Indonesische Spiritualiteit, energie uit de kosmos

Ramajana

Ter info!

Om iets op te zoeken druk je eerst

1- Ctrl + A.  Dan is alles geselecteerd

Om te zoeken druk dan

2- Ctrl + F

Type dan in het vakje je zoekopdracht en het hele boek word doorzocht naar het opgegeven woord.


Fantastisch boek gevonden in de oude hutkoffer van de oudste zus van mijn opa...

De Ramayana is een omvangrijk epos uit India. Samen met de Mahabharata vormt het een belangrijke culturele hoeksteen van het hindoeïsme. De dichter en wijze Valmiki heeft het epos naar schatting tussen 750 en 500 v.Chr. in een bepaald metrum gezet om het gemakkelijker te kunnen onthouden. Het epos is als orale literatuur gedurende talloze generaties doorverteld, maar het oudste gevonden manuscript wordt gesitueerd omstreeks het jaar 1000 n.Chr. — in India schreef men toen op palmbladeren.[1] In totaal zijn er een 2000-tal gedeeltelijke of volledige manuscripten gevonden. De Ramayana bevat zo'n 24.000 verzen op 50.000 regels.

Het is het verhaal over prins Rama, zijn broer Lakshmana en zijn vrouw Sita. De hoofdlijn van het verhaal betreft de ontvoering van Sita door de demon Ravana. Ze wordt meegenomen naar Lanka (de stad met de gouden muren). Uiteindelijk wordt Ravana, met de hulp van Hanuman, door Rama gedood. Daarnaast zijn er veel andere verhalen in het epos opgenomen.






Ramayana
I - Balakanda
II - Ayodhyakanda
III - Aranyakanda
IV - Kiskindhakanda
V - Sundarakanda
VI - Yuddhakanda
VII – Uttarakanda
3

Ramayana
De Ramayana van Valmiki
Deel I – Balakanda
Rama’s jeugd
4

Vertaling:
Stichting School voor Filosofie
in samenwerking met Stichting Ars Floreat
Versie 1.1.0, augustus 2004
www.arsfloreat.nl
Original title:
The Ramayana of Valmiki
Volume I: Balakanda, ISBN 0-691-06561-6
Translated by Robert P. Goldman
Princeton University Press
Princeton, New Jersey, USA
pup.princeton.edu




Inhoud 5
Voorwoord 9
1 Samenvatting van Narada 17
2 De opdracht van Brahma 28
3 Valmiki in diepe concentratie 34
4 Rama’s zonen zingen het epos 38
5 Ayodhya, de schitterende stad 42
6 De mensen van Ayodhya 46
7 De dienaren van Koning Dasaratha 50
8 Dasaratha wenst een zoon 53
9 Hoe Risyasringa regen bracht 56
10 Risyasringa komt naar Ayodhya 61
11 Voorbereiding van het offer 65
12 Verdere voorbereidingen 68
13 Het paardenoffer 73
14 De verschijning van Vishnu 80
15 Ravana’s lot bezegeld 84
16 De schepping van apenlegers 88
17 De geboorte van Rama 91
18 Het verzoek van Visvamitra 97
19 Dasaratha’s antwoord 100
20 Het betoog van Vasishtha 104
21 Op weg met Visvamitra 107
22 De ashram van Kama 110
23 Het woud van Tataka 113
6
24 De vervloeking van Tataka 117
25 De dood van Tataka 120
26 Rama krijgt hemelse wapens 123
27 Mantra’s en meer wapens 127
28 De ashram van Vamana 131
29 Strijd met de rakshasa’s 134
30 Op weg naar Koning Janaka 138
31 De dochters van Kusanabha 141
32 Het huwelijk van Brahmadatta 145
33 De afstamming van Visvamitra 149
34 De afstamming van de Ganges 152
35 Uma vervloekt de goden 155
36 Agni bevrucht de Ganges 159
37 De zonen van Sagara 163
38 Het offerpaard ontvoerd 167
39 Op zoek naar het offerpaard 171
40 Het offerpaard teruggevonden 175
41 De nakomelingen van Sagara 179
42 De neerdaling van de Ganges 183
43 Het plengoffer 187
44 Het karnen van de oceaan 190
45 De wraak van Diti 194
46 De zeven Maruts 197
47 De vloek van Gautama 200
48 Rama bevrijdt Ahalya 205
49 Bij Koning Janaka 209
50 Koning Visvamitra 213
51 Visvamitra ontmoet Vasishtha 217
7

52 Visvamitra wenst de koe Sabala 220
53 Visvamitra neemt Sabala mee 224
54 De strijd om Sabala 227
55 De macht van een kshatriya 231
56 De wens van Trisanku 234
57 Trisanku vervloekt 237
58 Hulp van Visvamitra 241
59 Trisanku in de hemel 244
60 Het paardenoffer van Ambarisha 249
61 Sunahsepa gered 252
62 Visvamitra verliefd 256
63 Visvamitra vervloekt Rambha 260
64 Visvamitra wordt brahma-rishi 262
65 Siva’s boog 267
66 Rama breekt de boog 271
67 Dasaratha’s toestemming gevraagd 275
68 Dasaratha ontmoet Janaka 278
69 Het Huis Ikshvaku 281
70 Het Huis Videha 285
71 Viervoudig voorgenomen huwelijk 289
72 De bruiloft 293
73 Ontmoeting met Rama Jamadagnya 297
74 Vishnu’s boog 300
75 Rama verslaat Rama Jamadagnya 304
76 Terug in Ayodhya 307
Einde van de Balakanda 309
Sanskriet namen en woorden 310
8

Zolang er bergen en rivieren op aarde zijn,
zo lang zullen mensen elkaar het verhaal vertellen
van de Ramayana.
Ramayana 1.2.35
9

Voorwoord
De Ramayana, het grote epos uit India, is het verhaal over Prins Rama en zijn vrouw Sita. Het is duizen-den jaren oud en ongetwijfeld een van de meest invloedrijke literaire werken aller tijden, met name in Zuid- en Zuidoost-Azië. In het Nederlands zijn ver-schillende samenvattingen van de Ramayana ver-schenen, maar voor zover bij ons bekend nog geen volledige vertaling. Gezien de ca. 24.000 verzen - of 50.000 regels – waaruit de tekst bestaat en de meer dan 2.000 gedeeltelijke of volledige manuscripten die er van de Ramayana bekend zijn, is een volledige ertaling ook geen geringe opgave.
v
Het oudst bekende manuscript (geschreven op palm-bladeren) zou ongeveer 1.000 jaar oud zijn, maar het verhaal zelf is veel ouder. Sinds onheuglijke tijden bestond in India de traditie van mondelinge over-dracht, waarbij verhalen uit het hoofd werden geleerd, voorgedragen en door de ene generatie aan de volgende werden doorgegeven. Onvermijdelijk werd het verhaal hierbij zo nu en dan weer net iets anders verteld en werden er stukken aan toege-voegd, afhankelijk van de landstreek en de periode waarin het epos verteld werd en van de filosofische opvattingen die de vertellers inspireerden. De vele manuscripten komen uit Noord- en Zuid-India. In het zuiden zijn de oorspronkelijke teksten beter
10

bewaard gebleven. Er was weinig verkeer met het noorden en daardoor weinig beïnvloeding vanuit andere culturen. De noordelijke editie wordt daarom wel gezien als een commentaar op de zuidelijke. Waarschijnlijk tussen 750 en 500 v. Chr. heeft de dichter en wijze Valmiki het hele epos in een bepaald metrum gezet dat het onthouden gemakkelijker maakte. De Ramayana van Valmiki is daarmee de oudst bekende versie van het verhaal van Rama en is ook ouder dan de oudst bekende versies van de ahabharata.
M
Van 1960 tot 1975 publiceerde het Oriental Institute in Baroda de zg. ‘Kritische editie’ van Valmiki’s Ramayana in zeven delen. Deze Kritische editie is het werk van een groep wetenschappers met als doel een uniforme Sanskriet-basistekst, die het oudste origi-neel van Valmiki zo dicht mogelijk benadert. Als ge-volg daarvan zijn vele plaatselijke en latere toevoe-gingen uit de vele manuscripten weggelaten. Dat betekent enerzijds dat waardevol materiaal uit die teksten verdwenen is, maar anderzijds dat dit waar-schijnlijk de meest authentieke en meest begrijpelijke ersie van de Ramayana is.
v
De Kritische editie dient als basis voor de Engelse vertaling van Princeton University Press. Deze Engelstalige versie van - opnieuw - een team van wetenschappers, onder leiding van Prof. Robert P. Goldman, bevat uitgebreide inleidingen, commen-
11

taren, en een grote hoeveelheid noten en verwij-zingen. Voor verdere studie verwijzen wij de geïnte-resseerde lezer dan ook graag naar de Princeton-editie. Het eerste deel van deze Engelstalige editie verscheen in 1984. Wij verwachten dat het zesde deel binnenkort zal verschijnen, waarna het zevende en aatste deel resteert.
l
In Nederland werd rond 1984 een studie- en vertaal-groep Ramayana opgericht binnen de School voor Filosofie, die uiteindelijk besloot zich te baseren op de Princeton-editie en daarmee ook op de Kritische editie. Er werd verder gekozen voor een eenvoudige uitgave van het verhaal zelf, zonder alle extra’s van de Princeton-editie. Dit online boek is het eerste deel van deze Nederlandse vertaling. Wij hopen in de omende jaren ook de volgende delen te publiceren.
k
Het verhaal van de Ramayana in een notendop: Om een zoon te verkrijgen, organiseert Koning Dasaratha een enorm offerfeest. Zijn drie voornaamste vrouwen baren daarop vier zonen: Rama, Lakshmana, Bhara-ta, en Satrughna. Rama breekt aan het hof van koning Janaka de grote boog van Siva en wint daarmee Janaka’s dochter Sita als echtgenote. De derde vrouw van koning Dasaratha verzet zich echter tegen Rama’s installatie als troonopvolger. Rama wordt verbannen en haar zoon Bharata zal in zijn plaats regeren. De oude koning sterft van ver-driet. Bharata vraagt zijn broer Rama toch koning te
12

worden, wat Rama weigert. Rama trekt met Sita en Lakshmana door het woud. Op een dag komt een vrouwelijke demon bij het drietal en tracht Rama te verleiden. Lakshmana verwondt haar. Een van haar broers wordt gedood en de andere broer, Ravana, zint op wraak. Met een list ontvoert hij Sita. Rama en Lakshmana krijgen de raad naar Sugriva, de apen-prins, te gaan. Rama sluit een verbond met Sugriva. Legers apen zoeken Sita overal. Na een tip springt Hanuman, Sugriva’s minister en raadsman, over de oceaan naar het eiland Lanka. Hanuman ziet Sita daar in een paleistuin en spreekt tot haar. Daarna doodt hij Ravana’s lijfwacht, wordt gevangen geno-men, maar ziet kans te ontsnappen en Lanka in brand te steken. Sita blijft ongedeerd en Hanuman keert terug. Er wordt een brug aangelegd over de oceaan, Ravana wordt door Rama gedood en Sita wordt bevrijd. Ze keren terug naar Ayodhya en Rama wordt tot koning gekroond. Maar het volk heeft er ten onrechte geen vertrouwen in dat Sita onaangerand is gebleven tijdens haar verblijf bij Ra-vana, en verwijt Rama dat hij haar weer bij zich heeft genomen. Sita wordt verbannen naar de kluizenaars-hut van Valmiki, waar haar zoons geboren worden. Vele jaren later reciteren zij het gehele Ramayana epos voor de koning. Uit het gedicht hoort Rama dat zij de zonen van Sita zijn. Sita wordt ontboden en geeft nogmaals bewijs van haar onschuld. Maar zij heeft teveel geleden en op haar bede wordt ze in de
13
aarde opgenomen, waar ze vandaan kwam. Rama wordt door Brahma getroost en keert terug naar de hemel.
Over de betekenis van de Ramayana is veel geschre-ven, zodat wij ons graag beperken en de tekst vooral voor zichzelf laten spreken. Een enkele visie willen we de lezer niet onthouden. In deze visie staat Rama voor het ware zelf van de mens (de atman), Hanu-man staat voor de rede of het onderscheidings-vermogen, Sita staat voor de vrede en de demon Ravana staat voor het ego of het onware zelf. De mens verliest zijn vrede door zijn ego. Met behulp van de rede vindt hij die vrede weer terug. Verder ligt de betekenis van de tekst vooral in wat hij doet. De vertalers hebben veel genoegen beleefd aan het bestuderen en vertalen van (delen van) dit grote epos. Dat genoegen wensen wij ook de lezer toe.
Amsterdam, augustus 2004
14

15

Deel I – Balakanda
Rama’s jeugd
16

17

1 Samenvatting van Narada
1. Valmiki, de asceet, vroeg aan de welsprekende Narada, de stier onder de wijzen, die altijd toegewijd was aan het beoefenen van zelfbeheersing en de studie van de eilige geschriften:
h
2. “Is er in deze wereld nog iemand die werkelijk deugd-zaam is? Wie is er begiftigd met macht en kennis en handelt daar ook naar? Wie spreekt altijd de waarheid n doet zijn geloften gestand?
e
3. Wie is een voorbeeld van juist gedrag en welwillend-heid ten opzichte van alle schepselen? Wie is geleerd, ast zijn kennis toe en is ook schoon van uiterlijk?
p
4. Wie heeft zelfbeheersing en heeft zijn woede onder-worpen? Wie is zowel rechtvaardig als vrij van afgunst en wordt zelfs door de goden gevreesd in het vuur van e strijd?
d
5. Dit wil ik gaarne van u horen; mijn verlangen dit te weten is groot. Grote rishi, u moet weten of er zo’n man estaat.”
b
6. Toen Narada, die alle drie de werelden kende, Valmiki had aangehoord, was hij zeer verheugd. “Luister”, zei ij en sprak de volgende woorden:
h
7. “De vele deugden die u genoemd hebt, zijn moeilijk te vinden. Laat mij een ogenblik nadenken, wijze, voordat
18

ik spreek. Ik ken inderdaad iemand die al deze deug-den bezit.
8. Zijn naam is Rama en hij is geboren in het Huis Ikshvaku. Hij geniet grote faam, want hij heeft zelf-beheersing, is machtig, stralend, standvastig en hij heeft verwicht.
o
9. Hij is wijs, goed opgevoed en welgemanierd. Hij is wel-sprekend, vorstelijk en overwint zijn tegenstanders. Breed zijn zijn schouders en sterk zijn armen. Zijn hals lijkt op een schelphoorn en hij heeft een krachtige aaklijn.
k
10. Hij heeft een machtige borstkas en bij het onderwerpen van zijn vijanden gebruikt hij een enorme boog. Zijn sleutelbeenderen liggen diep onder zijn spieren ver-zonken, zijn armen reiken tot zijn knieën en zijn hoofd is fraai gevormd. Zijn voorhoofd is edel en zijn gang is ol gratie.
v
11. Zijn lichaamsverhoudingen zijn volmaakt; zijn lede-maten zijn goed gevormd en symmetrisch. Hij heeft een donkere huid, een gespierde borst en grote ogen. Hij is werkelijk prachtig om te zien en draagt alle tekenen die uiden op voorspoed.
d
12. Hij is rechtschapen en houdt altijd zijn woord. Het wel-zijn van zijn onderdanen gaat hem steeds ter harte. Hij is beroemd, geleerd, zuiver, beheerst en mediteert over ijn eigen essentie.
z
19

13. Hij is de beschermer van al wat leeft en houdt recht-schapenheid in ere. Hij kent de Veda’s, de daarbij beho-rende takken van wetenschap en is eveneens bedreven in de krijgskunst.
14. Hij kent de kern van iedere wetenschap, is uitstekend op de hoogte van de traditie en is zeer intelligent. Alle mensen houden van hem, want hij is een goed mens, pgewekt en handig.
o
15. Hij is steeds een toevlucht voor goede mensen, zoals de oceaan dat voor de rivieren is. Want hij is nobel en venwichtig en het is altijd een genoegen hem te zien.
e
16. Hij is de oogappel van zijn moeder Kausalya en begif-tigd met alle deugden. Zijn geest is zo diep als de oce-an en even rotsvast als de Himalaya.
a
17. Hij is machtig als Vishnu en even weldadig om te zien als de maan. Wanneer zijn woede is gewekt, lijkt hij op het vuur aan het einde der tijden, toch is hij zo geduldig ls de aarde.
a
18-19. In gulheid evenaart hij de god Kubera, die rijkdom schenkt, en in eerlijkheid evenaart hij Dharma, de god van rechtvaardigheid. Uit genegenheid voor deze Rama, zijn geliefde oudste zoon, wenste Dasaratha, de heer der aarde, hem tot prins-regent te benoemen. Want Rama was waarlijk dapper en bezat al deze deugden, en hij was begiftigd met nog andere uitnemende deug-en.
d
20

20. De gemalin van de koning, koningin Kaikeyi, die de voorbereidingen voor de plechtige wijding zag, vroeg om een gunst die haar lang geleden eens beloofd was. Ze eiste dat Rama zou worden verbannen en dat harata in zijn plaats zou worden gewijd.
B
21. Omdat hij een man was die zijn woord gestand deed, raakte koning Dasaratha gevangen in de valstrik van zijn eigen rechtvaardigheid, en hij moest zijn geliefde oon Rama verbannen.
z
22. Om zijn vader in staat te stellen zijn gelofte gestand te doen en om Kaikeyi tevreden te stellen, trok de held aar het woud, want de wil van een vader is wet.
n
23. Toen Rama vertrok, volgde zijn geliefde en gehoorzame broer Lakshmana hem, de oogappel van zijn moeder umitra.
S
24. En ook zijn vrouw Sita, die alle vrouwelijke deugden ezat, volgde Rama.
b
25. Zijn vader Dasaratha en het volk van de stad bege-leidden hem een eindweegs op zijn tocht. Maar bij de stad Sringavera aan de oever van de Ganges zond ama tenslotte zijn wagenmenner weg.
R
26. Zij trokken van woud tot woud en staken grote rivieren over tot zij op aanwijzing van Bharadvaja bij de berg itrakuta kwamen.
C
27. Daar bouwde het drietal een aangename verblijfplaats.
21

Genietend van het woud leefden zij daar gelukkig als hemelse gandharva’s.
28. Toen Rama naar de berg Citrakuta was gegaan, werd koning Dasaratha ziek van verdriet over het lot van zijn zoon en luid weeklagend ging hij naar de hemel.
29. Na de dood van de koning drongen de brahmanen onder leiding van Vasishtha er bij Bharata op aan de koning op te volgen, maar deze machtige prins wenste het koningschap niet. In plaats daarvan ging de held naar het woud, waar hij aan de voeten van Rama neerknielde en om diens gunst vroeg, namelijk dat ama zelf koning zou worden.
R
30. Maar Bharata’s oudste broer gaf hem slechts zijn sandalen als teken van zijn koninklijke waardigheid en rong er herhaaldelijk bij hem op aan terug te keren.
d
31. Toen het Bharata niet gelukte zijn wens ingewilligd te krijgen, raakte hij als teken van eerbied Rama’s voeten aan. Daarna regeerde hij vanuit het dorp Nandigrama over het koninkrijk, in afwachting van Rama’s terug-eer.
k
32. Toen Rama zag dat het volk van de stad hem was komen opzoeken, trok hij vastberaden het Dandaka-oud in.
w
33. Daar doodde hij de rakshasa Viradha en ontmoette arabhanga, Sutikshna, Agastya en Agastya’s broer.
S
22

34. Met het grootste genoegen nam hij op aanraden van Agasstya, de boog van Indra aan, evenals een zwaard en twee pijlkokers met een onuitputtelijke vorraad pijlen.

35. Toen Rama daar in het woud woonde temidden van de bosbewoners, kwamen alle rishi’s hem opzoeken om em te vragen de asura’s en de rakshasa’s te doden.
h
36. Rama verminkte de rakshasa-vrouw Surpanakha, die in Janasthana woonde en die iedere gedaante kon aan-emen die zij wilde.
n
37-38. Daarna versloeg Rama alle rakshasa’s die aangespoord waren door Surpanakha om tegen hem ten strijde te trekken. Veertienduizend rakshasa’s werden gedood, waaronder Khara, Trisiras en Dushana, met hun hele evolg.
g
39. Maar Ravana, die hoorde van de slachting onder zijn volk en zijn familieleden, werd razend van woede en koos een rakshasa genaamd Marica uit om hem te elpen.
h
40. Marica trachtte meermalen Ravana tot ander inzicht te brengen, en zei: ‘Ravana, je zou er verstandig aan doen e niet met deze machtige man in te laten.’
j
41. Maar Ravana, gedreven door zijn lot, luisterde niet naar Marica en ging met hem naar de verblijfplaats van ama.
R
42. Met behulp van de magische krachten van deze meester
23

van illusie lokte hij de beide zonen van de koning ver weg. Nadat hij de gier Jatayus dodelijk had verwond, ontvoerde hij tenslotte Rama’s vrouw.
43. Toen Rama de gier stervende vond en hoorde dat Sita was ontvoerd, raakte hij buiten zichzelf van verdriet en egon luid te weeklagen.
b
44-45. Diep bedroefd cremeerde hij de dode gier Jatayus. Toen hij in het woud op zoek was naar Sita, ontmoette hij de rakshasa Kabandha, die mismaakt was en er afzichtelijk uitzag. De machtige Rama doodde hem en verbrandde ijn lichaam, opdat hij naar de hemel kon gaan.
z
46. Maar daarvoor had Kabandha hem nog gezegd: ‘Raghava, je moet naar de kluizenares Sabari gaan, want zij is kundig in de wegen van rechtvaardigheid en leidt een zeer rechtschapen leven.’ Daarom ging Rama, e machtige vernietiger van zijn vijanden, naar Sabari.
d
47. Sabari bewees Rama, de zoon van Dasaratha, de eer die hem toekwam. Daarna ontmoette hij de aap Hanuman an de oever van het Pampameer.
a
48. Op Hanumans advies ging de machtige Rama naar de koning van de apen, Sugriva, en vertelde hem alles wat r was gebeurd.
e
49. De bedroefde Sugriva voelde dat hij een vriend gevon-den had en vertelde Rama het hele verhaal van zijn familievete. En de aap vertelde hem ook hoe sterk Valin, zijn broer, wel was.
24

50. Rama zwoer Valin te doden, maar Sugriva bleef twijfelen aan Raghava’s kracht.
51. Om hem gerust te stellen, schopte Raghava met zijn grote teen het zware lijk van de buffel Dundubhi tientallen mijlen ver weg.
52. Vervolgens doorboorde hij met één machtige pijl zeven salabomen en een heuvel en de pijl drong zelfs door tot in de onderwereld Rasatala en daarmee won Rama ugriva’s vertrouwen.
S
53. De grote aap was nu geheel overtuigd van de kracht van Rama en gezamenlijk gingen zij naar de apenburcht ishkindha.
K
54. Daar stootte Sugriva met zijn goudgele kleur, de machtigste onder de apen, een reusachtig gebrul uit. Op dat gebrul kwam Valin, de koning van de apen, te oorschijn.
v
55. Op verzoek van Sugriva doodde Raghava Valin in een evecht en maakte Sugriva in diens plaats tot koning.
g
56. Vastbesloten Janaka’s dochter te vinden, riep die gewel-dige aap alle apen bijeen en zond ze uit naar alle wind-treken.
s
57. Op aanraden van de gier Sampati sprong de krachtige Hanuman over de zilte zee, over een afstand van wel riehonderd mijl.
d
58. Hij kwam bij de stad Lanka, waar Ravana heerser was,
25

en daar zag hij Sita, in sombere gedachten verzonken, in een tuin met asokabomen.
59. Hij gaf haar een bewijs dat hij door Rama was gestuurd. Hij vertelde haar alles wat er was gebeurd, en nadat hij Sita gerustgesteld had, verwoestte hij de omheining van ie tuin.
d
60. In de strijd die daarop volgde, doodde hij vijf generaals van het vijandelijke leger en ook nog zeven zonen van ministers. Pas toen hij de held Aksha had neergeslagen, erd hij gevangen genomen.
w
61. De apenheld stond toe dat de rakshasa’s hem vast-bonden. Hij wist immers dat hij zich kon bevrijden, ondanks hun magische wapen, want daartoe had hij de kracht ontvangen van grootvader Brahma, als speciale unst.
g
62. De grote aap stak toen de stad Lanka in brand, er wel voor zorgend dat Sita Maitili gespaard bleef en ging erug om Rama het goede nieuws te melden.
t
63. De geweldige aap kwam naar de grote Rama toe, liep vol eerbied om hem heen en zei: ‘Ik heb Sita gezien’, en ij vertelde hem precies wat er gebeurd was.
h
64. Rama ging met Sugriva naar de kust en daar bracht hij de oceaan in hevige beroering met pijlen die schitterden ls de zon.
a
65. De oceaan, de heer der rivieren, dook op uit het water
26

als een god en op zijn advies liet Rama de aap Nala - zoon van de architect der goden - een brug bouwen.
66. Zo ging Rama naar de stad Lanka en nadat hij Ravana in een gevecht gedood had, stelde hij Vibhishana, diens broer, aan als heer van de rakshasa’s in Lanka.
67. De drie werelden met alles wat zich daarin bevindt, beweeglijk of onbeweeglijk, de scharen der goden en de rishi’s waren verrukt over deze heldendaad van de rote Rama.
g
68. Alle goden waren uitermate verheugd en betoonden Rama eer. Nu hij zijn taak volbracht had, was hij be-rijd van zijn bezorgdheid en vol blijdschap.
v
69. De goden verleenden hem gunsten en hij bracht de gesneuvelde apen weer tot leven. Toen besteeg hij de vliegende strijdwagen Pushpaka en ging naar Nandi-rama.
g
70. Daar sneden de dappere held en zijn broers zich het samengeklitte haar van asceten af. Zo kreeg Rama Sita erug en eveneens zijn koninkrijk.
t
71. Zijn volk is voldaan en blij, tevreden, goed gevoed en rechtschapen. Zij zijn ook vrij van fysieke en psychische walen en er dreigt geen gevaar voor hongersnood.
k
72. Nergens in zijn rijk ervaren mannen de dood van een zoon. Vrouwen worden nooit weduwe en blijven hun chtgenoot altijd trouw.
e
27

73. Net als in het gouden tijdperk is er in het geheel geen gevaar voor brand of storm en vallen er geen doden door overstromingen.
74. Rama brengt honderden paardenoffers waar enorme hoeveelheden goud mee gemoeid zijn. En overeenkom-stig de traditie geeft hij honderden miljoenen koeien an de geleerden.
a
75. Raghava vestigt honderden koninklijke geslachten en draagt er zorg voor dat ieder van de vier maatschap-elijke orden zijn eigen taak in de wereld vervult.
p
76. Wanneer hij het koninkrijk elfduizend jaar bestuurd eeft, zal Rama naar de wereld van Brahma gaan.
h
77. Deze geschiedenis van Rama zuivert, vernietigt zonde, is heilig en de gelijke van de Veda’s. Ieder die de Rama-ana leest, wordt bevrijd van alle zonden.
y
78. Iemand die de Ramayana leest, zal een lang leven genieten en zich na zijn dood verblijden in de hemel, ezamen met zijn zonen, kleinzonen en bedienden.
t
79. Een brahmaan die dit verhaal leest, wordt welsprekend, een kshatriya wordt heerser van de aarde, een vaisya verkrijgt winst uit zijn goederen en zelfs een onaan-zienlijke sudra bereikt grootheid.”
Einde van Sarga 1 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
28

2 De opdracht van Brahma
1. Nadat Valmiki, de grote welsprekende wijze, Narada had aangehoord, bewezen deze rechtschapen man en zijn leerlingen hem grote eer.
2. En nu de brahma-rishi Narada de gepaste eer was be-oond, nam hij afscheid en vloog weg in de lucht.
t
3. Toen Narada vertrokken was naar de wereld der goden, ging de wijze na een poosje naar de oever van de rivier de Tamasa, niet ver van de Jahnavi, de anges.
G
4. Bij de oever van de Tamasa zag de wijze een geschikte plaats om te baden en hij zei tegen de leerling die naast em stond:
h
5. “Bharadvaja, kijk eens wat een heerlijke plek om te baden, er is hier geen modder. Het water is hier zo elder als de geest van een goed mens.
h
6. Zet de waterpot neer, beste jongen, en geef mij mijn mantel van boombast, want op deze prachtige plek van e Tamasa wil ik baden.”
d
7. Na deze woorden van de grote Valmiki gaf Bharadvaja, die zijn goeroe altijd zeer was toegewijd, hem zijn antel van boombast.
m
8. Valmiki nam de mantel aan van zijn leerling en wandelde rond. Met zijn zintuigen volledig onder
29

beheersing keek hij om zich heen in het uitgestrekte woud.
9. Vlakbij zag de heilige man een onafscheidelijk paar zoetgevooisde kraunca vogels die daar aan het rond-scharrelen waren.
10. Juist op het moment dat hij daar stond te kijken, trof een zeer verdorven en kwaadwillige Nishada jager het annetje van het paar.
m
11. Toen zijn wijfje hem zo dodelijk gewond zag stuip-trekken op de grond, zijn lijf besmeurd met bloed, uitte ij een deerniswekkende kreet.
z
12. En de vrome rishi, die gezien had hoe de vogel zo door e Nishada was gedood, werd vervuld van medelijden.
d
13. Tot in het diepst van zijn ziel getroffen dacht de brah-maan: “Dit is slecht.” Terwijl hij het kraunca vrouwtje oorde weeklagen sprak hij:
h
14. “Nishada, omdat je één van deze kraunca vogels tijdens hun liefdesspel hebt gedood, zul je niet lang meer even.”
l
15. Terwijl hij zo sprak, rees tegelijk de gedachte in hem op: “Wat heb ik daar gezegd in een opwelling van smart ver deze vogel?”
o
16. Hij overwoog dit en zo kwam deze bedachtzame wijze tot een beslissing. Die stier onder de wijzen sprak tot zijn leerling:
30

17. “Vervat in metrische delingen in vieren, elk met een gelijk aantal lettergrepen, en geschikt om begeleid te worden door snaarinstrumenten en slagwerk, zal deze uiting van mij sloka, dichtvorm, genoemd worden en niet anders, omdat deze ontstaan is in soka, een vlaag an smart.”
v
18. Maar de opgetogen leerling had de onovertroffen woorden van de wijze al uit het hoofd geleerd terwijl ze uitgesproken werden, hetgeen zijn goeroe zeer tevre-en stemde.
d
19. Tenslotte nam de wijze het voorgeschreven rituele bad in de rivier en keerde terug, terwijl hij nog liep na te enken over wat er was gebeurd.
d
20. Zijn leerling, de volgzame en erudiete Bharadvaja, pakte de tot de rand gevulde waterpot van zijn leer-eester op en volgde hem.
m
21. De wijze, die een zeer rechtschapen leven leidde, trad met zijn discipel zijn ashram binnen, ging zitten om vervolgens, nog steeds in gedachten verzonken, ver-chillende andere zaken te bespreken.
s
22. Daarop kwam de machtige Brahma zelf, de heer met de vier hoofden en schepper van de vier werelden, om eze grote wijze te bezoeken.
d
23. Toen hij hem aanschouwde, stond Valmiki onmiddellijk op, sprakeloos van verwondering en ontzag, zijn han-den eerbiedig gevouwen.
31

24. Hij bewees de godheid eer, bracht hem als welkomst-offer water om zijn voeten te wassen, bood hem een zetel aan en zong een loflied. En nadat hij zich volgens de traditie aan zijn voeten geworpen had, vroeg hij hem aar zijn welzijn.
n
25. Zodra de heilige Heer op een ereplaats gezeten was, gaf ij de grote rishi Valmiki een teken ook te gaan zitten.
h
26. Ondanks het feit dat de Grootvader van de werelden zelf daar voor hem zat, raakte Valmiki, die zich weer herinnerde wat er gebeurd was, opnieuw diep in ge-achten verzonken:
d
27. “Die wrede snoodaard, bezeten door kwaad, deed iets vreselijks door zo’n zoetgevooisde kraunca vogel zon-er enige reden te doden.”
d
28. Weer leefde hij intens mee met het kraunca vrouwtje en gaf volledig toe aan zijn verdriet; en zo in gedachten verloren, zong hij het vers weer, zomaar in het bijzijn an de godheid.
v
29. Glimlachend zei Brahma tegen de stier onder de wijzen: “Wat u daar gemaakt hebt, is een sloka. Daar hoeft u ich niet over te verwonderen.
z
30. Brahmaan, alleen door mijn wil hebt u zich zo wel-sprekend kunnen uiten. O grootste onder de rishi’s, nu moet u de gehele geschiedenis van Rama op deze wijze ertolken.
v
32
31-33. U moet de gehele wereld het volledige verhaal van de rechtschapen, deugdzame, wijze en standvastige Rama vertellen, precies zoals u het gehoord hebt van Narada - alles wat er in het openbaar, of binnen zijn familie gebeurde. Want alles wat de wijze Rama, Saumitri, de rakshasa’s en Vaidehi overkwam, zal u geopenbaard worden, zelfs die gebeurtenissen waar u nu nog on-undig van bent.
k
34. Geen enkele uitspraak van u in dit gedicht zal niet op waarheid berusten. Vertel dan nu in sloka’s de heilige geschiedenis van Rama om het hart van de mensen in errukking te brengen.
v
35. Zolang er bergen en rivieren op aarde zijn, zo lang zullen mensen elkaar het verhaal vertellen van de amayana.
R
36. En zolang deze geschiedenis van Rama wordt verteld, ult u voortleven in mijn werelden, boven en beneden.”
z
37. Nadat de heilige heer Brahma zo had gesproken, verdween hij op slag, de wijze Valmiki en zijn disci-elen achterlatend in opperste verwondering.
p
38. Toen reciteerden al zijn leerlingen die sloka nog een keer. Opgetogen en vol eerbiedige verbazing zeiden zij telkens weer:
33

39. “Doordat de soka, de smart, die de grote rishi uitzong in vier metrische delen die alle een gelijk aantal letter-grepen bevatten, na hem vele malen op deze wijze zal worden herhaald, is de dichtvorm sloka ontstaan.”
40. Toen kwam de beschouwende Valmiki op de volgende gedachte: “Laat ik een volledig gedicht maken in derge-ijke verzen en het de Ramayana noemen.”
l
41. En zo heeft de vermaarde wijze met groot inzicht dit verhaal samengesteld, dat bijdraagt aan de faam van de roemrijke Rama. Het bestaat uit honderden sloka’s met steeds een gelijk aantal lettergrepen. De woorden zijn edel van klank en betekenis en brengen het hart in ver-voering.
Einde van Sarga 2 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
34

3 Valmiki in diepe concentratie
1. Zo gebeurde het dat de rechtschapen Valmiki een manier zocht om dit verhaal voor iedereen toegankelijk te maken. Hij kende de gehele inhoud van het verhaal over de wijze Rama, die een voorbeeld van rechtscha-enheid is.
p
2. Eerst dronk de wijze langzaam wat water, op de voorgeschreven manier. Toen zette hij zich op heilig darbhagras, waarvan de sprieteinden naar het oosten wezen en vouwde zijn handen eerbiedig samen. Door diepe meditatie probeerde hij toegang te krijgen tot dit erhaal.
v
3. De geboorte van Rama, zijn grote kracht en vriende-lijkheid voor allen, de liefde van het volk jegens hem, zijn verdraagzaamheid, mildheid en waarheidlievende atuur,
n
4. de verschillende andere prachtige verhalen die verteld werden tijdens de reis met Visvamitra, het huwelijk van anaki, en het breken van de boog,
J
5. de strijd tussen de twee Rama’s en de deugden van Dasarathi, de voorbereidingen voor Rama’s wijding tot roonopvolger en het verdorven karakter van Kaikeyi,
t
6. de onderbreking van de kroningsceremonie en de ver-banning van Rama, het verdriet van de koning, zijn weeklagen en zijn overgang naar de volgende wereld,
35

7. de droefheid van het volk dat aan zijn lot werd over-gelaten, het gesprek met de hoofdman van de Nisha-da’s en de terugkeer van de wagenmenner,
8. het oversteken van de Ganges en de ontmoeting met Bharadvaja, de aankomst bij de berg Citrakuta op aan-ijzing van Bharadvaja,
w
9. het bouwen van een hut waarin ze gingen wonen, en de komst van Bharata, de verzoenende woorden van ama, en het begrafenis-plengoffer voor zijn vader,
R
10. de wijding van de prachtige sandalen en het verblijf in Nandigrama, de reis naar het Dandakawoud en het ezoek aan Sutikshna,
b
11. de ontmoeting met Anasuya, die de zalf als geschenk aanbood, het gesprek met Surpanakha en haar ver-inking,
m
12. het doden van Khara en Trisiras, waarna Ravana ver-rok, het verslaan van Marica en de ontvoering van Sita,
t
13. het verdriet van Rama en de dood van de koning der gieren, de ontmoeting met Kabandha en de aankomst ij het Pampameer,
b
14. de ontmoetingen met Sabari en Hanuman, en het wee-lagen van de grote Raghava bij het Pampameer,
k
15. de reis naar Rishyamuka en de ontmoeting met Su-griva, het vertrouwen dat toen ontstond, het vriend-schapsverdrag en de strijd tussen Valin en Sugriva,
36

16. het doden van Valin en de kroning van Sugriva, het verdriet van Tara, de overeenkomst en het gereed-maken van een verblijf voor de regentijd,
17. de woede van de leeuw der Raghava’s, het verzamelen van de troepen, die daarna in alle windrichtingen erden uitgezonden en de beschrijving van de aarde,
w
18. het overhandigen van de ring, de ontdekking van de grot van Riksha, het vasten tot de dood en de ont-oeting met Sampati,
m
19. de beklimming van de berg door Hanuman, die over de oceaan sprong en ‘s nachts Lanka binnendrong en zijn enzame overwegingen,
e
20. zijn aankomst bij de vijvers, de rondgang langs de vrouwenverblijven, tot hij bij het asokabos kwam en ita ontmoette,
S
21. het overhandigen van de ring als herkenningsteken en wat Sita daarop zei, de dreigementen van de rakshasa rouwen en het visioen dat Trijata in de droom had,
v
22. Sita, die het juweel aan Hanuman gaf, hoe Hanuman de bomen in het asokabos velde, de vlucht van de rakshasa rouwen en het doden van de lijfwachten,
v
23. de gevangenneming van Hanuman, de zoon van Vayu, en het gejammer toen de stad Lanka in brand stond, de sprong terug over de oceaan, en het buitmaken van de oningdrank,
h
37
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. Raghava, die getroost werd en het juweel aangeboden kreeg, de aankomst van de apen bij de oceaan waar ze de brug van Nala bouwden,
25. het oversteken van de oceaan en de nachtelijke bele-gering van Lanka, het verbond met Vibhishana, die nthulde hoe de rakshasa’s vernietigd konden worden,
o
26. de dood van Kumbhakarna en hoe Meghanada werd geveld, hoe Ravana verslagen werd en de bevrijding an Sita in de burcht van de vijand,
v
27. de kroning van Vibhishana en de verwerving van Ravana’s voertuig Pushpaka, de reis naar Ayodhya en e ontmoeting met Bharata,
d
28. de viering van Rama’s inwijding tot koning, hoe hij al zijn strijdkrachten wegzond en tot ieders tevredenheid regeerde over zijn koninkrijk, en later Vaidehi weg-ond,
z
29. dit alles werd door de heilige rishi Valmiki in dicht-vorm weergegeven. Zelfs die gebeurtenissen die Rama nog niet op aarde overkomen waren, werden in het laatste deel van zijn gedicht vermeld.
Einde van Sarga 3 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
38
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
4 Rama’s zonen zingen het epos
1. Nadat Rama zijn koninkrijk herkregen had, dichtte de heilige rishi Valmiki deze hele geschiedenis in prachtige bewoordingen.
2. Toen de wijze meester daarmee gereed was, inclusief de nog komende laatste gebeurtenissen, dacht hij: “Wie ou dit gedicht kunnen voordragen?”
z
3. Terwijl de grote rishi dit overwoog, kwamen Kusa en Lava, als wijzen gekleed, bij hem en raakten eerbiedig ijn voeten aan.
z
4. Hij keek de twee stralende broers Kusa en Lava aan. Zij woonden in zijn ashram, want zij waren zonen van de koning, zeer rechtschapen en bovendien hadden ze een elluidende stem.
w
5. Toen hij merkte dat zij goed onderlegd waren in de Veda’s en een uitstekend geheugen hadden, nam hij ze an als studenten.
a
6-7. Hij was een man die altijd zijn geloften gestand deed en zo leerde hij hun dit grootse gedicht, de Ramayana, het verhaal van Sita en het doden van Paulastya, van begin tot eind. Het is een prachtig gedicht, of het nu gere-citeerd wordt of gezongen in de drie tijdsmaten op de zeven noten van het octaaf. Het is bijzonder geschikt om te worden begeleid door snaarinstrumenten en slagwerk.
39
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. De twee leerlingen zongen het gedicht waarin alle gemoedstoestanden beschreven zijn: humor, erotiek, medelijden, woede, heldenmoed, angst, afschuw en nog veel meer.
9. De broers, mooi als gandharva’s, hadden een prachtige stem en waren goed onderricht in de muzische kunsten van de gandharva’s. Zij waren deskundig wat betreft oede uitspraak en stembuiging.
g
10. Zij waren begiftigd met schoonheid, vertoonden god-delijke kenmerken en spraken met welluidende stem. De tweeling weerspiegelde het uiterlijk van hun vader ama.
R
11. Omdat dit onovertroffen verhaal een voorbeeld is van rechtvaardigheid, leerden de twee deugdzame zonen an de koning het hele gedicht uit het hoofd.
v
12. Toen deze twee begaafde jongemannen, die de essentie van dit verhaal volledig begrepen en die voorspoed brengende tekens droegen, dit gedicht geleerd hadden, reciteerden zij het zoals hun onderwezen was, met ge-concentreerde aandacht, op bijeenkomsten van rishi’s, rahmanen en andere wijze mannen.
b
13. Bij één bepaalde gelegenheid zongen de twee het gedicht in aanwezigheid van enige verlichte rishi’s, die daar bijeengekomen waren.
40
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
14. Toen de wijzen het hoorden, kregen zij tranen in de ogen van ontroering en vol verwondering zeiden allen tot het tweetal: “Schitterend! Schitterend!”
15. Alle wijzen, die blijmoedig en rechtschapen waren, prezen Kusa en Lava om hun zang, want grote lof wam hun toe.
k
16. “O, wat zingen zij prachtig en wat is het een mooi ge-dicht. Terwijl het zo lang geleden is dat dit alles plaats-vond, is het alsof wij het nu voor onze ogen zien ebeuren.”
g
17. Geheel opgaand in de emoties van het verhaal, zongen de twee broers het samen met alle toonschakeringen, elluidend en vol gevoel.
w
18. Nu zij zo geprezen werden door die grote rishi’s, die zelf ook alle lof verdienden voor hun zuivere levens-ijze, zongen zij nog lieflijker en met nog meer gevoel.
w
19. Eén wijze was zo opgetogen, dat hij hun een waterpot gaf. Een ander, een zeer beroemd man, schonk hun een antel van berkenbast.
m
20. Dit wonderbaarlijke verhaal, dat de wijze Valmiki vertelde en in volmaakte volgorde opstelde, is de grote nspiratiebron voor dichters.
i
21. Toen gebeurde het op een dag dat de oudste broer van Bharata, Rama, deze twee zangers zag die alom in den ande door hoog en laag geprezen werden.
l
41
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
22. En Rama, de vernietiger van zijn vijanden, bracht de broers Kusa en Lava naar zijn eigen paleis, waar hij hun eer bewees, want dat verdienden zij.
23-24. Gezeten op een hemelse gouden troon, omringd door zijn raadslieden en broers, keek koning Rama, de vernietiger van zijn vijanden, naar de twee schone jongelingen met hun luit en sprak tot Lakshmana, atrughna en Bharata:
S
25. “Laten wij naar dit verhaal luisteren, waarvan zowel de woorden als de betekenis wonderschoon zijn en dat door deze twee op goden gelijkende jongemannen zo rachtig ten gehore wordt gebracht.
p
26. Want hoewel deze twee wijzen, Kusa en Lava, grote asceten zijn, dragen zij toch alle kenmerken van koningen. Bovendien wordt er gezegd dat het diep-zinnige verhaal dat zij vertellen, een zeer weldadige itwerking heeft, zelfs op een koning. Luister ernaar.”
u
27. Toen begon het tweetal op uitnodiging van Rama te zingen in de volmaakte stijl van “marga”-recitatie. En daar temidden van dit gezelschap liet zelfs Rama, in zijn verlangen zich hieraan geheel over te geven, zijn geest volledig door hen meenemen.
Einde van Sarga 4 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
42
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
5 Ayodhya, de schitterende stad
1-3. Dit grootse verhaal, bekend als de Ramayana, gaat over de dynastie van die grote zegevierende koningen, de Ikshvaku’s, afstammelingen van Brahma, Heer der schepselen, en over degenen aan wie deze gehele aarde het eerst toebehoorde. Onder hen was Sagara, die er de oorzaak van was dat de oceaan ontstond en die zestig-duizend zonen in zijn gevolg had wanneer hij zijn oninkrijk verliet.
k
4. Ik zal het verhaal in zijn geheel van het begin af aan reciteren en niets weglaten. Het is in overeenstemming met de doelstellingen van rechtschapenheid, het ver-enigt het nuttige met het aangename. Laat een ieder er ol vertrouwen naar luisteren.
v
5. