet, dat het slechts de hoedanigheden zijn, die werken, en als hij Dat kent, dat boven de hoedanigheden uitgaat, gaat hij in Mij op.” (14.19) De ziel handelt niet materieel en is eveneens aangegeven in de verzen 5.8 en 13.21.
22. Commentaar. Verlichting, streven en begoocheling zijn de effecten van de invloed der respectievelijk goedheid, hartstocht en onwetendheid.
27. Dharma. Zie 02.40.
Commentaar. De Verhevene Wezen is de bron of de basis van de Geest. De Geest is een van de expansies van de Verhevene Wezen. Het is de Geest (of de Verhevene Wezen) die het ganse Kosmische drama in beweging brengt en alles ondersteunt. Daarom, wordt de Geest tevens de Verhevene Wezen of the Heer genoemd. Het is van betekenis dat de Heer Krishna (of de Heer Krsna) nooit woorden zoals ‘aanbid de Verhevene God’ of ‘de Absolute is aan de basis van alles” heeft aangehaald. In deze vers, en aldus verder in de Gîtâ, verklaart de Heer Krishna dat Hij de Verhevene Geest is. Krishna wordt door de mensen op verschillende
154
wijzen begrepen. Sommige commentatoren zien in Krishna iemand anders dan God, anderen noemen Hen een “Hindoe God.” Nog anderen een politieker, een leraar, de goddelijke geliefde, en een diplomaat. Voor de toegewijden, is Krishna de incarnatie van de Absolute, en het voorwerp van liefde. De lezers zouden zich moeten tevreden stellen met het begrijpen en het in werking brengen van Krishna’s leringen, zonder zich te bekommeren over de vraag wie Krishna was. (Dr. Ramananda Prasad)
HOOFDSTUK 15
1. Asvattha. De ‘eeuwige-levende-vijgebooom’, ficus religiosa.
Chhanda’s. Heilige gezangen, verzen.
2. Commentaar. Het menselijk lichaam, het microkosmisch heelal of wereld, mag met een beginloze en eindeloze boom vergeleken worden. Karma is het zaad, de ontelbare begeerten zijn de wortelen, de vijf grondelementen zijn de hoofdtakken, en de tien organen der perceptie en handelen zijn de bijtakken. Drie geaardheden der materiële natuur voorziet in de voeding, waarbij de zinnelijke genoegens de scheutjes zijn. Deze boom is steeds veranderlijk; toch eeuwig zonder begin of einde. De mens die waarlijk deze wonderlijke boom begrijpt, zijn oorsprong (of wortel), zijn natuur en werking, is in de ware zin van het woord de kenner van de Veda’s.
Twee aspecten van de Eeuwige Geest – de goddelijke Heerser en de gecontroleerde (levende entiteit, individuele ziel) maken hun nesten en verblijven in dezelfde boom als deeluitmakend van het kosmische drama. Deugd en ondeugd zijn de glorierijke bloemen; genoegens en pijn zijn de zoete en zure vruchten. De levende entiteit eet deze vruchten in onwetendheid; terwijl de Heerser op de troon zit, observeert, en begeleidt de levende entiteiten. De levende entiteiten zijn zoals mooie vogels met veelvuldige kleuren. Geen twee vogels gelijken op elkaar. De schepping is gewoon mooi. En, de Schepper moet onbeschrijfelijk prachtig zijn. (Dr Ramananda Prasad)
3 en 4. Commentaar. De schepping is cyclisch, zonder begin of einde. Ze is steeds veranderlijk, en heeft geen permanente bestaan noch een werkelijke vorm. Men moet het mes van de metafysische kennis slijpen op de steen van de geestelijke praktijk; het gevoel der scheiding tussen de levende entiteit en de Heer wegnemen; opgewekt deelnemen aan het drama des leven met de voorbijgaande schaduwen van geluk en verdriet vervaardigd; om in deze wereld volledig bevrijdt van het ego en begeerten te leven. Wanneer de gehechtheden zijn getemperd, een
155
houding van heilige onverschil heeft tegenwoordig plaats genomen, als eerste vereiste voor geestelijke groei. (Dr Ramananda Prasad)
De verzen 2 tot 4 op een andere manier gelezen: “Zijn takken verspreiden zich omlaag en omhoog, door met de ontwikkelde leibanden der zinsobjecten als scheuten, en beneden strekken zich de wortels uit, die in de mensenwereld tot baatzuchtig streven aanspoort. Begin, eind en vastheid van zijn vorm zijn in deze wereld onwaarneembaar. Deze diepwortelende asvattha (Samsara) nu dient men om te hakken met de sterke bijl der onthechting en zich vervolgens naar dat oord te begeven vanwaar degenen die het eenmaal hebben bereikt niet meer terugkeren, en wel aldus: ‘Ik vind toevlucht in de Oerpersoon, aan wie deze aloude schepping is ontsproten.’
5. Adhyâtman. Zie 07.29
7. Jiva, Jivatma. “Eeuwig deeltje van Mijn Zelf” of, “individuele ziel”. Jiva: levend wezen, (bijzondere) persoonlijkheid. Jivatma: individuele ziel, de microkosmos.
8. Isvara. Zie 13.28.
13. Soma-sap: saprijke, waterige maan, de levenskracht.
14. Vaisvânara. Vuur.
Prâna en Apâna. Elk van de zeven beginselen van de menselijke constitutie heeft zijn eigen bijzondere vitale of levensstroom, die betrokken is bij de opbouw en het onderhouden ervan. De volledige verklaringen en aanknopingspunten met betrekking tot deze ‘vitale stromingen’ worden geheim gehouden in verband met de gevaren die aan het misbruik ervan verbonden zijn. De twee hogere ‘Vitale Ademen’ worden in het algemeen niet in de esoterische literatuur besproken. De Hatha-Yoga, een van de lagere aspecten van de Yoga-training, behandelt manieren en doeleinden van het beheersen van deze ‘ademen’; maar zonder een grotere kennis van de mysteries van onze innerlijke natuur, zijn oefeningen van deze aard niet aan te bevelen en het wordt in feite afgeraden.
Apâna. Is die ‘vitale adem’ die het ‘afval’ uit de menselijke samenstelling verwijdert.
Samâna. Is die welke de spijsvertering en de assimilatieprocessen beheerst.
Vyâna. Bestuurt de circulaties in het lichaam en is dus dat wat scheidt en ontbindt en weerstand biedt aan de destructieve elementen die altijd werkzaam zijn; het houdt het lichaam in conditie.
Prâna. Is de meest bekende en bestuurt de ademhaling. Het stelt ons in staat de vitale essenties op te nemen en gassen die destructief voor het lichaam zijn uit te drijven.
156
Udâna. Is die vitale adem die de vitale stromen van het lichaam opwaarts stuwt naar hun bronnen, de hogere centra van het hart en brein.
De vier soorten voedsel. Het verteren van voedsel is verbonden met de elementen: grof voedsel (aarde) door kauwen, vloeibaar (water) door drinken, heet (vuur) door voelen en geurig (lucht) door opsnuiven.
15. Vedânta. Zie hoofdstuk 2.
16. Kûtastha. Filosofisch, houder van de hoogste positie. De oorspronkelijke goddelijkheid. Wordt ook als synoniem gebruikt voor Isvara, de goddelijk-geestelijke Monade. Het is ook het rotsvaste, dat wat als mysterie gehuld is in Maya.
18. Purusottama. Verhevene Wezen, Persoon of Geest. (Zie ook 08.01)
20. Sâstra. Stelsel van leringen, heilige boeken.
HOOFDSTUK 16
De Goddelijke en de Demonische Aard. Goed en kwaad staan tegenover elkaar, en alles wat erbij hoort. Opgesomd in hoofdstuk 16 wordt een reeks van de driften der bozen aangehaald, die meesleuren, binden en beknellen; en, een reeks van de drijfveren der goeden, die vrij maken en vreugde scheppen. De verzen 7 tot en met 9 zijn een uitval naar sceptici, rationalisten en materialisten; terwijl, de verzen 10 tot en met 21 zijn volle boosachtigheid en laten aan duidelijkheid niets te wensen over. De verzen 22 tot en met 24 concludeert, en zegt, “Houden jullie aan de regels der plichten en geboden, om geleidelijk verheven te worden”.
1-3. Commentaar op deze verzen. Men mag niemand veroordelen en zichzelf aanbevelen (MB3.207.50). We moeten anderen behandelen zoals we het voor ons voorhouden (MB 12.137.09). Een persoon van demonische aard moet op een verschillende manier worden behandeld en begeleidt, tegenover een persoon met een goddelijke natuur (MB 12.109.30). We betalen steeds de prijs van iemand ander’s ontwikkeling, daar niemand volmaakt is. Spreken over de tekortkomingen van anderen is de meest verachtelijke zonde. Zie andermans fouten niet, maar verbetert uw eigen tekortkomingen totdat ge zelf aan de verlichting toe bent.
