Indonesische Spiritualiteit, energie uit de kosmos

Wali Sanga

DE JAVAANSCHE GEHEIME LEER

Ter info!

Om iets op te zoeken druk je eerst

1- Ctrl + A.  Dan is alles geselecteerd

Om te zoeken druk dan

2- Ctrl + F

Type dan in het vakje je zoekopdracht en het hele boek word doorzocht naar het opgegeven woord.


De Wali Sanga is eigenlijk de beschrijving van het syncretisch proces tussen het oorspronkelijke Animisme, het Javaans Hindu Boeddhisme en het Moslim geloof.


WALI SANGA.


f



WALI SANGA.
DE JAVAANSCHE GEHEIME LEER,
SAMENGESTELD DOOR DE NEGEN WALI'S
VAN JAVA.
VERTAALD EN AANGEVULD
DOOR
7
H. A. van HIEN.
. <«-$-»>—
BANDOEN»
„FORTÜN A"
«85 1912-
I
WALI SANGA.
DE JAVAANSCHE GEHEIME LEER,
SAMENGESTELD DOOR DE NEGEN WALI'S
VAN JAVA.
VERTAALD EN AANGEVULD
DOOR
H. A. van HIEN.
1—<•-<«>•>—>
t *
BANDOENG.
„FORTÜN A"
1912.
'R.unw.
felBÜOT
L LEIDER
I N H O U D .
Dc Wali sanga Bladz. 1 •
De raensch in zijn stoffelijk lichaam „ 5
De levenskracht „ 12
De gedachtekracht. „ 16
De stille kracht v 25
De geheime macht n 30
Het vermogen van den wil n 42
Dc geheime leer n 51
De hel, het geestenverblijf en de hemel. . . „57
De dood van het stoffelijk lichaam „ 64
Het astraal lichaam .. 71
De toestand in de hel n 77
De toestand in het geestenverblijf. 88
De toestand in den hemel. . . . • „ 95
De natuurgeesten ^ 101
De wedergeboorte v 104
E R R A T A .
Bladzijde 15, regel 4 en 5 van hoven staat: de zelfde, leest
dezelfde.
„ 20, „ 15, 18, 20 en 22 van boven staat: zich
zelf, leest zichzelf.
v 22, „ 9 van onderen staat: van zelf, leest:
vanzelf.
33, „ 2 van onderen staat: is de geestelijke
raensch, leest: hij is daardoor.
40, 12 en 13 van boven staat: te zamcn de V I ' T l
elementale kernstof vormen, leest: de
elementale kernstof beheerschen.
49, „ 12 van boven staat: lijden, leest: leiden.
56, 6 „• „ „ dien, „ dre.
56, „ 19 „ „ „ even als, „ evenals-,
„ 60, „ 13 „ „ „ Naarmate van, leekt:'
Naarmate.
DE WALI SANGA.
liet is bekend, dat tijdens de Hindoes op Java het ge-
oei den, de kunsten en wetenschappen op een hooge
trap van beschaving stonden. Dit blijkt uit de vele door
Hindoe-Javanen nagelaten geschriften in oud-Javaanseh of
in het Sanskriet geschreven, welke geschriften bij den
tegenwoordigen Javaan in hoog aanzien staan.
Van de vele Hindoe-Javaansche geschriften, die nog op
Jaa gevonden worden, is de ,,Wali mnya", geschreven en
samengesteld door de negen Wali's van Java, een van de
merkwaardigste.
De tegenwoordige Javanen vereeren de negen Wali's
als de eerste verkondigers van den Islam op Java en het
is ook uit verschillende geschriften gebleken, dat zij in
het jaar 1426 der Christelijke- of omstreeks het jaar 1355
van de Javaansche tijdrekening hun medewerking vrijwillig
of gedwongen verleend hebben, om den Islam op
Java te verkondigen, doch voordien waren zij, volgens
het geschrift van Kadilangoe Demak, de geestelijke leidei
s van de voor de invoering van den Islam op Java
beleden godsdiensten, priesters, die den graad van adept
hadden verkregen, zoodat zij ten zeerste op de hoogte
moeten geweest zijn, van de destijds in eiken godsdienst
druk beoefende okkulte wetenschappen.
Het geschrift .. Walt aanga" werd volgens Kadilangoe
door de negen Wa/i s geschreven en samengesteld, eenigen
tijd na de invoering van den Islam op Java en het
doel daarmede beoogd was, de Magische geschriften
en de geheime leer van de voor de invoering van den
Islam op Java beleden godsdiensten vóór hun dood
te verzamelen en te boek te stellen, daar zij begrepen,
dat zij na hun dood door Mohammedaansehe priesters
zouden worden opgevolgd.
De negen 11 alt's kwamen voor de samenstelling van
hun boek dikwijls in het geheim bijeen op een berg, gele-
1
— 2
gen nabij Djapara, niet met hun stoffelijk- doch met hun
geestelijk lichaam terwijl gedurende hun afwezigheid hun
stoffelijk lichaam in een toestand van schijndood in hun
woning lag. Ook de langgar, waar zij vergaderden, was
een geestelijk gebouw en bestond alleen gedurende hun
vergadering.
Omtrent adepten van vroegeren tijd wordt nog het
volgende gezegd:
Adepten zijn geleerden, gewoonlijk priesters van de
hoogste kaste, bij wie het stoffelijke en onstoffelijke is
vermengd en die deel hebben aan de natuur der menschelijke
schepsels en aan die der geesten. Om dezen
toestand te bereiken, is niet alleen een zeer braaf leven
in afzondering noodig, zoodat het geschikt zijn voor de
hemelgebieden reeds als mensch bereikt wordt, maar
ook een geheime verrichting, welke slechts aan zeer
weinigen bekend is. Het in staat zijn, om een dergelijke
verrichting te doen, wordt alleen verkregen door een
strenge beoefening der ) oryrt-kracht, waardoor de macht
wordt verkregen, het ademhalen willekeurig te kunnen
nalaten en het lichaam zonder voedsel geruimen tijd in
een toestand van stilstand van leven en bewustzijn te
houden, waardoor de geest in staat is, het lichaam een
geruimen tijd te verlaten; dus een willekeurige
tijdelijke dood en gedurende welken tijd de geest
dan in staat is, onderzoekingen op het astraal gebied of
in de natuur te doen. Het zija deze adepten, die ons in
staat hebben gesteld, van het okkultisme en van de
natuur meer te weten, dan waartoe de mensch vóór zijn
dood anders in staat zou zijn. De lichamen der adepten
gaan na hun tijdelijken dood niet tot ontbinding over en
blijven in een toestand van schijndood. Zulke schijndooden
kunnen door wassching met lauw water, vooral van het
hoofd, weder tot bewustzijn gebracht worden, indien zij
dit door het geven van een afgesproken teeken wensehen.
Indien dit niet gebeurt, kunnen zij vele jaren in een
toestand van schijndood blijven.
— 3 —
Een dagblad vermeldde, dat in Engelsch-Indië, waar
nog adepten gevonden worden, door besturende ambtenaren
en ook door officieren herhaaldelijk proeven werden
genomen, om dergelijke heiligen gedurende veertig dagen
in een toestand van schijndood, waarbij door doctoren
verklaard werd, dat de levensgeesten opgehouden hadden
'te bestaan, in een gemetselden en goed gesloten grafkelder
en in een kist, van geheime sloten voorzien, te sluiten, zoodat
bedrog geheel was uitgesloten. Na veertig dagen werden
deze adepten, door wassching met lauw water, weder tot
bewustzijn geroepen. Tot bewijs dat deze adepten gedurende
dien tijd alles gezien hadden, wat er gebeurde,
verhaalden zij onmiddellijk nadat zij tot bewustzijn waren
gebracht, van dag tot dag hetgeen de besturende ambtenaren
of officieren zelfs in eigen woning of eigen kamer
gedaan hadden. Indien dergelijke bewijzen van liet bestaan
van een geest en een ziel gegeven worden, mag
men, hetgeen deze adepten verkondigen van het leven
hiernamaals, als vaststaande aannemen.
Ik was vroeger in de gelegenheid een afschrift van de
vWaü sangau te koopen, afkomstig van de kraton Koedoes.
De daarin vermelde Magische geschriften, heb ik
reeds vermeld in liet 2e, 3e, 4e en 5e deel van „De .Java
uische Geestenwereld", onder de benamingen van
Paicoekon's, Ngelmoe'x. Tengerarix en I'rimbons als behoorende
bij de beschrijving van de vier godsdiensten,
die op Java beleden worden, in liet le deel.
De geheime leer betreffende den mensch in zijn stoffelijk
lichaam en als geest en het leven hiernamaals eveneens
voorkomende in de ., IIV/// &tanga" wordt in dit boekje
vermeld. De in deze geheime leer voorkomende hoofdstukken
over de stille kracht, de geheime macht en het
vermogen van den wil bestonden in liet oorspronkelijk geschrift
grootendeels uit formulieren, geschreven behalve
in oud-Javaanscli ook in het Sanskriet, in liet Arabisch
en in een taal, die slechts uit klanken bestaat. Blijkbaar
zijn deze onderwerpen beschreven opeen wijze, die alleen
— 4 —
begrepen kan worden door hen, die op de hoogte zijn van
dergelijke Magische geschriften, daarom zou een gewone
vertaling van deze formulieren—indien dit mogelijk wasvoor
den lezer geen waarde hebben, of voor hem noodlottig
kunnen zijn. Ik heb daarom ter vervanging van
deze hoofdstukken, een studie in andere werken moeten
maken van de daarin handelende onderwerpen; ik heb'
echter bij de samenstelling van deze hoofdstukken rekening
gehouden, met de bedoeling in de verstaanbare formulieren
uitgedrukt. De overige hoofdstukken zijn vrij
vertaald, daar een woordelijke vertaling niet begrepen
zou worden. Ook heb ik de oorspronkelijke tekst hier en
daar moeten verduidelijken en aanvullen, daar adepten
vroeger geheime onderwerpen vermelden in een zoodanig
verkorte zin, aangevuld met Sanskrietwoorden, wier beteekenis
soms verschillend kan worden opgevat, dat een
dergelijke zin alleen voor ingeweiden begrijpelijk is.
DE MENSCH IN ZIJN STOFFELIJK
LICHAAM.
De mensch wordt bij zijn geboorte omkleed met een stoffelijk
lichaam, dat dient tot zijn beveiliging en zonder
welke omkleeding hij niet zou kunnen verblijven in liet
stoffelijk gebied. Deze omkleeding heeft plaats door de wet
van de Kshetrajna, dat is de kracht die de belichaming
van den geest tot stand brengt. Het is dus zijn geest, die
den stoffelijken mensch doet leven en hij zou zonder dezen
geest gelijk zijn aan een levenloos voorwerp. De geestelijke
mensch moet dus toebereid zijn met krachten, machten
en vermogens, met welke hij zijn stoffelijk omhulsel doet
leven, bewaart en onderhoudt. Deze krachten, machten
en vermogens zijn:
De geest Ativa, (of Atmari) is het goddelijke, hoogste
beginsel en het scheppend vermogen in den mensch; de
voortbrenger, de onderhouder, de verdediger, de beschermer
van en de verbeeldingskracht in den mensch. Hij
werd oorspronkelijk geschapen uit het denkvermogen
van God m't zijn tweelinggee&t — mannelijk en vrouwelijk
Tot voertuig van den geest dient hem de geestelijke ziel
of Boeddhi, ook het geestelijk lichaam genoemd. Dit geestelijk
lichaam i.s evenwel zonder lusten of hartstochten. Bij
zijn komst in het stoffelijk gebied, krijgt de geestelijk ziel
een omhulsel, welke Karna (of Karna roepa) wordt genoemd,
dat is de mensclielijke (of dierlijke) ziel, het astraal
lichaam, dat hij ook in het astraal gebied, behoudt, doch
bij het overgaan naai' de hemelgebieden weder aflegt en
een schim wordt, die later zich oplost.
Het astraal lichaam is behept met hartstochten, lusten
en begeerten, uit welke het karakter wordt gevormd en
de kracht wordt geput om te handelen; zelfs de krachten,
die de mensch noodig heeft, om groot te worden, zoowel
in physieken als in moreelen zin, put hij uit de hartstochten,
— 6 —
lusten en begeerten dezer dierlijke ziel. De dierlijke ziel
is dus een noodzakelijk kwaad voor den mensch, die hem
kracht geeft om te worstelen en te vechten met beproevingen
van het aardsche leven en na zijn dood en voordat
hij de hemelgebieden bereikt heeft, met de vijandelijke
machten van het astraal gebied. Door den strijd die
de dierlijke ziel voert, wordt de mensch gelouterd en
ontwikkelen, zich zijn moreele, intellectueele en physieke
eigenschappen.
Indien de lagere neigingen van de dierlijke ziel te sterk
ontwikkeld worden, is liet de geestelijke ziel, die den
mensch daartegen waarschuwt. De geestelijke ziel ontwikkelt
liet goede in den mensch. Zij is zijn goede genius, de
waarschuwende stem of het geweten in den mensch. De
kracht daartoe is het verstand en de rede, het Mavas.
De geestelijke ziel is begaafd met het hoogere Manax
en de dierlijke ziel met het lagere Manas, zoodat beiden,
hoewel één, toch twee afzonderlijke krachten vormen en
afzonderlijke neigingen hebben.
Zoodra de geest begiftigd wordt met een dierlijke ziel,
wordt de begeerte geboren naar gevoelend bestaan en
volgt daarop de geboorte van het grof stoffelijk lichaam.
Vóór de geboorte van dit lichaam, ontwikkelt zich het
Linga Sharira. dat is het etherisch dubbel of het omhulsel
van het stoffelijk lichaam, dat na den dood de schil wordt
en zich langzaam oplost. Het is het voertuig van Prana,
de levensadem of de kracht, die den mensch doet leven
en het is als het ware het verbindingsmiddel of de brug
tussclien die levenskracht en liet grof stoffelijk lichaam.
Het etherisch dubbel is grooter dan het stoffelijk lichaam,
omdat het de buitenste bedekking daarvan is en het is
het middel, waardoor de dierlijke ziel uit het astraal gebied
de fijnere levenselementen haalde, waaruit het stoffelijk
lichaam bestaat. Het etherisch dubbel is als een
sponsachtige bedekking van alle organen van het lichaam;
het doordringt alle deelen en trekt het stoffelijk magnetisme
uit de atmosfeer tot zich en slorpt dat ten bc_
7 —
hoeve van liet lichaam evenals een spons op. Terwijl het
deze functie verricht, is het tevens onderhevig aan de
aantrekkingskracht er op uitgeoefend door het astraal magnetisme
van de ziel, dat sterker en fijner is dan het stoffelijk
magnetisme/liet astraal lichaam of de dierlijke ziel onderhoudt
en dit in staat stelt zijn funetiën te verrichten.
Door die eigenschap van opslorping, zuigt het etherisch
dubbel van een oudere het stoffelijk magnetisme op van
een jongere, indien zij met elkaar in aanraking komen
en de oudere daaraan behoefte heeft. Indien echter een
zwakkere in aanraking komt met een sterkere, zal de
laatsgenoemde steeds zijn stoffelijk magnetisme op den zwakkere
overdragen.
De funetiën van het etherisch dubbel voor het opslorpen
van het stoffelijk magnetisme worden minder met
den ouderdom. Gewaarschuwd dient te worden, om
alsdan door den bijslaap het stoffelijk magnetisme van een
jongere tot zich te nemen. Het evenwicht tusschen het
astraal- en het stoffelijk magnetisme zal daardoor wel
hersteld worden, doch deze herstelling kan soms ten
nadeele zijn voor den versterkte, indien hij sterft, voordat
het opgenomen stoffelijk magnetisme verbruikt is. Het
etherisch dubbel, dat als schil den eersten dag na het
overlijden uit het lijk treedt en op deze wijze overmatig
stoffelijk magnetisme heeft opgenomen, zal dan na zijn uittreden,
den geestendraad of Soeratma verbreken, voordat
zij haar funetiën heeft verricht, zeer ten nadeele van het
astraal lichaam van den overledene, indien dit daaraan
nog behoefte heeft, doch ten voordeele van den geest, die
door het breken van den geestendraad van de schil verlost
wordt, welke verbreking gewoonlijk eerst den derden
dag na het overlijden en bij plotseling overlijden eerst
jaren later plaats heeft. Do schil, die op deze wijze
verlost is, voordat zij zich heeft kunnen oplossen, zal ronddolen
en zeer gemakkelijk bezield kunnen worden door
een gedachtevorm, waardoor zij een zelfstandig bestaan
krijgt. Zij begeeft zich dan gewoonlijk naar het huis,
_ 8 —
waar de overledene geleefd heeft en zal dan trachten
evenals een vampier haar tijdelijk bestaan te verlengen,
door het stoffelijk magnetisme der huisgenooten tot zich te
trekken.
Een dergelijke opslorping van het stoffelijk magnetisme is
niet zonder gevaar voor den benadeelde en kan een ernstige
ziekte zelfs den dood ten gevolge hebben. Men vermijde daarom
jongeren bij ouden te doen slapen. Alleen bij ziektegevallen,
wanneer de zieke zwak en gedwongen is in bed
te blijven, waardoor het etherisch dubbel niet in staat is,
zijn funetiën naar beliooren te verrichten, daar die het
beste in open lucht verricht worden, kan hot opslorpen van
het stoffelijk magnetisme van een gezonde jongere, veel ertoe
bijdragen, den zieke te sterken. Men zij echter voorzichtig,
om den jongere niet te lang bloot te stellen, aan
verlies van zijn stoffelijk magnetisme, daar het gebeuren
kan, dat het stoffelijk magnetisme van den jongere sneller
uit zijn lichaam wordt gezogen, dan hij liet met zijn eigen
etherisch dubbel weer in voldoende hoeveelheid kan opslorpen,
om het evenwicht in stand te houden tusschen
het astraal- en het stoffelijk magnetisme, waardoor levensgevaar
voor den jongere zou kunnen ontstaan. Ook moet
de jongere minstens 14 jaren oud zijn, daar het etherisch
dubbel van een kind nog niet krachtig genoeg ontwikkeld
is en dikwijls den bijstand der moeder behoeft.
Het gebeurt weieens. dat het etherisch dubbel van een
zware zieke aangetrokken wordt door iemand, die meer
astraal- dan stoffelijk magnetisme heeft en hem volgt.
Waar dit plaatsgrijpt, vermindert de kans op herstel van
den zieke zeer. Men zal dus voorzichtig handelen, door
dergelijke mensehen niet in de nabijheid van een zieke te
brengen. Dergelijke personen zijn even gevaarlijk voor
anderen als voor dieren, planten en gewassen. Vooral
voor kleine planten en gewassen, wier stoffelijk magnetisme
fijn ontwikkeld is, kan het zeer schadelijk zijn, door
een dergelijk persoon aangeraakt te worden. Er zijn
zelfs mensehen hij wie het astraal magnetisme zoo sterk
9 —
ontwikkeld is, dat zij dit als een pantser om zich heen
kunnen trekken, bestand tegen vuur, wapens of een in
de nabijheid afgeschoten kogel.
Sommige menschen kunnen, hoewel onbewust, hun
etherisch dubbel voor enkele oogenblikken uitwerpen
en aangezien liet etherisch dubbel bijna stoffelijk is, kan
het door gewone stervelingen gezien worden in een gedaante
volkomen gelijkende op den persoon zeil'.
Het uittreden van het etherisch dubbel kan ook geschieden
een oogenblik voor of een oogenblik na den dood.
vooral bij een plotseling sterfgeval, voorafgegaan door
een ongeluk of lievigen schok, kan het etherisch dubbel
onmiddellijk uit het lichaam treden. Indien liet voor den
dood uit het lichaam treedt, zal het volkomen de levende
gedaante van den persoon hebben en de verwondingen
van het lichaam op het etherisch dubbel zichtbaar zijn.
Treedt liet na den dood uit, dan zal het etherisch dubbel
er uitzien even als de doode. liet verschijnt alsdan aan
den persoon, soms op zeer verren afstand, aan wien de
stervende vóór zijn dood gedacht heeft.
Het etherisch dubbel is evenwel zonder het astraal Jiehaam
en het lagere Ma-nas of verstand van dit lichaam
verstandeloos en onderworpen aan iedere uitdrukking
van de gedachte van den eigenaar, welke het zal volgen.
Ook gedurende den slaap verlaat het etherisch dubbel
dikwijls het lichaam, evenwel is het dan vergezeld dooi'
het astraal lichaam. Hetgeen dit lichaam, dan ziet, vormt
een gedaclitenbeeld, dat men zich bij het ontwaken van
liet lichaam, zeer dikwijls nog herinneren kan-
De mensch kan door oefening zijn etherisch dubbel,
vergezeld van zijn astraal lichaam, bewust uitwerpen en
aangezien het etherisch dubbel bijna stoffelijk is, is hij in
staat zich elders in een zichtbare menschelijke gedaante te
vertoonen. Het stoffelijk lichaam blijft alsdan in een toestand
van schijndood achter. Het uitwerpen van het
etherisch dubbel en liet astraal lichaam is evenwel niet
zonder gevaar, daar gedurende de afwezigheid van het
— iö -
etherisch dubbel en het astraal lichaam, het stoffelijk
lichaam geheel verstoken is van liet zoo noodige stoffelijk
magnetisme, waardoor liet niet lang in staat is tot bedekking
van den geest te dienen.
Het bewust uitwerpen van den geest met zijn geestelijk
lichaam of geestelijke ziel gedekt door zijn astraal lichaam,
dat eveneens na strenge oefeningen mogelijk is, gaat met
minder gevaar gepaard, daar gedurende de afwezigheid
van den geest, het stoffelijk lichaam d >or liet etherisch
dubbel gevoed wordt. Evenwel blijft de geest met den
geestendraad aan het stoffelijk lichaam verbonden; de
minste verbreking van deze gemeenschap, kan den dood
van het stoffelijk lichaam ten gevolge hebben, waarom
men bij dergelijke uittredingen van den geest, vermijdt in
het bijzijn van het stoffelijk lichaam, dat dan in een toestand
van schijndood is, gerucht te maken of dit slechts
even aan te raken.
Gedurende den slaap van het stoffelijk lichaam is
het uittreden van den geest ook mogelijk, doch dan
vrijwillig en slechts voor korten tijd en meestal in den
nanacht tussc-hen 2 en 4 uur.
De geest is bij dergelijke uittredingen ook met den
gepstendraad aan het stoffelijk lichaam verbonden. Het
stoffelijk lichaam wordt dan gedurende dien tijd beschermd
door zijn astraal lichaam en zijn -etherisch dubbel, zoodat
dit niet in een toestand van schijndood komt. Het verbonden
blijven van den geest aan zijn stoffelijk- en astraal
lichaam is noodig, daar zonder deze verbinding het stoffelijk
lichaam zou sterven en het astraal lichaam zich onmiddellijk
met zijn geest zou vereenigen, daarom zegt men
wel eens, dat de geest gedurende zijn verblijf op de
aarde, gevangen zit binnen zijn stoffelijk lichaam.
De geestendraad mag men niet beschouwen als een
stoffelijke draad; de Soeratma is een geestelijke
kracht, die den geest aan het stoffelijk lichaam bindt en
uitgaat van de wet van de Kxhetrajva of de kracht der belichaming.
— li —
Uit liet bovengemelde blijkt, d;it de geest omkleed is
met niet minder dan vier omhulsels:
le de geestelijke ziel ot' het geestelijk lichaam;
"Je de menschelijke- of dierlijke ziel ook het astraal
lichaam genoemd;
3e het stoffelijk lichaam en
4e het daarom heen zittend etherisch omhulsel, dat
ook etherisch dubbel en fluïdisch lichaam wordt genoemd,
welke namen zijn functiën aanduiden.
Deze omhulsels worden successievelijk afgelegd en wel:
le het stoffelijk lichaam door den dood;
'Je het etherisch omhulsel na den dood van het stoffelijk
lichaam;
3e het astraal lichaam bij den tweeden dood en overgang
naar het eerste hemelgebied en
4e het geestelijk lichaam bij den overgang naar het
vijfde hemelgebied.
De geest stijgt dns telkens in veredelde stof steeds opwaarts.
totdat hij alles heeft afgelegd en de zuivere onbezoedelde
geest na het vijfde, zesde en zevende hemelgebied
doorloopen te hebben, tot God terugkeert.
DE LEVENSKRACHT.
De kracht, die het stoffelijk lichaam van den mensch
doet leven, bestaat uit drie hoofdelementen namelijk: het
1'rana of het organisme; het Saman of het stoffelijk magnetisme
en het Karma of het instinct, dat is de wet van
oorzaak en gevolg.
Het organisme werkt samen met het stoffelijk magnetisme;
zij zijn onafscheidelijk verbonden en vormen te
zamen het oorzakelijk lichaam of de verpersoonlijking.
Uit beide krachten komt voort het instinct.
Het organisme bestaat uit vier krachten, namelijk:
de ademhaling, de warmte van het lichaam, de bloedsomloop
en de spijsvertering, welke krachten in werking
worden gebracht door het stoffelijk magnetisme. Zoodra na
de geboorte het kind aan de lucht is blootgesteld, ontstaat
door de aantrekkingskracht van het stoffelijk magnetisme,
een op en neer gaande beweging van de longen en een
samentrekkende beweging van het hart, waardoor de ademhaling
ontstaat, welke de zuurstof uit de lucht in het lichaam
brengt en de doorliet voedsel ontstane koolzuur uit
het lichaam wordt gevoerd. Door het inademen van zuurstof
en het uitademen van koolzuur worden de organen van
het lichaam in werking gebracht en ontstaat daardoor
niet alleen de warmte van het lichaam, maar wordt ook
het door het voedsel gevoede bloed door de aderen gevoerd,
doet de spijsvertering haar werking en worden de
vergane resten der voedingsmiddelen en van het water
weder uit het lichaam gedreven.
Terwijl het etherisch dubbel het stoffelijk magnetisme!
in het lichaam brengt, is het tevens onderhevig aan de
aantrekkingskracht, er op uitgeoefend door het astraal
magnetisme van de ziel, dat de verbinding vormt tussclien
lichaam en geest. De gezamenlijke werking van deze
krachten doet niet alleen het bloed, vleesch, vet, enz.
— 13 —
ontstaan maar vormt ook een krachtig' levensfluïde, dat
naar de hersenen gevoerd, het persoonlijk magnetisme
doet ontstaan en door deze kracht weder de zenuwkracht,
de spierkracht en de energie, terwijl uit de gezamenlijke
werking van de vier krachten van het organisme en de drie
krachten van het persoonlijk magnetisme zeven vermogens
voortkomen, namelijk de gedachte, het gezicht, het gehoor, de
stem, het gevoel, de reuk en de smaak. Uit deze vermogens
komt voor de handeling, die in vele onderdeelen verdeeld is.
Het organisme en het stoffelijk magnetisme werken geheel
natuurlijk en wel door natuurwetten, die den mensch
dwingen, om te eten, te drinken en te slapen en dit organisme
is noodig speciaal voor het stoffelijk lichaam.
Door oefening verkrijgt de mensch de kracht, het organisme
tijdelijk buiten werking te stellen, waardoor het
stoffelijk lichaam in een toestand van schijndood komt.
In gewone omstandigheden echter veroorzaakt slechte
werking van het organisme en van het stoffelijk magnetisme
ziekte en het geheel ophouden van de Werking
van beide krachten den dood. De werking van het
organisme in slecht, indien het etherisch dubbel onvoldoende
stoffelijk magnetisme in het lichaam brengt. Houdt
die toevoer geheel op, dan wordt het evenwicht van het
astraal- en stoffelijk magnetisme verbroken, waardoor de
ademhalende beweging der longen en de samentrekkende
beweging van het hart ophouden.
Het instinct is een onbewuste geestesverrichting, daarom
beschouwt men dit als een onzichtbare prototype buiten
den mensch, want het instinct handelt voordat het
verstand bewust is. De mensch ontwijkt b. v. een vallend
voorwerp, omdat hij eenvoudig niet anders kan. Het zien,
liooren of voelen van het gevaar is voldoende, om het
lichaam in beweging te brengen, om het gevaar te ontwijken.
Het instinct heeft dus zijn oorsprong uit het gezicht,
het gehoor en het gevoel en daar deze zintuigen voortkomen
uit het persoonlijk magnetisme, zoo is het een
geestelijke kracht.
— 14 —
De werking van het instinct is verstandeloos en onpartijdig.
Het oefent een controle uit op liet verbruik
van liet persoonlijk magnetisme en mitsdien ook over
het doen en laten van den menseh. Het is dus niet
anders dan zijn geweten, de waarschuwende stem en
in zijn werking de wet van oorzaak en gevolg.
Het verband tusschen alle krachten, machten en vermogens
van het stoffelijk lichaam is de geest. Zonder
den geest leeft het lichaam niet, want verlaat de geest
het lichaam, zoodanig dat de geestendraad breekt, dan
dooft ook het vermogen van het lichaam uit en het
vergaat. De menseh is dus een geestelijk wezen tijdelijk
bekleed met een stoffelijk lichaam, dat elk oogenblik
verslijt even als een stoffelijk kleed, doch door de gedachtekracht
en den wil telkens weder in een bruikbaren
toestand wordt gebracht, totdat het geheel versleten is
en door den geest wordt afgelegd, dat de menseh „dood"
noemt. De dood is evenwel niet anders dan de geboorte
van den geest, die dan in een ander leven overgaat,
want de geest is onvernietigbaar en behoudt steeds zijn
individualiteit, zijn stoffelijk lichaam is slechts geleend,
om tijdelijk in het stoffelijk gebied te kunnen vertoeven.
De stoffelijke menscli op zich zelf beschouwd is slechts
een werktuig. Door het oog en het zenuwstelsel is hij
verbonden met den ether en de fijnere magnetische elementen,
door het oor en de longen met de atmosfeer,
door de andere zintuigen, die allen vormen zijn van den
gevoelzin, staat hij in betrekking met vaste, vloeibare
lichamen, terwijl door de aanwezigheid van den geest in
het lichaam, de stoffelijke menseh verwant is aan de geestelijke
wereld.
Indien de geest liet stoffelijk omhulsel verlaat, wordt
daardoor geen verandering gebracht in den geestelijken
menseh, noch in zijn vorm, noch in zijn organisatie, noch
in zijn karakter, noch in zijn opgedane kunsten en wetenschappen,
want als een stoffelijk menseh zijn kleed
aflegt, wordt hij wel lichter, doch zijn lichaam ondergaat
— 15 —
geen verandering. Hij wordt niet beter of slechter. De
geestelijke menscli is in alles volkomen gelijk aan den
stoffelijken mensch, van alle stoffelijke organen van het
stoffelijk lichaam bezit hij geestelijke, die op de zelfde
wijze werken. Zijn zintuigen werken op de zelfde wijze
als vroeger, doch zijn scherper en aangenamer geworden,
zijn waarnemingsvermogen is vergroot.
De geest van liet dier behoudt na zijn dood wel zijn
individualiteit of zijn persoonlijkheid doch niet het bewustzijn
van zijn eigen ik. Het intelligente leven blijft in
latenden toestand. Evenwel is de geest van een dier in
de wet van algemeene vooruitgang begrepen en het
wordt na den dood ook voortdurend weer aan een stoffelijk
lichaam verbonden. Planten en steenen verkeeren na
hun dood in een gelijken toestand ofschoon hun astraal lichaam
minder ontwikkeld is dan die der dieren.
DE GEDACHTEKRACHT.
Zooals in het voorgaand hoofdstuk werd gemeld, kan
de handeling van den mensch in vele onderdeelen verdeeld
worden. De goede of slechte handeling van den
mensch is geheel afhankelijk van <lc ontwikkeling van zijn
persoonlijk magnetisme, dat in zijn werking niet natuuilijk
is; deze hangt af van de gemoedsgesteldheid van den
mensch. Indien deze kracht natuurlijk werkte, zouden
alle menschen even krachtig van lichaam zijn, hun eistand
gelijk ontwikkeld en voor hun handelingen evenveel
energie kunnen hebben; dat is zooals men weet niet
het geval en deze kracht is dan ook geheel afhankelijk
van de ontwikkeling van den wil en het verstand. Daar
nu de gemoedsgesteldheid weder afhankelijk is van de
gedachte, zoo is de magnetische kracht van den mensch
niet anders dan zijn gedachtekracht. Het ligt dus voor
de hand, dat de magnetische uitstraling krachtiger zal
zijn, naarmate de gedachtekracht sterker is. De mensch,
die den krachtigsten wil heeft en dien voor een zeker
doel ontwikkeld heeft, zal dat doel spoediger bereiken
dan een ander. De toestand van 's menschen lichaam
en de kracht zijner handelingen zullen dus geheel alhangen
van de hoeveelheid persoonlijk magnetisme, dat
hij kan scheppen, zoodat een persoon, die veel persoonlijk
magnetisme, kan ontwikkelen, invloed zal kunnen uitoefenen
over iemand, die weinig magnetisme kan ontwikkelen.
De gedachtekracht zou men kunnen onderscheiden in:
de stille kracht, de geheime macht en het vermogen van
den wil, welke krachten de geestelijke krachten van den
mensch worden genoemd. Alvorens deze te beschrijven,
dient vermeld te worden, de werking der gedachte in
het gewone leven van den mensch en welke macht tot
handelen, de gedachte door oefening kan ontwikkelen.
Het persoonlijk magnetisme heeft zijn middelpunt in de
hersenen. Door de werking der gedachte ontstaan tril17
lingen, welke magnetisch zijn; zij planten zich voort langs
de zenuwen door het geheele lichaam en vormen een
kracht, die den mensch ten goede of' ten kwade komt.
Daar nu de gewone gedachte een gevolg is van de gemoedsgesteldheid,
zoo is de gemoedsgesteldheid van den
mensch bij de instandhouding van zijn lichaam van het
grootste gewicht.
De gemoedsgesteldheid van den mensch kan in twee
hoofdsoorten onderscheiden worden, namelijk die hem
blijdschap en die hem verdriet veroorzaken. Indien de
mensch een gemoedsgesteldheid heeft van blijdschap, zal
zijn persoonlijk magnetisme zoo weldadig werken voor
zijn lichaam, dat op het oogenblik, dat die blijdschap gesmaakt
wordt, een zeker weldadig gevoel in tle hersenen
ontstaat, dat zich door het geheele lichaam voortplant.
Daarentegen zal een ondervinding, die verdriet veroorzaakt,
zooveel verlies van persoonlijk magnetisme of
persoonlijke kracht veroorzaken, dat een loom gevoel
door het geheele lichaam daarvan het gevolg zal zijn.
Ondervindt nu een mensch dikwijls verdriet, dan zal zijn persoonlijke
kracht zoodanig verminderen, dat hij zal verzwakken
en ziek worden, daarentegen zal een mensch,
die in zijn leven veel blijdschap ondervindt, zijn levenskracht
zoodanig versterken, dat hij daarvan te veel heeft
en die kracht zonder nadeel op anderen kan overbrengen
(„magnetiseeren").
Hoewel de magnetische kracht door alle poriën het
lichaam kan verlaten, is die magnetische uitstraling uit
geen enkel lich n ih:1> >1 zoo krachtig als uit de vingertoppen,
uit de ooge 1 en uit den mond. Indien men zijn
magnetische kfacht op een zwakkere of zieke wil overbrengen,
moet men uitsluitend gebruik maken van de
vingertoppen, die op geringe afstand van het lichaam
boven de zieke plaats bewogen moeten worden in één
richting („pannes"). Daar alle ziekten, behalve verwondingen
en breuken, liet gevolg zijn van verlies van persoonlijk
magnetisme, zoo kunnen alle ziekten ook door aanwending
. •/
— 18 —
van het persoonlijk magnetisme genezen worden. Het succes
der genezing zal echter geheel afhangen van den magnetischen
invloed van den bewerker (rmagnetiseur"). Het
verstand, de wil en de gedachte van den bewerker moeten
zoodanig ontwikkeld zijn, dat zijn persoonlijk magnetisme
een genezende eigenschap krijgt. Niet alleen
menschen maar ook dieren en planten kunnen door het aanwenden
van een goed ontwikkeld persoonlijk magnetisme,
een weldadigen invloed ondervinden.
Er zijn ook menschen, die een tegenovergestelde kracht
bezitten, namelijk die personen, wier astraal magnetisme
in overvloediger hoeveelheid aanwezig is dan het stoffelijk
magnetisme, waardoor er een kracht in het lichaam
ontstaat, die aan het persoonlijk magnetisme een nadeelige
uitwerking geeft en op menschen, dieren en planten een
slechten invloed uitoefent.
(Deze kracht wordt door de Hindoes ..jettatoera" genoemd;
bij de Javanen is deze kracht ook bekend onder de namen
van „mata nasar", kwade oog en Jangan panas",
warme hand). ">
Het fluïde van het astraal magnetisme kan, zooals reeds
gemeld werd in het hoofdstuk .. De mensch in zijn stoffelijk
lichaam", bij sommige menschen zoo sterk ontwikkeld
zijn, dat zij door oefening dit fluïde als een pantser,
rondom het lichaam kunnen verdikken, door welk fluïde
geen sabel of kogel doorgaat. Ook kan dit fluïde met
groote kracht en snelheid, (drie honderd duizend kilometer
per secunde, volgens professor Elmer Gatesj a.ls een
fats uit liet oog worden gedreven en met doodelijk gevolg
op mensch of dier gericht worden. Deze kracht wordt
dan ook dikwijls aangewend bij wraakuitoefeningen, bij
het vangen en dresseeren van verscheurende dieren, vergiftige
'slangen of bij het vangen van vogels.
Het omhullen van het lichaam met dit fluïde, beschermt
het ook tegen vuur zelfs tegen gesmolten metalen.
Indien men het fluïde, van het persoonlijk magnetisme,
dat uit de oogen straalt, voor een zeker doel aanwendt, heeft
— 19 —
dit oen andere uitwerking dan het zeilde fluïde, dat
uit de toppen der vingers vloeit. Indien de slang een kleine
vogel sterk beloert, of haar adem naar den vogel uitblaast,
zal de vogel de kracht missen, om weg te vliegen en hij
valt als het ware in den bek van de slang. De zelfde invloed
heeft de mensch, die sterk geladen met persoonlijk
magnetisme een zwakkere lang en sterk aanziet. De
zwakkere komt dan dadelijk onder den invloed van den
sterkere • „xuqqestiti") en is alsdan geheel in zijn macht.
Voor het uitoefenen van een dergelijken invloed heeft de
sterkere slechts te verlangen, om zijn invloed uit te oefenen
en daar dit verlangen gedacht wordt en vergezeld gaat
van een sterke wilskracht van den denker, kan deze
gedachtekracht haar doel niet missen; de uitwerking moet
volgen. De trillingen door de gedachte voortgebracht,
vormen krachtige gedachtenbeelden (elementalcn), die den
persoon bewerken, die onder den invloed moet gebracht
worden en deze komt daardoor in een toestand, waardoor
hij alles zal doen, hetgeen hem door den sterkere in
zijn gedachte gelast wordt en alles voelen, hetgeen hem
gezegd wordt te voelen. Komt hierbij nog de gebiedende
stem van den persoon, die invloed uitoefent, dan is die
hivloed nog krachtiger. Djor dezen invloed komt de zwakkere
in een willoozen („/ii/pw>tisc/ien") toestand. Dezen
toestand juist te beschrijven is zeer moeielijk. Indien
men het lagere verstand, de wil, de zenuwkracht en de
energie van den stoffelijken mensch wegdenkt én men
stelt daarvoor in de plaats het hoogere verstand en
de energie van den geestelijken mensch, dan heeft men
ongeveer een beschrijving van dezen toestand. In de
plaats van den persoon is zijn geest getreden en deze
geeft dan antwoord op alle vragen, die hem gedaan worden.
In dezen toestand herinnert zich de geest alle
gebeurtenissen in het verleden, zelfs die zijner wedergeboorten
als mensch en hij kan dan zelfs den ziektetoestand
van zijn stoffelijk lichaam beschrijven en zeggen
welk medicijn tot beterschap kan dienen. Bedoelde toe-.
— 20 -
stand van liet stoffelijk lichaam is zoo eigenaardis', dat
hij moet beschouwd worden, als een tijdelijke verkrachtingder
natuurwetten, daar het bewustzijn van het stoffelijk
lichaam is ingeslapen, het geen vrije wil meer heeft,
en de zwakkere dan geheel in de macht is van den
sterkere. Het weder terugbrengen in den normalen toestand,
geschiedt door den wil van en op mondeling bevel
van den bewerker (hypnotiseur). De kracht van den invloed
op den zwakkere blijft gedurende eenigen tijd bestaan;
de persoon, die eenmaal onder den invloed van een
sterkere is geweest, zal zelfs op een afstand door de kracht
der gedachte weder onder den invloed van den sterkere
gebracht kunnen worden en hij doet dan ook hetgeen de
bewerker hem in zijn gedachten gelast.
Men kan ook zich zelf in een dergelijken toestand van
invloed brengen („zelf-hypnose" of „autosuggestie"). Door
het sterk zien op een glinsterend voorwerp, waarin het
beeld van zich zelf wordt weerspiegeld, waarbij men sterk
moet verlangen naar hetgeen men er mede beoogt, zal
men zich zelf onder den invloed kunnen brengen zooals
boven geschetst, wel niet zoo krachtig als dit door een
ander wordt gedaan, maar toch bij zich zelf daardoor een
toestand scheppen, die ongewoon is en waardoor men
iets zal kunnen doen, waartoe men in normalen toestand
niet in staat zou zijn. In dezen toestand handelt de geest
van het lichaam of een geest, die tijdelijk van dat lichaam
gebruik maakt, om zich te openbaren. Een dergelijk
persoon wiens bewustzijn dan is ingeslapen („trancetoestand"),
wordt het middel van gemeenscha]) tusschen de
stoffelijke- en de astrale wereld („medium".) De mensch,
die het krachtigste persoonlijk magnetisme heeft, zal den
geesten in dezen toestand in staat kunnen stellen, zich
tijdelijk te verstoffelijken of zijn eigen etherisch dubbel
uit zijn lichaam kunnen doen treden, doch elke verstoffelijking
zal gepaard gaan met een groot verlies van persoonlijk
magnetisme. In bedoelden toestand verkeerende
kunnen sommige menschen iets op grooten afstand zien
— 21 —
gebeuren („clairroyant"); weder anderen hebben dan het
vermogen van helderhoorendheid („clairaudiance"). Dit
verzien en deze helderhoorendheid geschieden dan met
geestelijke zintuigen. Anderen kunnen in dezen toestand
de herkomst van voorwerpen beschrijven tot hun oorsprong
in de grijze oudheid; ook het vermogen van verpersoonlijking
(„impersonatie"); van gedaanteverwisseling
(„transfiguratie"), waarbij het gelaat en de houding van
liet lichaam veranderen, gelijkende op een zich manifesteerenden
bekenden overleden persoon; het vermogen
van gedachtenoverbrenging („telepathie") of ook van gedachtenlezen;
het vermogen om zenuwkracht of het gevoel
buiten liet organisme te zenden („exterioriseeren"); het
vermogen om beweging - veroorzaakte kracht buiten het
organisme te zenden („motriciteit"); ook van het vormend
vermogen („plasticiteit")', van psychische uitwerkselen van
zinvang (_catalepsie"); van schijndood („lethargie"); van het
veroorzaken van verblinding of begoocheling („fascinatie");
van beheersching van iets („obs'ssie"); van de laatst genoemde
eigenschappen maken toovenaars gebruik om hun
soms wonderlijke voorstellingen te doen slagen.
Kenige van deze eigenschappen hebben ook stervenden,
daar eenige uren voor den dood het stoffelijk lichaam
komt in den toestand als bovengeschetst, waardoor het
sterven van het stoffelijk lichaam gelijk staat met inslapen.
Daar de geest in dezen toestand zeer dikwijls het
verlangen koestert afscheid te nemen van een vriend of
bloedverwant, komt liet vermogen van gedachtenoverbrenging
bij stervenden dikwijls voor en soms in die mate;
dat het etherisch dubbel van den stervende vergezeld
van zijn ziel op verren afstand zich aan een vriend
of bloedverwant vertoont en zelfs in staat is te spreken,
dan wel wordt door dit verlangen de gedachtekracht
zoo sterk, dat de uitgezonden gedachtevorm, het beeld
van den stervende zal weerkaatsen, waardoor dit beeld
zich voor een oogenblik zal verstoffelijken en zichtbaar
zijn voor den vriend of bloedverwant, aan wien de sterVende
gedacht heeft. In het laatste geval zal het weerkaatste
beeld niet kunnen spreken.
Verder hebben personen in bovengeschetsten toestand
nog de eigenschap van („<i ufo wettisch") schrift voort te
brengen, dat is het gebruik maken van de hand van den
onbewusten persoon door een geest 0111 te schrijven. Dein
houd van het geschrevene is hem dan niet bekend. Zelfs
wordt dit schrift soms voortgebracht in een taal, die de persoon
niet kent. Ook komt het voor, dat de geest, die tijdelijk
van het lichaam van den onbewusten persoon gebruik
maakt, spreekt in een taal, die aan den persoon zelf onbekend
is, of maakt deze geest van het persoonlijk magnetisme
van den onbewusten persoon gebruik, om te kloppen,
voorwerpen te bewegen of te verplaatsen, ook om de
schoonste muziek of de mooiste teekening voort te brengen,
terwijl do onbewuste persoon soms geen verstand
heeft van muziek noch van teekenkunst. De geest kan
met het geleende lichaam alle verrichtingen doen, op de
zelfde wijze alsof hij zelf nog in een stoffelijk lichaam
was.
Indien al deze vermogens worden voortgebracht door
een onontwikkeld persoon, die in normalen toestand dit
niet zou kunnen, levert dit het bewijs, dat die vermogens
niet behooren of hun oorsprong hebben in het stoffelijk
lichaam van den onbewusten persoon, daar het stoffelijk
lichaam geen vermogen bezit zonder functie, zoodat die
handelingen moeten worden toegeschreven aan een onzichtbare
intelligentie.
Sommige mensehen kunnen in hun slaap van zelf in
een toestand komen als hiervoren geschetst werd („droommediums
of somnamhulen, afgeleid van het woord somnambuleeren
of slaapwandelen",)
Deze soort menschen zien soms in hun droom, geruimen
tijd te voren, hetgeen gebeuren zal.
Den onbewusten toestand, waarin een niet slapende
persoon gebracht kan worden, kan soms voor hem zeer
gevaarlijk worden. De gedachtekracht, die daarvoor noodig
•>•> _
is, kan l)i.j do uitoefening- van de witte- zoowei als van
de zwarte Magie op een afstand worden aangewend,
zonder weten van den persoon, op wien deze kracht wordt
uitgeoefend. In de plaats van den persoon wordt dan een
door hem gedragen kleedingstuk bewerkt. Daar een gedragen
kleedingstuk doortrokken is met het fluïde (of od)
van de magnetische uitstraling van den persoon, die het
gedragen heeft, wordt dit fluïde opgewekt, door voortdurend
de vingertoppen over het kleedingstuk te bewegen,
waardoor gemeenschap zal ontstaan tusschen den persoon,
die het kleedingstuk gedragen heeft en den persoon, die
het daarin bevindend fluïde bezield heeft. Wordt dit nu
met een goed doel gedaan en is de persoon, die het kleedingstuk
gedragen heeft, ziek, dan zal de bewerker kunnen
voelen, welke ziekte bedoelde persoon heeft en hij is
dan in staat, de medicijn te noemen, die den zieke zal
kunnen genezen. Wordt een en ander gedaan met een
slecht doel, dan wordt liet bezielde fluïde overgebracht
in een te voren gemaakte pop van hout, klei of was. Indien
nu de bewerker de pop beschadigt, zal de persoon,
wiens bezielde fluïde de pop doordrongen heeft, pijn gevoelen
op de overeenkomstige plaats van zijn lichaam,
als waar de pop beschadigd werd. Op deze wijze zal de
ongelukkige steeds in een ziekelijken en lijdenden toestand
gehouden kunnen woi den en door de pop doormidden te
breken, zelfs den dood van het slachtoffer veroorzaakt
kunnen worden.
Dit kan echter voorkomen worden, door te zorgen, dat
men geen zwakkeling is, want alleen zwakken, die door
ziekte of door eigen toedoen voortdurend veel persoonlijk
magnetisme verliezen, kunnen onder den invloed van anderen
worden gebracht. Het is dus raadzaam te zorgen,
dat men zijn persoonlijk magnetisme niet misbruikt. De
grootste oorzaak van verlies van persoonlijk magnetisme
is de te veel opgevoerde geslachtsdrift, onmatigheid, uitspatting,
verwaarloozing van het lichaam, verdriet, hettige
ontroering, drift en aanverwante gebreken; gebruik van
23 -
geestrijke dranken, prikkelende kruiden, tabak, te veel
koffie, thee of vleesch; daarentegen zal een geregelde
levenswijze, het eten van groenten en vruchten en
het drinken van zuiver water, het persoonlijk magnetisme
doen toenemen.
Wil men behoorlijk zijn hersenen, den oorsprong van
het persoonlijk magnetisme, gebruiken, men beheersche
zich zelf, want dit is het beste middel om liet persoonlijk
magnetisme of de levenskracht aan te kweeken en de
spier- en zenuwkracht te versterken, want de allereerste
gewaarwording van het verlies van persoonlijk magnetisme
is zenuwziekte en verslapping der spierkracht, daar
de zenuwkracht en de spierkracht één zijn met het
persoonlijk magnetisme. Bovendien zal de kennis van
de verschillende fa'ctoren, die noodig zijn voor het
aankweeken van liet persoonlijk magnetisme, den toestand
van het organisme ten goede komen en ziekten en kwalen
vermeden kunnen worden. In de wetenschap van de
werking van zijn krachten, machten en vermogens, hoe
deze opgewekt, gevoed en gebruikt worden, voor een
verlangen naar alles wat goed en schoon is, naar liefde,
waarheid en arbeid, om nuttig en behulpzaam te zijn en
de smart, de boosheid, het verdriet en de ziekte te verdrijven,
ligt dus het geluk van den mensch.
24 -
DE STILLE KRACHT.
Indien men aan iets denkt, roept de gedachte een beeld
voor de oogen, waaraan men een naam geeft. Omgekeerd
vormt een gesproken naam of hetgeen men ziet, hoort of voelt
een gedachtenbeeld; bij elke gedachte wordt dus door het
verstand een beeld geschapen. De verbeelding is dus
het scheppend vermogen van den mensch.
Elke bewuste daad van den mensch, hetzij goed of
slecht, wordt voorafgegaan door een gedachte. Binnen
zijn aura, dat is de akasische of magnetische omgeving
van den mensch, veroorzaakt de gedachte een trilling,
welke trilling een kleur voortbrengt, die het gedachtenbeeld
vormt. In scheppingsverhalen wordt dan ook gezegd,
dat God de geschapen dingen voortbracht, alleen door
de werking Zijner gedachte.
De gedachten kunnen in drie hoofdsoorten onderscheiden
worden: de slechte, de gewone en de goede. De
gewone gedachten worden weder in vijf soorten onderverdeeld;
die naar het slechte en die naar het goede
overhellen. De zeven soorten gedachten veroorzaken opvolgend
van slecht tot goed: een roode-, oranje-, gele-,
groene-, blauwe-, indigo- en violet kleurige flikkering.
Sommige mensehen kunnen de geschapen kleurenbeelden
in halfdonker zien, in het licht der zon is dit zeer moeielijk.
Wanneer men 's nachts wakker te bed ligt en over
iets nadenkt, ziet men, wanneer men de oogen sluit,
aanhoudend kleurflikkeringen voor de oogen, die langzaam
weder verdwijnen. Opent men de oogen en vestigt
men zijn blik in halfdonker op een zeker punt, dan zal
men, als men denkt, een uitstraling uit de hersenen gewaarworden,
waarvan de werking veel overeenkomt met
stoom, die met tusschenpoozen van eenige secunden telkens
den ketel verlaat. Wanneer men 's avonds bij licht
en overdag indien het zonnelicht niet te schel is, eenigeri
tijd naai' een zeker voorwerp kijkt, zijn gedachte er op
vestigt en men sluit daarna de oogen, dan komt het voorwerp,
naar hetwelk men gekeken heeft, soms scherp
belijnd als een gedachtenbeeld voor de oogen. Zoo zal
een voorname gebeurtenis b.v. een moord, die men zag
plaats grijpen, soms jaren daarna nog helder voor de
oogen terugkeeren. De eerstgenoemde soort zijn gedachtenheelden,
die van den menscli uitgaan, laatstgenoemde die
op den menscli inwerken. Die inwerking kan zeer natuurlijk
zijn b.v. door hetgeen de menscli ziet, hoort of voelt,
doch kan ook plaats hebben door middel van gedachtenbeelden,
die op hem gericht worden.
Elk gedachtenbeeld krijgt het karakter, dat door de
hersenwerking daaraan gegeven wordt; het werkt magnetisch
en trekt een ander gedachtenbeeld of een wezen
der natuurrijken van dezelfde soort tot zich en vloeien
alsdan ineen. Indien dit plaats .heeft met een ander gedachtenbeeld,
dan ontstaat er een verband tussclien de
personen, die de gedachtenbeelden geschapen hebben, een
verband, waardoor soms gedachtenoverdraeht het g ïvolg
is, of wordt daardoor een gevoel van sympathie of van
genegenheid opgewekt. Indien het gedachtenbeeld samenvloeit
met een halfverstandelijk wez;n der natuurrijkenvormen
zij één verstandelijk wezen (efeinvntacil), die verbonden
met den wil, den persoon zelf of een ander
op wien de gedachte gericht was, krachtig kan steunen
of benadeelen en uitvoering kan geven, aan liet door d e
gedachte geschapen goei of kwaad Wordt echter de
wil niet verbonden met de gedachte, dan gaat deze
langzaam te niet, tenzij z'j door nieuwe gedachten van
den zelfden aard opnieuw gevoed wordt.
Gedachtenbeelden van vele personen van gelijken aard
kunnen ook tot elkander getrokken worden en ineenvloeien;
zij versterken dan elkander wederkeerig en vormen
één beeld van groote kracht en hevigheid. Het brengt
soms groote beroeringen te weeg en veroorzaakt oorlogen,
opstanden en allerlei natuurrampen.
2tt -
(Jroote kracht hobbon gedachtenbeelden, die gest-lmpen
worden door het opzeggen van vaste formulieren. Zij
kunnen door den voortbrenger worden aangewend voor
het verkrijgen van eigen macht en kracht of gericht worden
o]) bijzondere personen, die door hem kunnen worden
geholpen of geschaad, naarmate den aard van
het formulier en van het wezen, dat met het gedachtenbeeld
ineenvloeit. De goede formulieren kan men gelijkstellen
met wenschen en gebeden, die voor zich zelf, voor anderen
of voor het heil van den geest van een overledene
geuit worden. Zij vormen een schaar van beschermende
wezens, die den persoon in het formulier genoemd, krachtig
kunnen steunen en beschermen. De slechte formulieren
kan men gelijk stellen met verwenschingen en vervloekingen,
die den persoon, tot wien zij gericht worden,
kunnen benadeelen, zelfs ziekte en dood ten gevolge kunnen
hebben. Indien evenwel iemand door een braaf leven
en het boheerschen zijner slechte gedachten, beschermende
wezens rondom zich verzameld heeft, kunnen
slechte gedachtenbeelden of vervloekingen hem geom kwaad
doen. De slechte wezens kunnen hem dan niet naderen.
De gedachtenbeelden van verwenschingen en vervloekingen
kunnen door het opzeggen van bijzondere formulieren,
soms ook bij ontmoeting, bezield worden door een
schil of schim, dat zijn, zooals reeds vermeld werd, astrale
lijken, die verstandeloos rondzwerven. Zoodra deze met
de gedachtenbeelden ineenvloeien, worden zij kwaaddoende
spoken: zij nemen dan het karakter aan. dat in die formulieren
wordt uitgedrukt en zij kunnen dan tot allerlei
doeleinden, in die formulieren uitgedrukt, gebezigd worden.
De uitwerking van die formulieren wordt dan Mille
kracht" genoemd, terwijl de daarvoor gebezigde formulieren
bekend zijn onder den naam van Wetala tiiddhi. De
verschillende verrichtingen al naarmate zij het goede of
het slechte beoogen, worden sarat en djimat ofgoena-yoena
en toendxil genoemd.
Met zeker succes voor de stille kracht kan een zielloo-
27
— 28 -
ze geest (elementaar) gebruikt worden, dat is een geest,
die als mensch zeer slecht geleefd heeft en door een executie,
moord, zelfmoord of ongeluk na een leven van hartstochten,
lusten en begeerten, ontijdig uit het leven werd
gerukt. Terwijl de ziel van een op deze wijze gestorven
mensch aan het stoffelijk lijk en de plaats, waar dit hegraven
werd, gebonden blijft, totdat zijn schil door
ouderdom ophoudt te werken, doolt de geest doelloos rond
en kan de aarde niet verlaten. Een dergelijke geest, die
„de ziel/ooze" wordt genoemd, kan door het opzeggen van
een formulier bezield worden door het gedachtenbeeld,
dat door dit formulier geschapen werd. Aldus weder bezield,
wordt hij de dienaar van het formulier en hij doet
dan binnen zekere grenzen, daar de geest aan zijn ziel
verbonden is met den geestendraad of Soeratma, letterlijk
hetgeen hem in het formulier gelast wordt, zooals steenen
werpen, soeroe-spuwen, kloppen op deuren en vensters,
zich tijdelijk incarneeren in den persoon, die in het formulier
genoemd wordt, om hem verliefd of ziek te maken,
te dooden ot hem dingen te laten doen, die hij anders
niet zou doen, alles zooals in het formulier werd uitgedrukt.
Dergelijke spoken zijn van de kwaadaardigste soort
voor de stille kracht. Naar hun verrichtingen worden zij
onderscheiden in Awitji's, Nglaloe's en Kasasar's. De goed
doende spoken van deze soort worden Shaija's genoemd.
Meer mag van de kracht'' hier niet worden vermeld.
Tot de gedachtenbeelden, waarmede de mensch zichzelf
benadeelt, behooren in de eerste plaats die, welke verbonden
met den wil of hsha, den mensch brengen tot daden,
die uitvoering geven aan zijn harstochten, lusten en
begeerten. Het voortbrengen van dergelijke gedachten
en lnm gevolgen noemt men het Karma van den mensch.
Het voornaamste van alles, wat den mensch betreft is zijn
Karma, omdat dit alles beheersclit. Is de mensch zoover
ontwikkeld, dat hij zijn gedachten kan beheerschen, waardoor
de karmische werking ophoudt, krijgt hij ook de
macht over zijn hartstochten en lusten en dan is ook zijn
- 29 —
tijd o]) aarde in zijn grof stoffelijk karna roepa of begeertelichaam
ten einde en hij is dan geschikt voor een verblijf
in de hemelgebieden.
Het doel van het leven op aarde moet dus zijn om elke
sleehte gedachte, die bij den mensch opkomt en een slechte
daad ten gevolge kan hebben, door standvastig weigeren,
om over het zelfde onderwerp verder door te denken, te
niet te doen, want het verder denken, wat men beraadslagen
noemt, gaat elke daad vooraf, waardoor de gedachte
met den wil verbonden wordt. Heeft men eenmaal deze
macht over zijn gedachten, dan volgt vanzelf de tweede
sta]), dat is, dat men langzamerhand geen slechte gedachten
meer krijgt, waarna de derde stap volgt, dat men alleen
dan denkt, wanneer men wil, zoodat de gedachte bewust
ontwikkeld wordt. Is men zoo ver gevorderd, zal men
in staat zijn iets te doen, waartoe een gewoon mensch
niet in staat is.
DE GEHEIME MACHT.
lil liet hoofdstuk ..I)e Stille kracht werd aangetoond, hoe
verderfelijk de invloed der gedachte kan zijn, indien zij
bestuiud wordt door den dierlijken wil van den mensch-
In dit hoofdstuk zal worden vermeld, welk een macht de
gedachte heeft, indien zij bestuurd wordt door den geestelijken
wil van den mensch. Zij wordt dan ..de geheime
macht" genoemd.
In het hoofdstuk r l )e mensch in zijn stoffelijk lichaam"
werd vermeld, dat de mensch bestaat uit krachten, machten
en vermogens, waarvan het liooger en het lager Manos of
verstand, die ook het hooger en het lager ik worden genoemd,
de voornaamste zijn. daar zij heerschen over de gedachte
en den wil. Het eerstbedoelde ik is de beschermer van den
mensch; het is zijn goede gedachte en zijn goede wil, terwijl
het laatst bedoelde ik behept met dierlijke hartstochten
en lusten, de slechte gedachte en wil van den mensch is.
Hij den strijd, die beide voeren om de heerschappij over
het stoffelijk lichaam, komt het er op aan, wie van beiden
het sterkst is en de uitslag van dezen strijd beslist, of de
mensch braaf of slecht zal zijn. Deze strijd, die met afwisselend
geluk gedurende het geheele leven van den mensch
gestreden wordt, veroorzaakt zijn afwisselende gemoedsstemmingen.
De voornaamste kracht van het hooger, zoowel als van
het lager ik is het denken en het is door deze kracht te
ontwikkelen, dat de mensch de geheime macht kan opwekken.
De macht der gedachte is onbeperkt en de kracht om
te denken is oneindig en eeuwig. Naarmate de mensch
zich ontwikkelt en zijn kennis toeneemt, zal hij ook meer
macht krijgen. De onbekendheid daarentegen met de beteekenis
der dingen en de nieuwsgierigheid van den
onontwikkelden mensch, veroorzaken gedachten, die harts31
tochten, lusten en begeerten opwekken en den wil, om die
te verlangen. Door het toegeven aan dit verlangen of de
d uid wordt een gemoedsgesteldheid geschapen, die bijdraagt
tot des menschen geluk of ongeluk, want elke gemoedsgesteldheid
in den mensch heeft een invloed ten goede
of ten kwade.
De gemoedsgesteldheid van kalme inspanning heeft
een scheppende kracht, daarentegen veroorzaakt de gemoedsgesteldheid
van opgewondenheid een tegenwerkenden
invloed.
De schrik vormt gedachtenbeelden, die zeer verwoestend
kunnen werken en den persoon een schok kunnen
toebrengen, die hem doet vergrijzen, een zware ziekte,
z • 11's den dood ten gevolge kan hebben. De gedachtenbeelden
gevormd door den schrik van een zwangere vrouw,
kunnen worden overgebracht op het ongeboren kind en
het voorwerp woordoor de vrouw schrok, op het kind
worden afgedrukt, zelfs kan het kind den vorm van dat
voorwerp aannemen of indien de ongeboren vrucht nog
jong is. deze onmiddellijk dooden.
Hoop is een gedachte, die een tweeledige uitwerking
kan hebben. Door het geluk te verwachten van buiten,
verwijdert de mensch zich van zijn hooger ik. Indien
men het geluk zoekt door kalme inspanning, zal een
kracht verkregen worden, die het geluk dient.
Indien de wil beheerscht wordt door liefde, genegenheid
en waarheid, zullende gedachten door het verstand voortgebracht,
een beschermenden invloed uitoefenen.
Gedachten van verdriet en egoïsme hebben een tegenwerkenden
invloed en veranderen genot en vreugde in
bitterheid en gal.
De gedachten van eerzucht, afgunst, tw eedracht, haat,
weerzin en wraak hebben een zeer slechten invloed en
berooven den mensch van zijn macht.
Gedachten van oprechtheid en welwillendheid jegens
anderen, zullen rondom den denker een krachtoptrekken,
die de invloeden van kwade gedachten van anderen zul-
32 -
len tegenhouden en hem in staat stellen, zi.jn omgeving
te kunnen beheerschen.
Gedachten van verwarring, voortvloeiende uit opgewekte
vrees, veroorzaken mislukkingen in ondernemingen.
Bij de beoefening der geheime macht, zal men moeten
trachten, allereerst te leeren kalm te zijn en te blijven,
bij alles wat men ziet, hoort, of voelt, want overspanning
van geest en lichaam veroorzaakt verlies van persoonlijk
magnetisme of gedachtekracht en is dus ziekte.
Gelijke resultaten wekken moedeloosheid op en de daaruit
voortvloeiende gedachten van verdriet. Een goed begrip
van de groote macht der gedachte is het beste middel
om spoedig tot rust en kalmte te komen.
Bij opwelling van toorn, vliegen den mensch verschillende
gedachten door het hoofd, die de daad voorafgaan
en die zulke krachtige wezens vormen, dat hij als liet
ware onbewust daden doet, die hem jaren achteruit brengen.
Indien men leert bij alles bedaard te blijven en
zich kalm te houden, ligt in deze zelfbeheersching ook
het heerschen over zijn gedachten. Door z 'Ifoeheersching
en door te ^trachten het goddelijk beg'ms •! van liefde en
waarheid bij al zijn gedachten en handelingen toe te passen,
kan de mensch zulke krachtige trillingen in zijn binnenste
opwekken, dat hij de heerschappij heeft over alle
geopenbaarde dingen.
De gedachte aan jaloezie is van de meest verwoestenden
aard. Zij wekt zulk een verlies van persoonlijk magnetisme,
dat voortdurende vermagering van het lichaam en
onmacht de gevolgen zullen zijn. Indien het lichaam in
dezen toestand verkeert, wordt de persoon knorrig, veeleischend,
gesloten, wantrouwig en schuw en moet ten
laatste ondergaan door ziekte, die het gevolg is van voortdurend
verlies van persoonlijk magnetisme.
De gedachtekracht veroorzaakt ook het samenvattend
vermogen van den geest, dat de herinnering wordt genoemd.
De herinnering aan een vroeger gebeurde, is
het samentrekken der gedachte op dit vermogen. De
- 33 —
herinnering aan een goede daad veroorzaakt blijdschap
en tevredenheid en oefent een weldadigen invloed uit;
de herinnering aan een slechte daad veroorzaakt wroeging
en een zeer slechten, zelfs ondermijnenden invloed. Door
anderen goed te doen, zal de gedachte er aan een blijvenden
goeden invloed scheppen. Door anderen kwaad te
doen, zal men dus zich zelf verderven. Door anderen te
helpen, bevordert men zijn eigen belangen het meest.
Andere neigingen en de uitwerking van deze zouden
hier beschreven kunnen worden, die alle echter op de
zelfde wijze moeten bestreden worden, namelijk: macht
over de gedachte, om tot de geheime macht te geraraken;
alleen moet nog worden opgemerkt, dat het
veel gemakkelijker is, door goede gedachten goede
wezens te scheppen, dan slechte wezens, die zich eenmaal
rondom den slechten denker verzameld hebben, door wijziging
der gedachte weder te doen heengaan of te vernietigen.
De beste levenskrachten van den denker worden
intusschen door deze slechte wezens tot zich genomen,
voordat hij geleerd heeft, zijn gedachten te beheerschen
en eerst wanneer de slechte wezens geen voedsel meer
vinden, zullen zij zich langzaam weder van hem loslaten
of te niet gaan.
De natuur is één met het hooger ik en door haar wet
van trilling is zij het geneesmiddel tegen de slechte neigingen
der begeertekracht van het lager ik, dat zwak
en wispelturig geneigd is, het oor te leenen aan allerlei
verleidingen, waartoe het lichaam, indien dit niet gesterkt
wordt door de macht van het hooger ik, zich gewillig
leent, als de slaaf van de macht, die het sterkst in den
mensch is.
Voor den bouw van den geest, zijn geestelijke ziel en ver
stand, zijn noodig geweest alle goddelijke krachten, machten
en vermogens, daarom bestaat de geestelijke mensch uit alle
krachten, machten en vermogens, die in de natuur voorkomen
en is de geestelijke mensch in staat, die krachten,
machten en vermogens voor een doel aan te wenden. Die
3
- 34 -
geestelijke macht is zóó groot, dat zij in staat is tot alles,
zelfs ziekte en dood te bestrijden.
De ontwikkeling van deze krachten, machten en vermogens
bestaat in het verkrijgen van macht over de gedachte;
daartoe moet de mensch zich in gemeenschap stellen
met zijn hooger ik, door samentrekking zijner gedachte op
één punt, waardoor de geheime macht wordt verkregen.
De mensch, die bij elke gemoedsgesteldheid zijn hooger
ik raadpleegt, heeft alle natuurlijke krachten, machten en
vermogens tot zijn beschikking en niets is voor hem onmogelijk,
want met de hulp van zijn hooger ik bij een
standvastig, ernstig verlangen, gepaard met een vasten
wil, vermag hij veel, zoo niet alles.
Het samentrekken der gedachten mag echter geschieden
op slechts één zaak of ding te gelijk. Het vestigen der
gedachten op of het denken aan meer dan één zaak of
ding, is liet verspillen van zijn gedachtevermogens en
afleiding der gedachte, daar de trilling van de geestelijke
macht als een gevolg van de samentrekking der gedachte,
slechts één ding tegelijk schept. Om nu de kracht der
volledige samentrekking te verkrijgen en de gedachte op
één onderwerp gericht te houden, moet men zich er aan
gewennen, steeds slechts één ding te gelijk te doen en
niet vooruit te denken aan een ander in de toekomst
voorgenomen handeling noch aan een, welke met de tegenwoordige
handeling in verband staat.
Bij het overwegen van plannen, moet elk vermogen deigedachte
aanwezig zijn. Hoe zal men kunnen denken,
indien deze vermogens op een andere zaak gericht worden,
waardoor voor een oogenblik gedachteverwarring
ontstaat. In zulk een toestand zal men een bladzijde
van een boek kunnen lezen, zonder te weten, hetgeen
men gelezen heeft. Hieruit Vloeit do stelling voort, dat
alle gedachtevermogens te zamen de kracht vormen,
die men „begrip" of „overleg" noemt en dat men alleen
door voortdurende ontwikkeling van zijn verstand, de
macht krijgt over zijn gedachte.
— 35 -
Een van de beste middelen om bij deze oefening' en
studie zijn doel te bereiken, is het beginsel van recht,
rechtvaardigheid, rechtschapenheid, behulpzaamheid, goede
wil en belangstelling in anderen. Indien de mensch in
al zijn handelingen strikt rechtvaardig is, steeds bereid
is, anderen naar zijn beste vermogens te helpen, bewijst
hij zich zelf daarmede den grootsten dienst. Hij wordt
door zijn hooger ik daarin krachtig gesteund, terwijl door
het goede, dat anderen van hem denken, zulk een kracht
rondom hem wordt getrokken, dat hij daardoor in al zijn
ondernemingen zal slagen en gemakkelijker een moeielijke
taak naar behooren zal kunnen vervullen dan anderen,
want onrechtvaardigheid en aanverwante ondeugden zijn
leugen en bedrog, waarvan de geschapen wezens zóó
verwoestend werken, dat de onrechtvaardige als het ware
vernietigd wordt door de wraakzuchtige wezens, die
geschapen worden door de vervloekingen, die de door
hem onrechtvaardig behandelden op hem richten. Alles
wat hij doet, zal met moeite gepaard gaan en alles wat
hij onderneemt, zal mislukken en als het ware vernietigd
worden, door den haat, die hem wordt toegedragen.
Een krachtige wijze om rechtschapenheid aan te kweeken,
is met steeds grooteren ernst er naar te streven,
om altijd de waarheid te zeggen, alle onware gedachten te.
verbannen en overdrijving en onnauwkeurigheden in het
spreken, die ook anderen kunnen schaden, te vermijden.
Iedere leugen in woorden eu daden heeft ten gevolge,
dat de leugenaar zich zelf verblindt door de waarheid. De
werking van onware gedachte in verband met een heerschende
ziekte kan zelfs zeer noodlottig zijn. Wanneer
iemand bij de geringste hoeveelheid voedsel dat hij
eet, of water dat hij drinkt, of lucht die hij inademt, denkt
en bevreesd is voor een heerschende ziekte, strooit hij
door zijn angst, die het gevolg is der onware gedachte,
door zijn geheele lichamelijk gestel de zaden van een
heerschende ziekte uit, en hij krijgt die ziekte niet door
de kiemen der ziekte, maar door de wezens, die hij dooi-
36 -
zijn angst en gedurig denken aan de gevreesde ziekte
zelf geschapen heeft.
Daar elke bewuste daad door een gedachte wordt voor"
afgegaan, kan de mensch, die geleerd heeft zijn gedachte
te heheerschen, ook zijn gemoedsgesteldheid van angst,
opgewondenheid en vrees heheerschen en alzoo de gedachten
te niet te doen, die aanleiding zouden kunnen
geven, dat zijn gezondheid verstoord wordt.
Het heheerschen der slechte gedachten wekt zelfvertrouwen.
Dit zelfvertrouwen zal dan er toe bijdragen, dat
de angstige gemoedsstemming en gelaatstrekken van den
denker zullen veranderen in een tevreden en edel voorkomen.
Het tegenovergestelde geschiedt met iemand, die
steeds slechte gedachten koestert en gedreven door deze
gedachten, er naar handelt. De door zijn slechte gedachten
geschapen wezens, zullen hem omringen en hem aansporen
steeds slechter te worden, waardoor hij steeds zenuwachtiger
zal worden en ten laatste zwak en sukkelende.
Zijn gelaatstrekken krijgen een vreesachtige, wilde uitdrukking
en zijn voorkomen wordt gemeen en dierlijk.
Elke slechte gedachte van den mensch leidt tot
een houding, die bij anderen wantrouwen wekt en
den braven aanleiding geeft hem te vermijden, zelfs
wanneer zij zich de reden „waarom" niet kunnen voorstellen.
Daarentegen trekt hij andere slechte menschen
tot zich. De mensch, die hoe langer hoe slechter wordt,
begaat ten laatste een misdrijf. Ontwaakt echter voordien
door een gebeurde zijn geweten, dan is zijn strijd zoo
zwaar, dat hij sterft of ten onder gaat door zelfmoord.
Het zijn deze ongelukkigen alsmede de terecht gestelden
en door een ongeluk plotseling gest irven slechte m/::ischen,
die na hun dood gevaarlijker zijn dan gedurende hun leven.
Zij werken 11a hun dood als vampiers en bevredigen
gedeeltelijk hun verlangen met lichamen van levenden.
Het geweten van den mensch werkt echter met zulk
een gedachtekracht, dat hij niet voortdurend kan blijven
verlangen naar hetgeen in strijd is met het goede en
— 3? —
daar de mensch moer geneigd is het goede dan het kwaadö
te doen, zal hij het goede bereiken, wanneer hij het met
volharding verlangt.
Voor de beoefening van de geheime macht is het in de
eerste plaats een vereischte, zoo als vermeld werd, te leeren
zijn gedachten te concentreeren op één zaak. Deze
concentratie bestaat in het vestigen zijner gedachten op
een zaak, zonder aan iets anders te denken of zich door
het zien, het voelen of het liooren van iets, van het onderwerp
te doen afleiden, zoodat men geen aandacht schenkt,
aan hetgeen rondom zich gebeurt, en men zoodanig verdiept
is, in zijn gedachten op die eene zaak, dat niets in
staat is, het denken over dat onderwerp te belemmeren.
Om daarbij zijn lichaam in staat te stellen, den geest te
helpen, dient men vóór deze oefening een andere te houden
en wel het leeren geregeld en diep adem te halen,
opdat het stoffelijk magnetisme in staat is, het lichaam
voor de studie te versterken. In liggende houding haalt
men diep en langzaam den adem in, houdt den adem zoolang
mogelijk in en ademt die langzaam weder uit. liet
inademen zoowel als liét uitademen kan men door oefening
brengen tot dertig tellen, zoodat men ten laatste
zonder eenig ongemak of hinder den duur van één in- en
uitademing kan brengen tot zestig tellen of één minuut.
Als men zoo ver is gekomen, begint men een soort vermogen
in het lichaam te voelen, dat do Hindoes geestbeteeg
big" noemen, dat is wanneer men de levens-energie
kan voelen in het lichaam bij haar verdeeling door de
zenuwen en het bloed. Kan men deze beweging waarnemen,
dan heeft ziekte haar invloed op het organisme verloren
en kunnen honger en dorst onder het beheer van den
wil gebracht worden. Is men zoover gekomen, zijn de vorderingen
snel en men kan dan den duur van één in- en uitademing
brengen op vijf minuten, een uur, een dag, totdat men
het ademhalen willekeurig kan regelen.
Indien men deze macht heeft verkregen, bevindt de denkende
mensch buiten zijn stoffelijk lichaam en hij voelt
(ie belemmering van zijn stoffelijk lichaam niet meer, hoewel
hij in het volle bewustzijn blijft, in zijn stoffelijk lichaam
te zijn, is dat lichaam hem niet meer tot last en hij is in
staat liet lichaam aan zijn wil te onderwerpen en naar
zijn wil het zoolang' noodig buiten slaap, voedsel en drinken
te hóuden.
De beoefenaar der geheime macht rest dan nog de oefening
om in staat te zijn, te denken als hij wil. Hij dient zoolang
zich te oefenen, dat hij bewast kan denken, zoodat geen
enkele gedachte zijn verstand verlaat zonder zijn wil en
hij heeft geleerd zijn gedachten te beheerschen. Hij is dan
in staat elk formulier der witte Magie te gebruiken en die
door zijn beheerschste gedachten een ongekende kracht en
uitwerking te geven.
Bij al deze oefeningen is het een hoofdvereisclite, de
deugdzaamheid te betrachten. Daar de mensch zeer goed
weet wat goed of slecht is. daar zijn liooger ik hem telkens
waarschuwt, indien hij zich iets slechts voorneemt, zoo
dient de beoefenaar der geheime macht verder met vastberadenheid
een besluit te nemen, om elke slechte gedachte
te verbannen en mocht niettegenstaande alle inspanning
toch een slechte gedachte ongemerkt opkomen, dan moet hi j
onmiddellijk die gedachte staken en weigeren verder
over de zaak door te denken. Indien men dit volhoudt,
zal men zooveel hulp ondervinden van zijn hooger ik, dat
men in staat zal zijn tot iets, waartoe men anders niet in
staat is, en men zal zulk een zelfvertrouwen krijgen, dat
men in al zijn ondernemingen zal slagen.
Indien men volkomen macht over zijn gedachten heeft
gekregen.en geleerd heeft slechte gedachten te bannen,
is het lager ik onderworpen aan het hooger ik en is de
mensch in staat de eigenschappen van den geest te benutten.
Allereerst ontwikkelen zich hoewel langzaam het geestelijk
gezicht en gehoor, waardoor men in staat is, geesten te zien
en te liooren spreken, op grooten afstand iets te kunnen
zien gebeuren, door vaste stoffen heen te kunnen zien
en soms ook de gave iets in den droom te zien, hetgeen
38
later zal gebeuren. Ook zal men in staat zijn, door sterk
zijn gedachten op iemand te bepalen, hem een gedachtenbeeld
toe te zenden, waardoor die persoon in staat
zal zijn, zicli nauwer te vereenigen met zijn hooger ik,
waardoor hij de kracht zal krijgen zich zelf' te helpen.
liet uitzenden van gedachtenbeelden kan ook voor een
onedel doel geschieden en is daarom niet zonder gevaar
voor hen, die niet volkomen macht over hun gedachten
hebben, daar de minste nevengedachte, die daarbij soms
onbewust gekoesterd wordt, het gedachtenbeeld een
kracht zal geven, dat dit de uitwerking zal hebben,
zooals in het hoofdstuk „I)c stille kracht" reeds is beschreven.
Er bestaan ook formulieren voor meer geoefenden, waardoor
de geest gedurende den nacht zoodanig beladen kan
worden met krachten, die ontspringen aan het hooger
ik, dat de geest gedurende den slaap van het stoffelijk
lichaam een waar netwerk van aantrekkende krachten en
geheime stroomingen kan uitzenden, die als aantrekkende
oorzaken, den grondslag zullen leggen voor het slagen
van hetgeen men wenscht te ondernemen. Aldus kan
de geheime macht aangewend worden in alles, waarin
geluk en voorspoed wenschelijk is.
Verdere beoefening der geheime macht, zal den mensch
in staat stellen, zich van uit zijn hooger ik volledige kennis
te verschaffen, omtrent elk ding of elke zaak, ook al
heeft hij vroeger er nooit van gehoord.
Door hoogere oefeningen van de geheime macht, zal
men die voor een zeker doel kunnen aanwenden en men
zal door het opzeggen van formulieren in staat zijn, een
begoocheling te leggen op een of op meer bij elkander
zijnde personen en hen in beeld alles doen zien, hetgeen
men zegt; met andere woorden: de door het zeggen geschapen
gedachtenbeelden tijdelijk te verstoffelijken. Toovenaars
maken hiervan gebruik bij hun soms wonderlijke
vertooningen. Op de verstoffelijking der geschapen gedachtenbeelden,
berust de schepping van het heelal. Zij die
- 39 -
40 —
in deze studies den graad van adept hebben bereikt,
zijn zelfs in staat door hun gedachte en aanwending
van een sterke wilskracht, allerlei voorwerpen, zelfs de
zwaarste, te verplaatsen en zware steenen beelden van
zelf te doen voortbewegen. Dergelijke hoogere studie van
de geheime macht wordt theopoea of de godenmakende genoemd.
Verder bestaan er formulieren, om de inwezens der vier
elementen, aarde, Water, vuur en lucht, dat zijn de natuurgeesten,
aan zich te onderwerpen en hen iets tot
stand te doen brengen, hetgeen in die formulieren wordt
uitgedrukt, daar de natuurgeesten der vier elementen te
zamen de elementale kernstof vormen, die gevoelig is
voor de mensclielijke gedachte en antwoordt op een trilling,
die zelfs door een geheel onbewuste uiting van den
menschelijken wil of begeerte wordt opgewekt, De elementaal,
die door een gedachte of wilsuiting tot een werktuig
wordt gemaakt, heeft een voor den mensch ongekende
groote kracht.
Door de beoefening der geheime macht is men ook in
staat, het kloppen van het hart geruimen tijd te doen ophouden
en al zijn spieren afzonderlijk in werking te brengen,
de ademhaling willekeurig te doen ophouden, een
tijdelijken dood te sterven of zeer lang te leven Door
een dergelijke oefening verkrijgt men de yo^a-kracht,
die den mensch tot een en ander in staat stelt.
Voor dergelijke hoogere beoefening der geheime macht
is echter noodig een leven in afzondering („tapasJavaansch
Jupa"), want de geheime macht verkrijgt men te midden
van kalmte en. rust. Zonder onthouding van krachtig
voedsel, moet echter daarbij zorgvuldig vermeden worden,
hetgeen het persoonlijk magnetisme kan schaden of
zijn kracht zou belemmeren. Ook is gedurende deze oefening
de gemeenschap eener vrouw niet aan te bevelen,
zelfs het gezelschap van anderen, die het zelfde doel betrachten,
kan schadelijk zijn; de nabijheid van bewoonde
plaatsen wordt daarvoor mede ongeschikt geacht, aange-
41 —
zien de beoefenaar der geheime macht alsdan te veel
wordt afgeleid door allerlei krachtstroomingen, zoowel
goede als slechte, die van menschen uitgaan.
Dergelijke hoogere oefeningen voor het verkrijgen van
de theopoea- of de «/w/rt-kracht, die alleen door adepten
worden gedaan, zijn voor een gewoon sterveling
onnoodig, zelfs niet gewenscht, want indien men in
staat is zijn gedachten te beheerschen, zijn slechte gedachte
te bannen en zijn lager ik in overeenstemming te
brengen met zijn hooger ik, is men ook instaat, zijn hartstochten,
lusten en begeerten te bedwingen, waardoor na
den dood van het stoffelijk lichaam, de geest zijn begeertelichaam
kan afleggen en de hemelgebieden kan bereiken.
Hoogere beoefening der geheime macht kan aanleiding
geven, de verkregen macht te misbruiken en voor zich
voor langen tijd den weg af te sluiten, die naar den hemel
voert. Indien de beoefenaar van de geheime macht door
invloed uit te oefenen, er in slaagt, iemand aan zijn wil te
onderwerpen tot baatzuchtige doeleinden, dan zal hij den
weg tot meer praktische kennis versperd vinden en door
zijn baatzuchtige gedachten een rijken oogst van straffen
over zich zelf doen nederdalen. Wreekt hij zich op zijn
vijand, door aanwending van de geheime macht, dan kan
het gebeuren, dat de daarvoor geschapen wraakuitoefenende
wezens, naar hem zullen terugkeeren, indien zijn
vijand door krachtige en goede wezens beschermd wordt.
In dat geval zal hij, behalve de slechte uitwerking der
vijandige gedachten op hem zelf, die hij bij een goeden
uitslag toch te dragen heeft, ook het leed moeten dragen,
dat hij een ander wenschte aan te doen. Daarom zal niemand
een groote geheime macht kunnen krijgen, wanneer
deze niet veilig in zijn handen is. Kwaad straft zich zelf.
HET VERMOGEN VAN DEN WIL.
De mensch wordt in onwetendheid geboren. Het verstand
evenwel ontvangt waarheden en wordt gevormd nit
die waarheden; ontvangt het onwaarheid, dan verzet de
wil zich daartegen. De wil ontvangt het goede en wordt
gevormd door dat goede; ontvangt hij het kwade, dan verzet
het verstand zich daartegen. Een kind zal b.v. zich
verzetten, indien het iets ontvangt, hetgeen naar zijn verstand
niet goed is. Wat de mensch nu door zijn verstand
begrijpt, noemt hij waarheid en wat hij daardoor A il,
noemt hij goed en naar dit oordeel handelt hij. Hieruit
vloeit voort, dat de mensch niet gedwongen is, onwaarheden
of kwaad aan te nemen, daar hij doordenken begrijpt
wat waarheid en wat goed is.
Hetgeen de mensch wil, vloeit voort oorspronkelijk uit
zijn gedachte en zijn handeling uit zijn wil. De gedachte
en wil vloeien voor de handeling ineen en vormen den
handelenden mensch. De gedachte en de wil zijn vrij en
door niets gebonden. Elke daad van den mensch vloeit
dus voort uit de gedachte en den wil. Indien dit niet het
geval was, zou de mensch slechts een automatisch werktuig
zijn. Elke daad is dus de gedachte en de wil zelt.
De mensch wordt door zijn dierlijke ziel geboren in
hartstochten, lusten en begeerten, die door onwetendheid
niet werken - zooals bij kinderen — of die hij door zijn verstand
kan beteugelen. Hij weet dus door zijn verstand,
dat als hij iets doet, dat niet goed is, hij daarvan de gevolgen
moet dragen en hij doet de daad niet, uit vrees
voor de gevolgen. De wil is dus het middel voor het verstand,
alle handelingen ontspruiten dus uit het verstand
en het vermogen daartoe ontvangt de mensch door de
gedachte; daar nu bij een handeling, zooals vermeld werd,
gedachten en wil ineenvloeien, is de handeling het vermogen
van den wil. Indien nu de mensch door zijn bekrom—
43 —
pen verstand do gevolgen niet vreest - b.v. een kind —
dan doet hij de daad toch. Het vermogen van den wil is
dus vrij en niet gebonden en handelt goed of'slecht, naarmate
het verstand ontwikkeld is.
Er zijn goed en slecht ontwikkelde mensehen. Hetgeen
de een goed noemt, is voor den ander slecht, het hangt
dus geheel af van de ontwikkeling van het ver-.
stand, om onderscheid te kunnen maken tusschen goed
en kwaad. Indien nu de gedachte en de wil goed zijn,
zullen ook de daden goed zijn, maar indien de gedachte en
de wil boos zijn, zullen ook de daden boos zijn. Ontwikkeling
is dus ondervinding, waardoor de mensch leert steeds
beter te denken en te handelen en zich niet bloot te
stellen aan iets wat hem kan schaden en hem doet lijden.
Hoe meer de mensch ontwikkeld is, des te onafhankelijker
zal hij zich gevoelen. Onafhankelijk zijn, is dus een vrije
wil hebben. Elk mensch verlangt onafhankelijk te zijn,
dus streeft een ieder naar een vrije wil.
De menschen, die aan een voorbeschikking gelooven,
gronden hun geloof op de onveranderlijke natuurwetten.
De aarde en alle andere hemellichamen bestaan en vergaan
door natuurwetten en daarom zeggen zij, dat ook
de levensduur van den mensch, het dier, de plant en alles
wat leeft en met hen in verband staat, te voren is bepaald.
De kansen 0111 te sterven voor iemand, die rustig
te huis zit en van een soldaat, tlie op het slagveld is,
zijn volkomen gelijk, men sterft niet voor zijn tijd. God
heeft alles zoo beschikt en de mensch is gedwongen
zich naar Gods voorbeschikking te voegen.
Volgens dit geloof zou de mensch een willoos wezen
zijn, wiens daden zouden voorbeschikt zijn en dus onverantwoordelijk
voor zijn wil. Zulk een geloof kan niet
juist zijn. Er is een God van Waarheid, Goedheid en
Liefde, die geen wezen voorbeschikt 0111 slecht te zijn.
Indien de mensch door een slechte gemoedsgesteldheid
een moord begaat, tengevolge waarvan hij gestraft wordt
met verlies Van zijn leven, dan werd hij tot het be—
44 —
gaan van dien moord niet door God aangespoord, want
was dit wel het geval, dan zou God noch goedheid, noch
waarheid, noch liefde kennen en het zou beter zijn, aan
het bestaan van een God te twijfelen, dan Hem voor te
stellen als een onbarmliartigen, wrekenden God, een ware
despoot.
Hetgeen de mensch beschouwt als een voorbeschikking,
noodlot, kans of toeval is niet anders dan het
uitvloeisel van handelingen en daden in het tegenwoordige,
verleden of in het vorige leven gedaan, het gevolg
van die handelingen en daden, dat terugkeert tot zijn
oorzaak, daar iedere gebeurtenis geschakeld is aan een
vooraf gaande oorzaak en een opvolgend gevolg, de
vervulling van het lot, dat hij door die handelingen en
daden zich zelf bereid heeft.
Dit geschiedt door de wet van het instinct, het geweten
en mitsdien de wet van oorzaak en gevolg, dat is liet
Karma, de handeling of het vermogen van den wil. Alles
wat de mensch doet, geschiedt door dit vermogen, dat
bij dieren verstandeloos, bij den mensch te voren overdacht
kan worden. Het Karma beheerscht niet alleen den
mensch, maar is ook een noodzakelijke wet in de natuur.
Het Karma in het algemeen en ten opzichte van anderen
kan onderscheiden worden: le. In een Karma van verdienste
of het doen van een goede daad voor het algemeen
welzijn, waardoor de persoon door velen geëerd en
geacht wordt. 2e. In een Karma van niet-verdienste of
een leven geheel voor zich zelf, zonder verdiensten of
een nuttig lid in de maatschappij te zijn. 3e. In een Karma
van het goed of uit een opofferend leven, geheel ten
dienste van anderen. 4e. In een Karma van het kwaad
of een leven tot last en tot ergernis van anderen, waardoor
de persoon door anderen gehaat en veracht wordt.
5e. In een gezamenlijk Karma ten gevolge van gewoonten
en gebruiken in elk huisgezin, in elke familie, van de
bewoners van elke plaats, zelfs van de bevolking van elk
land, die oorzaak kunnen zijn van groote gebeurtenissen.
— 45 —
Dit kan b.v. het geval zijn, wanneer liet bestuur onrechtvaardig
regeert of indien er iets gebeurt, dat door velen
op de zelfde wijze beoordeeld wordt. Er wordt dan, doordat
de gedachten van een ieder op de zelfde zaak gevestigd
is, een Karma geschapen van zulk een groote kracht
en zulk een grooten invloed, dat dit gezamenlijk Kanna
aanleiding kan geven tot oorlog, opstand, epidemieën van
ziekte, hongersnood of andere rampen. 6e. Het persoonlijk
Kanna, dat weder in drie deelen kan onderverdeeld worden,
namelijk: le. De onvermijdelijke gevolgen van handelingen
en daden in het tegenwoordig leven, die dadelijk op de
handeling of daad volgt of als Prarabdha. 2e. De opgehoopte
neigingen, die het gevolg zijn van ervaringen, welke gevolgen
in het tegenwoordige leven door het Kanna zelf
nog gewijzigd kunnen worden of als SaidjUa. 3e. De gevolgen
van handelingen en daden, die zich eerst openbaren
in het volgend leven of als Krijamana.
Eenige gegevens en voorbeelden van het Kanna als
Prarabdha zal dit Kanna of de onvermijdelijke gevolgen
van handelingen en daden in het tegenwoordig leven, die
dadelijk op de handeling of daad volgt, verduidelijken.
De mensch heeft door het leven en bestaan een natuurlijke
behoefte tot voeding en voortteling en ten einde daaraan
te voldoen, treedt uit de innerlijke krachten van den
mensch een werking te voorschijn, die steeds vermeerdert.
De mensch gedreven door die behoefte, wil daaraan voldoen,
waardoor er een beweging wordt voortgebracht. Die
beweging geschiedt ten gevolge van het vermogen van
den wil, die de handeling voortbrengt, die goed maar ook
kwaad kan zijn. De daden van een goeden wil zullen den
mensch helpen; de daden van een slechten wil zullen den
mensch schaden, dit is een natuurlijke wet en het instinct
waarschuwt den mensch tegen de daad en regelt de gevolgen.
De mensch zonder ondervinding, die de wet van het
Karma nog niet kent, zal toch die wet langzaam leeren
kennen. In het gewone leven ziet hij hoe gelijke oorzaken,
- 46 —
die onder gelijke voorwaarden werken, altijd dezelfde gevolgen
hebben. Hij leert dan ook, als iemand die oorzaken
in werking brengt, de uitwerkingen volgen en hij leert
die gevolgen vreezen. Als een kind onwetend zijn hand
in het vuur steekt, zal het zijn hand spoedig terugtrekken,
door de pijn, die het gevoelt; door deze ondervinding zal
het niet voor de tweede maal zijn hand in het vuur
steken. Indien een mensch in diep water springt
terwijl hij niet kan zwemmen, dan weet hij vooruit, dat
hij zal verdrinken. Springt hij dan toch in het diepe
water, dan handelt hij in strijd met zijn instinct en
Hij moet dan de gevolgen dragen. De wijze benut nu de
ondervinding en hij begaat niet voor de tweede maal de
zelfde fout, waarvoor hij gestraft werd; zoo is het Karma
inderdaad niet anders dan de evolutie der dierlijke ziel
van den mensch.
Het volgende is een voorbeeld van het Karma als tiantjita
óf het Karma waarvan de gevolgen in het tegenwoordig
leven door het Karma zelf nog gewijzigd kunnen
worden.
Alle gebeurtenissen in het zichtbaar heelal zijn aan elkaar
verbonden op een wijze van voorafgaand en opvolgend,
dat is van oorzaak en gevolg. Elk mensch bepaalt
dus door zijn handel en wandel zijn eigen levensduur,
die eerst ophoudt, zoodra het etherisch dubbel zijn
werking niet meer of onvoldoende verricht, terwijl de
goede of slechte werking van het etherisch dubbel
geheel afhangt van de levenswijze van den persoon, de
omgeving, waarin hij leeft en de middelen, waarover
hij kan beschikken.
Iemand, die overdadig eet, zal een laag vet om het
lichaam verzamelen, waardoor de werking van het etherisch
dubbel zal belemmerd worden. De ademhaling zal hoe
langer hoe moeielijker worden en ten laatste zal hij door
een beroerte stikken, en hij heeft zijn eigen dood bewerkt.
Iemand, die niet eet of onvoldoende zijn lichaam voedt,
zal ten laatste zoodanig verzwakken, dat de werking van
het etherisch dubbel geheel zal ophouden, en hij zal
eveneens sterven. De persoon, die in een slechte omgeving-
is geplaatst waar hij bedorven lucht inademt en
onzuiver water drinkt, belemmert de goede werking van
zijn etherisch dubbel en hij krijgt een ziekelijk gestel.
Daarentegen zal iemand, die matig leeft, zijn lichaam
naar behooren voedt en in een gezonde omgeving woont,
meer kans hebben, om gezond te blijven en langer te
leven. In deze gevallen zijn de natuurwetten in zoover
er mede gemoeid, dat de wet van oorzaak en gevolg
daarop van toepassing is en dat de gevolgen door verbetering
nog afgewend kunnen worden; het staat evenwel
den mensch geheel vrij, te doen en te laten hetgeen
hij wil. Daar nu alle ziekten, met uitzondering van verwondingen
en breuken, ontstaan door slechte werking
van liet etherisch dubbel en uit een onregelmatigen toestand
van liet lichaam allerlei gemoedsgesteldheden ontstaan,
die aanleiding geven tot verdriet en smart, zoo
bepaalt de mensch ook zijn eigen geluk en ongeluk. Het
is daarom een eerste plicht van den mensch door een
geregelde levenswijze zijn gezondheid te bevorderen,
door standvastig zijn slechten wil te beheerschen, datgene
te vermijden, hetgeen hem kan schaden en de gevolgen van
een onbewuste of onvermijdelijke slechte daad te voorkomen.
Een ander voorbeeld zal liet Kanna als Kryamana of
het Karma, dat zich in het volgend leven openbaart,
verduidelijken.
De hartstochten zijn krachten, die gevaarlijk worden,
wanneer de mensch zich door deze laat beheerschen.
Vrij in zijn handelingen geeft hij zich over aan de onstuimigheid
zijner hartstochten en instede deze te temperen
en zich te bedwingen, stapelt hij steeds nieuwe fouten bij
de vorige, totdat hij gehukt gaat onder een zwakte van
wil en verderf van zijn gedachtekracht en mitsdien ook
van zijn lichaam; eerst dan leert hij geduld oefenen, dan
eerst komt hij tot nadenken en krijgt hij de kalmte, die
mogelijk is, de waarschuwingen van zijn instinct te ver.
- 47
— 48 -
nemen, doch dan is hij zedelijk en lichamelijk verwoest
en hij is niet meer ia staat voor zijn dood de begane
font te herstellen en zonder deze herstelling is geen
zedelijke genezing mogelijk en aangezien nu een oorzaak
een gevolg moet hebben, ondervindt hij de gevolgen zijner
hartstochten, lusten en begeerten na zijn dood en in zijn
volgend leven als stoffelijk mensch.
De gevolgen, die hij in zijn volgend leven ondervindt,
is smart en verdriet. De werking van smart
zuivert den mensch van zijn fouten in zijn vorig leven
begaan. Laat een ieder zich dan niet verwonderen, dat
hem soms, niettegenstaande alle inspanning, alles
tegenloopt, dat hem niets gelukt dan met groote inspanning
en opoffering; dat hij in een soms braaf en eerlijk
leven gebukt gaat onder een smart, die hem verteert
en hij als het ware door een onzichtbare macht moreel
en individueel te gronde gaat.
Door geduldig het leed te dragen, dat de mensch door
zijn handelingen, zich zelf heeft opgelegd, wordt hij gelouterd
en hij komt tot volmaking, want smart en hartstochten
gaan niet samen. Om van die smart bevrijd te
worden, moet de mensch zich zelf leeren kennen; daarvoor
moet hij al zijn daden aan een nauwkeurig onderzoek
onderwerpen, en verbeteren of herstellen, indien de
begane fout dit nog toelaat. Deze loutering zal den mensch
in staat stellen, in zijn volgend leven zijn begeerten en
verlangens te beteugelen en uit zijn denkvermogens te
verwijderen, waardoor hij zal ophouden Karma te verwekken.
Uit deze drie voorbeelden blijkt, dat de wet van het
Kanna den mensch als het ware dwingt instinctmatig voor
zich zelf te zorgen, te laten hetgeen slecht voor hem is
en hem straft, indien hij iets verkeerds doet. Zij is de zedelijke
uitwerking van een daad en de gevolgen daarvan;
in het kort de wet van oorzaak en gevolg, die den mensch
overal vergezelt en hem zelfs na zijn dood en zijn wedergeboorte,
de gevolgen zijner daden doet ondervinden,
— 49 —
indien hij zijn vermogen van den wil heeft misbruikt.
De wet van het Karma maakt geen uitzondering- en is
voor een ieder gelijk. Zij is zelfwerkend en kent geen
genade en geen wraak. Haar gevolgen kunnen niet worden
afgewend of veranderd. Telkens wanneer de mensch
zich tegen deze wet verzet, ondervindt hij de gevolgen
daarvan van pijn, verdriet, smart of dood. Hij kan door
het opzeggen van formulieren deze wet tijdelijk, zelfs tot
eenigen tijd na zijn dood, buiten werking stellen, hij kan
door zijn gedachtekracht en het vermogen van zijn wil
voldoen aan zijn hartstochten, lusten en begeerten, zelfs
vrijwillig en bewust een slecht leven lijden, doch eenigen
tijd na zijn dood moet hij do gevolgen van een en ander
dragen en wanneer de tijd zijner wedergeboorte aanbreekt,
vormen de vroeger geschapen gedachtenbeelden, alweer
door de wet van het Karma, het model waarnaar zijn
nieuwe persoonlijkheid gebouwd zal worden. De handelingen
van hartstocht, lust of begeerte bepalen de omgeving,
de stoffelijke omstandigheden, den aard, het temperament,
de natuurlijke neigingen en aanleg en ook het
karakter van zijn nieuwe persoonlijkheid.
De wet van het Karma maakt ook duidelijk, waarom
de een in overvloed kan leven, terwijl de ander van
honger sterft, waarom de een kerngezond is en de ander
voortdurend sukkelt, waarom de een vroolijk door het leven
gaat en de ander gebrekkig op krukken loopt. Het
is de onbekendheid met de wet van het Karma, die menigeen
er toe gebracht heeft de vraag te stellen: „Is er
wel een rechtvaardige God."
De wet van het Karma sluit de mogelijkheid van een
God, die beloont en straf toemeet, geheel uit en verwerpt
de leer der voorbeschikking; zij is door haar blinde
en zelfwerkende kracht van oorzaak en gevolg de
meest ideale vorm van belooning en straf. Alleen de
macht der goede gedachte kan de kwade zijde van hot
Karma voorkomen, zelfs den mensch tot hulp en bijstand
strekken, doch het staat den mensch echter geheel vrij
4
— 50 —
die macht aan te wenden.
De wet van het Karma leert dus, dat de mensch een
vrijen wil heeft, dat hij verantwoordelijk is voor zijn daden
en dat hij niet de speelpop is van een blind toeval of
vreemd noodlot, noch de ontvanger van onverdiende gunsten
of straffen van een wrekenden God. Deze wet leert
den mensch door zijn instinct zijn eigen zaligheid en wel
bewerken en dat hij zich moet verheffen, totdat liij gekomen
is tot een standpunt van waarheid en liefde.
Men zou uit het bovengemelde kunnen opmaken, dat
God alzoo den mensch aan zijn lot overlaat; dit is het
geval niet. God regelt alle natuurwetten en is overal
vertegenwoordigd tot zelfs in het binnenste van den
mensch; het staat den mensch echter geheel vrij van deze
goddelijke macht een goed of slecht gebruik te maken.
Verder wordt de mensch door engelen beschermd tegen
de racht gevaren," waarin hij zonder zijn toedoen kan
geraken, terwijl het instinct den mensch waarschuwt,
indien hij zich iets slechts voorneemt.
DE GEHEIME LEER.
Het heelal bestaat uit drie groote gebieden, het stoffelijk,
het astraal- en het geestelijk gebied. In het stoffelijk gebied
bewegen zich de sterren, planeten en andere hemellichamen.
Elke planeet is een hel (Naraka). Alle planeten en andere
hemellichamen, die de zelfde zon tot moedei' hebben, vormen
te zamen één afzonderlijke groep, die door natuurwetten
aan elkander verbonden zijn. Elke groep bestaat
uit groote en kleine planeten, die zeer verschillen in
ontwikkeling en in dampkring. Zij worden bewoond door
stoffelijke wezens, die eveneens zeer in ontwikkeling verschillen.
De minst ontwikkelde planeten zijn die, welke bewoond
zijn door menschen, die van dier pas mensch zijn geworden.
Zij hebben den grofsten dampkring en bestaan uit
zeven stoffelijke bollen, die in een vertikalen kring zijn
gelegen en door natuurwetten aan elkander zijn verbonden.
Van deze zeven bollen wordt slechts de hoogste bol dooide
zon beschenen, de andere zes bollen zijn in schemerlicht
of in duister gehuld. Deze bollen hebben zeer verschillende
dampkringen.
De minst ontwikkelde planeten vormen door hun weerkaatsing
in het astraal gebied, zeven andere bollen, die in
alles volkomen gelijk zijn aan hun stoffelijke modellen. Deze
weerkaatste bollen worden echter alle door de zon beschenen
en hebben een fijneren dampkring dan hun stoffelijke
modellen. Zij vormen de geesten verblijven of bovenaardsche
hellen (Katnaloka's) Ook deze bollen liggen in
een vertikalen kring en zijn met hun stoffelijke modellen
verbonden door natuurwetten en ook door astrale wegen.
Deze weerkaatsingen zijn gelegen ter linkerzijde boven
hun model ten opzichte van de moederzon. Het astraal
gebied wordt ook „het tusschengebied" genoemd.
Behalve de weerkaatsingen van de minst ontwikkelde
- 52 -
planeten van elke groep in het astraal gebied, hebben de
minst ontwikkelde stoffelijke planeten bewoond door stoffelijke
wezens — dus de planeten zelf — weerkaatsingen in
het geestelijk gebied.
De beter ontwikkelde planeten bestaan elk uit slechts
één groote bol en hebben geen weerkaatsingen in het
astraal gebied. Zij hebben alleen weerkaatsingen in het
geestelijk gebied.
Do weerkaatsingen van de minst ontwikkelde tot de
hoogst ontwikkelde planeten in het geestelijk gebied vormen
de zeven hemelgebieden (Swarga's). De weerkaatsingen
van de meest ontwikkelde planeten van elke groep, die
ook den fijnsten dampkring hebben, liggen in het zevende
hemelgebied. De daarop volgende in ontwikkeling liggen
in het zesde hemelgebied en zoo voort zoodat de weerkaatsingen
van de minst ontwikkelde planeten van elke
groep in het eerste hemelgebied liggen.
Elk voorwerp of ding, elke handeling, zelfs elke gedachte
van een stoffelijk mensch op de minst ontwikkelde planeten
van elke groep wordt weerkaatst in de geestenverblijven
en in de hemelgebieden tot in het zevende hemelgebied,
terwijl elk voorwerp of ding, elke handeling, zelfs
elke gedachte van een stoffelijk mensch op de meer ontwikkelde
planeten slechts wordt weerkaatst in de hemelgebieden
tot in het zevende hemelgebied. Ook van voorwerpen
en dingen, die vroeger bestaan hebben, doch sedert
vergaan of in onbruik zijn geraakt, bestaan blijvende weerk
mtsingea. De kracht der wöarkaatsing is zoo sterk, dat
elk wezen, elk gebeurde, elk • handeling, elk voorwerp
duidelijk weerkaatst wordt op omliggende vaste voorwerpen,
welke weerkaatsing zichtbaar is voor alle geesten en
menschen, die het astraal gezicht hebben. Zoo zijn deze
voorwerpen, totdat zij vergaan, dat bij steenen en metalen
eeuwen duurt, de stomme getuigen van 's menschen handelingen
zelfs in het duister of in het verborgene. De weerkaatsingen
der Goddelijke gedachte en wil op de oerstof,
doet werelden en vaste voorwerpen ontstaan. Door de
— 53 —
Weerkaatsing van het licht der raoederzon ontkiemt en
groeit alles en worden planten in hun oorspronkelijk model
tot aanzijn geroepen. In het kort door de weerkaatsing
wordt alles tot bestaan geroepen en worden blijvende bestaansvormen
geschapen. De weerkaatsingen van planeten,
voorwerpen, dingen, handelingen en gedachten geschieden
volgens de wet van het Agra Sandhami, waardoor,
alles wat is, gebeurt of gedacht wordt, als een beeld weerkaatst
wordt.
Alle hemellichamen bestaan en worden bestuurd door
een wet van beweging, dat is het Isitwa of het Goddelijk
verstand, de Goddelijke gedachtekracht, de Goddelijke wil,
te zamen genomen het Goddelijk vermogen, dat vertegenwoordigd
is in elk hemellichaam en in elk levend schepsel
tot zelfs in den steen. Elk schepsel, waarin liet Goddelijk
vermogen vertegenwoordigd is, bestaat eeuwig, stoffelijk
leven en dood zijn slechts vormen voor zijn ontwikkeling.
De geheime leer zegt: Een steen wordt een plant, een
plant wordt een dier, een dier wordt een menschen een
mensch wordt een godheid (engel,) aan God ondergeschikt,
aan wien een aandeel in het bestuur van het heelal wordt
opgedragen. De tot godheid gevormde mensch verschilt
zooveel van den laagst «taanden mensch, als deze van het
dier verschilt.
De aarde is van onze groep, die door één zon beschenen
wordt, een van de minst ontwikkelde planeten. Zij heeft
den grofsten dampkring en bestaat zooals reeds gezegd werd,
mitsdien uit zeven bollen, waarvan alleen de aarde door de
zon beschenen wordt, terwijl de andere zes bollen in
schemerlicht of in het duister zijn gehuld. Deze vorm deiaarde
is noodig voor de ontwikkeling van haar bewoners.
De weerkaatsing in het astraal gebied van de aarde met
haar zes andere bollen, die ten opzichte van de zon links
en boven de aarde liggen, vormen de zeven geestenverblijven,
welke door de zon beschenen worden, terwijl
de weerkaatsing van de aarde zelf in het geestelijk gebied,
gelegen is in het gebied van den eersten hemel.
54
Indien in het vervolg' sprake is van liet geestenverblijf
en van den eersten hemel, worden daarmede bedoeld de
weerkaatsingen van de zeven bollen der aarde, gelegen
in het astraal gebied en de weerkaatsing van de aarde
zelf, gelegen in het gebied van den eersten hemel.
De aarde is bewoond, met uitzondering van eenige
geincarneerde engelen, die God als leeraren naar de
aarde zendt en eenige verbannen engelen, door mensehen,
die van dier pas menschen zijn geworden en nog nimmer
in den hemel zijn geweest. De menscli, die pas uit het
dierenrijk komt, gaat ook niet eerder naar den hemel,
voordat hij het dierlijke dat nog in hem is, heeft afgelegd,
welke graad van loutering hij verkrijgt, door telkens na
zijn dood, de eerste geestelijke levens door te brengen in
de benedenaardsche hellen, alwaar hij door dwang en
vrees om in een slechteren toestand te komen, leert, zijn
dierlijke lusten te bedwingen. Indien hij zoover gevorderd
is in ontwikkeling, dat hij beseft, dat hartstochten en lusten
hem kwaad doen, brengt hij telkens na zijn dood, zijn
geestelijke levens door in de geesten verblijven of bovenaardsche
hellen, waar hij door ontwikkeling van zijn verstand
leert, vrijwillig zijn dierlijke lusten geheel af te
leggen. Is de mensch zoo ver gekomen, dan eerst wordt
hij herboren op de weerkaatsing (prototype) der aarde
gelegen in het eerste liemelgebied.
De aarde is daardoor bevolkt door een mengelmoes van
menschen van de laagste soort, die de kleur en het wezen
van het dier nog niet hebben afgelegd, tot ontwikkelde
menschen, die op het punt staan, na hun laatste wedergeboorte
over te gaan naar de prototype der aarde gelegen
in het eerste hemelgebied. En telkens en telkens
vermeerderd het menschdom en wordt dit aangevuld met
wezens, die pas menschen zijn geworden.
De mensch, die overgegaan is naar de prototype der
aarde gelegen in het eerste hemelgebied, wordt een
engel en zet daar met behulp van hooge engelen zijn
kennis om in ontwikkeling, waarna hij pas mensch wordt
— 55 —
in den waren zin des woords. Indien hij door hoogere
ontwikkeling zoover is gekomen, dat hij een hemellichaam
in het tweede hemelgebied kan bewonen, wordt hij eerst
herboren op een planeet, wier prototype gelegen is in het
tweede hemelgebied, om later indien hij daar de vereischte
studie heeft gemaakt, na zijn dood over te gaan naar
de prototype van de planeet, welke hij bewoond heeft.
Op deze wijze gaat hij voort, totdat hij na zijn laatsten
dood overgaat naar de prototype van een eerste klasse
planeet, gelegen in het zevende hemelgebied, waar hij
den graad krijgt van oppergodheid (aartsengel) aan God
rechtstreeks ondergeschikt. Indien hij dezen graad bereikt
heeft, wordt hij niet meer herboren en wordt hem dan
het bestuur over een hemellichaam opgedragen.
De opleiding van een diermensch tot aartsengel vordert
vele millioenen jaren.
Het bestuur van onze aarde is opgedragen aan Prithoe,
wiens gemalin Prithiwi is, terwijl hij in zijn bestuur over
liet menschdom wordt bijgestaan door millioenen menschelijke
engelen, die de menschen beschermen en alles wat
van de aarde wordt weerkaatst aan God mededeelen,
terwijl hij in liet bestuur der aarde als planeet wordt bijgestaan
door de natuurengelen Agni, Paicana, Wcvoena en
Kshiti als heerschers. over de elementen vuur, lucht, water
en aarde, in welk bestuur deze weder worden bijgestaan
door millioenen natuurgeesten van verschillende rangen
genaamd Salamandala's of vuurgeesten, Gvandoewa's of
luchtgeesten, Apsara's of watergeesten en Yakslia's of
aardgeesten.
Voor een goed begrip van hetgeen verder zal volgen,
dat slechts een verduidelijking en uitbreiding is van de
geheime leer, dient men een zuiver denkbeeld te hebben,
van den toestand, die „hel" wordt genoemd. Deze
naam duidt geen strafplaats aan, waar de mensch gepijnigd
wordt. De hellen zijn noodzakelijk voor de
vorming van den mensch tot een liooger leven, welke
vorming niet in de hemelgebieden kan geschieden, daar
- 56 -
deze de plaatsen zijn, van waar het heelal bestuurd wordt.
De mensch wordt daarom voor die vorming herboren op
de verschillende planeten, gelegen in één zongebied. De
toestanden op deze planeten moeten dus niet alleen veel
van elkander maar ook veel verschillen niet den toestand,
dien op de aarde bestaat, daar de mensch een steeds
hoogere vorming krijgt, zoodat de toestand van- Jiel" zooals
die op de aarde bestaat, niet vergeleken kan worden
met den toestand van rheJ", zooals die op de hooger ontwikkelde
planeten bestaat, waarop alleen hemelsche
mensehen ot' engelen herboren worden- De toestand van
Jiel" op die planeten moet dus een Jiemelsche" zijn en
moet de hel alleen beschouwd worden als een leerplaats.
De aardmensch is door zijn overgang van dier tot
mensch nog geen mensch in de ware beteekenis van het
woord. Zijn hartstochten en lusten verhinderen den aardmensch
waar geluk te smaken, om de zelfde reden heerscht
op de aarde nog den toestand van het recht van den
sterksten even als bij dieren, die geen begrip van wil of
verdediging hebben; daarom worden op de aarde oorlogen
gevoerd, verdelgt de eene mensch den andere, eet de
eene mensch den andere op, worden dieren op een wreedaardige
wijze omgebracht, strijdt men om het bezit van
een vrouw en bestaat er mitsdien nog haat, afgunst, jaloezie
en alle vormen van hartstochten en lusten. Deze
ondeugden zijn een gevolg van het dierlijke in den
mensch.
Het dierlijke in den mensch moet op de aarde worden
afgelegd, voordien kan de mensch niet overgaan naar de
prototype der aarde, gelegen in het eerste hemelgebied,
daar op de hemellichamen gelegen in liet hemelgebied
alleen menschen kunnen verblijven in de ware beteekenis
van mensch.
DE HEL, HET GEESTENVERBLIJF
EN DE HEMEL.
De aarde bestaat uit zeven bollen ot' hemellichamen,
waarvan aüeen de bovenste of onze aarde des daags verlicht
is, terwijl op bol 2, 3 en 4 slechts schemerlicht bestaat
en de bollen 5, 6 en 7 in duisternis gehuld zijn.
Deze bollen liggen in een vertikalen kring in de verschillende
zones der aarde, die door natuurwetten vei
bonden, één groote bol vormen en Karaka wordt genoemd.
(Zie onderste bol der teekening).
KAMALOKA.
— 58 —
Deze zeven bollen liggen in het stoffelijk gebied en zijn
stoffelijke hellen. Zij worden ook benedenaardsehe hellen
genoemd.
De weerkaatsing van deze zeven bollen vormt in het astraal
gebied zeven andere doch astrale bollen, die eveneens
door natuurwetten niet alleen aan elkander maar ook aan
de aarde zijn verbonden. Deze bollen vormen te zamen
één bol, die Kamalóka of geestenverblijf wordt genoemd.
De Kamalóka is eveneens een hel doch ter onderscheiding
van de stoffelijke hel, wordt zij astrale- of bovenaardsche
hel genoemd. (Zie bovenste bol der teekening.)
De afstand van bol 1 van de Naraka en bol I van de
Kamalóka, (zie teekening) is de astrale weg tussclien beide
bollen. Deze weg wordt ook brug genoemd zooals de
naam Wot-agü-agil aanduidt. Hierover nader.
De dampkringen van de verschillende bollen der Naraka
verschillen zeer. De aarde of eerste hel heeft den
ijlsten of fijnsten dampkring, geschikt voor een stoffelijk
mensch der aarde, evenwel in vergelijking met andere
planeten zeer grof en zwaar en voor een hemelmensch
onbewoonbaar. De dampkringen van de zes andere bollen
der Naraka zijn hoe lager men daalt grover en zwaarder
en bijgevolg ook warmer, waarom de Naraka en de Kamalóka
onderscheiden worden in een warme en in een
koude hel. De dampkringen van de bollen 2, 3 en 4 zijn van
dien aard, dat een stoffelijk mensch daar geen dag zou
kunnen leven, terwijl de dampkringen van de bollen 5, 6
en 7 zoo zwaar en warm zijn, dat een stoffelijk mensch
daar onmiddellijk zou stikken.
De zeven bollen van de Naraka worden als planeten
de Sapta loka's (zeven verblijfplaatsen), terwijl de zones
waarin deze bollen gelegen zijn, de iSapta clwipa's (zeven
zones) worden genoemd. De zeven verblijfplaatsen lieetcn
opvolgend zooals zij in de teekening van 1 tot 7 genummerd
zijn: 1 Jamboe, 2 A'oesha, 3 Plaksha, 4 Shalmalia, 5
Kraoentfiha, (j Shaka en 7 Poeshkara, terwijl de zeven zones
opvolgend heeten 1 Mahatala, 2 Kasatala, 3 Atala, 4 Soetala,
5 Witala, 6 Talatala en 7 Patala. Met de laatste namen
onderscheidt men ook de zeven hellen.
De Na ra ka dient tot verblijfplaats van geesten, die als
mensch slecht geleefd hebben, waar zij door vrees om in
een slechteren toestand te komen, dus door dwang, leeren
hun hartstochten, lusten en begeerten te bedwingen. De
loutering, die de geesten in deze hellen ondergaan, bestaat
in de onaangename toestanden in de verschillende hellen
tengevolge van voortdurende schemering of duisternis en
de onaangename en drukkende atmosfeer. Er is echter
geen sprake van pijniging van den geest door vuur of
andere straffen. Het astraal lichaam van den geest komt
na het sterven van het stoffelijk lichaam en naar zijn
levenswandel als mensch in een toestand geschikt voor
een verblijf in de hel, het geestenverblijl of den hemel,
dat is in het stoffelijk-, astraal- of geestelijk gebied. De
geest, die in de hel komt, raakt langzamerhand aan de
levenstoestanden aldaar gewend en door het afleggen van
zijn stoffelijk lichaam, heeft hij het in de hel in vele opzichten
beter, dan een arm en ziekelijk mensch op de aarde,
die geen voedsel of do.> nachts geen onderkomen
heeft.
De zeven bollen van het geestenverbiijf heeten opvolgend
zooals zij in de teekening van 1 tot 7 genummerd
zijn: 1 Loitaniarïka, 2 Mahakala, 3 Ambariaha, 4 Raoerawa, 5
Maharaoeraica, 6 Kalasoetra en 7 Andhatamhra. Deze
astrale bollen verschillen zeer van dampkring. De dampkring
van bol 1 verschilt niet veel met dien der aarde,
doch hoe hooger men stijgt, hoe ijler de dampkring wordt.
Alle bollen van het geestenverbiijf krijgen hun licht van
de zon.
Het geestenverbiijf dient tot verblijfplaats van geesten,
die als mensch braaf geleefd hebben, waarom zij in de
gelegenheid worden gesteld, door hun verstand en vrije
wil hun hartstochten, lusten en begeerten af te leggen.
Het geestenverbiijf kan men verder beschouwen als een
leerplaats der geesten, waar zij naar hun ontwikkeling
59 -
— 60 —
Worden opgeleid voor een werkkring in den hemel. De
tijd der opleiding en het aantal malen, die de geest daarvoor
herboren moet worden, alvorens voor het eerste hemelgebied
geschikt te zijn, hangt geheel af, hoe hij als
mensch in de verschillende wedergeboorten geleefd heeft
en welke kennis en wetenschappen hij alsdan heeft opgedaan.
De als mensch op de aarde opgedane wetenschap
en ondervinding, worden in het geestenverbiijf verder
omgewerkt in ontwikkeling, waardoor de mensch in staat
wordt gesteld op de aarde telkens een lioogere opleiding
te genieten. Het is evenwel niet noodig, dat do geest van
onderen af alle bollen van het geestenverbiijf doorloopt.
Naarmate van zijn ontwikkeling, deugdzaamheid en
zedelijkheid wordt hij geplaatst in een afdeeling, waarin hij
behoort.
De afstand tusschen bol 1 van de Naraka en bol 1 van
de Kamaloka wordt, zooals reeds gemeld werd, Wot-agü-agil
genoemd, dat is de brug, die de geest over moet gaan, om
van de aarde komende, het geestenverbiijf te kunnen bereiken.
Deze brug bestaat uit vrouwenharen, die in zeven
zijn gespleten en aan elkander zijn geknoopt, met andere
woorden: een denkbeeldige brug of astrale weg. Wotagü-
agil is evenwel op te vatten als een natuurwet, die
den geest na den dood van het stoffelijk lichaam en naar
den toestand, waarin zijn astraal lichaam dan bevindt,
plaatst in een van de bollen van het geestenverbiijf of de
hel, waar hij behoort.
Het denkbeeldig gebruik, dat van deze brug gemaakt
wordt is, dat zij boven de Naraka geplaatst, alleen den geest
kan dragen, wiens astraal lichaam ijl is en kan zweven,
waardoor hij het geestenverbiijf kan bereiken. De geest,
die als mensch slecht geleefd heeft en wiens astraal lichaam
dan half stoffelijk blijft, is te zwaar om te zweven en
zakt naar de zwaarte van zijn astraal lichaam, totdat hij
de bol of sfeer der hel bereikt, wier dampkring zijn astraal
lichaam kan dragen, zoodat die sfeer voor hem geschikt
is daar te verblijven.
— 61 —
Wat betreft de gedaante en indeeling van de hel zijn
de zes benedenaardsche hellen in gedaante en vorm geheel
gelijk aan de aarde, terwijl de zeven bollen van het
geestenverblijf of bovenaardsche hellen door de kracht
der weerkaatsing eveneens geheel gelijk zijn aan de stoffelijke
aarde doch van astrale stof.
Elke bol der hel en van het geestenverblijf is verder even
als de aarde verdeeld in vijf werelddeelen, alwaar verblijven
de geesten van het blanke-, gele-, bruine-, roode- en
zwarte ras. Elk werelddeel is verder onderverdeeld in
zooveel deelen als er talen op de aarde gesproken worden,
terwijl deze deelen weder verdeeld zijn in verschillende
gezelschappen naar de standen der maatschappij en
zooals de afscheiding op de aarde bestaat. Verder zijn de
werelddeelen verdeeld in landen, steden, dorpen, straten,
buurten enz., die volkomen gelijk zijn aan die op de aarde. In
de hel groeien stoffelijke en in het geestenverblijf astrale
boomen, planten en gewassen. Wat betreft de geaardheid
van het land zijn er in de hel stoffelijke-en in het geestenverblijf
astrale bergen en rotsen, rivieren stroomen daar
even als op de aarde. Alles is zichtbaar, voelbaar en
betreedbaar voor de geesten die daar verblijven.
Van alles, wat op de aarde gebeurt, alles wat de stoffelijke
mensch doet, zelfs in het duister of in het verborgene,
is in het zinnebeeldige groote boek genaamd ^Afjra
Sandhanï' onuitwischbare afbeeldingen gedrukt. Het „Agra
Sandhanï' is evenwel op te vatten als een natuurwet, waardoor
alles van de aarde, zelfs de gedachte van den mensch,
wordt teruggekaatst in de geestenverblijven en ook tot in
de hemelen. Men bidt daarom nooit te vergeefs om hulp.
Millioenen engelen zijn belast om alles, wat van het stoffelijk
gebied wordt teruggekaatst, gade te slaan, te onderzoeken
en de gebeden der menschen aan God overtebrengen.
Elke bol der hel en van het geestenverblijf wordt bestuurd
door een aartsengel, bijgestaan door andere engelen. De
besturende engelen der hel verblijven echter daar niet,
— 62 —
daar in de hel alles door natuurwetten geregeld is. Het
bestuur der hel bepaalt zich dan ook alleen in het gadeslaan
van hetgeen er gebeurt en het regelen der wedergeboorten.
Het hemelgebied, gelegen in het geestelijk gebied, heeft
den vorm van een staand mensch en bevindt zich daarin
alle weerkaatste prototypen van de planeten, gelegen
in het stoffelijk gebied van het heelal. Het hemelgebied
is verdeeld in twee hoofddeelen: het binnenhemelgebicd
of het aroepa-gebied en het buitenhemelgebied of het
roft/jrt-gebied. Het eerste is het gebied zonder vormen het
laatste met vormen.
De buitenhemelgebieden worden gevormd door de prototypen
van hemellichamen gelegen: 1 in het linkerbeen,
2 in het rechterbeen, 3 in den linkerarm en 4 in den
rechterarm. De binnenhemelgebieden worden gevormd
door prototypen van hemellichamen gelegen: 5 in den
buik, 6 in de borst en 7 in het hoofd. Het binnenhemelgebied
is weder verdeeld in twee afzonderlijke deelen.
namelijk de romp en het hoofd.
De menschelijke vorm, die het hemelgebied heeft, is
het zinnebeeld van de overeenstemming, die in den hemel
bestaat, welke overeenstemming zoo innig is in het bestuur
van het groote heelal, als de samenwerking van alle
deelen in een stoffelijk lichaam. De aartsengelen en de
engelen in de zeven hemelgebieden hebben in het bestuur
van het heelal een taak te vervullen, overeenkomende
met de werking van de verschillende deelen in het menschelijk
lichaam, zoodat de engelen in het roe/w-gebied
belast zijn met de regeling van het heelal en die van
het aroepa-gebied het bestuur in handen hebben, evenals
op de aarde de ambtenaren van het ambulante- en
die van het administratief beheer. De engelen in de zéven
hemelgebieden vormen dus te zamen een volkomen bestuur,
waarvan niet één gemist kan worden. Hieruit vloeit
van zelf voort, dat God en de aartsengelen hun plaats
hebben in het hoofd of het zevende hemelgebied, terwijl
— 63 —
de Heer der hemelen met de aan Hem ondergeschikte
engelen hun plaats hebben in het hart en de longen, dat
is de borst of in het zesde hemelgebied. De plaats in
dit hemelgebied, die door het hart en de longen wordt
ingenomen, heeft daarom een speciale naam en wel die
van Soeralaja.
De indeeling en gedaante van de prototypen van de
hemellichamen gelegen in de zeven hemelgebieden is geheel
gelijk aan die van hun model in het stoffelijk gebied.
De prototype der aarde gelegen in het linkerbeen
is geheel gelijk aan de stoffelijke aarde, alsmede op de
zelfde wijze verdeeld als de prototype der aarde, gelegen
in het astraal gebied, alleen met deze uitzondering, dat
er in de hemelgebieden geen standen zijn. Elke plaats
is verdeeld in een oneindig aantal groepen en elke groep in
zeven gezelschappen, terwijl een gezelschap gevormd wordt
door engelen, die een gelijke voorliefde voor iets gevoelen.
De groepen zoowel als de gezelschappen hebben
eveneens den vorm van een mensch en zijn zoo innig aan
elkander verbonden als de verschillende deelen in het
stoffelijk lichaam. Elke groep heeft één werkkring te
vervullen.
De namen der hemelgebieden zijn opvolgend: 1 Soe-
Ichaicati, 2 Hoektha, 3 Tribhoeicana, 4 Howarst, 5 Parirwana,
'> Amitabha en 7 Nirwana. Verder bestaan er zeven paradijzen,
hun namen zijn opvolgend: 1 Bhoerloha, 2 Bhoeirarloka,
3 Sicarloka, l Maharloka, o Janarloka, Ü Taparloka
en 7 Satijaloka. Van deze paradijzen is niets anders
bekend dan hun namen.
DE DOOD VAN HET STOFFELIJK
LICHAAM.
Zoodra de mensch gestorven en begraven is en liet lijk
in een toestand van een begin van ontbinding komt, verlaat
de schil (Wetala), dat is het etherisch dubbel, dat niet
sterft, doch zich binnen zeven dagen oplost, het lijk in
de gedaante van den of de overledene. Deze schil en
dientengevolge ook de ziel of het astraal lichaam en de
geest blijven door de kracht van den geestendraad (Hoerat
ma) aan het lijk gebonden zoo lang het in het lijk achtergebleven
stoffelijk magnetisme nog niet geheel verbruikt
is, welk stoffelijk magnetisme het lijk behoedt voor
snel vergaan. Zoodra het stoffelijk magnetisme, dat in
het lijk is achtergebleven geheel verbruikt is, dan is ook
het bloed van het lijk geheel water geworden. De levenskracht
is dan geweken, de dood van het stoffelijk
lichaam is dan eerst volkomen en wordt de gemeenschap
tusschen geest en lichaam verbroken door het breken
van den geestendraad. Dit heeft bij gewone sterfgevallen
plaats op den derden dag na het overlijden. Zoolang de
geestendraad niet verbroken is, kan in geval van gewone
ziekte, waarbij geen bijzondere inwendige deelen van
het lichaam geschonden zijn, door aanwending van formulieren
van de witte- Magi, de overledene nog tot bewustzijn
terug gebracht worden.
De schil kan ook aan het reeds ontbonden lijk gebonden
blijven door haar eigen kracht, die haar in staat
stelt, stoifelijk magnetisme op te nemen. Dit heeft plaats
bij plotselinge sterfgevallen, veroorzaakt door de doodstraf,
een zelfmoord, moordof ongeluk, een ontijdigen dood,
veroorzaakt door verwaarloozing of slecht gemaakt gebruik
van het stoffelijk lichaam, of ten gevolge van overdreven
hartstochten en lusten. In deze gevallen is de
- 65 —
schil nog' zeer krachtig' en in staat stoffelijk magnetisme
tot zich te nemen, waardoor zij niet kan oplossen en aan
liet lijk gebonden blijft, totdat de schil door ouderdom zijn
functiën weigert en zich oplost. Hoewel de geestendraad
tusschen lijk en schil reeds verbroken is, blijft de ziel of
het astrale lichaam aan de schil gebonden, waardoor de
geest de aarde niet kan verlaten, Heeft de overledene,
die een plotselingen dood stierf, braaf geleefd, dan blijft
zijn geest in een doodslaap, totdat zijn schil vergaan is.
Heeft de plotseling gestorven mensch gedurende zijn leven
zich overgegeven aan hartstochten en lusten en
daarvan een gewoonte gemaakt, dan wordt door deze ondeugden
de geest als het ware met geweld uit dien doodslaap
gewekt, daar alle neigingen van het stoffelijk
lichaam bij den dood overgaan in het astraal lichaam of
de dierlijke ziel. Terwijl de ziel aan de schil gebonden is,
doolt de geest rond en daar deze met zijn ziel gemeenschap
heeft met den geestendraad, tracht hij, door in aanraking
te komen met menschen, die met dezelfde ondeugden
zijn behept als zijn ziel, aan die hartstochten en
lusten te voldoen. Zoodra de schil door ouderdom vergaan
is, wordt door de kracht van den geestendraad de
geest weder met zijn ziel of astraal lichaam vereenigd en
hij moet dan, na een voorbereiding van vier dagen van zijn
astraal lichaam, het stoffelijk gebied verlaten.
De ziel, die van zijn schil verlost is, verliest veel van
zijn stoffelijkheid en wordt dan voor geesten, die nog aan
hun schil gebonden zijn, onzichtbaar, daar geesten alleen
dan voor elkaar zichtbaar zijn, indien hun ziel of astraal
lichaam gehuld is in den zelfden graad van stoffelijkheid,
die voor elke sfeer noodzakelijk is.
De schil is soms als een spook zichtbaar doch verstandeloos;
zij kan echter bezield worden bij toevallige ontmoeting
door een gewoon gedachtenbeeld (elementaal) of
door een gedachtenbeeld geschapen door een uitgesproken
formulier. Een dergelijke ontmoeting heeft dikwijls plaats,
nadat de schil van het lijk verlost is en gedurende vier
5
— 66 -
dagen doelloos rondzweeft, voordat zij zich oplost. Zoodra
zij oi> deze wijze bezield wordt, houdt zij op een menschelijk
wezen te zijn en wordt een natuurwezen, dat zijn
kracht en verstand voor zijn verrichtingen ontvangt van
het bezielend gedachtenbeeld en zijn vorig bestaan niet
meer bewust is.
De bezielde schil krijgt dan voor eenigen tijd een afzonderlijk
bestaan en heeft de kracht om zich zichtbaar te
maken in de gedaante van een mensch, doch haar verschijning
als een zichtbaar wezen, kan niet anders zijn
dan als een schaduwbeeld en nimmer door de tusschenkomst
van een mensch medium) of zich verstoffelijken
even als een geest, omdat haar verschijning veroorzaakt
wordt door het bezielend gedachtenbeeld. Ook haar verrichtingen
kunnen niet anders zijn, dan hetgeen door de
gedachte, die haar bezielde gewenscht werd.
Het bezielen van een schil kan ook met een goed doel
geschieden, namelijk om den geest en zijn astraal lichaam
spoedig, zelfs dadelijk van zijn schil te verlossen. Het
succes is echter alleen verzekerd bij gewone sterfgevallen
van menschen, die braaf geleefd hebben. Een gebed of
formulier voor dit doel opgezegd even voor of na den
dood, zal een gedachtenbeeld scheppen, die niet alleen den
geestendraad verbreekt, maar ook den geest zal beschermen,
zoolang deze vertoeft in het stoffelijk gebied. Al is
de mensch reeds lang geleden gestorven, kan een ernstig
gebed tot God voor de heil zijner ziel, deze in staat stellen,
spoedig zijn hartstochten en lusten af te leggen.
Zooals vermeld' werd, wordt de geest met zijn
dierlijke ziel, door het breken van den geestendraad, gewoonlijk
den derden * dag na het overlijden van het stolfelijk
lichaam, van zijn schil en lijk bevrijd. De ziel kan
zoolang zij gebonden is aan haar schil en deze weder aan
het lijk,r nog stoffelijk magnetisme tot zich nemen, waardoor
de geest zich zeer gemakkelijk zichtbaar kan maken
voor den^mensch in een doorschijnende ijle gedaante. Hij
kan zich evenwel niet geheel verstoffelijken evenals een
— 67 —
vrije freest dit doet, door gebruikmaking van het persoonlijk
magnetisme van een mensch {medium). Zoodra echter
de geest van zijn schil en lijk bevrijd is, verliest hij dit
vermogen, door de verandering, die dan het astraal lichaam
ondergaat, doch dan is hij in staat, door gebruikmaking
van het persoonlijk magnetisme van een mensch (medium)
zich te verstoffelijken. Deze beide eigenschappen van den
geest zijn het bewijs, dat de levenskracht van het stoffelijk
lichaam eerst ophoudt na het verbreken van den
geestendraad.
Gedurende zeven dagen 11a het overlijden is de geest
nog niet bewust van het verlies van zijn stoffelijk lichaam.
Hij houdt zich, na bevrijd te zijn van zijn schil, bij voorkeur
o]i in de woning, waar hij geleefd heeft. De zevende dag
11a het overlijden van het stoffelijk lichaam wordt de geest
echter door den toestand waarin het astraal lichaam dan
successievelijk gekomen is, bewust dat hij geen stoffelijk
lichaam meer heeft, tevens door zekere natuurwetten gedwongen
de aarde te verlaten.
Indien de mensch zijn tijd op de aarde benut heeft, om
zich van ondeugden te zuiveren, dan kan zijn astraal lichaam
zweven en bereikt de geest, den zevenden dag 11a
het overlijden van zijn stoffelijk lichaam, het geestenverblijf
(Kama/oka), dat is de plaats (loka), waar de geest
leert door zijn verstand zijn hartstochten en lusten (karna)
af te leggen, waarna de geest van zijn dierlijke ziel bevrijd,
overgaat naar de prototype der aarde gelegen in
het eerste liemelgebied.
Zoodra een geest geschikt is geworden voor een overgang
naar de prototype der aarde gelegen in het eerste
liemelgebied, legt hij door een tweeden dood zijn astraal
lichaam of dierlijke ziel af. Dit lichaam wordt dan een
schim (Tjajal), die door natuurwetten naar het stoffelijk gebied
getrokken, zich daar langzaam oplost.
De schim is verstandeloos, docli kan bij toevallige ontmoeting
bezield worden door een gewoon gedachtenbeeld, of
wordt die ontmoeting en bezieling bewerkt door een ge-
68 -
dachtenbeeld geschapen door liet opzeggen van een daartoe
strekkend formulier. De bezielde schim wordt dan een
natuurwezen en houdt op een menschelijk wezen te zijn.
Haar verstand en de kracht voor haar verrichtingen ontvang!
zij door het bezielend gedachtenbeeld en is van haar
vorig bestaan niet meer bewust. De bezielde schim verkeert
in den zelfden toestand als de bezielde schil; hetgeen
van de schil in dien toestand werd vermeld, heeft ook
betrekking op de bezielde schim. Indien de kracht van
liet bezielend gedachtenbeeld te niet gaat, lost ook de
schim zich op en bestaat niet meer.
Indien de menseh zijn tijd op de aarde niet benut heeft,
om zijn hartstochten en lusten te beteugelen en heeft hij
van deze ondeugden een gewoonte gemaakt, zoodat zijn ziel
als het ware besmet met die ondeugden is overgegaan,
dan ondergaat zijn astraal lichaam, nadat het van zijn schil
verlost is, van den derden tot den zevenden dag weinigof
geen verandering, het blijft in een toestand van half stoffelijk
en is dan in dien toestand te zwaar om te zweven.
De geest zakt dan, zooals vermeld werd, zoodra hij
bij zijn overgang naar het geestenverblijf de brug Wot-agilagü
wil betreden, naar beneden en hij komt dan naarmate
de stoffelijkheid van zijn astraal lichaam in een van
de bollen van de hel (Naraka), wier atmosfeer overeenkomt
met den toestand, waarin zijn astraal lichaam verkeert.
Daar de zes benedenaardsche hellen stoffelijke bollen
zijn, verkeert de geest daar in een minder aangename
toestand dan als mensch op de aarde en die toestand
wordt onaangenamer, hoe lager een bol gelegen is.
De geest, hetzij hij komt in het geestenverblijf of in de
hel, kan geen beteren toestand bereiken, dan door uit de
plaats of uit den toestand, waar of waarin hij geplaatst werd,
herboren te worden, zoo dikwijls zijn geschapen Karma nog
niet vereffend is en hij daardoor niet geschikt is, over te
gaan naar de prototype der aarde, gelegen in het eerste
hemelgebied. De duur van zijn verblijf in de hel of het
geestenverblijf, hangt niet alleen af' van den ouderdom,
— 69 -
waarop hij als mensch sterft, maar ook van zijn levenswijze
als mensch. Het verblijf in elke sfeer duurt bij overlijden
op een hoogen ouderdom niet langer dan 1500 zonnejaren.
Kinderen, die sterven op een leeftijd, waarop zij nog
niet tot besef zijn gekomen van goed en kwaad, worden
na een voorbereiding van eenige maanden herboren, zoo
mogelijk door de zelfde moeder.
Dieren, die op een volwassen leeftijd sterven, hebben
evengoed als menschen een tijd van ontwikkeling noodig,
waarna zij herboren worden met een scherper instinct.
Gewassen en steenen worden eveneens na een ontwikkelingstijd
in edeler vorm herboren.
Zoodra de mensch na tal van wedergeboorten zijn hartstochten,
lusten en begeerten heeft afgelegd, sterft hij met
een beëindigd Karma en hij komt dan in de hoogste
sfeer van het geesten verblijf, waar hij na een voorbereiding
van 33 dagen, een tweeden dood sterft, waarna zijn
geest met zijn geestelijk lichaam als engel overgaat naaide
prototype der aarde, gelegen in het eerste liemelgebied,
waar hem een werkkring wordt opgedragen in het bestuur
van het groote heelal.
Indien de engel in deugdzaamheid, ontwikkeling en
plichtsbetrachting zoover is gekomen, dat hij een hemellichaam
kan bewonen, gelegen in het tweede liemelgebied,
wordt hij eerst herboren op een planeet, wier prototype
gelegen i.s in het tweede liemelgebied. Indien hij daalde
vereischte kennis heeft opgedaan, die noodig is voor een
overgang naar het tweede liemelgebied, gaat hij na zijn
stoftelijken dood over naar de prototype van de planeet,
waar hij als mensch geleefd heeft. Op deze wijze gaat
de engel voort, zich te ontwikkelen en te bekwamen voor
een hooger liemelgebied, totdat hij na een der meest ontwikkelde
planeten bewoond te hebben, na zijn stoffelijken
dood overgaat naar den zevenden hemel. Hij wordt dan
een aartsengel, wordt niet meer herboren en krijgt dan
het bestuur en beheer over een planeet.
— 70 —
Zoo lang de engel verblijft in de buitenhemelgebieden
of het eerste, tweede, derde en vierde hemelgebied, is
hij in een toestand van roepa (met vorm), dat wil zeggen,
dat hoewel hij een zeer fijn lichaam heeft, dit nog een
zichtbaren vorm heeft. Zoodra de engel na vele wedergeboorten
overgaat naar een planeet wier prototype gelegen
is in het vijfde of liet laagste binnenliemelgebied, legt hij
na zijn stoffelijken dood z'ju geestelijk lichaam af en hij
komt dan in een toestand van aroepa (zonder vormen) in
het vijfde hemelgebied. De engel krijgt dan een gedaante,
zooals hij oorspronkelijk door God werd geschapen. Hij
heeft dan nog wel een menschelijken vorm, doch zoo
geestelijk, dat het onzichtbaar en geschikt is te verblijven
in den fijnsten dampkring. Verder moet hierbij nog worden
aangeteekend, dat in liet roepa-gebied de gedachten
nog vormen aannemen, doch dat in het aroepa-gebied
de gedachten geen vormen meer hebben.
De geesten, die het geestelijk gebied bewonen, worden
engelen, die in het astraal gebied vertoeven, worden
eenvoudig geesten en die in het stoffelijk gebied zijn,
worden duivels genoemd.
In het volgend hoofdstuk zullen de voorbeschreven toestanden
nader verklaard worden.
HET ASTRAAL LICHAAM.
De eerste ondervinding, die de geest opdoej, als zijn
stoffelijk lichaam stervende is, is de herinnering aan alles,
hetgeen gedurende het leven van dit lichaam gebeurd is;
alles, wat hij heeft gedaan, alles, wat hij heeft ondervonden,
gaat als een panorama voorbij de oogen van den
geest. Het is alsof hij inzage krijgt in het groote boek
Ag va Sandhani, waarin zijn daden zelfs zijn gedachten
gedurende zijn geheele leven zijn teruggekaatst. En die
inzage, die herinnering is noodig, want naar zijn daden
gedurende zijn leven als mensch wacht den geest in het
astraal gebied, de plaats of den toestand, die hij zichzelf
heeft bereid, met de aan dien toestand verbonden vreugde
of leed. Deze uitkomst is geen belooning of straf, doch
zooals vermeld werd, de werking van de wet van
het Karma, de natuurwet van oorzaak en gevolg, aan
welke iedereen zich moet onderwerpen.
Zoodra Prana, dat is de adem of de levenskracht, het
stoffelijk lichaam heeft verlaten, dan is ook alles, wat dit
lichaam bezat en den geest dienstig kan zijn, overgegaan
in het astraal lichaam en het stoffelijk lichaam is dan als
het ware een afgelegd kleed geworden. Door dezen overgang
zal de astrale mensch niet dadelijk beseffen, dat hij
geen stoffelijk lichaam meer heeft, want zijn karaktereigenschappen
en zijn gewoonten, zelfs zijn hartstochten en lusten
zijn overgegaan in zijn astraal lichaam en indien hij na
een doodslaap van drie dagen ontwaakt, mist hij zijn stoffelijk
lichaam niet en zijn doen en laten zijn nog dezelfde
als die van een stoffelijk mensch.
Van af zijn ontwaken tot den zevenden dag na zijn
overlijden, ondergaat evenwel het astraal lichaam een
groote verandering. Door de scheiding van zijn etherisch
dubbel, dat de schil is geworden, heeft alle toevoer van
stoffelijk magnetisme, dat liet astraal lichaam aan liet
— 72 -
stoffelijke bond, opgehouden en ontvangt nu het astraal
lichaam alleen het astraal magnetisme, waardoor het van
dag tot dag in ijlheid toeneemt, tot dat het ten laatste,
gehoorzamende aan de wet van het Karma, een graad
van stoffelijkheid krijgt, naar zijn ontwikkeling en zijn
goed of slecht leven als mensch. Door deze verandering
wordt het astraal lichaam geschikt en vatbaar gemaakt
voor loutering door verstand of door dwang. Bij geesten,
die als mensch goed en braaf geleefd hebben, wordt deze
hervorming de IJatana genoemd, dat wil zeggen, dat het
astraal lichaam een vorm krijgt geschikt voor het geestenverblijf.
De hervorming van een geest, die als mensch
slecht geleefd heeft, wordt genoemd de Dhroewan, dat
wil zeggen, dat het astraal lichaam een grofferen vorm
aanneemt, geschikt voor een verblijf in de hel. Indien
de geest als mensch reeds geschikt werd voor een overgang
naar de prototype der aarde gelegen in het eerste
hemelgebied, krijgt hij den vorm van Mokaha, dat wil zeggen
vrij van hartstochten, lusten en begeerten.
Door de aanneming van voorbeschreven vormen, is de
geest gereed voor de plaats of de sfeer, welke hij gedurende
zijn leven als mensch zichzelf bereid heeft en hij
komt dan doo/ onveranderlijke natuurwetten in een toestand,
die veel overeenkomst heeft met een mensch, die
in het water gevallen, door zwemmen tracht den oever te
bereiken, welke toestand hem noopt, den zevenden dag
na zijn overlijden de aarde te verlaten en hem tevens
duidelijk maakt, dat hij geen stoffelijk lichaam meer heeft.
Alvorens te vervolgen, dient een goed begrip gevormd
te worden van de voorbedoelde hervorming van het astraal
lichaam, welke hervorming reeds bij het stoffelijk
lichaam begint. In het hoofdstuk rüe geheime macht"
werd vermeld, dat elke hartstocht en neiging haar eigen
merkteekenen heeft. Zeer langzaam doch zeker worden
deze merkteekenen zichtbaar en in duidelijke lijnen worden
zij blijvende vormen en het geheele lichaam verandert
naar het beeld, dat door die neigingen wordt uit—
73 —
gedrukt. De gevolgen vair de geschapen oorzaken zijn
dan zichtbaar in de bewegingen van het lichaam, zelfs
hoorbaar in de stem. Dezelfde soort hartstochten of neigingen
drukken zich altijd uit in dezelfde vormen. Daar nu
de ziel een bewerktuigde vorm is, ondergaat zij door hartstochten
of neigingen een verandering van vorm en daar
het lichaam de stoffelijke prototype is van de ziel, neemt
het die veranderingen over. De dierlijke ziel schept het
karakter van den mensch en deze handelt in overeenstemming
met die dierlijke ziel.
De ondeugd is oorzaak van zulke weerzinwekkende
lijnen op het gelaat, dat een ieder die kan aanschouwen.
De deugd verandert zelfs een leelijk gelaat en men voelt
zich tot dat gelaat aangetrokken.
Na den dood heeft het astraal lichaam dezelfde vormen
als het stoffelijk lichaam en het behoudt het karakter,
dat door zijn neigingen geschapen werd. Gedurende zijn
leven is de stoffelijke mensch geneigd door opvoeding
of schaamte zijn waren aard te verbergen. Door de
wet van het Karma wordt na den dood en de opstanding
van den geest het verstand met den.wil verbonden, deze
worden één. Het zoogenaamd fatsoen of de schaamte
worden door deze vereeniging weggenomen, en het uiterlijk
wordt onderworpen aan het innerlijk en neemt volmaakt
den vorm aan van dat innerlijke en daar nu m de
geestenwereld alle geestelijke krachten meer rechtstreeks
en sterker op het astraal lichaam inwerken, toont de
astrale mensch zijn karakter zonder schaamte te gevoelen.
Als het karakter in den grond slecht is, dan zal die
slechtheid naar buiten werken in woord en daad, aangezien
alle beletselen zijn opgeheven en daar het schaamtegevoel
niet meer bestaat, storen de geesten zich niet
meer aan een openbare meening, die trouwens in de
geestenwereld niet bestaat, waar een ieder zich voordoet,
zooals hij werkelijk is.
De goeden en zij, die innerlijk braaf zijn, al hebben
zij als mensch soms iets moeten doen, dat hen tegen hun
— 74 -
gemoed stuitte, leggen deze dwang af en veranderen
naar den zelfden grondslag. Alles wat niet met hun
gevoelens en braaf hart overeenkwam, alle gewoonten
en gebruiken, die zij naar de in de stotfelijke wereld
heerschende algemeene meening hadden aangenomen, worden
afgelegd en hun waren aard komt naar buiten. Zij
worden door de wet van liet Karma van dit alles bevrijd
en hun geheele vorm wordt het volmaakte beeld hunner
goede gedachten en hun deugd is merkbaar aan elke
beweging van hun astraal lichaam.
Uit deze toelichting van de hervorming van het astraal
lichaam ziet men, hoe de slechte en hoe de brave menscli
wordt na hun dood en opstanding van hun geest. Indien
nu eens een slechte en een brave geest met elkander
in gezelschap worden gebracht, zouden zij dan genoegen
vinden in eikaars bijzijn? Immers neen! Daar in de
geestenwereld elke geest door de wet van het Karma
gedwongen is zijn waren aard te toonen, zou dit onmogelijk
zijn. Volgens die zelfde wet wordt de geest na
zijn hervorming als het ware vrijwillig gedwongen, naaide
sfeer te gaan, waar hij met zijn karakter en neigingen
behoort; hij komt dan in een toestand, zooals vermeld
werd, als iemand, die in het water gevallen, tracht den
oever te bereiken, en de geest komt in een sfeer en
wordt vereenigd met geesten, die in karakter geheel
met hem overeenstemmen. De wet van het Karma
werkt dus door de hervorming van het astraal lichaam
naar het beeld, dat de menscli van zijn stoffelijk lichaam
gemaakt heeft, in ieders belang en maakt, dat iedere
"•eest zich gelukkig gevoelt, in de sfeer waarin hij komt.
De wet van het Karma is zoo zeker in haar gevolgen,
dat zij een ieder geeft, wat hem toekomt en ieder plaatst
waar hij behoort. De gevolgen van deze wet is de wedergeboorte,
die elk menscli in de gelegenheid stelt, zichzelf
te hervormen, en vooruit te komen op den langen
weg, die hij heeft af te leggen, 0111 te komen op de
prototype der aarde gelegen in het eerste liemelgebied.
- 75 -
Zóó wordt de menscli beoordeeld na zijn dood. Hij
verschijnt niet voor God en wordt niet door Hem
gevonnist, maar door de blinde werking van de wet
van oorzaak en gevolg, vonnist hij zich zelf. Hij is de
maker van zijn lot, zijn wel en zijn wee.
Het astraal lichaam zal dus na zijn hervorming zijn:
mooi, fijn en licht; leelijk, grof en zwaar of de geest zal
in een zóodanigen toestand verkeeren, dat hij zijn astraal
lichaam kan afleggen. Wanneer nu de geest de sfeer deiaarde
verlaat, hangt het geheel af van den graad van stoffelijkheid
van zijn astraal lichaam, waar hij terecht komt.
Is hij in een toestand gekomen van Moksha of vrij van
lusten, dan stijgt de geest naar de zevende bol of sfeer
van het geestenverblijf, ten einde zich voor te bereiden voor
een plaatsing op de prototype der aarde gelegen in het
eerste hemelgebied. Is het astraal lichaam gekomen in
den ƒ./«£« na-toestand, komt de geest naar den graad van
stoffelijkheid van dit lichaam in een van de bollen of sferen
van het geestenverblijf, afhangende hoe hoog hij stijgen
kan. Komt het astraal lichaam in den Dhroewan-toestand,
dan is het ongeschikt om te stijgen en de geest zakt dan
zoover, afhangende van den graad van stoffelijkheid van
zijn astraal lichaam, totdat hij komt in een bol van de hel,
waar de dampkring zijn astraal lichaam kan dragen.
Er is nog een hooger toestand dan Moksha, dat is de
toestand, die een engel van het vierde hemelgebied moet
bereiken, vóórdat hij kan overgaan naar het vijfde hemelgebied
of om van een roepa-toestand te komen in een
«roepa-toestand. Deze toestand wordt „Saijadyam" genoemd,
dat is het bereiken van volkomen éénheid van inwezen
met God. Indien de engel dezen toestand bereikt heeft,
komt hij na zijn stoffelijken dood op een planeet, wier
prototype gelegen is in het vijfde hemelgebie^ slechts
met zijn zuivere onbezoedelde geest in een aroepa-toestand
in het vijfde hemelgebied.
De engelen, die God naar de aarde zendt, 0111 een zending
te vervullen, zijn van het «roepa-gebied en bevinden
zich in een toestand van „Saijadijam". Op de aarde als
mensch herboren, hebben zij evenals gewone menschen
een stoffelijk lichaam en een dierlijke ziel. Indien zij evenwel
komen tot de jaren van onderscheid, leggen zij door
het ondergaan van een zeker proces, dat alleen aan hen
bekend is, hun dierlijke ziel af en zij bevinden zich dan
alleen niet hun geestelijke ziel in hun stoffelijk lichaam,
waardoor zij op de aarde als het ware in een hemelschen
toestand bevinden en gevrij waard zijn tegen hartstochten,
lusten en begeerten.
Deze menschen, die van hun toestand bewust zijn, verlaten
zelden hun woning, en zijn vrij van ziekten en verdriet.
Zij leven alleen op de aarde, om door hun kracht
en vermogen anderen in staat te stellen iets te doen,
waartoe zij anders niet in staat zouden zijn. Indien zij
hun zending op de aarde volbracht hebben, verlaat hun
geest willekeurig het stoffelijk omhulsel en deze komt
dan dadelijk weder in een toestand van „Saijadijam", welke
hem in staat stelt, dadelijk over te gaan naar het binnenhemelgebied.
De aartsengelen of de engelen van het zevende hemelgebied,
welke God voor het onderricht van het menschdom naar
de aarde zendt en profeten worden genoemd, kunnen echter
niet herboren worden. Deze maken gebruik van een
daartoe geschikt gemaakt stoflichaam en verlaten dit weder,
indien zij hun taak op de aarde volbracht hebben,
waarna zij weder naar het zevende hemelgebied terugkeeren.
- 76
DE TOESTAND IN DE HEL.
De incest wiens astraal lichaam na den dood van het
stoffelijk lichaam in den Dhroewan-toestand komt, is te
zwaar om te zweven en zakt na het verlaten der aarde
naar beneden en komt dan in een bol of sfeer der hel,
wier atmosfeer geschikt is voor zijn astraal lichaam. De
toestanden in de verschillende bollen of sferen der hel
zijn als volgt:
De zevende, zesde en vijfde bol of sfeer der hel vormen
te zamen de sfeer der hartstochten en lusten, welke ook
wel „de hel der hel" wordt genoemd. Daar verblijven de
geesten van den meest dierlijken aanleg en die als mensch
het laagste leven hebben geleefd. Deze geesten worden
naar de hel, waarin zij vertoeven, in drie klassen verdeeld.
In de zevende bol of sfeer der hel vertoeven. de moordenaars,
die hun misdrijf te voren hadden beraamd, om
daarmede winst te behalen, of een doel te bereiken; dieven
en misdadigers van beroep.
In de zesde bol of sfeer der hel vertoeven, verslaafden
aan bedwelmende middelen, spelers, losbandigen en zij,
die als mensch hun hartstochten en lusten tot het hoogste
peil hebben opgevoerd en van deze slechte eigenschappen
een gewoonte hebben gemaakt.
In de vijfde bol of sfeer der hel vertoeven de geesten,
die als mensch ruw en wreed waren, die niets kenden
van hoogere aandoeningen en hun vreugde hebben gezocht
in het grofste zingenot.
De dood brengt geen verandering in hun gevoelens.
De onaangename toestand waarin deze ongelukkigen verkeeren,
bestaat nu alleen daarin, dat zij door het verlies
van hun stoffelijk lichaam, niet meer aan die hartstochten
kunnen voldoen. Evenals iemand, die gewend is bedwelmende
middelen te gebruiken en daarmede plotseling
ophoudt, in een toestand van tijdelijke zinneloosheid komt,
- 78 —
zoo verkeeren deze geesten in een toestand van tijdelijke
onbewustheid. Deze ongelukkigen zijn echter niet voor
altijd verloren. Het woord „verloren" is hier zelfs niet
op zijn plaats om een toestand aan te duiden, die plaats
grijpt naar vaste natuurwetten, en welken toestand deze
ongelukkigen, door hun slecht leven als mensch, zichzelf
geschapen hebben, want zoodra hun hartstochten en lusten
uitgewoed zijn, dan wordt ook hun astraal lichaam ijler
en geschikt om als menseh herboren te worden. Dit is
ook het geval met geesten, die in andere bollen of sferen
vertoeven, om daar geschikt te worden voor een wedergeboorte,
want een en ander geschiedt volgens vaste
natuurwetten, aan welke alle geesten onderworpen zijn.
In de vierde bol of sfeer der hel vertoeven de geesten,
die gedurende hun leven als mensch slechts belangen
kenden van den meest bekrompen en alledaagschen aard,
dus de laagst ontwikkelden, die zich ophielden met de
nietigste en onnoozelste dingen, groot in kleinigheden;
die voor geen andere dingen oog hadden dan voor
eigen opschik en kleeding en geen andere belangen kenden
dan eigenbelang; die hun tijd besteed hebben met
nutteloos gebabbel en onverschillig waren voor ware kunst,
kennis en wetenschappen; die als mensch kwaad hebben
gesproken van anderen; die hun tijd hebben verbeuzeld,
om anderen te benadeelen, elk praatje, dat zij hoorden hebben
verminkt en verergerd aan anderen* hebben overgebracht;
die in het geheim kwaad hebben gesticht en daardoor
hun medemenschen hebben benadeeld; leugenaars,
die hun heil in leugens en verzinsels hebben gezocht
en geen woord waarheid konden spreken zonder verdichtsel.
Deze ongelukkigen blijven het langst in de hel, daar
zij hun gebreken in gedachten kunnen voeden en daardoor
slechts zeer langzaam deze gebreken afleeren. In
hun ellendigen toestand zien zij de beelden van de menschen,
die zij door een en ander benadeeld hebben, alsmede
de beelden, die zij door onwaarheid spreken geschapen
hebben aanhoudend voor oogen. Deze kwelling
— 79 —
der oogen is zoo onaangenaam clat die ongelukkigen aan
een wroeging te-u prooi zijn.
In de derde bol of sfeer der hel vertoeven de geesten,
die als mensch fanatiek waren, die hoewel zij schijnbaar
braaf geleefd hebben, in hun godsdienstig gevoel afdwaalden
tot zelfzucht met een eng en bekrompen gevoel en
voor hun medemenschen als het ware een tijger waren;
die hun mond vol hadden over verdoemenis en hel, hun
medemenschen als ongodsdienstig hebben veracht en andersdenkenden
hebben vervloekt: die onder den dekmantal
van godsdienst allerlei onzedelijke daden hebben
begaan; die hun God op de tong en den duivel in het
hart hadden en in hun godsdienst slechts zagen het eenig
zaligmakend geloof.
Het dient hier vermeld te worden, dat in het hiernamaals
voor den vooruitgang v in den geest geen sprake is van
godsdienst, wel van ontwikkeling, deugdzaamheid, zedelijkheid
en geloof in het bestaan van een God als de
Almacht en de hoogste Intelligentie van Waarheid, Goedheid
en Liefde en in Zijn profeten als Zijn vertegenwoordigers.
^De wijze waarop God en Zijn profeten vereerd
worden, komt er niet op aan, zoodat het er niets toe
afdoet, welke godsdienst de geest als mensch heeft beleden.
Het ware te wenschen, dat deze wetenschap er toe bijdroeg
allen te vereenigen, die geloof stellen in het bestaan van een
God en Zijn profeten als Zijn vertegenwoordigers en groote
verdraagzaamheid te toonen tegenover andersdenkenden,
opdat de godsdienst of de wijze van vereering van God, niet
langer de oorzaak zij van haat onverdraagzaamheid, tweedracht
en doodslag, dan zou de aarde, die voor menigeen
werkelijk een stoffelijke hel is, in een paradijs veranderen,
waarin een ieder zou trachten, het geluk van anderen te
bevorderen en daardoor zijn eigen geluk het meest te dienen.
In de tweede bol of sfeer der hel vertoeven de geesten,
die als mensch zich wel ontwikkeld doch hun verstand
gescherpt hebben alleen in stoffelijke richting en
hun vers andelijke kracht alleen gebruikt hebben voor
— 80 —
stoffelijke 'doeleinden; die hun kennis hebben verworven
langs materialistischen weg en de geestelijke wijsbegeerte
verwaarloosd hebben; die hun heil hebben gezocht in
stoffelijke zaken en de geestelijke verwaarloosd hebben
en die niet gelooven in het bestaan van een God en Zijn
profeten als Zijn vertegenwoordigers.
Deze geesten worden van hun dwaling zeer spoedig
verlost, daar zij als geest beter de gevolgen van een en
ander kunnen zien, dan toen zij nog mensehen waren.
Hun verblijf in de tweede bol of sfeer der hel heeft dan
ook geen ander doel, dan hen het verkeerde van hun
denken te doen inzien, welk succes zij wegens hun ontwikkeling
spoedig bereiken. Het zijn dan ook deze geesten,
die zoodra zij tot besef van een en ander zijn gekomen
en hun astraal lichaam daardoor ijler is geworden, in staat
zijn de aarde te bezoeken en den menschen hulp te verleenen.
Indien zij hebben ingezien, hoe verkeerd hun denken
was, trachten zij de menschen tot liet goede te brengen.
Het zijn dan ook meestal deze geesten en die in de
eerste, tweede, derde en vierde bol of sfeer van het geestenverblijt'
vertoeven, die trachten de menschen voor
onheil te waarschuwen. Dergelijke waarschuwingen worden
gedaan in den droom, welke soort droomen men
droomt tusschen 2 en 6 uur 's morgens en daradasïh worden
genoemd, dat wil zeggen droomen, die men droomt,
doordat de geest het lichaam verlaat en alsdan iets ziet
of door geesten gewaarschuwd wordt. Ook doen zij die
waarschuwingen door tusschenkomst van andere en daarvoor
geschikte menschen (mediums).
Zoodra de geesten, die in de tweede bol of sfeer deihel
vertoeven, het verkeerde van hun denken hebben
ingezien, gevoelen zij zich daar even gelukkig als in de
eerste bol of sfeer van het geestenverblijf.
De eerste bol of sfeer der hel is onze aarde, alwaar de
geest vertoeft in zijn stoffelijk lichaam en waar hij door
de wet van het Karma niet alleen wordt beproefd, maar
ook in de gelegenheid wordt gesteld, zichzelf voor een
— 81 -
hooger sfeer te ontwikkelen, waartoe liij telkens wordt
herboren en hij gaat hiermede voort, totdat hij na zijn
dood geschikt is voor een plaatsing in het geestenverblijf.
Het is echter niet noodig dat de geest opvolgend
alle bollen of sferen der hel doorloopt. Naarmate zijn
deugdzaamheid, zedelijkheid en ontwikkeling als mensch
opgedaan, komt hij in een bol of sfeer, waar hij te huis
behoort, zoodat het aantal malen, dat een geest herboren
moet worden, niet bepaald is en dit van hemzelf afhangt
Verder vertoeven op de aarde of eerste hel de geesten
wier ziel nog aan hun schil is gebonden terwijl hun geest
ronddoolt. Deze geesten werden, zooals vermeld werd, als
mensch gestraft met de doodstraf, vermoord, of zij pleegden
zelfmoord en werden door hoog opvoeren hunner hartstochten
en lusten ontijdig uit het leven gerukt, of stierven
een plotselingen dood door een ongeluk. Hun geest doolt
zoolang rond, totdat hun schil door ouderdom zijn functiën
niet meer verricht, waarna hun ziel of astraal lichaam
weder met den geest vereenigd wordt en deze komt dan
vier dagen later in den toestand, zooals deze ongelukkigen
door hun levenswijze als mensch zichzelf bereid hebben.
Deze geesten, kunnen in twee klassen verdeeld worden,
namelijk zij, die als mensch minder hartstochtelijk en
wellustig zijn geweest en naar hun levenswijze later in
een van de zeven bollen of sferen van het geestenverblijf
ot in de tweede, derde of vierde bol of sfeer der hel zullen
komen en zij, die wegens hun hartstochten en lusten
in de sfeer der hartstochten en lusten, dat is in de vijfde,
zesde of zevende bol of sfeer der hel zullen komen. De
eerstgenoemden blijven wegens hun mindere hartstochten
en lusten in een doodslaap, totdat zij door ouderdom van
hun schil genoodzaakt worden, de aarde te verlaten. De
laatstgenoemden worden door de kracht van hun hartstochten
en lusten als het ware met geweld uit hun doodslaap
gewekt. Hoewel de ziel aan zijn schil gebonden blijft
en zich daarvan niet kan scheiden, voordat de geestendraad
verbroken is, doolt de geest rond en heeft alleen nog gemeen-
6
— 82 —
schap met zijn dierlijke ziel door middel van den geestendraad.
Deze soort geesten worden de zielloozen genoemd. Zij
kunnen in dezen toestand bezield worden door slechte
gedachtenbeelden of door gedachtenbeelden geschapen
door slechte formulieren en zij worden dan spoken (elementaren)
genoemd. Deze ziellooze wezens kunnen echter
wegens hun toestand nooit bezield worden door een goed
gedachtenbeeld. Zoodra nu zulk een ziellooze geest bezield
wordt door een slecht gedachtenbeeld of een gedachtenbeeld,
geschapen door een slecht formulier, krijgt hij
het karakter, dat door de hersenwerking aan het gedachtenbeeld
gegeven werd en hij doet dan hetgeen in het hoofdstuk
„De stille kracht" beschreven is.
Dergelijke spoken doen veel kwaad op de aarde. Zoodra
hun schil door ouderdom verder zijn functicn weigert,
worden geest en ziel weder vereenigd en komt de geest
vier dagen daarna in de bol of sfeer, waar hij naar den
toestand, waarin zijn astraal lichaam verkeert, te huis behoort.
Verder dient wat betreft de plaatsing van geesten in
de hel, afzonderlijk melding gemaakt te worden van menschen,
die de okkulte krachten hebben bestudeerd en beoefend
en die krachten hebben aangewend, om een medemensch
te dooden,ziek te maken of te benadeelen. De
mensch, die de zwarte Magi heeft beoefend, weet ook
welk lot hem na zijn dood wacht. Om dat lot uit te stellen—
er aan ontkomen, kan hij niet — wendt hij vóór zijn dood
deze krachten voor zichzelf aan, opdat na zijn dood
zijn lichaam in een toestand van schijndood zal blijven,
waardoor de wet van het Karma, zoolang zijn lichaam
niet kan vergaan, op hem geen invloed heeft. Wanneer
hij nu sterft, vergaat zijn lijk niet, waardoor het etherisch
dubbel gedwongen wordt, zijn werking te blijven vervullen,
de geest aan de aarde gebonden blijft, terwijl
zijn lichaam in een toestand komt van onbewustzijn. In
den toestand waarin nu zijn stoffelijk lichaam verkeert,
— 83 —
heeft dit versterking noodig, om niet te vergaan. Dit voedsel
verkrijgt zijn geest door 's nachts bloed uit het
lichaam van slapenden te zuigen en dit in zijn lichaam over
te brengen, waarom deze soort geesten vampiers worden
genoemd. Zij kunnen veel kwaad stichten en gehoorzamen
aan de gevaarlijke formulieren der zwarte Magie.
Indien de vampier in een droog graf rust, kan deze
toestand zeer lang duren, doch ten laatste weigert het
etherisch dubbel zijn dienst, waardoor het lichaam dan
als stof uit elkander valt en de geest dan gedwongen wordt,
den zevenden dag na zijn werkelijk afsterven de aarde
te verlaten en zich weder te onderwerpen aan de wet
van het Karma.
Het eenig middel om een vampier te dwingen de
aarde te verlaten, is het opgraven en verbranden van
zijn stoffelijk lichaam, welk middel vroeger dikwijls werd
toegepast. Het opgegraven lichaam trof men dan aan in
een toestand van schijndood en omgeven met bloed. Na de
verbranding van het lichaam, houdt de verkrachting van
de wet van het Karma op en moet de geest dan weder aan
die wet gehoorzamen. Het gevolg nu van de langdurige
verkrachting van de wet van het Karma is, dat, nadat het
astraal lichaam van den geest in de zevende hel is aangekomen,
blijkt, dat naar den toestand, waarin dat lichaam
verkeert, deze plaats nog te goed voor hem is, waardoor
hij daar in een toestand van verlamming komt en de geest
genoodzaakt is eeuwen lang te kruipen, voordat hij het
vermogen krijgt, om als geest in de zevende hel te kunnen
leven en zijn er nogmaals eeuwen noodig, om hem
geschikt te maken voor een wedergeboorte als mensch.
Deze ongelukkigen blijven soms de rest van een Kalpa,
dat is de tijd der wereldontwikkeling, die vele duizenden
jaren duurt, in de zevende hel en komen slechts zeer langzaam
vooruit.
Bij de beschrijving van de verschillende sferen der hel
werd tevens de toestanden beschreven, die onvermijdelijk
wegens de wet van het Karma het gevolg moeten zijn
— 84 —
va» de hervorming van het astraal lichaam van den geest
na het overlijden van het stoffelijk lichaam. Deze toestanden,
vereischen nadere toelichting.
Zooals vermeld werd, wordt de mensch niet door God
berecht, ook niet door Hem gestraft; Hij heeft echter onveranderlijke
natuurwetten vastgesteld, aan welke iedereen onderworpen
is. De wet van het Karma, die bij den stoffelijken
mensch werkt als instinct, om hem van het kwaad af to
houden, werkt na den dood als de wet van natuurlijk gevolg
van hetgeen de geest in de hel doet. Voor hetgeen de
mensch gedurende zijn leven doet, komt zijn astraal lichaam
in een onvermijdelijken toestand en voor hetgeen de geest in de
hel doet, ondervindt hij dadelijk de gevolgen daarvan. De
geest icordt dus in de hel niet gestraft voor hetgeen hij als stoffelijk
mensch misdreven heeft, doch hij komt voor hetgeen hij misdrijft
in de hel in een slechteren toestand. De onaangename toestand,
die hij in de hel ondervindt, is onafscheidelijk verbonden
aan het kwaad, dat hij daar doet, want indien de
geest in de hel komende in staat zou zijn, zijn slechte geaardheid
dadelijk af te leggen, zou de toestand van hel
voor hem onmiddellijk ophouden, doch een dergelijke
ommekeer in iemands gemoed is bijna ondenkbaar. De
onaangename toestand in de hel bestaat nu alleen daarin,
dat de geest niet dadelijk zijn slechte geaardheid kan afleggen
en telkens tracht aan zijn hartstochten en lusten
te voldoen. Daar dit echter in de hel onmogelijk is, ondervindt
de geest voor zijn wil, om daaraan te voldoen
onmiddellijk het onaangenaam gevoel, dat hij niet meer
aan die hartstochten en lusten kan voldoen. Door het
denken, om aan die hartstochten en lusten te voldoen, verstoffelijken
zich zijn gedachten en deze ziet hij aanhoudend
voor oogen. Dit is een vreeselijke kwelling.
Men zou dezen toestand kunnen vergelijken bij dien van
een hond, die aan een ketting ligt, terwijl een stuk gebraden
en heerlijk ruikend vleesch op zulk een afstand van
hem wordt geplaatst, dat hij zijn begeerige blikken wel
er naar kan richten, doch het niet bereiken kan. Door
— 85 —
de ondervinding dat hij het vleesch toch niet kan krijgen,
zal de hond langzamerhand onverschillig worden voor het
lekkere vleesch en er later zelfs niet meer naar kijken.
Zoo gaat het ook met den geest in de hel. Alweder door de
wet van het Karma wordt den geest in de hel zijn duivelschen
aard afgeleerd. Is hij zoo ver, dat zijn verlangen naar
hartstochten en lusten ophouden, dan sterft zijn astraal
lichaam en hij wordt als mensch herboren en in de gelegenheid
gesteld een beter leven te beginnen.
De zeven bollen der hel zijn ingedeeld elk in vijf werelddeelen,
in landen en in plaatsen evenals de aarde en
men treft daar ook alles aan, wat op de aarde bestaat,
terwijl de toestand op deze bollen gelijk is aan de aarde
bij schemering of bij nacht. Wat echter de geaardheid der
hel betreft, wordt die beheersclit door een wet in de hel,
waardoor alles wat den bewoner omringt, in volmaakte
overeenstemming is met zijn toestand. Ten gevolge van
de duisternis is de plantengroei zeer slecht en het water
van de rivieren en meren verkeeren daardoor is een
slechten toestand. De grond is drassig, onwelriekend,
en vochtig. De vogels, die daar vertoeven zijn roovende
nachtvogels. De viervoetige en kruipende dieren zijn van
de soort, die op de aarde gewend zijn, zich overdag te
verbergen en 's nachts hun voedsel te zoeken. De insecten,
die de hel bevolken, zijn van de soort, die op de
aarde alleen bij avond en nacht vliegen of rondkruipen.
De verscheurende dieren houden onder de helbewoners
soms groote verwoestingen aan. Daar het astraal lichaam,
dat is het begeertelichaam, sterfelijk is, kunnen geesten
in de geestenwereld door gewelddadige aanraking evengoed
sterven als de stoffelijke mensch op aarde. Daalde
geest evenwel onsterfelijk is, krijgt deze, volgens een
in de geestenwereld heerschende wet, na een doodslaap
van drie dagen weder een nieuw astraal lichaam of
wordt dit, indien het verwond is, weder hersteld. Deze
wet is ook van toepassing op de kleeding, die de geesten
dragen. Indien men daaruit een stuk zou snijden, zou
— 86 —
het daardoor ontstane gat, weder vanzelf aangevuld worden,
met dezelfde stof, waaruit de geestenkleeding bestaat.
Verder neemt elke bewoner der hel den vorm aan, die
veroorzaakt wordt, door de door hem gekoesterde hartstocht,
lust of begeerte, zoodat de geesten daar ware monsters zijn
en om deze reden duivels worden genoemd. De geesten
wonen in de duistere hellen in kloven en holen of in
bouwvallige huizen evenals onbeschaafde boschbewoners
of arme menschen in groote steden op de aarde leven.
Daar nu alle zintuigen van een geest scherper zijn dan
die van den mensch, vloeit daaruit vanzelf voort, dat ondervonden
genoegens of leed in de geestenwereld meer
indruk maken dan op de aarde, waardoor de toestand in
de hel onaangenamer en die in het geestenverblijf aangenamer
en beter is dan op de aarde.
Verder dient nog vermeld te worden, dat er in de hel
geen geweten bestaat, want indien een geest in de
hel berouw zou hebben over zijn bedreven kwaad als
mensch, zou zijn duivelschen toestand onmiddellijk een
einde nemen en hij zou dan als mensch herboren worden,
ten einde hem in staat te stellen, door een nieuw en beter
leven na zijn dood in het geestenverblijf trachten te komen.
Wat betreft de genoegens der helbewoners, vermaken
de geesten zich daar evengoed als de slechte menschen
op de aarde zich vermaken. Die vermaken zijn echter
door den aard van de in de hel verblijvende geesten
grof, ruw en onbeschaafd.
Het bestuur van de verschillende groepen van geesten
in de bollen of sferen der hel wordt uitgeoefend door
engelen, die tevens de wedergeboorten bepalen; zij verblijven
echter niet voortdurend in de hel. De bewoners
der hel worden voornamelijk bestuurd door vrees,
evenals misdadigers op de aarde vrees hebben voor de
gevangenis, zoo koesteren de helbewoners vrees, om dooide
werking van de wet van het Karma in een slechteren
toestand te komen, als zij kwaad doen.
— 87 —
Daar de geest in de Naraka of stoffelijke hel vertoeft in
zijn astraal lichaam, zoo is het leven van den geest in de
hel gelijk aan dat in de Kamalóka of het astraal verblijfplaats
der geesten, welk leven in het volgend hoofdstuk
beschreven zal worden. Het minder of meer onaangenaam
zijn van het leven van den geest in de hel, hangt echter
geheel af van de mindere of meerdere stoffelijkheid, waarin
zijn astraal lichaam verkeert.
DE TOESTAND IN HET GEESTENVERBLIJF.
De geest wiens astraal lichaam na den dood van het
stoffelijk lichaam in den /«/atawa-toestand komt, kan
zweven en komt zeven dagen na het overlijden van zijn
stoffelijk lichaam in het geestenverblijf. Hoewel de geest
in dien toestand kan zweven, hangt het echter nog
geheel af van den graad van ijlheid van zijn astraal
lichaam, in welke bol of sfeer van het geestenverblijf
hij zal komen. De geest zweeft dan zoo hoog, totdat
hij komt in een bol of sfeer, waarvan de atmosfeer
geschikt is voor zijn astraal lichaam.
De zeven bollen of sferen van het geestenverblijf
worden bewoond door geesten, die hoewel zij hun hartstochten,
lusten en begeerten nog niet geheel hebben
afgelegd, van het kwaad daarvan bewust zijn en reeds
bij hun leven als mensch getracht hebben, die ondeugden
af te leeren, doch daarin nog niet volkomen geslaagd
zijn. Naar den graad van volkomenheid, die zij als mensch
konden bereiken, vertoeven zij in een hooger of lager
bol of sfeer van het geestenverblijf.
Verder vertoeven daar ook de geesten, die slechts in
geringe mate behept zijn met hartstochten, lusten en
begeerten of die deze ondeugden onbewust gekoesterd
hebben. Deze geesten komen nu opvolgend van onder
naar boven in bollen of sferen van het geestenverblijf
naarmate hun ontwikkeling en graad van stoffelijkheid
van hun astraal lichaam. Dus ook hier geldt de onveranderlijke
wet van het Karma, welke den toestand waarin
het astraal lichaam van den mensch zal komen, afhankelijk
stelt van zijn deugdzaamheid, zedelijkheid en ontwikkeling.
In de eerste bol of sfeer van het geestenverblijf vertoeven
de geesten, die begaafd zijn met wijsheid, die
— 89 —
geheel zelfzuchtig is en als mensch hun eigen welzijn
hebben gezocht, zonder zich om anderen te bekommeren.
In de tweede bol of sfeer van het geestenverblijf
vertoeven de geesten, begaafd met wijsheid, bestuurd
door de algemeene meening en die als mensch geleefd
hebben, zich schikkende naar de algemeene meening.
In de derde bol of sfeer van het geestenverblijf vertoeven
de geesten, begaafd met wijsheid afhankelijk
van populariteit, en die als mensch gelet hebben op de
belangen van anderen, om zich populair te maken.
In de vierde bol of sfeer van het geestenverblijf vertoeven
de geesten, begaafd met wijsheid afhankelijk van
eigenbelang en die als mensch het welzijn van anderen
behartigd hebben uit eigenbelang.
In de vijfde bol of sfeer van het geestenverblijf vertoeven
de geesten, die begaafd zijn met reine wijsheid
en als mensch een rein leven hebben geleid zonder
zelfzucht en ten dienste van anderen.
In de zesde bol of sfeer van het geestenverblijf vertoeven
de geesten, begaafd met wijsheid, volmaakt tot
profeteering en die als mensch een deugzaam en zedelijk
leven hebben geleid, geheel ten dienste van anderen.
In de zevende bol of sfeer van het geestenverblijf
vertoeven de geesten begaafd met volmaakte wijsheid,
geschikt om anderen te onderwijzen en die als mensch
zich opgeofferd hebben, om anderen van het kwaad af
te brengen. Deze geesten hebben als mensch reeds den
hemel verdiend en vertoeven alleen in de hoogste sfeer
van het geestenverblijf, om zich daar voor te bereiden,
door een tweeden dood hun astraal lichaam of dierlijke
ziel af te leggen, waarna de geest met zijn geestelijk
lichaam of geestelijke ziel ontwaakt op de prototype deiaarde
gelegen in het eerste hemelgebied.
Afzonderlijk dient melding gemaakt te worden van
den mensch, die de okkulte krachten ten dienste van
de menschheid heeft aangewend, de zoogenaamde witte
Magie heeft beoefend en in die studie den graad van
— 90 —
adept heeft bereikt. Hij kan door aanwending der okkulte
krachten, zich in een toestand van schijndood
brengen en zijn geest kan dan onderzoekingen doen
in het astraal gebied. Een adept, die door een zeer deugzaam
en zedig leven in afzondering, reeds als mensch
den hemel heeft verdiend, blijft door aanwending der
okkulte krachten soms lang op de aarde, om den
menschen ter wille te zijn. Zeven dagen na zijn dood
bereikt zijn geest de zevende bol of sfeer van het geestenverblijf,
om daar een voorbereiding te ondergaan, waarna
zijn geest met zijn geestelijk lichaam overgaat naar de
prototype der aarde gelegen in het eerste hemelgebied.
De toestand die in het geestenverblijf heerscht, is veel
aangenamer dan die op de aarde; toch is daar alles volkomen
hetzelfde als op de aarde. Het geluk in het geestenverblijf
wordt veroorzaakt, doordat de geesten zich
daar gemakkelijker bewegen, hun zintuigen, gehoor, gezicht,
waarnemingsvermogen, geheugen, verstand en gedachten
zijn scherper geworden en beter ontwikkeld. Dooide
verbinding van het verstand met den wil heeft alles
wat onwaar was in den stoffelijken mensch zooals fatsoen
schaamtegevoel, vrees en schijn opgehouden te bestaan
en ieder geest doet zich voor, zooals hij werkelijk is, daar
er in de geestenwereld alleen waarheid is. Door dezen
toestand kan de geest geen zonde meer begaan, hoewel zijn
hartstochten, lusten en begeerten in het geestenverblijf nog
niet geheel zijn afgelegd en dit eerst geschiedt bij den
overgang naar de prototype der aarde, gelegen in het eerste
hemelgebied. Het verschil in den toestand van het geestenverblijf
en den hemel bestaat alleen daarin, dat de'geest
in het geestenverblijf moet leeren voor zijn betrekking,
die hij later in den hemel zal moeten bekleeden, terwijl
de engel in den hemel een betrekking bekleedt. Het
geestenverblijf kan dus beschouwd worden als een hoogere
geestenschool, waar de geest onderwezen wordt.
Zoodra hij een klasse heeft doorloopen, wordt hij als
mensch herboren, om liet geleerde op de aarde in toepas—
91 —
sing te brengen, waardoor hij op de aarde in staat zal zijn,
telkens en telkens een lioogere wetenschappelijke opleiding
te kunnen genieten en een gewichtiger betrekking te
vervullen, dan bij zijn vorig leven op de aarde. Lukt hem
dit niet, dan komt de mensch na zijn dood weder in dezelfde
bol of sfeer, als waar hij vroeger geweest was, waar
hij dan, door zijn opgedane ondervinding op de aarde,
gemakkelijker zal leeren als voorheen. Tot verduidelijking
van deze studie wordt hier nog aangeteekend, dat
alles wat de stoffelijke mensch op aarde leert, in het geestenverblijt
wordt omgezet in ontwikkeling, waardoor hij
telkens vooruitgaat
Het leven in het geestenverblijf heeft veel overeenkomst
met het leven op de aarde. De moeielijkheden, die de
mensch op de aarde te overwinnen heeft, zijn voor den
geest —om een vergelijking te maken —365 % lichter.
In deze verhouding staat ook bevattelijkheid, wat betreft
het in staat zijn iets te doen, het gezicht, het gehoor
het gevoel, de beweging van den geest en alles wat het
leven der geesten betreft.
De tijd gaat in het geestenverblijf vlugger voorbij dan op
de aarde in verhouding van één dag in het geestenverblijf
tot een zonnejaar op de aarde; toch is de duur van den
tijd in het geestenverblijf gelijk aan dien in de stoffelijke
wereld, het vlugger voorbijgaan van den tijd in het geestenverblijf
is dus een onverklaarbaren schijn. Hetgeen de
stoffelijke mensch op de aarde uitdrukt met „eeuwig", is
in het geestenverblijf „het heden".
De astrale lichamen der geesten zijn in het geestenverblijf
evenals de lichamen der menschen van stof doch fijner
en van een tegenovergestelde natuur, zoodat een mensch
een geest niet kan zien, zonder het geestelijk gezicht te
hebben. Zelfs kan een geest van een lager sfeer een geest
van een hooger sfeer niet zien, voordat de hoogere geest den
lagere met zijn aura heeft omhuld.
De geesten leven in het geestenverblijf op dezelfde wijze
als de menschen op aarde en vermaken zich ook onderling.
— 92 —
Zij hebben de macht om te scheppen door hun gedachten
en scheppen iets als zij dit begeeren of noodig hebben. Op
deze wijze wordt ook hun kleeding geschapen, die zij verlangen
en mogen dragen. De wensch in hun gedachten
alleen stelt hen in het bezit van een en ander en dit scheppen
is een van de bronnen van hun geluk. Wanneer zij
het geschapen voorwerp niet langer willen hebben, bestaat
het niet meer.
De spraak der geesten is hun gedachte. Het denken in
het astraal gebied is evenwel een even groote oefening
als het beheersclien der menschelijke gedachten. Elke gedachte
is een beeld in het astraal gebied, daar het astraal gebied
de wereld der gedachte is, doch evenals een kind op de
aarde moet leeren praten, zoo moet elke geest, die uit het
stoffelijk lichaam komt, leeren zijn gedachten als spraak
te gebruiken, zelfs leeren om goed te zien. Evenals hij
in het begin alles door een nevel ziet, zijn zijn gedachten
ook ongeschikt iets bruikbaars te scheppen. Zoodra de geest
zich gewend heeft, zijn gedachten te bepalen tot dingen
van geestelijken aard, dan zullen die gedachten in den zelfden
graad als zijn astraal lichaam verstoffelijken evenals
verdikte ether. Het verstoffelijken der gedachte geschiedt
door het gedachtenbeeld te omringen met de aura van den
geest. Hetzelfde heeft plaats bij het zien. Om stoffelijke
dingen te zien, dient de geest deze met zijn aura te omhullen,
dat op een zeer verren afstand als van dichtbij kan
geschieden.
Wat betreft het voedsel der geesten, kunnen zij, zoolang
zij nog op de aarde vertoeven door slechts te willen, het
geestelijke (rohani) van voedingsmiddelen, vruchten en
dranken tot zich nemen, zooals de stoffelijke mensch van
de voedingsmiddelen, vruchten en dranken het stoffelijke
gebruikt. Het onrijp afvallen van vruchten of het ontijdig
uitsterven van planten wordt daarom toegeschreven aan
het daaruit onttrekken van het geestelijke. Zoodra de
geest is overgegaan naar het astraal gebied, wordt zijn astraal*
lichaam in stand gehouden door zeven elementen,
- 93 —
die de geest, door slechts te willen tot zich neemt, waaronder
het astraal magnetisme het voornaamste is. Uit dit element
put de geest zijn energie en de krachtom zich, zijn gedachten
en hetgeen hij in het stoffelijk gebied wil zien,
te verstoffelijken.
Wenschen de geesten zich binnen de sfeer, waar zij vertoeven,
te verplaatsen, dan is de gedachte aan de plaats,
waar zij wenschen te zijn, voldoende om daar te komen;
zij verplaatsen zich dus met de snelheid der gedachte.
De scheppingskracht van ontwikkelde geesten is zoo vermogend,
dat zij door de verstoffelijking hunner gedachten,
iemand op de aarde voor een gevaar kunnen waarschuwen
of iemand een gedachtenbeeld kunnen toezenden. Een
geest, die vroeger een moord beging, kan door een sterke
gedachte daaraan, het tooneel van den moord op dezelfde
plaats waar het gebeurde, voor een oogenblik te voorschijn
roepen.
Het gezichtsvermogen der geesten is veel scherper en
verder dan dat van den menseh en dringt door alle stoffelijke
dingen heen. Een voorwerp wordt als het ware
tegelijkertijd van alle zijden gezien en het binnenste van
een massief voorwerp ligt even duidelijk voor het gezicht
van den geest open als de buitenkant. Daar van uit het astraal
gebied kan gezien worden, wat er op de aarde gebeurt,
zoo levert het vergezicht voor den geest, die pas uit
den doodslaap ontwaakt vele moeielijkheden op, om te begrijpen,
hetgeen hij werkelijk ziet.
Onder zekere voorwaarden is een ontwikkelde geest in
staat door zijn gedachten zijn astraal lichaam voor een
oogenblik te verstoffelijken zonder tusschenkomst van een
mensch (medium) en evenals een mensch te spreken, of
zonder zich te verstoffelijken, waarschuwende geluiden,
zelfs schrift voort te brengen.
De geesten uit de hoogere sferen kunnen met die uit de
lagere sferen gemeenschap hebben, omgekeerd echter niet.
oor de geesten die in de vijfde, zesde en zevende bol
of sfeer van het geestenverblijf vertoeven, welke bollen
- 94 —
of sferen gezamenlijk ook de „tusschenwereld" of „overgangssfeer"
worden genoemd, gaat een bezoek aan de lagere
sferen echter gepaard met veel moeite, daar hun as
traal lichaam te ijl is, om in lagere sferen af te dalen.
Daar de zeven bollen van het geestenverblijf weerkaatsingen
zijn van de stoffelijke aarde, is alles daar volkomen
hetzelfde als op de stoffelijke aarde. Elke bol van het geestenverblijf
is ook volkomen hetzelfde verdeeld als de aarde
en wel in vijf werelddeelen, waar de vijf menschenrassen
der aarde verblijven; elk werelddeel is verder verdeeld
in zooveel landen als er talen op aarde gesproken
worden, terwijl elk land zijn steden, dorpen en gehuchten
heeft als op de aarde. Elke plaats is verder verdeeld in
groepen naar de standen in de maatschappij en elke groep
in families, zooals op de aarde.
Verder vindt men in het astraal gebied bergen, rotsen,
zeeën, meren, rivieren, moerassen, bosschen, tuinen en
andere dingen, evenals op de aarde, alsmede van den zelfden
vorm en op dezelfde plaats gelegen als op de aarde;
alles wordt geestelijk weerkaatst, tot zelfs de huizen en gebouwen,
die in de stoffelijke wereld gebouwd, of stoffelijke
dingen, die gemaakt worden. Zelfs zijn er prototypen
van dingen, die vroeger bestonden en thans in de stoffelijke
wereld niet meer bestaan.
Het bestuur over de zeven bollen of sferen van het geestenverblijf
is opgedragen aan een engel van het aroepa-gebied,
terwijl het toezicht over de verschillende groepen
van geesten wordt uitgeoefend door engelen van hetzelfde
ras, zelfs van dezelfde natie waartoe de geesten behooren.
Deze engelen onderrichten de geesten op gezette tijden
en bepalen tevens de wedergeboorte.
DE TOESTAND IN DEN HEMEL.
De geest wiens astraal lichaam na den dood van liet
stoffelijk lichaam in den toestand van Moksha komt, dat is
vrij van hartstochten, lusten en begeerten, zweeft zeven
dagen na het afsterven van zijn stoffelijk lichaam naar de
zevende bol of sfeer van het geestenverblijf, alwaar hij
zich moet voorbereiden voor een overgang naar de prototype
der aarde, gelegen in het eerste liemelgebied. Na
een voorbereiding van 33 dagen, dat is 40 dagen na het
overlijden van het stoffelijk lichaam, sterft zijn astraal lichaam
en komt de geest alsdan met zijn geestelijk lichaam
op prototype der aarde, gelegen in het eerste hemelgebied.
Hij wordt dan een engel en wordt hem een werkkring
aangewezen in het bestuur van het groote heelal.
De opklimming der engelen naar hoogere hemelen,
heelt plaats naar een bevorderingsstelsel, afhangende van
hun bekwaamheid, doch alles is evenwel geregeld door
vaste natuurwetten, waardoor'de engel evenals de geest
in liet geestenverblijf zichzelf bevordert.
De plaatsing in de zeven groote afdeelingen, waarin
elk hemellichaam van het hemelgebied verdeeld is, hangt af
an liet ras, waartoe de engel als mensch behoord heeft,
daar hij belast wordt met het bestuur van dat ras in de stoffelijke
wereld. De engel, die voor een of ander doel zicli
aan den mensch vertoont, zal daarom steeds tot hetzelfde
las, zelts tot dezelfde natie behooren als de persoon aan
vien hij verschijnt, zelfs zijn taal spreken. Onze voorouders
01 den dus ook onze engelen. Dit is ook het geval met
de profeten die God successievelijk naar de aarde heeft
gezonden om de verschillende menschenrassen te onderwijzen.
Elke godsdienst is uit God en wordt gepredikt
naar de verstandelijke aanleg van elk ras.
Elke atdeeling of groep van een hemellichaam van het
hemelgebied heeft den vorm van een staand mensch,
— 96 -
zoodat liet bestuur van elk deel van liet heelal volkomen hetzelfde
is als overliet geheele heelal. Wat betreft de zeven
gezelschappen, waaruit elke groep onderverdeeld is, worden
deze gezelschappen gevormd niet alleen naar den
aard der engelen, zoodat zij niet elkander overeenstemmen,
maar ook naar hun voorliefde, die elke engel gedurende
zijn leven als mensch voor iets gekoesterd heeft
en welke voorliefde eeuwig blijft bestaan, in welken hemel
hij ook geplaatst is. Ook deze gezelschappen hebben
elk den vorm van een stand mensch en bestaan uit engelen
:
1. die een voorliefde gevoelen voor kennis en wijsheid;
2. die een voorliefde gevoelen voor bijzondere wetenschappen
;
3. die een voorliefde gevoelen voor goedheid en aanverwante
deugden;
4. die een voorliefde gevoelen voor waarheid en alles
wat daarmede overeenkomt;
5. die een voorliefde gevoelen voor oprechtheid en
hetgeen daarmede gepaard gaat;
6. die een voorliefde gevoelen voor rechtvaardigheid
en alles wat daarmede in verband staat;
7. die een voorliefde gevoelen voor het huwelijk en
trouwe en eerlijke huwelijksliefde.
Wat betreft de levenswijze der engelen, kan men die
het beste vergelijken bij de levenswijze der menschen op
de aarde, waar een ieder een werkkring heeft te -vervullen,
alleen met dit groote verschil, dat er in het hemelgebied
geen moeielijkheden te overwinnen zijn. De engel
is wat het goede betreft tot alles in staat; zijn bevattelijkheid,
zijn in staat zijn iets te doen, zijn gezicht, gehoor en
gevoel zijn beter, veel vermogender en scherper dan die
van den geest in het astraal gebied, terwijl zijn bewegingdoor
niets belemmerd wordt. De grootste afstanden worden
in enkele seconden afgelegd.
Hetgeen van de levenswijze der geesten als anderzins
van het astraal gebied werd vermeld, is ook van toepas—
97 —
sing voor liet geestelijk gebied, echter is in het geestelijk
gebied alles gemakkelijker, aangenamer en prettiger.
Daar- de engel zijn dierlijke ziel heeft afgelegd, is hij een
geheel ander wezen geworden. Zijn denken en handelingen
zijn alleen gegrond op waarheid, liefde en goedheid. Uit
zijn karakter is alles wat slecht is gebannen en daar de
geest van den engel slechts gehuld is in zijn geestelijke
ziel of lichaam, en deze samengesteld is uit alle krachten,
machten en vermogens, die in het heelal voorkomen, zoo
staan den engel deze krachten, machten en vermogens
ter beschikking.
De hemelsche toestand bestaat in het genot en de vreugde,
die de engelen vinden in den naar hun karaktereigenschappen
door den besturenden aartsengel geplaatsten
v erkkring en het goede voor de menschen, de dieren en de
planten dat zij door hun werkkring kunnen stichten. In veel
kleiner mate bestaat dat zelfde genot en die zelfde vreugde
op de aarde; in veel kleiner mate, omdat het genot en de
reugde van het goede, dat de mensch op de aarde doet,
meestal gepaard gaat met het overwinnen van groote
moeielijkheden, veel opoffering en inspanning, welke bezwaren
voor den engel niet bestaan.
Lik mensch kiest een werkkring, die met zijn roeping en
aanleg overeenkomt. Indien nu een beeldhouwer, die genoegen
heeft in de beeldhouwkunst, na veel moeite een
beeld maakt, dat zeer natuurlijk is en door anderen wordt
geroemd, dan ondervindt hij genot en vreugde van zijn arbeid.
Wanneer een rijksbestierder door zijn beleid het
land tot bloei en welvaart brengt, waardoor een ieder te
vieden is, dan leeft hij mede in die tevredenheid en hij
ondervindt genot en vreugde van zijn wijs bestuur. Indien
een wijs rechter het verhoor van iemand, die van kwaaddoen
verdacht wordt, zóó goed weet te leiden, dat de verdachte
schuld bekent en berouw toont over zijn daad,
dan ondervindt hij genot en groote vreugde zijn medemensch
tot berouw zijner zonden te hebben gebracht en
in dezen toestand van vreugde zal zijn hart zachter ge-
7
— 98 —
stemd worden voor den berouwhebbenden zondaar en de
straf, die liij liera zal opleggen, zal minder zijn, dan wanneer
de zondaar halsstarrig zijn schuld had ontkend, en
verstokt was gebleven in het kwaad door liem gedaan.
Als men een behoeftige een aalmoes geeft, die boven zijn
verwachting gaat, zal de gever door de aanschouwing van
het dankbaar gelaat van den behoeftige tien maal meer
genot en vreugde van die gift smaken, dan wanneer hij
het geld besteed had, om deelgenoot te zijn in een tooneelvertooning.
Indien men slechts ééns door een goede daad te verrichten
genot en vreugde heeft ondervonden, zal men zich
slechts een zeer klein denkbeeld kunnen vormen, van het
genot en de vreugde, die de engelen door goeddoen in
hun werkkring ondervinden. Daar nu de engelen in den
hemel hun hartstochten, lusten en begeerten volkomen
hebben afgelegd en zij slechts oprechtheid, deugdzaamheid
waarheid, goedheid en liefde kennen, heerscht er in den
hemel een ideale toestand, vrij van haat, naijver, jaloezie
en andere ondeugden.
Verder dient melding gemaakt te worden van huwelijken
in den hemel. Zoodra de engel in den hemel komt,
wordt hij daar vereenigd met zijn tweelingziel of djodo, indien
deze gade daar aanwezig is, zoo niet wacht hij haar
aankomst af. Het geluk dat de engel door deze vereeniging
ondervindt, is niet te beschrijven. Men moet zich
omtrent het hemelsche huwelijk echter geen verkeerde
voorstelling maken. Een dergelijk huwelijk is niet een vereeniging
des vleesches doch een geestelijke vereeniging
van hemelsche liefde, overeenstemming, goedheid en waarheid.
De huwelijksliefde in den hemel kan vergeleken worden
bij het beste en het aangenaamste genot, dat een mensch
kan ondervinden. De gehuwden in den hemel wonen
evenals op de aarde in afzonderlijke huizen, soms omringd
door hun naaste familie. De gade in den hemel is
niet altijd de gewezen echtgenoote der aarde, dit is wel
het geval, indien de man reeds op aarde zijn tweelingziel
- 99 -
gevonden heeft, hetgeen even zeldzaam is als een werkelijk
gelukkig'huwelijk op de aarde, daar de toestand opde
aarde niet toelaat waar geluk te ondervinden.
Wat betreft de geaardheid van de prototype der aarde
gelegen in het linkerbeen of het eerste hemelgebied is
daar alles, zooals vermeld werd, een zuivere weerkaatsing
van de stoffelijke aarde; mitsdien is daar alles
volkomen gelijk aan hetgeen er op de aarde is. In het
gebied van den eersten hemel zijn ontelbare prototypen
van verschillende planeten van het heelal, die in iets beteren
toestand verkeeren dan de aarde. Hoe hooger de
prototype in het linkerbeen van den hemelschen vorm
gelegen is, des te béter is de toestand op de planeet,
waarvan zij een weerkaatsing- is. De toestand van de
prototypen gelegen in één hemelgebied is evenwel hetzelfde.
De hoogte waarop een weerkaatst hemellichaam
in het eerste hemelgebied gelegen is, is mede voor den
engel geen bezwaar om bij geschiktheid voor het tweede
hemelgebied herboren te worden op een planeet, wier
prototype gelegen is in het gebied, van den tweeden hemel.
Elke overgang van het stoffelijk gebied naar het
hemelgebied of van het hemelgebied naar het stoffelijk gebied,
geschiedt door den dood en naar dezelfde wetten
als op de aarde. Bij den overgang naar het stoffelijk gebied,
wordt de engel herboren en in de gelegenheid gesteld,
zijn kundigheden te vermeerderen. De toestanden
op de planeten, waarop de engelen herboren worden, verschillen
niet veel van die in de liemelgebieden. Deze
planeten zijn paradijzen vergeleken met onze aarde.
Het bestuur van de zeven liemelgebieden is opgedragen
aan een aartsengel, die den titel heeft van „Heer der
hemelen.' Hij verblijft in het zesde hemelgebied. Hij wordt
bijgestaan door twee mindere aartsengelen, die het bestuur
hebben over het aroepa- en het roepa-gebied, terwijl
elk hemelgebied en elk hemellichaam in een hemelgebied
weder afzonderlijk bestuurd worden door aartsengelen.
Deze aartsengelen hebben ook het bestuur van het heelal
— 100 -
naast God in handen, terwijl God op elk hemellichaam in
het astraal- en in het stoffelijk gebied vertegenwoordigd
wordt door aartsengelen en millioenen andere engelen.
Dit bestuur is zoo volkomen, dat God zelfs vertegenwoordigd
is in het kleinste atoom tot in den menseh toe.
Zooals uit de drie laatste hoofdstukken blijkt, klimt de
mensch op van steen af tot aartsengel. Zoodra hij mensch
wordt, ondervindt hij voor zijn vooruitgang wel moeielijkheden,
doch deze zijn nietig in vergelijking met de krachten,
machten en vermogens, die ter zijner beschikking
staan. Het leven als mensch, duurt echter telkens zoo
kort in vergelijking met zijn leven als geest, dat elk leven
slechts een stap is op den weg, dien de geest heeft af te
leggen.
Met het bovenbeschrevene voor oogen kan het proces
van het sterven, dat bij ziekte, gebrek of ouderdom gelijk
staat met een zachte insluimering, voor den mensch, die
redelijk geleefd heeft, geen verschrikking zijn, eerder een
uitkomst voor zijn zwoegen en lijden op de aarde en is
het scheiden van familiebetrekkingen zeer smartelijk,
die smart wordt gelenigd door een hoop op wederzien in
het hiernamaals en die hoop geeft hem het geloof aan
een leven na dit leven.
DE NATUURGEESTEN.
Behalve de geesten van menschen bestaan er ook voor den
mensch onzichtbare geesten der natuurrijken, die nooit
stoffelijke menschen zijn geweest. Zij zijn de inwezens van
de zeven elementen, waarvan vijf zich reeds geopenbaard
hebben en twee nog ongeopenbaard zijn. Deze zeven
elementen hebben hun oorsprong uit de Goddelijke krachten,
machten en vermogens en zijn de oorzaken (Oepadhi's)
van het ontstaan en bestaan van alle dingen.
Het voornaamste van de vijf' geopenbaarde elementen
is de Akasha of de ether, die de gansche ruimte doordringt.
Deze bovenlucht of lichtstof omsluit alle hemellichamen
en is de bron voor alles wat ontstaat. De inwezens van
den ether zijn de Wasoe's. Hun hoofd is Indra.
De vier stoffelijke elementen zijn aarde, water, lucht
en vuur, dè voortbrengende krachten in de natuur, door
welke krachten alles leeft en groeit. De inwezens van
deze stoffelijke elementen heerschen over de elementale
kernstof, die vertegenvoordigd is in menschen, dieren,
planten, steenen en delfstoffen en welke stof gevoelig is
voor de menschelijke gedachte en antwoordt op een trilling,
die zelfs door een geheel onbewuste uiting van den menschelijken
wil of begeerte wordt opgewekt. De natuurgeest,
die door een gedachte of wilsuiting tot een werktuig wordt
•gemaakt, heeft een voor den mensch ongekende kracht.
Naar hun voorgemelde verwantschap worden de natuurgeesten
van de aarde IJdksha's (Gnomen), van het water
Apsara's (Undines), van de lucht Grandoewa's (Sylfiden) en
van het vuur Salamandala's (Salamanders) genoemd. Hun
hoofden zijn respectievelijk Kshiti, Waroena, Pawana enAgni.
Van voorgenoemde soorten zijn er mannelijke zoowel
als vrouwelijke. Alle inwezens der elementen hebben een
menschelijke gedaante, hoewel zij naar willekeur elke gedaante,
die hun in de gedachte komt kunnen aannemen.
De inwezens der elementen, die in het geestelijk gebied
vertoeven, worden natuurengelen genoemd en zijn de
hoofden en leiders van de inwezens der elementen, die
in het astraal- en in het stoffelijk gebied vertoeven. De
inwezens der elementen, die in het astraal- en in het stoffelijk
gebied vertoeven worden natuurgeesten genoemd.
Van deze natuurgeesten bestaan vele klassen en wel naar
de verschillende toestanden van de stoffelijke stof. Zij zijn
de wahana's of voertuigen van deze elemeten.
De natuurengelen hebben een geestelijk- en de natuurgeesten
een astraal lichaam. Om zich in een voor den
mensch zichtbare gedaante te vertoonen, kunnen zij echter
geen gebruik maken van het menschelijk fluide. Zij verstoffelijken
zich door hun gedachte en hun verstoffelijking
blijft ijl en doorschijnend en niet zooals een menschelijke
geest, die door gebruik te maken van het menschelijk
fluide, zich kan hullen in een stoffelijk lichaam geheel
gelijk aan een mensch. Hoewel zij de taal van het land,
waar zij zijn, spreken, zou het hun echter onmogelijk zijn,
het geheugen van een menschelijken geest te kennen
of van dit datgene mede te deelen, dat de indentiteit van
den menschelijken geest zou kunnen vaststellen. Zij kunnen
dus wel een bedriegelijke nabootsing van een menschelijken
geest zijn, doch deze zelf nimmer voorstellen.
De laagste soort van hen vertoeven in de benedenaardsche
hellen en deze zijn niet beter te vergelijken dan
bij hooger ontwikkelde dieren. Hun ontwikkeling neemt
echter sneller toe naarmate zij hooger stijgen. De natuurgeesten,
die op de aarde of eerste hel verblijven, kunnen
wat hun ontwikkeling betreft, gelijk gesteld worden met
de laagst ontwikkelde menschen. De ontwikkeling van de
natuurgeesten, die in het astraal gebied zijn, is evenwel
beter dan die der menschelijke geesten, die daar vertoeven.
Hetzelfde kan gezegd worden van de natuurengelen,
die in het geestelijk gebied zijn. De ontwikkelingslijn
der natuurgeesten schijnt dus korter te zijn maar ook
moeielijker dan die der menschelijke geesten.
De onderlinge verhouding tusschen natuurgeesten en
menschelijke geesten is in de 7e, 6e en 5e hel zeer slecht.
Zij staan daar steeds vijandig tegenover elkaar en daar
de natuurgeest een bovenmenschelijke kracht kanontwik-
102
— 103 —
kelen, hebben de mensch-geestelijke helbewoners veel
van hen te lijden. In de 4e, 3e en 2e hel is die verhouding
beter doch lang niet vriendschappelijk. Op de aarde
of eerste hel zijn de natuurgeesten bang voor den mensch,
hoewel indien zij hem kunnen foppen, zij dit niet laten;
zij zijn evenwel niet kwaadaardig, doch treden soms
voor den mensch zeer hinderlijk op, waarom zij duivels
worden genoemd en door den mensch zeer gevreesd worden.
In het geestenverblijf is de verhouding tusschen menschelijke-
en natuurgeesten beter; hoewel zij afgescheiden
leven, bewijzen zij elkander dikwijls diensten en sluiten
zij zelfs vriendschap.
In den hemel bekleeden zij gewichtige betrekkingen.
Het verschil in werkkring van natuurengelen en
menschelijke engelen in de hemelgebieden bestaat daarin,
dat eenige natuurengelen de bouwers en onderhouders
zijn der planeten evenals op de aarde de ambtenaren
van een bouwdepartement; anderen geven bevelen
aan de op de planeten verblijvende lagere natuurgeesten,
terwijl de menschelijke engelen de bestuurders zijn van
het heelal evenals een regeering op de aarde over een land.
De adept weet hoe de diensten van de natuurgeesten,
wanneer hij ze noodig heeft, voor een goed doel ten
nutte te maken. De toovenaar, die de zwarte Magie beoefent,
kan hun bijstand inroepen door formulieren, die zekere
invloeden in beweging kunnen brengen, aan welke
zij gehoorzamen moeten. Deze wijze van oproeping is
echter gevaarlijk voor den toovenaar, daar hij daarmede
hun vijandigheid zou opwekken en zich aan hun wraak
zou overleveren. Hoewel zij niet in staat zijn, den menschelijken
wil te beheerschen, hebben zij een wonderbaar
vermogen, om een zinsbegoocheling over degenen te werpen,
die zich aan hun invloed overgeven, waardoor zulke
slachtoffers voor het oogenblik slechts zien, hooren en
voelen wat zij op hen indrukken. Van dit vermogen wordt
door begaafde fakir's gebruik gemaakt, om soms wonderlijke
en onbegrijpelijke vertooningen te geven.
DE WEDERGEBOORTE.
In het hoofdstuk „Het astraal lichaam" werd vermeld,
dat de geest in den toestand van „Moksha", dat is vrij
van hartstochten, lusten en begeerten, moet zijn, voordat
hij kan overgaan naar de prototype der aarde, gelegen
in het eerste hemelgebied, terwijl in het hoofdstuk „Het
vermogen van den teil" werd duidelijk gemaakt, dat indien
de mensch sterft met een Karma als Krijamana, dat is
een Karma, waarvan de gevolgen zich openbaren in een
volgend leven, de geest genoodzaakt zal zijn, wedergeboren
te worden, ten einde de gevolgen van dat Karma
te dragen en door boete dit te vernietigen. Hieruit
blijkt, dat indien de mensch sterft met een Karma als
Krijamana, hij niet in een toestand van Moksha kan komen,
zoodat de geest genoodzaakt is, zoo dikwijls op de aarde
herboren te worden, totdat hij als mensch sterft met een
vereffend Karma. De wedergeboorte is dus een gevolg van
de wet van het Karma, terwijl de opgedane kundigheden
en ondervinding den mensch in de gelegenheid stelt, de
kwade gevolgen van het Karma te voorkomen.
De als mensch op de aarde opgedane wetenschappen
en ondervinding, worden na het afleggen van het stoffelijk
lichaam, door den geest omgewerkt in ontwikkeling, ten
einde hem te louteren. Door dit proces worden deze kundigheden
en ondervinding van het lagere verstand deidierlijke
ziel overgenomen door het hoogere verstand der
geestelijke ziel, daar de dierlijke ziel met haar dierlijk verstand
bestemd is later, na overgang van den geest in de
hemelgebieden, als schim langzaam te vergaan. Door deze
overname worden die kundigheden en ondervinding vereeuwigd
en onsterfelijk gemaakt. Deze overgang geschiedt
volgens de wet van het „Antahkarana", dat is het pad of
de denkbeeldige brug tusschen het hoogere en het lagere
verstand. Zij is het middel van verbinding tusschen beide.
— 105 —
Zoodra deze overgang heeft plaats gehad, krijgt de geest
• door de opgedane loutering, het verlangen, om hetgeen
hij vroeger misdaan heeft of verkeerd heeft gedaan, te
boeten in een stofliclmam, dat daarvoor geschikt is en in
een toestand, waarin hij niet of moeielijk in zijn vorige
fouten of gewoonten kan vervallen.
Door dit verlangen komt de geest in den toestand van
„Trihna" of „Tanliadat is de kracht der begeerte naar
gevoelend bestaan. Door deze kracht sterft het astraal
lichaam van den geest en heeft de overgang plaats van
het astraal- naar het stoffelijk gebied volgens de wet
van het „Oepaclana", dat is de verwezenlijking naar gevoelend
bestaan, waarna de geest omkleed wordt met
een nieuw astraal- en stoffelijk lichaam, beter toegerust
dan zijn vorig astraal- en stoffelijk lichaam, daar al de
vroeger opgedane wetenschap en ondervinding, de
nieuwe lichamen als ontwikkeling vergezellen. Van daar
dat men kinderen ziet geboren worden met eigenschappen
en kundigheden, die volwassen mensch en verbazen.
Komt de wet van het „Antahkarana" den herboren
mensch ten goede, de wet van het Karma plaatst hem
in een omgeving en stoffelijke omstandigheden, afhangende
van zijn vorigen levenswandel als mensch. Naar dien
levenswandel krijgt hij het temperament, de natuurlijke
neigingen, aanleg en het karakter, in het kort, hij wordt
weder zooals hij was, toen hij het laatst als mensch stierf
en hij wordt dan in de gelegenheid gesteld, met zijn
thans meerdere ontwikkeling zijn leven als mensch voort
te zetten en dit te beteren.
De wedergeboorte opent dus den slechten mensch den
weg, om zijn vorig leven te beteren, een hooger leven
te kunnen bereiken en een deugdzaam mensch te worden.
Indien dit niet zoo was, zou hij voor altijd verloren zijn.
De mensch, die vroeger deugdzaam was, zal daarentegen
bij zijn wedergeboorte kunnen genieten niet alleen van
zi.jn opgedane kundigheden en ondervinding in zijn
vorig leven, maar ook van zijn goede karaktereigenschappen,
waarmede hij uit het leven is gegaan.
— 106 —
De wet van het nAntahkarana" heeft behalve een blijvende
herinnering aan opgedane wetenschap en ondervinding
omgezet in ontwikkeling, nog een andere goede
zijde, namelijk, dat de herboren mensch zich niets meer
herinnert van hetgeen hem niet dienstig kan zijn voor
zijn verderen vooruitgang, zoodat hij geen herinnering
heeft aan zijn vroeger leven als mensch en hetgeen toen
met hem gebeurd is. Deze wet is een ware tegemoetkoming
voor den mensch, want indien hij zich alles kon
herinneren, zouden de menschen elkander ook kunnen
herkennen. Een vroegere misdadiger zou dan bij het
intreden in een nieuw leven, dadelijk een verschoppeling
in de maatschappij zijn en hem zou daardoor de kans benomen
worden, zich te beteren.
Bovenbeschreven wetten te zamen genomen, vormen
weder één wet en wel die der samenhang en onafgebroken
duur, die den mensch zoovele malen doet herboren
worden, totdat zooveel wijsheid, kunde, zelfkennis, deugdzaamheid
en zedelijkheid verworven zijn, dat geen der
genoemde wetten invloeid meer op hem hebben en hij na
zijn astralen dood herleeft op de prototype der aarde,
gelegen in het eerste hemelgebied, waarin hij dan met zijn
opgedane ontwikkeling en deugdzaamheid te huis behoort.
Dezen toestand bereikt iedereen, doch de een vlugger
dan de ander, omdat het den mensch op aarde vrijstaat
een levenswandel te kiezen, zooals hij dien zelf wenscht.
Het aantal wedergeboorten is daarom niet bepaald, terwijl
de tijd, dien de geest in het astraal gebied noodig
heeft, om zijn opgedane kennis en ondervinding 0111 te zetten
in ontwikkeling, eveneens van den geest zelf afhangt.
De groote verscheidenheid van den zedelijken en verstandelijken
aanleg der menschen, wijst reeds op een
voorbestaan, daar zij het resultaat moet zijn van een ontwikkelingsproces.
De ongelijke toestanden van de menschen,
waarin de een het zeer goed, de ander het zeer
slecht gaat, mogen dus niet aangemerkt worden als een
onrechtvaardigheid Gods, maar als een natuurlijk gevolg
— 107 —
van de ontwikkeling van den mensch. Indien dit niet liet
geval was, dan zon de mensch een werktuig zijn in Gods
hand. Hoe zou men zoo iets kunnen denken van liet
Hoogste en Intelligentste Wezen van Waarheid, Goedheid
en Liefde.
Voor hen, die reeds een vrij aanzienlijke hoogte van
ontwikkeling hebben bereikt, wordt het geestelijk leven
hoe langer hoe gunstiger, daar zij dan in het geestenverblijf
een hooger sfeer bereiken. Om echter in den toestand
van Moksha te komen, moet de mensch al zijn verplichtingen
op de aarde hebben afgedaan en sterven met een
beëindigd Karma. Indien evenwel de mensch zich door
begeerte hecht aan een voorwerp of nog het verlangen
naar iets koestert, zal hij worden wedergeboren, om die
begeerte of dat verlangen te bevredigen, want begeerte
en verlangen zijn de bindende vermogens van de wet van
het Karma. De mensch, die in een toestand van Moksha
wenscht te komen, dient de begeerte en het verlangen
naar iets uit te roeien; indien hij dit ernstig en met een
vasten wil wenscht, zal hij slagen en de begeerte en het
verlangen naar iets uit zijn denkvermogen verwijderen
en hij wordt onverschillig naar de uitkomsten van zijn
werk, waardoor hij ophoudt Karma te verwekken.
Voor het beëindigen van het Karma is dus niet alleen
een volkomen kennis van zichzelf noodig, doch men
dient om geen nieuw Karma te scheppen, kwaad met goed
te vergelden, in al zijn handelingen steeds goedheid, mededoogen
en liefde tot den naaste te betrachten, anderen
te helpen, de barmhartigheid te beoefenen en smart en
verdriet gelaten te dragen.
Zoodra de mensch door ontwikkeling tot dit begrip
komt dan zal ontevredenheid, de bron van veel kwaad>
verdwijnen, hetgeen hem in het leven onbegrijpelijk was, zal
hem begrijpelijk worden en zijn gemoed zal vervuld worden
met een rust en geduld, die hem kenbaar maakt, dat hij het
doel van zijn leven op aarde nadert en weldra door
beëindiging' van zijn Karma, dat doel zal bereikt hebben.
De mensch gaat op zijn pad naar boven steeds vooruit.
Hoe langzaam dit ook gaat, geen stap doet hij achterwaarts,
geen leed wordt hem daarbij gedaan, dan het leed,
dat hij zichzelf berokkent, of hem wegens haat of afgunst
door mensehen wordt aangedaan. Naarmate hij zich
oefent in deugdzaamheid, goedheid en liefde, zal ook zijn
ontwikkeling vorderen en zijn lichaam zal die vormen
aannemen, die de kenmerken zijn van een deugdzaam
mensch.
108 -
É