Men zou over andermans fouten en tekortkomingen niet mogen weerleggen, luisteren of er zelfs niet aan denken. Wanneer men aan de gebreken van een andere denkt, wordt daarmee onze eigen denkvermogen bezoedeld. Er is niets gewonnen andermans fouten te ontdekken; daarom, ontdekt uw eigen fouten en corrigeert ze. De onbeminde beminnen, vriendelijk zijn tegenover de onvriendelijke, en genadig zijn tegenover de ongenadige is waarlijk goddelijk. Er wordt gezegd dat men dient te verantwoorden voor hetgeen wij aan anderen doen.
157
Waarden kunnen ook voor problemen zorgen, indien men vergeet dat anderen ook verschillende waarden hebben, daar mijn waarden verschillend zijn van de uwe. Waardenstrijd tussen individuen maken relaties kapot. Dikwijls twee waarden bij dezelfde persoon in praktijk gebracht, schept ook zijn moeilijkheden. Bijvoorbeeld, indien een leugen een waardevol leven kan redden, zou men de waarheid niet mogen vertellen. Men mag zich blindelings niet aan waarden hechten, daar waarden niet absoluut zijn. Men zou met idealen nooit mogen spotten, noch anderen naar onze eigen standaarden oordelen, daar de schepper’s plan eenheid in verscheidenheid is.
De wereld wordt door allerlei mensen gemaakt. Men wenst anderen te veranderen om zelf vrij te zijn, maar zo werkt het eigenlijk niet. Indien men anderen volledig en onvoorwaardelijk aanvaarden, dan pas kan men vrij zijn. Mensen zijn wat ze zijn, daar ze hun eigen achtergrond bezitten, en kunnen gewoon anders niet zijn. (Swami Dagananda) Men kan een echtgenoot(e) beminnen, terwijl men de manier van zijn of haar handelen niet aanvaarden. Uw vijand kan uw vriend worden, indien u hem of haar aanvaardt zoals ze zijn. Indien ge een vijand wenst te maken, tracht deze te veranderen. Mensen veranderen ‘kan’ wanneer ze tot bewustheid komen dat lijden moeilijker is dan veranderen. Niemand is bevoegd om iemand’s leven, denken en idealen ongeschikt te verklaren. Evolutie op de ladder van de volmaaktheid is een trage en moeilijke ontwikkeling. Het is niet gemakkelijk om zich van Karmische afdrukken te ontdoen, terwijl men toch echt moet proberen. De verandering neemt door eigen kracht plaats, en wanneer de tijd van God’s genade is aangebroken, en geen dag vroeger. Tevens, de manifestatie der oorspronkelijke energie, het bewustzijn, varieert volgens de wezens. Daarom, zoekt om verzoening met alles in het universum, en alles wordt uw vriend. Ramakrishna zei: wanneer de dageraad van het goddelijke is aangebroken, menselijke zwakheid verdwijnt uit eigen beweging, zoals de pedalen van een bloem afvallen om de vrucht te laten ontwikkelen.
Stervelingen zijn hulpeloos gebonden, zoals de koeien door de koord van hun verborgen begeerten die uit hun Karmische afdrukken voorkomen. De koord kan enkel worden doorgesneden indien we het mes van het intellect gebruiken door God aan ons geschonken, en niet aan de dieren. De tijger is instinctief geneigd om te doden, terwijl niemand er iets kan aan veranderen. De menselijke wezens kunnen door hun intellect en berederneringskracht traag maar zeker de koord doorsnijden. In onwetendheid missen we de kracht van de beredenering en het gebruik van het intellect. De vijand is niemand anders dan onze andere heft.
158
Dikwijls komt het intellect in de greep van de valse spelletjes der denkbeeldige energie (Maya), vóór het aanbreken van de dageraad der voorbestemde vijand. Men moet het intellect gebruiken daar het een kostbare goddelijke gave is die aan de mens werd geschonken, om hen toe te laten een situatie te analyseren. Er is geen enkel ander manier om uit het verdorven circuit van Maya te geraken.
Er kan niets overkomen aan de mens die tegenover de andere een vreedzame houding heeft in gedachten, woord en daad (VP1.19.05). Zelfs de gevaarlijke dieren doen geen kwaad aan hen die vreedzaam zijn in gedachte, woord en daad (MB 12.175.27). Iemand die tegenover een wezen geen geweld uitoefent, bekomt wat hij wenst en boekt succes zonder veel inspanning in al zijn geestelijke disciplines.
De hoge vorm van het leven gebruikt de lagere als voedsel der ondersteuning (MB 12.15.20). Het is onmogelijk om vreedzaamheid in praktijk te brengen, of eender welke andere waarde in de echte zin van het woord. Landbouwactiviteit betekent gewelddadigheid tegenover insecten en wormen. In de praktijk brengen van vreedzaamheid tot al de schepselen zijn voor eigen ontwikkeling bedoeld op de ladder naar de volmaaktheid. Het is vereist om de dag tot dag geweld in het praktisch leven tot een minimum te leiden. Het bereiken van een minimale gewelddadigheid is natuurlijk zeer afhankelijk. Geweld mag voor persoonlijke doeleinden nooit gebruikt worden. Het mag wel gebruikt worden om de zwakken te verdedigen, of om Dharma (Orde en Recht) te handhaven. (Dr. Ramananda Prasad)
8. Aparasparasambluta. Letterlijk, ‘de een niet voortgebracht door de ander’ of ‘niet uit elkaar voortgekomen’. Anderen vertalen het met ‘op elkaar volgend’, of ‘uit elkaar voortgekomen’, zoals oorzaak en gevolg; of ‘uit begeerte voortgebracht door wederzijdse vereniging’, dat wil zeggen van man en vrouw.
16. Nâraka. Zie 01.42.
21. Drie poorten tot Nâraka. Zie 02.62-63. Gedurende ontelbare manifestaties heeft de goddelijke Monade vanuit het niet-zelfbewuste bestaan het begin van zelfbewustzijn opgebouwd, zoals zich dit in de mens manifesteert. ‘Vernietiging van de ziel’ en het ‘verliezen van Buddhi’ betekent het terugvallen in de toestand van niet-zelfbewust bestaan. Dat wil niet zeggen dat daarmede ook de goddelijke Monade verloren gaat. Deze is, zoals uit al het precedent blijkt, onvergankelijk en onvernietigbaar, toch moet opnieuw aan de langdurige opbouw van zelfbewustzijn beginnen. Het Hoogste Pad (22-23) wordt bereikt, indien men zich duurzaam van de innerlijke goddelijkheid bewust is.
159
24. Commentaar. Uiteindelijk ligt in geval van twijfel de beslissing vanzelfsprekend aan uw eigen Verheven Zelf en uw gemoed (atma en buddhi) want de sastras zijn slechts product van het intellect.
HOOFDSTUK 17
1. Sastra-vidhim. De regelen der Schrift.
Sattvam. In goedheid. Sattva: harmonie, evenwichtigheid, inzicht; een van de drie gunas, het vermogen om te zien en waar te nemen.
Rajah. In hartstocht.
Tamah: onwetendheid.
3. Wat zijn ideaal is, dat is hij. Marcus Aurelius: “Uw leven is, wat uw gedachten ervan maken.”
Men kan in elke inspanning succes boeken indien men in een vaste beslissing volhardt (MB 12.153.116). Een persoon die met een gezuiverd gemoed om het even wat begeert, hij ontvangt de voorwerpen. (MuU 3.01.10). De doener van goede werken wordt goed, en de doener van het slechte wordt slecht. Men wordt deugdzaam door deugdelijke daden, en verdorvenheid door gelijke daden (BrU 4.04.05). Men wordt datgene men steeds sterk in gedachten houdt; wat de motieven ook mogen zijn, zoals ontzag, vrees, jaloersheid, liefde of zelfs haat (BP 11.09.22) Men ontvangt steeds waar men er naar uitkijkt – bewust of onbewust. De gedachten (het denken) leiden tot handelen, handelen wordt vlug een gewoonte, en de gewoonte leidt tot succes wat de inspanning ook zijn mag, als door een passie gedreven. Wordt gepassioneerd in wat ge wilt bereiken. Passie ontwaakt slapende krachten in ons.
Wij zijn de producten van onze eigen gedachten en begeerten, ook onze eigen architect. Gedachten bouwen onze toekomst. Wij worden wat wij denken. Er is een grote kracht in onze gedachten om negatieve en positieve energie rondom naar ons te trekken. Waar een wil is, is ook een weg. We zouden edele gedachten moeten herbergen, daar gedachten daden voorafgaan. De gedachten controleren onze fysische, mentale, financiële, zowel als onze geestelijke welzijn. Laat nooit eender welke negatieve gedachte of twijfel indringen. Hoewel we heel veel kracht ter onze beschikking hebben, toch de ironie dat wij falen deze te gebruiken. Indien men het gewenste niet verkrijgt, is men voor geen honderd percent toegewijd. Men is de oorzaak van al wat ons voorkomt. Men kan het beste van het leven niet verlangen, wanneer we zelf ons best niet doen. Succes is bereikt langs een reeks goede voorziene stappen die traag en met volharding zijn ondernomen. Stephen Covey zei: “De beste manier om uw toekomst te voorspellen is deze te creëren.” Elke grote succesvolle daad was vroeger als onmogelijk geacht. Onderschat nooit de potentiële
160
mogelijkheden en de kracht van de menselijke geest en gemoed. Vele boeken werden geschreven en gemotiveerde programma’s ontwikkeld voor de praktische toepassing van deze krachtige en eenvoudige Gîtâ mantra.
(Dr. Ramananda Prasad)
4. Yaksha’s en Râkshasa’s. Zie 09.12 en 10.23.
Preta’s. Zij die vertrokken zijn. De ‘schillen’ van hebzuchtige en zelfzuchtige mensen na de dood; worden volgens esoterische leringen in Kâma-loka herboren.
Bhûta’s. Letterlijk: zij die geweest zijn; geesten-spoken. Ze ‘demonen’ te noemen is onjuist, daar ze in feite de uiteenvallende Kâma-rûpa’s van overledenen in Kâma-loka zijn. Het oproepen van de ‘geesten’ van overledenen in spiritistische seances is daarom ‘Bhûta-verering’, hoewel het niet denkbaar is dat Preta’s verschijnen.
6. De elementale wezens. “Zo zijn de atomen van het lichaam, de moleculen, de protonen en elektronen die de fysieke stof van het lichaam vormen in zekere zin zijn kinderen en zij ondergaan de invloed van oude gedachten en gevoelens. Zij lijden in zekere mate tengevolge van onze verkeerde daden en worden verheven door onze deugden. Zo nauw zijn alle dingen met elkaar verweven, een levensweb waarvan elke draad het voortbrengsel is van geestelijke magie. Ik zeg u dat wij verantwoordelijk zijn voor de atomen die ons lichaam samenstellen, of wij ze nu bezoedelen of reinigen. En te zijner tijd zullen ze tot ons terugkeren om gereinigd te worden van de verkeerde handelingen die wij erin hebben afgedrukt. Zo is het met alle innerlijke gebieden van de menselijke constitutie, de voertuigen van zijn geest, zijn gevoelens en zijn denken.”
(Gottfried de Purucker: Wind of the Spirit)
10. Commentaar. De zuiverheid van het gemoed is het gevolg van zuiverheid van voeding. De Waarheid wordt aan een zuiver gemoed openbaart. Men wordt van alle slavernij bevrijdt na de Waarheid te hebben aangenomen (ChU 7.26.02). Gokken, intoxicatie, onwettige seksuele relaties, en vlees eten is een natuurlijke negatieve neiging van de menselijke wezens, maar zich van deze vier activiteiten distantiëren is waarlijk goddelijk. Men moet deze vier zonde pilaren trachten te vermijden (BP.1.17.38). Zich onthouden van vlees eten is vergelijkbaar met het verrichten van honderd heilige offers (MS 5.53-56).
(Dr. Ramananda Prasad)
14. Commentaar. Een geestelijke discipline of offer is niet compleet zonder een mantra, en een mantra is niet volledig zonder geestelijke discipline (DB 7.35.60).
(Dr. Ramananda Prasad)
Dvija. Degene, die wordt ingewijd in de Mysteriën doorloopt volledig bewust de processen van sterven. Na de inwijding teruggekeerd
161
tot het uiterlijke leven wordt hij een Dvija genoemd, een tweemaal geborene.
Brahmacharya. Zie 08.11.
‘Strengheid’. Het woord ‘boetedoening” wordt in vertalingen ook veel gebruikt, en staat voor ‘ascese’.
17. Commentaar. Geweldloosheid, waarheid, vergiffenis, vriendelijkheid, de controle van het gemoed en de zinnen worden door de wijze als ascese beschouwd (MB 12.79.18). Er kan geen zuiverheid van woorden en daden zijn, zonder zuiverheid in gedachten.
(Dr Ramananda Prasad)
25. Moksha. “Het woord Moksha betekent, evenals het woord Mukti, vrijheid, bevrijding, verlossing van de banden van het materiële bestaan in deze wereld, met andere woorden: Nirvâna. De wortels van deze woorden: much en moksh betekenen beide ‘bevrijden’, of ‘verlossen’. Deze bevrijding is evenwel relatief, want zodra een wezen het hoogtepunt van een bepaalde bestaantoestand bereikt, opent zich voor hem een nog hogere reeks van werelden (planeten) om te beheersen, enzovoort, tot in het oneindige. Iemand die zijn onderscheidingsvermogen en spirituele aspecten volledig tot werkzaamheid heeft gebracht en daardoor bevrijd is van de banden van illusie en begeerte, kan beschouwd worden als iemand die Moksha of Mukti heeft bereikt. Een monade of verlicht menselijk wezen dat tijdens het leven op aarde bevrijd is van onwetendheid en de daarmee gepaard gaande beperkingen, wordt een Jîvanmukta genoemd. De Mahâtman’s en hoge ingewijden worden vaak Jîvanmukta’s genoemd. Dit woord is een samenstelling van jîvan, ‘levend’ en mukta, ‘bevrijd’, dus ‘een die tijdens het leven bevrijd is’.”
(Judith Tyberg: Sanskrit Keys to the Wisdom Religion)
HOOFDSTUK 18
1. Mahâvâho.’Machtige van Wapenen’.
Hrishîkesa. Zie 11.36
Kesinisûdana. ‘Overwinnaar van Kesin’. Kesin is één van de Daitya’s (titanen) die in de vorm van een paard Krsna in zijn jeugd aanviel. Zie 10.30.
Commentaar. Arjuna wil klaarheid verkrijgen aangaande twee duidelijke onderscheidbare onderwerpen van de Bhagavad Gîtâ, namelijk verzaking (tyaga) en de respectievelijke zelfverzaking (sannyasa). Daarom vraagt hij wat deze twee begrippen inhouden. Over het algemeen aanvaardt men de visie van Sankara, dat tyaga, het opgeven van dingen, het nalaten van handelingen, geschikt is voor karma-yogis, terwijl voor jnana-yogis de volledige zelfverzaking (sannyasa) geboden is. Sannyasa: levensorde.
162
2. Commentaar. De Bhagavad Gîtâ onderstreept telkens weer dat activiteit omwille van het resultaat totaal verkeerd is, en mag gewoon niet. Enkel ongehechte activiteiten verheffen ons tot geestelijke ontwikkeling, en dit zal later in het hoofdstuk duidelijk worden. Er staan in de Vedische literatuur veel aanwijzingen aangaande het brengen van offers, te beginnen met zichzelf, en voor verschillende andere doeleinden. Men kan offers brengen om iets te bekomen, maar deze voor de loutering van het hart of voor geestelijke en innerlijke ontwikkeling hebben voorgang en is prijswaardig.
Sannyâsa en Tyâga. Hier wordt een zelfde onderscheid gemaakt als in het Mahâyâna Boeddhisme tussen Pratyeka-pad en het pad van Mededogen, respectievelijk leidende tot een Pratyeka-Boeddha en een Boeddha van Mededogen. Het onderscheid is subtiel en voor Westerlingen moeilijk te begrijpen en heeft zelfs onder bestudeerders van de Esoterische Wijsbegeerte tot diepgaande discussies geleid. De moeilijkheid komt duidelijk tot uitdrukking in de vertalingen van S. Radhakrishnan en G. De Purucker, die beiden voor Sannyâsa het woord ‘renunciation” (verzaking) gebruiken, maar voor Tyâga respectievelijk ‘relinguishment’ en ‘abandonment’. William Quan Judge omschrijft Tyâga als ‘volslagen onverschilligheid voor het resultaat’, hetgeen het dichtst de betekenis van ‘abandonment’ benadert, waarbij Webster o.a. aantekent: “volledige onverschilligheid ten opzichte van hetgeen er gebeurt met dat, wat opgegeven is”. De sleutel tot het vraagstuk kan echter gevonden worden in de betekenis van het woord Pratyeka dat is samengesteld uit prati, ‘voor’, en eka, ‘een’. Het woord betekent derhalve ‘slechts voor één’. Degene die naar bevrijding – Nirvâna, Moksha of Mukti – streeft met het doel deze slechts voor zichzelf te bereiken zonder zich te bekommeren om de in slavernij en duisternis verkerende mede-pelgrims op het evolutionaire pad, wordt een Pratyeka genoemd. Hij die naar bevrijding streeft met het doel daardoor beter in staat te zijn anderen de weg naar bevrijding te wijzen, gaat het pad van Mededogen, hoewel daaraan toch nog een doelstelling verbonden is. De sleutel tot het vraagstuk ligt in de verzen 5. 6, en 9 van dit hoofdstuk. Het verrichten van handelingen omdat ze gedaan moeten worden, zonder acht te slaan op het resultaat en vrij van eigenbelang, betekend hetgeen in het Mahâyâna Boeddhisme het beoefenen van Mededogen omwille van het Mededogen zelf wordt genoemd. Het is door ‘het verzaken van Moksha’ dat de werkelijke Moksha wordt bereikt.
Arjuna wilt klaarheid verkrijgen aangaande twee duidelijke onderscheidbare onderwerpen van de Bhagavad Gîtâ, namelijk verzaking (tyaga) en de respectievelijke zelfverzaking (sannyasa). Daarom vraagt hij wat deze twee begrippen inhouden. Over het algemeen aanvaardt men
163
de visie van Sankara, dat tyaga, het opgeven van dingen, het nalaten van handelingen, geschikt is voor karma-yogis, terwijl voor jnana-yogis de volledige zelfverzaking (sannyasa) geboden is.
4. Bharatasattama. ‘Beste der Bharata’s’.
13-16. Commentaar. De zin van deze verzen is niet het geven van een analyse van activiteit. In het licht van het gekozen uitgangspunt, dat alles bezield is – dat TAT, leven-bewustzijn, aan alle dingen ten grondslag ligt – betekent het dat alle handelingen slechts door de samenwerking van bewuste wezens mogelijk is. Zie vers 20.
Buddhi: kennisneming, rede, inzicht.
17. ‘Ik-gerichtheid’. Egoïsme en egocentriciteit.
Volkeren. Bedoeld op het slagveld van Kurukshetra bijeenkomst. Men kan alleen in dit zuiver inzicht leven als men zich totaal aan de Verhevene Wezen heeft overgegeven. Elke daad die men vanuit zulk inzicht verricht, ook die van het doden in de strijd, is dan de Goddelijke Wil en volledig gerechtvaardigd.
18. Commentaar. De Heer Krsna volgt hier nog steeds de methode van het Vedisch analytische denken ‘sankhya’ van waaruit ook in het tweede hoofdstuk het onderscheid tussen lichaam en ziel wordt behandeld en verder in het dertiende hoofdstuk het onderscheid tussen natuur en wezen.
21. Commentaar. “De ketterij der afgescheidenheid” van het Boeddhisme. Deze ‘kennis’ leidt tot de chaos, waarvan het hedendaagse wereldbeeld de meest illustratieve openbaring is.
22. Commentaar. Beperkte doelstellingen, gericht op een fractie van het totale leven, hoe idealistisch deze op zichzelf ook mogen zijn, zijn geboren uit onwetendheid omtrent de oorzaken der dingen; houden zich slechts bezig met symptomen en lossen niets op.
33. ‘De resolutie’, en verder commentaar. Vastberadenheid of standvastigheid. Vers naar R.P. geïnterpreteerd. Zijn vertaling luidt: “The resolve by which one manipulates the functions of the mind, Prana (bioimpulses), and senses for God-realization only; that resolve is in the mode of goodness, O Arjuna.” (18.33) De vers kan ook zo worden vertaald: “O Arjuna, die standvastigheid welke onverbrekelijk is en geschraagd wordt met de yoga-beoefening verworven evenwichtigheid, en zo de geest, het leven en de werking der zinnen beteugelt, is in de geaardheid goedheid.” (18.33)
Resolutie betekent “Vastberadenheid of standvastigheid”.
35. Commentaar. Volgens de volksmond geïnterpreteerd: “En de resolutie waarmee een domoor zich niet losmaakt van slaap, angst, gelamenteer, zwaarmoedigheid en trots, O Arjuna, is in onwetendheid.” (18.35)
164
36. Commentaar. Vertaald naar R.P.: And now hear from Me, O Arjuna, about the threefold pleasure. The pleasure one enjoys from spiritual practice results in cessation of all sorrows.” (18.36)
38. Commentaar. Vertaald naar R.P.: “Sensual pleasures appear as nectar in the beginning, but become poison in the end; such pleasures are in the mode of passion.” (See also 5.22) (18.38)
41-48. Commentaar. Hier wordt duidelijk hoeveel de indeling in kasten in het huidige maatschappijbeeld – niet alleen in Indië of in Hindoestaanse gemeenschappen – is gedegenereerd. Men behoort niet tot een bepaalde ‘stand’ door geboorte of maatschappelijke positie, maar door de plichten die men heeft, geboren uit Karma en Svabhâva. En, men kan zich slechts ‘geslaagd’ noemen in zoverre men ‘de eigen’ plicht – hoe onvolmaakt ook – vervult en die van een ander aan die ander overlaat.
Verder commentaar in verband met vers 41. Men maakt niet deel uit van een bepaalde maatschappelijke rang of kaste op grond van zijn geboorte in een bepaald milieu, maar op grond van zijn wezenlijke eigenschappen. Un India noemt drie percent van de Hindoebevolking zich brahmaan, terwijl er volgens Vedische bronnen naar goddelijke ordening in normale omstandigheden niet meer dan één promille van de bevolking Brahmanen (priesters) kan zijn: op duizend mensen is er één brahmaan en zijn er negen kshatriya’s (beschermers), negentig vaisya’s (meesters) en negenhonderd sudra’s (knechten of dienaren).
51-53. Commentaar. Tot hier heeft de Verhevene Heer bij wijze van nog eens herhalen namelijk de lering van het eerste deel van de Bhagavad Gîtâ, in het kort de weg naar de geestelijke volmaaktheid en wat er op volgt, beschreven. Vanaf hier wijst Hij in het kort het onderricht door Brahman heen het peil der zelf-verwerkelijking, dat van brahma-bhuta (uitleg verder), uiteindelijk de weg naar de Verhevene Woonst, waar door geboorte en dood geen terugkeur in het materiële is. Brahma-bhuta: toestand waarin men bevrijd is van de materiële besmetting. Wie zich in deze toestand bevindt is innerlijk gelukkig en stelt zich in ongehechte dienst van de Verhevene Heer.
50-56. Commentaar. Dit geldt uiteraard voor allen, zonder onderscheid van rang, stand, geloof, nationaliteit, ras of huidskleur. Het doordringen van de mensheid van dit uitzicht is belangrijker dan wat ook.
Vers 50. De Heer Krsna beschrijft Arjuna hoe hij het hoogste niveau van volmaaktheid kan bereiken door zich gewoon aan zijn geëigende taak te houden en deze te verrichten omwille van de Verhevene Wezen. Men bereikt het Brahman-niveau door gewoon de vruchten van zijn werk te wijden aan de voldoening van de Verhevene Heer.
Vers 53. Tot hier heeft de Verhevene Heer bij wijze van nog eens herhalen namelijk de lering van het eerste deel van de Bhagavad Gîtâ, in
165
het kort de weg naar de geestelijke volmaaktheid en wat er op volgt, beschreven. Vanaf hier wijst Hij in het kort het onderricht door Brahman heen het peil der zelf-verwerkelijking, dat van brahma-bhuta (uitleg verder), uiteindelijk de weg naar de Verhevene Woonst, waar door geboorte en dood geen terugkeur in het materiële is. Brahma-bhuta: toestand waarin men bevrijd is van de materiële besmetting. Wie zich in deze toestand bevindt is innerlijk gelukkig en stelt zich in ongehechte dienst van de Verhevene Heer.
Vers 55. Door toewijding leert hij Mij in essentie kennen, wie en wat Ik ben; Mij aldus in essentie kennend, gaat hij zonder verwijl op in het koninkrijk Gods.
Vers 56. Vertaald naar R.P.: “A Karma-yogi devotee attains the eternal immutable abode by My grace ? even while doing all duties ? just by taking refuge in Me (by surrendering all action to Me with loving devotion).” (18.56)
57. Commentaar. Vertaald naar R.P.: “Sincerely offer all actions to Me, set Me as your supreme goal, and completely depend on Me. Always fix your mind on Me, and resort to Karma-yoga.” (18.57)
58. Commentaar. Deze laatste woorden, “zult ge juist ‘dat’ hulpeloos verrichten wat ge uit misleiding niet wenst te doen”, zijn geen dreigementen, maar de naakte waarheid. Weliswaar, kan een ziel die verloren gaat, en dat wilt natuurlijk zeggen die terugvalt in lagere levensvormen, uiteindelijk opnieuw de mensengedaante ontvangen, om opnieuw de kans te krijgen het Woord van de Verhevene te vernemen, maar laat door zijn ik-gerichtheid nogmaals de boodschap voorbijgaan, om opnieuw te vallen en wederom verloren gaan, en wellicht verloren blijven.
61. Commentaar. Bedoelt, het rad van de wedergeboorte, waarin de ziel, gebonden door haar eigen gehechtheden, die door de Verhevene worden opgewekt, van het ene omhulsel in het andere belandt.
63. Handel dan naar eigen keuze. Er zijn geen bindende voorschriften. De leer omtrent de te volgen wegen is gegeven, evenzo de resultaten die bij het volgen van een bepaalde weg te verwachten zijn. De leerling op het innerlijke pad dient zelf te bepalen welke weg hij kiest.
65. Commentaar. De eerste zin van dit vers, “Denk onafgebroken aan Mij” aan het einde van de tweede helft van de Gîtâ, hetgeen de kernboodschap van de Verhevene verwoordt, is identiek aan de eerste zin van het laatste vers aan het einde van de eerste helft van de Gîtâ (9.34). Het is voor de yogi’s een heel belangrijke vers, “Denk onafgebroken aan Mij en wees Mij toegewijd”. De sleutel bij uitstek.
66. Commentaar. Verzaak alle andere plichten (dan die welke uit uw eigen Svabhâva voortkomen). (Leven met een vast geloof en liefdevolle contemplatie, is de boodschap.)
166
70. Commentaar. God en Zijn Woorden zijn één en hetzelfde. De studie van de Gîtâ evenaart de aanbidding van God. Het leven in de moderne maatschappij is niets anders dan werk en houdt voor spiritualiteit geen ruimte. Swami Haribar zei: “De dagelijkse studie van de Gîtâ verzen laadt de mentale batterijen op, en voegt betekenis aan de triestige routine van het leven in deze moderne maatschappij. Voor studenten die het ernstig nemen, is de dagelijkse studie van een hoofdstuk van de Gîtâ ten sterkste aanbevolen (of gedeelte ervan, bijvoorbeeld uit de bloemlezing gevonden op pagina ) (Dr. Ramananda Prasad)
God en Zijn Woorden zijn één en hetzelfde. De studie van de Gîtâ evenaart de aanbidding van God. Het leven in de moderne maatschappij is niets anders dan werk en houdt voor spiritualiteit geen ruimte. Swami Haribar zei: “De dagelijkse studie van de Gîtâ verzen laadt de mentale batterijen op, en voegt betekenis aan de triestige routine van het leven in deze moderne maatschappij.”
71. Commentaar. Een samenvatting van de “Glorie der Gîtâ” zoals aangehaald in de schriften wordt hieronder in het kort besproken. Het lezen van de “Glorie der Gîtâ” verwekt geloof en devotie in het hart als het essentiële om de weldaden van de Gîtâ studie te oogsten.
Het einddoel der menselijke geboorte is om het gemoed en de zinnen te kunnen beheersen en dusdanig de bestemming te bereiken. Een regelmatige studie van de Gîtâ is zeker een waardevolle hulp om het edele doel te bereiken. Iemand die geregeld de Gîtâ bestudeerd wordt gelukkig, vredig, voorspoedig, en is bevrijdt van de slavernij der Karma, alhoewel nog steeds met de wereldse plichten verbonden. De zonde kleurt hen niet die de Gîtâ regelmatig bestuderen, zoals water een lotusblad niet bezoedelt. De Gîtâ is de beste woonst van de Heer Krsna. De geestelijke kracht van de Heer verblijft in iedere vers van de Gîtâ. De Bhagavad Gîtâ is het stapelhuis van geestelijke kennis. De Heer Zelf verklaarde deze verhevene wetenschap der Absolute die de essentie van alle schrifturen bevat voor de welvaart van de mensheid. De ganse Upanishads zijn de koeien; Arjuna is het kalf; Krishna is de melker; de nectar van de Gîtâ is de melk; en, de personen met gezuiverde intellecten zijn de drinkers. Men dient de andere schrifturen niet te bestuderen indien hij of zij de Gîtâ ernstig gaan verdiepen, zich op de betekenis van de verzen beschouwen, en haar leringen in het dagelijks leven in praktijk brengen.
De wereldse aangelegenheden beheerd door het eerste gebod van de Schepper – de leringen van onbaatzuchtige dienstverlening zijn zo mooi in de Gîtâ uitgelegd. De heilige kennis om eigen werk te verrichten
167
zonder daarvoor een beloning te verwachten is volgens de oorspronkelijke leer datgene die alleen tot verlossing kan leiden. De Gîtâ is zoals een boot als een middel om gemakkelijk de oceaan der transmigratie te doorkruisen, en bevrijding bereiken. Het wordt gezegd dat telkens de Gîtâ wordt gezongen, of met liefde en devotie gelezen, de Heer Zichzelf tegenwoordig maakt, om naar de toegewijden te luisteren en om Zich in hun gezelschap te verblijden. Zich naar een plaats begeven waar de Gîtâ gewoonlijk wordt gezongen of gelezen, is vergelijkbaar met een bezoek aan een bedevaartplaats. De Heer Zelf komt, bij het verlaten van het fysisch lichaam de toegewijde tegemoet om Zijn Verheven Woonst binnen te treden, daar hij of zij de kennis van de Gîtâ in beschouwing bracht. De persoon die regelmatig de Gîtâ leest, in bijzijn van anderen deze reciteert, of erna luistert en de heilige kennis van de Gîtâ beleeft, is zeker van de slavernij der Karma verlost te zullen worden en Nirvana bereiken.
Hoewel verbonden in de verwezenlijking van wereldse plichten, de persoon die trouw blijft in het bestuderen van de Gîtâ wordt vrolijk, en vrij van Karmische slavernij. Goden, wijzen en grote zielen komen in bedevaart plaatsen waar de Gîtâ is bewaard en gelezen. Moeilijkheden geraken vlug opgelost waar de Gîtâ is gereciteerd, en de Heer is tegenwoordig waar het wordt gelezen, gehoord, onderwezen en beschouwd. Door het veelvuldig lezen van de Gîtâ bekomt men zegen en bevrijding. De persoon die op het uur van sterven de leer van de Gîtâ in beschouwing brengt, wordt van zonde bevrijdt en bekomt de verlossing. De Heer Krishna komt persoonlijk een dergelijke persoon tegemoet om in Zijn Verhevene Woonst intrek te nemen – het hoogste transcendentale niveau van het bestaan.
De genade van de Gîtâ kan niet in woorden worden gebracht. Haar lering is eenvoudig, zowel als diepzinnig en diepgaand. Nieuwe en diepere betekennissen worden aan de ernstige student van de Gîtâ geopenbaard, terwijl de lering steeds voor inspiratie zorgt. De belangstelling voor ernstige studie van de Gîtâ is niet tot ieder’s bereik, maar pas voor de personen met een goede Karma. Men zou de studie van de Gîtâ heel ernstig moeten aanpakken.
De Gîtâ is het hart, de ziel, de adem, en de stemvorm van de Heer. Geen ascese, noch boete, offer, naastenliefde, bedevaart, belofte, vasten, en zelfbeheersing, evenaart de studie van de Gîtâ. Voor gewone mensen zoals wij, zelfs voor vooraanstaande wijzen en geleerden, is het moeilijk om de diepe en geheime betekenis van de Gîtâ te begrijpen. Om de Gîtâ volledig te begrijpen is zoals een vis die de peilloze oceaan wil
168
doorkruisen, of een vogel die de hemel probeert af te meten. De Gîtâ is de diepe oceaan van de kennis der Absolute, waarbij enkel de Heer een volledige kennis ervan heeft. Niemand anders dan de Heer Krishna kan het gezag van de Gîtâ eigen maken. (Dr. Ramananda Prasad)
78. Commentaar. Vertaald naar R.P.: “Wherever there will be both Krishna, the Lord of yoga, or Dharma in the form of the scriptures, and Arjuna with the weapons of duty and protection; there will be everlasting prosperity, victory, happiness, and morality. This is my conviction.” (18.78) Anders in het Nederlands vertaalt: “Overal waar Krishna, de Heer van yoga, en overal waar Arjuna, de boogschutter zich bevindt, zal er eeuwige voorspoed, overwinning, vooruitgang, vastberadenheid en rechtschapenheid zijn. Dit is mijn overtuiging.” (18.78)
De Bhagavad Gita, het kleine boek van 700 verzen ruimschoots voldoende voor het praktiseren van individuele religie en spiritualiteit.
Sastra : De Heilige Schriften in het algemeen.
VERKLARING VAN DE AFKORTINGEN
(in de Nederlandse vertaling van de Bhagavad Gîtâ)
AiU Aitareya Upanishad
AV Atharvaveda
BP Bhagavata Maha Purana
BrU Brihadaranyaka Upanishad
BS Brahma Sutra
ChU Chaandogya Upanishad
DB Devi Bhagavatam
IsU Ishavasya Upanishad
KaU Katha Upanishad
KeU Kena Upanishad
MaU Mandukya Upanishad
MB Mahabharata
MS Manu Smriti
MuU Mundaka Upanishad
NBS Narada Bhakti Sutra
PrU Prashna Upanishad
PYS Patanjali Yoga Sutra
RV Rigveda
SBS Shandilya Bhakti Sutra
ShU Shvetashvatara Upanishad
SV Samaveda
TaU Taittiriya Upanishad
169
TR Tulasi Ramayana
VP Vishnu Purana
VR Valmiki Ramayanam
YV Yajurveda, Vajasaneyi Samhita
Inhoud
Inleiding – Delen 1, 2, 3
2
Gita Dhyanam – Meditatie op de Gita
14
De Bhagavad Gita, de 18 hoofdstukken, 700 verzen
17
Epiloog – De Afscheidsrede van de Heer Krishna
95
Naschrift
97
Veertig verzen van de Gita
98
Gita Mahatmya – De Glorie van de Gita
104
Nawoord
109
De traditionele melodie van de Sanskriet verzen van de Bhagavad Gita
110
Woord- en tekstverklaring in de Gita, 18 hoofdstukken
111
Verklaring van de afkortingen
168
Inhoud
169
Uitgave Gita Satsang Gent
© 2001 - 2012 Philippe L. De Coster, B.Th.,D.D.
The American/International Gîtâ Society
(Gita Society of Belgium)

_________________________________________________________________________________________________

Variations in Indonesian Mahabharata 
 
by Indrajit Bandyopadhyay
 
Ramayana and Mahabharata reached Java along the trade routes by the first centuries C.E. and possibly much earlier. Naturally, some of the Mahabharata narratives in Indonesia may be older than the Indian Mahabharata in its present corpus, which was still evolving as late as 4th Century A.D. There is thus, no way turning away from the Indonesian version, some parts of which may even be closer to Vyasa's 'original'. It is better to admit at the outset that though we propose here to discus some major Indonesian variations, the term 'variation' is entirely relative in so far as it may well be the other way round.
Our main sources of the Indonesian version are the old Javanese Literatures and renderings, folk culture and Wayang puppet show. Most scholars now agree that Wayang made its entry in Javanese culture at the latest during the rule of King Sri Maha Panggung (Raden Jaka Pakukuhan), in the 4th century. Furthermore it was developed by Airlangga, one of the great kings in East Java in the 11th century. Wayang Kulit was declared by the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization "a masterpiece of the oral and intangible of humanity" in Paris on Nov.7, 2003.

Wayang Kulit means "shadow from leather". Wayang is a Javanese word meaning "shadow" or "ghost", kulit means "leather". It is a theatrical performance of living actors (Wayang orang), three dimensional puppets (Wayang golek) or shadow images projected before a backlit screen (Wayang kulit). The Wayang kulit uses two-dimensional puppets chiseled by hand of buffalo or goat parchment; like paper dolls, but with arms that swivel. The story teller and puppet master is called Dalang. He plays different characters with its different voice, with the accompaniment of Gamelan, Javanese traditional orchestra, as the background music. These shadow puppet plays (there are well over 200 different plays) contain the elements of the great Indian epics but have been made uniquely Javanese.
Bil Baird, in his book 'The Art of the Puppet ' says, 'Perhaps the most interesting of the south-Indian puppet types … were the Tholubomalatta -- the articulated, leather, shadow puppets -- which are the probable ancestors of Indonesia's Wayang.' Victor H. Mair gives a concise run-down of the literary evidence for ancient Indian shadow theatre: 'It is likely that the shadow play existed already in the first century B.C……there is a reference to rupparupakam in the Pali Therigatha ("Hymns of the Elder Nuns"). This may be compared to a reference to rupopajivana in the twelfth book of the Mahabharata (12.194, II. 5-6)…….the tolubommalata ("the play of leather dolls") of Andhra Pradesh, the tolubommalata ("the play of leather dolls") of Tamil Nadu, the togalugombai atta ("the play of leather dolls") of Karnataka, and the tholupava kootu ("the play of leather dolls") of Kerala…….In Indonesia, whereto Hindu culture spread around AD 100, we have the Wayang theatre. One form of Wayang theatre serves to demonstrate the possible origin of puppetry from picture explanations. Considered the oldest form of Wayang, this is the Wayang beber, a picture narration form. Its history is interesting and revealing for the demonstration of the origins of shadow theatre.'
The Mahabharata narratives as found in present Wayang consist of folk-narratives developed by Wayang puppet-masters and bards over the ages, as also the narratives of Old Javanese Literature, which perhaps itself owes much to Folk-narratives. Kakawin Bharatayuddha is an Old Javanese poetical rendering of some Parvas of the Mahabharata by Mpu Sedah and his brother Mpu Panuluh in Indian meters (kavya or Kakawin). The commencement of this work was exactly November 6, 1157. It is by far the oldest extant Javanese work. Some important Kakawins relevant to our present discussion are – Kakawin Arjunawiwaha, by Mpu Kanwa, - 1030, Kakawin Krsnayana, Kakawin Bharatayuddha, by Mpu Sedah and Mpu Panuluh, 1157, Kakawin Hariwangsa Kakawin Gatotkacasraya, Kakawin Arjunawijaya, by Mpu Tantular, and Kakawin Parthayajña.
With reference to Old Javanese literature and particularly Wayang puppet show, let us now see what major variations we find in the Indonesian narrative from its Indian origin. Let us also see the similarities of some Indian variations with the Indonesian narrative. 

Shantanu-Satyavati-Prashara-Vyasa
In the wayang kulit/leather-puppet performance Prabu Matsyapati or Durgandana, is the King of Wiroto(Virata). He is the son of Basukiswara, a just and powerful king of Cedhiwiyasa. Virataraja Matsya is Satyabati's brother. Satyabati or Durgandini makes love to Bambang Palasara (Rishi Parashara) in a boat and produces five children.
Among them one daughter Rekatawati later on marries her own uncle Prabu Matsyapati. The other four brothers live and serve in the palace of Wirata. Palasara and Durgandini or Satyawati come to stay in the palace, learn the art of love (kamashashtra) and Satyawati gives birth to Kresna Dwipayana. Their new palace and country/island is named Astina. Palasara changes his name to Prabu/King Dipakeswara. They live together happily for several years. Thus in the Indonesian version Satyavati and Parashara is a happily married couple, whereas in the Indian version it is just a 'one-day' affair. Here Satyabati is a member of the royal palace, whereas in the Indian version she is brought up by a fisherman. The Indian Jain version of the Mahabharata also supports that Vyasa is a legitimate child.
Durgandana or King Matswapati accepts his brother-in-law Palasara as his Guru. When Palasara's father, the hermit of Satasrengga or Sapta Arga, Begawan Sakri(Vashishtha's son Shakti) passes away, he has to return to Satasrengga respecting the last wish of his father. He has also been told by Narada that Satyawati should marry Sentanu. Despite intense inner conflict, he finally leaves the life of palace. Kresna Dwipayana follows him to Setasrengga and becomes his student. This has a parallel in the Keralian Cherusseri Bharatham or Bharatagatha. After Vyasa's birth, Parasara instructs Satyavati that she will become the King's wife and not to accept anything from the King till he gives her the land.
Vyasa is thus related to this land of Matsya through his mother, and Shantanu-Satyabati love-affair and marriage becomes a 'celestial script' written by Narada! This Indonesian version perhaps provides an explaination to the Indian story why the Pandavas chose Virata on Dhaumya's advice for their incognito one-year exile. In the Indian Mahabharata Dhaumya is a Vyaghrapadi Brahmin, which is one sect of Vashishtha i.e. Vyasa's Gotra. Again Yudhishthira identifies himself as a Vyaghrapadi before king Virata.
The Indonesian version makes Kresna Dwaipayana the actual King of Hastinapura after the death of Bhisma's brothers. He rules the country wisely. The life in his kingdom is just and prosperous. Later he steps down as king and carries on a life as a hermit. He changes his name to Begaban Abiyoso(Vyasa). There is no niyoga here; Vyasa actually marries the Princesses of Kasi Kingdom, Ambika and Ambalika, after the death of his half-brothers.
Bhishma
King Sentanu (Shantanu) and the queen of Hastinapura Satyawati or Durgandini sends Bhisma to join the contest in Kasi to win the three princesses Amba, Ambika and Ambalika for his two younger brothers, Citragada and Citrasena (Chitrangada and Bichitrabirya). Shantanu is alive when Bhisma goes to the Swamvara. In the Indian version Shantanu and Chitrangada are already dead.
Amba falls in love with Bhisma and wants to marry him. Bhisma tries hard to convince her of the impossibility of the union. He asks Amba to marry with her lover, Salwa, the King of Soba Kingdom. But she has already admitted Bhisma as her husband. Bhisma desperately tries to scare her with his arrow. Amba says she would rather die than live in shame. Unintentionally the arrow gets shot, and Amba is killed. Amba's spirit curses Bhisma that in Baratayuda she would pick-up his soul through a lady-warrior expert in archery. Bhisma deeply regrets the accident because he has also started loving Amba. After his death in Baratayuda, his soul and Amba's, live together happily in eternal life in heaven. There is no Bhisma-Parashuram duel here or Amba's reincarnation. Bhisma is more humane here with a vibrating heart beneath his ascetic mask. In the Keralian Cherusseri Bharatham too Amba wants to marry Bhisma and approaches Vyasa to advise Bhisma to marry her. 

Gandhari

Gendari (Gandhari) plants hatred in the mind of her sons against Pendawa(Pandavas) because her love to Pandu is rejected. That is why the Korawa(Kauravas) always hate the Pendawa since their childhood. The portrayal of Gandhari as an evil character has its parallel in the Keralian oral epic Mavaratam Pattu. Kantakari (Gandhari) wishes to see the children of Kuncutevi (Kunti) dead. She tries to kill them. In the seventh month of Kuncutevi's pregnancy, Kantakari tries to poison Kuncutevi. Once, seeing blood coming out through the drain of a room where the Pandavas are sleeping, Kantakari, assuming that the Pandavas are killed, rejoices and bathes in the blood. She is depicted as a blood-thirsty woman.
Pandu-Kunti
King Pandu appoints Sangkuni (Shakuni) as his chief minister, after Gandamana quits. In the Indian version Shakuni gains prominence only after Dhritarashtra ascends throne.
Sursena's cousin Sang Kuntiboja raises Kunti and 'ratu pedanda siwa budha' (high priest) performs 'upacara meningkat dewasa', her puberty ceremony. This is indeed a very fine example of Indonesianization of Mahabharata. In Indonesia it is an ancient practice that a girl's first menses is celebrated and then the rite of tooth filling follows for girls and boys. This ceremony must be carried out before marriage; often it is incorporated into the marriage ceremony. The canine teeth, which the Balinese regard as animalistic fangs, are filed flat. This represents the moving out of the more extreme aspects of one's personality as one enters adulthood. After the tooth-filling a father's duties to his female children are generally regarded as being completed.
The Indonesian version tallies with the Indian in that Kunti menstruates when Durvasa/Brahmana stays as a guest in Kuntibhoja's house. Here is something new that Kunti is 'Ratu Begawan Duwasena's' (Durvasa) disciple. The rest of the story is similar. Here is also a very clear hint what Durvasa might have done to her. Kunti is said to have 'felt wrong and not ready to be a mother'. (My article 'Karna's Father Found')

The Indonesian Surya myth goes as follows. One night, attracted by Kunti's mantra, Betara Surya(Sun-God) arrives. The young Kunti is trapped by god Surya and becomes pregnant. His father is very angry. Thus, here Kuntibhoja knows Kunti's childbirth. Betara Surya admits his responsibility. The Indian Surya slipped away! With Surya's magical strength, Kunti delivers a son through her ear and remains a virgin. As the son is born through ear, his name is Karna, or Suryaputra or Suryaatmaja. In Javanese traditional teachings, ears are the gate of amorous desire. Karna's birth through Kunti's ear has a parallel in the Indian variation of Bheel Mahabharata found among the Dungari Bheels of Gujarat. The Keralian Cherusseri Bharatham too has the same myth of Karna's birth through Kunti's ear. 
According to one version of Wayang, Sang Prabhu Pandu is alive when his sons become disciples of Risi Krepa and Rsi Drona. The Indian version has Pandu long been dead.
Here Puntadewo (Yudistira), Bratasena (Bima) and Permadi (Arjuna) all three are Pandu's biological sons. The Gods are the Pandavas' spiritual fathers.
Vidura

Widura (Vidura) marries Padmarini, the daughter of King Dipakendra of Pangombakan. He gets a son, Sanjaya and two daughters, Padmasari and Padmawati. Here, Sanjaya is Vidura's son. Vidura is also the father-in-law of Nakula and Sahadeva! The Indonesian version thus offers an explanation of Vidura's partiality for the Pandavas, and leaves no room to speculate that Vidura fathered Yudhishthira. 

Yatugriha

In the Indonesian version Yatugriha-parva is a bit different. The lac house is set at Balai Sigala-gala, a retreat palace of Bharata family. The conspiring Kauravas are present with the Pandavas. It is Narada who comes and reveals to the Pandavas about the conspiracy. When the fire begins to burn the palace, they follow a Garangan (white squirrel) and escape through an underground tunnel. Narada vanishes. In the Indian version, Dhritarashtra sends the Pandavas to Varnabarta. Vidura realises the conspiracy and appoints a Khanaka (tunnel-digger). The presence of at least some of the Kauravas has a parallel in the Keralian Bharatam Pattu, where Karna and Shakuni surround the lac house and set fire to it. 

Yudhisthira

Kresna calls him Samiaji. His other name is Guna Talikrama. His childhood name is Puntodewa . He has a holy heirloom Jamus Kalimasada, for protection, truth and mastering the true knowledge of life (Ilmu Sejati). When he sees a terrible injustice, he becomes angry and automatically transforms (Triwikrama) into a huge white giant. 

Yudhishthira cannot reject the gambling proposal by Korawa and Sengkuni because he is seduced by forbidden Mo Limo .

Yudhishthira takes active part in cleansing the jungle of Wanamarta. This episode is known as Babat Wanamarta. He has to face a spirit-giant in a duel. The giant has an heirloom in the form of a set of earrings. He challenges Yudhishthira to wear his earrings. If he is strong enough to wear the earrings, then the spirit-giant would surrender. Yudhishthira proves to be strong to wear them and the giant accepts his defeat. He wishes to serve Yudhishthira forever, In Baratayuda, the giant does nothing when Yudhishthira fights against King Salya. 

He has two wives
1) Drupadi is his loyal wife. Pancawala is his son from Draupadi.
2) Dewi Kuntulwilaten
After the Baratayuda, he rules Hastinapura again with his new name, Prabu Kalimataya.
Bhima
Bima or Werkudara's other names are Bayu Tanaya, Dandum Wacana, Kusuma Waligita, Bondan Paksajandu and Satria Jodipati. His name as a child was Arya Bratasena. Once he becomes a king of Gilingwesi by the name of Prabu Tungguwasesa .
Besides a well known warrior, Bhima is a spiritual person in pursuit of the knowledge of truth (Ilmu Sejati). In search of Holy Water- Perwitasari, the essence of life he becomes omniscient. He becomes a fighter of truth, a Satrio Pinandito, who has mastered the knowledge of truth - Ilmu sejati,. He has a separate palace named Jodypati. To everybody, even to Dewas (gods) he speaks in Ngoko language (lower level language). Only to Dewa Ruci (a God resembling him) he speaks in Kromo Inggil language (high level language). This shows he never thinks of himself as elite, but is a very down-to-earth person. 

He has at least two wives other than Draupadi
1) Nagagini, the daughter of Sang Hyang Antaboga(Ananta Nag), a god ascetic living in the seventh layer of the earth(Sapta Pratala). She is an earth goddess. In the Keralian Mavaratam Pattu too Bhima marries a serpent girl.
2) Dewi Urang Ayu, the daughter of Sang Hyang Baruna, a powerful god living under the ocean. In Balinese mythology Devi Durga, a goddess of death and disease, is Varuna's wife. That makes Durga Bhima's mother-in-law! Whew!
As a father he is a loser, because all his powerful sons Antareja, Gatotkaca and Antasena die long before him.
1) Antareja is son of Bima with Nagagini. Educated and trained by his own grand-father, Antareja becomes invincible. He has tremendous magical power. If he licks the footprint of someone, that person would die. If he participates in the Kuru-war with his unbelievable power, the Kurus should be eliminated within a short time. He is too strong for any opponent. Furthermore there is a prediction that if he takes part in Baratayuda he should meet Baladewa. Kresna knows that his brother cannot match Antareja. Kresna secretly executes heaven's order by causing his death. Antareja licks his own footprint and dies at once. This story of killing of Ghatothkacha's son is akin to the Rajasthani and Assamese story of Barbareek's death caused by Krishna. In a Dalit telling of the Mahabharata i.e. deval stories sung in jagrans by 'untouchable' Meghwals, one such story is that of Khatu Shyamji. Krishna is responsible for Ghatotkach's son Barbareek. Barbareek's headless body is worshipped in a temple in Sikar, Rajasthan. In Telugu folk narratives too the same story of Barbareek is found.
2) Antasena, sea goddess Urang Ayu's son. He also has strong magical ability to kill his enemies by spitting over his poison. Anantasena's prowess is like a spitting cobra. He is very much concerned for the victory of Pandavas in Bharatayuddha. He is advised by his grand-father to ask to Sang Hyang Wenang, the greatest decision-maker of life, the grand-father of Batara Guru about the result of the war. When Antasena asks him what he is supposed to do, to secure Pandava's victory, Sang Hayang Wenang tells him, that he has to be a Tumbal (spiritual tool to gain something) for Pendawa. In other word, he has to sacrifice his life. Antasena has no objection to sacrifice himself. Sang Hyang Wenang stares at him sharply, using his extraordinary powerful eyes, focussing on a spot between his eyes. Astonishingly, Antasena's body becomes smaller and smaller and he vanishes. His soul returns to heaven. Thus, he cannot take part in Bharatayuddha.
3) Gatokaca, from Arimbi (Hirimba).
Bhima has also powerful grandsons
1) Danurwinda (son of Antareja) serves as a Patih (Prime Minister) under Parikesit.
2) Sasi Kirana (son of Gatotkaca and Arjuna's daughter Pergiwa) is a chief-warrior of Hastinapura under Parikesit.
There is no mention of Barbareek here or his mother Maurvi. However according to folklore of Rajasthan, Barbareek is the son of Bhim and a Nag Kanya - Ahilawati. Since Nagagini is a Naga-kanya, Ahilawati might be Nagagini, and Antareja and Barbareek might be same.

Arjuna

Arjuna's name as a boy is Permadi.

He is a religious-minded adventurer who never keeps himself confined within the Karaton(Kuru) wall. Sometimes, he lives as an ascetic, sometimes he goes to remote places to learn from a guru or sometimes he meditates alone.
Arjuna is also incarnation of Wisnu (Vishnu). In the episode of Kresna's (Krishna) marriage with Rukmini, both of them appear as Wisnu, fighting each other. It is stopped immediately by Barata Guru. The story appears in Kakawin Harivamsha. This story of Krishna-Arjuna fight has a parallel in a Bengali folk version, though over different issue. In the Tamil 'Kurkshetra Malai' too we get Krishna fighting Pandavas who are helped by Duryodhana.
Arjuna's wives and sons are many. His wives other than Draupadi are
1) Dewi Jimambang, the daughter of Begawan Wilwuk from Pringgadani (Hirimba's kingdom). She falls in love with Arjuna when the Pandavas are cleaning the jungle of Wanamarta to build a new palace. From his father-in-law, Arjuna receives a kind of perfume oil, Jayengkaton. With this perfume oil, the unseen becomes clearly visible.
2) Princes Subadra, Kresna's twin sister from the Kingdom of Mandura.
3) Srikandi(Shikhandi, Draupadi's sister). After seeing Arjuna at the time of his marriage to Subhadra, she falls in love with him. Srikandi becomes his disciple in archery. After completing her course in archery, Srikandi tells Arjuna that he could be her husband, if he could find a woman who can defeat her in an archery contest. Larasati is appointed by Arjuna. In the contest, Srikandi loses willingly and gains Arjuna. Looks like 'Dil ki baji jita jang har kar'!
4) Larasati. 'Laras' means 'to tune-up, feeling relaxed' etc., 'Ati' means 'heart.'
5) Arjuna has also several goddess wives. The most beautiful is goddess Supraba. She is also the most beautiful goddess in Khayangan (the abode of gods). He marries Supraba as a gift from Batara Guru (Indra) after defeating Nirwatakawaca (Nivatakabacha), the ogre giant King. The Arjunawiwaha dance-drama (Wayang Wong or Sendratari), Yogyakarta style, describes the marriage between Arjuna and the heavenly nymphs. 0ne day the giant king Newatakawaca from Ngimanimantaka proposes Supraba. Nivatakavacha has a goddess wife, Dewi Prabasini, with whom he has two sons: Bumiloka and Bumisangara and a daughter Mustakaweni. But it is not enough for him. Still he wants to marry Supraba . His request is turned down by the gods. But all the gods are unable to face Newatakawaca. According to the gods, only Arjuna can face him. At that time Arjuna happens to be living as an ascetic.
Batara Guru, disguised as a king, called Kilatawarna, tests Arjuna's supernatural powers. First Arjuna is tempted by beautiful nymphs from heaven, including Dewi Supraba, but he cannot be tempted. Then a wild boar (disguise of Mamangmurka, commander-in-chief of Newatakawaca) destroys the plants around Arjuna, who is in meditation. A startled Arjuna takes his bow and arrow and shoots it. To his surprise the boar is shot at the same time by Kilatawarna. The two quarrels and a violent fight ensue. Kilatnwarna is beaten and changes into Batara Guru. This episode is a clear parallel to the Kirata-Arjuna episode in the Indian version, though there is no Shiva here. Batara Guru conveys to Arjuna the real purpose of his visit, and finding that Arjuna is willing to kill Newatakawaca, Batara Guru gives him a magic arrow called Pasupati. Newatakawaca has received no answer from the gods to his proposal and is impatient and angry. When Arjuna approaches him, Newatakawaca stabs him with his weapon called limpung (a short lance). Arjuna pretends that he has been killed, and Supraba comes to tease Newatakawaca, who is delighted and bursts into hilarious laughter. Arjuna uses this opportunity to shoot the Pasupati arrow at the root of Newatakawaca's tongue, which is his vulnerable spot. Newatakawaca is killed instantly. As a reward the gods marry Arjuna to Supraba and other heavenly nymphs. Arjuna is crowned as king of heaven for seven days with plenty of wives!
6) Dresanala, the daughter of Betara Brama.
7) Wilutama, another Goddess.
8) Duryodhana's wife Banowati. Arjuna is her secret lover, and after Duryodhana's death their love affair continues. He marries her. But she is killed by Ashwathama.
9) After Banowati is killed by Aswatama, Arjuna is very sad. Then he marries Citrahoyi, the widow of Arjunapati, who resembles Banowati.
10) Naga-kanya Palupi (Ulupi).
11) A Rishi-kanya. She is daughter of Resi Sidiwaspada from the abode of Glagahwangi.
The Indian version of Mahabharata portrays Arjuna as invincible in love and war. The Indonesian version makes him lose in both matters at least once. What's more, this same story combines Ekalavya-episode, Dhristradumnya-birth-episode and Arjuna's defeat all in one! Palgunadi is the king of Paranggelang. He wants to be Drona's student, but Drona refuses, telling him he is too occupied with Pendawa-Korawa education. Palgunadi through meditation creates a statue of Drona. He makes self-training diligently, accompanied by his faithful and beautiful wife, Dewi Anggraini. Later Drona, upon seeing, Palgunadi's expertise agrees to recognize him as his student. Arjuna challenges Palgunadi to a duel but is defeated. Arjuna protests. Drona is afraid to lose his job in Hastina and by trickery he seeks Palgunadi's ring heirloom called Roning Ampal. Palgunadi, believing that he is accepted as his student, gives it to Drona. Now he is easily killed by Drona. Palgunadi's soul vows to take revenge in Baratayuda. He incarnates as Drestajumena(Dhrishtadumnya). In memory of Palgunadi, Drona gives a new name to Arjuna, Palguna. Arjuna now desires Dewi Anggraini. But she refuses his love. She remains loyal to her husband's memory and rejects Arjuna's temptation. Arjuna's falling in love with the Indonesian Ekalabya's wife, and the Indonesian Ekalabya taking rebirth as Dhrishtadumnya is indeed a gem of a variation!
Arjuna's progenies are
1) Wisanggeni from Dresanala. He is not afraid of anybody. Like Bima and Antasena, he speaks in Ngoko language. His fate is the same as Antasena's. He disappears mysteriously before Bharatayuddha. In Tamil Peruntevanar's version of 5th-6th century AD, Aravan, Arjuna's son, is sacrificed pre-war; to ensure a Pandava victory. The Tamil 'Aravan Ammanai' too sings of the sacrifice of Aravan to Kotravai (Durga). The sacrifice is celebrated in Vallalur near Coimbatore.
2) Wilugangga from Wilutama.
3) Oogko Wijaya or Abimayu (Abhimanyu) from Subhadra. His wives were - Dewi Utari (Uttara) of Wirata. Their son is Parikesit (Parikhshit). Another of his wife is Siti Sundari, Kresna's daughter. In the Eleventh-century old Javanese ' Kakawin Ghatotkacšraya', it is Goddess Durga, who comes to the aid of separated lovers, and unites Abhimanyu and Siti Sunadari. Abhimanyu marries Siti Sundari after quite an adventure, helped by Ghatothkacha. Duryodana's son Lesmana Dakumara is also madly in love with the beautiful Siti Sundari. Abhimanyu and Ghatothkacha have to defeat them, and meanwhile Abhimanyu also finds twin girls - Pregiwa and Pregiwati – who turn out to be Arjuna's daughters!
In the Tamil 'Abimannan Sundari Malai' of 6600 lines we find the same love story of Abhimanyu and Sundari, daughter of Krishna and Alarmelu Mankai. Sundari is asked for by Duryodhana for his son Lakkunan. Aravan and Ghatotkacha help Abhimanyu to win Sundari with krishna's blessing. The story has another parallel in the Telugu folk version of 'Shashirekha Parinayam', where Ghatothkacha helps Abhimanyu's marriage with Shashirekha, Balaram's daughter.
Once King Duryudana informs his entourage that Wahyu Cakraningrat, or the divine blessing of kingship, is soon to descend to earth to be bestowed on the most worthy. The king summons his son, Lesmana, and commands him to strive for the Wahyu by going on a spiritual retreat in the Krendhayana forest. Meanwhile, in preparing himself to receive the Wahyu, Abimanyu is clearing his mind by taking a journey in an unknown forest, admiring its great beauty. Semar and his three sons accompany him. In passing through dense forest, Abimanyu encounters demon soldiers, who try to expel him from the forest. Abimanyu kills Gendir Penjalin, the Cakil (a giant with two movable arms and a portruding fang) and another demon. The essence of the Wahyu, taking the form of the god Wulandrema, enters Lesmana. The disguised receptacle of the Wahyu, taking the form of a beautiful woman, Wulandremi, attempts to seduce him. Ignoring Durna's advice, Lesmana succumbs to Wulandremi's seductive temptations. Wulandrema leaves him. Arjuna and Bima arrive at the scene and are delighted to learn that Abimanyu has received the Wahyu, since this means that Abimanyu's descendants will be future kings.
4) Bambang Irawan (Iravan) from Ulupi. He marries Titisari, another daughter of Kresna. He becomes the ruler of the kingdom of Rencang Kencana and is then called Prabu Gambir Anom. Arjuna and Duryodana each wants his own son to marry Krishna's daughter, Titisari. The plot pits the houses of the Pandawas and the Kurawas against each other, with Krishna in the middle. To complicate matters further, Krishna's eldest daughter, Siti Sendari has been separated from Abhimanyu as a result of family feud. Into this already complex situation steps the evil ogre king Barandjana. He is consumed by an overwhelming passion for the same young maiden. Fearing that Krishna would laugh at him if he sues for marriage, the ogre king decides he will steal the girl and make her his bride. The resultant confusion permits Siti Sendari to manipulate events. She succeeds in winning her sister's hand for Iravan, and in the process reunites herself with her own husband, Abhimanyu. In the end, both Duryodana and the ogre king are defeated. The real heroine in this play is Siti Sundari, who uses intelligence and guile to bring about a happy ending. Iravan is killed in a duel in Bharatayuddha along with his enormous and strong enemy- a giant – Kalasrenggi.
5) Bambang Sumitra, the son of Larasati. Semar, Arjuna's loyal servant has to arrange the wedding ceremony of Sumitra, because Arjuna is negligent to his other sons. The wedding helped by gods is successful and extravagant.
6) Priyambada. His mother is a Rishi-kanya, the daughter of Resi Sidiwaspada He helps Shikhandi to recover Kalimasada, the holy heirloom of Yudistira, stolen by the daughter of Niwatakawaca, Mustakaweni. After the recovery the happy-ending is the wedding of Mustakaweni with Priyambada. That Arjuna's son marries Nivatakabacha's daughter is indeed remarkable.

7) Pregiwa and Pregiwati are his two daughters. Their mother is unknown. They are brought up by their grandfather - an old hermit named Begawan Sidikwacana. When they grow-up they ask who their father really is, and the grandfather tells them that their father is Arjuna. Then they set out in search of their father. Abhimanyu rescues them and finally they find their father. Ghatothkacha marries them with Arjuna's permission. Ghatothkacha becoming Arjuna's son-in-law is another interesting twist! 
The famous arrow Kuntawijaya(Indra's Ekaghnni of the Indian version) which could have killed Arjuna, had Karna not used it on Ghatothkacha falls into Karna's hand by mistake of Batara Guru (Indra). The heirloom Kuntawijaya is an arrow with a case, a gift from Batara Guru for Arjuna. By mistake Batara Narada gives it to Karna, who resembles Arjuna. Karna and Arjuna struggle to obtain the heirloom. Karna gets the arrow while Arjuna gets its case only. This is an explanation how the Ekaghnni falls into Karna's hand. This incident happens long before Bhima's marriage to Hirimba. 
Arjuna forgets to pray the safety of his sons to Batara Guru, and prays for the safety of Pandavas only. As a consequence, he becomes indirectly responsible for their death.
In the Indonesian version Arjuna and Karna have identical looks. Karna-Arjuna resemblance has a parallel in the Malayalam - Cherusseri Bharatham (Bharatagatha). In her swamvara Draupadi looks at Karna with desire, because she confuses Karna for Arjuna.
Kangsa (our very familiar Kamsha-mama) organizes a "cock fight" to eliminate Krishna-Balaram. Suratrimantra is his cock-fighter. He is sure, Kakrasana(Balaram) and Narayana should appear to see the fight. Then they would be killed. But in the thrilling fight the robust giant Suratrimantra is killed by Bratasena (young Bima). Kangsa is caught and assassinated by Permadi (Arjuna). This is indeed a great twist that Kansha is killed by Arjuna.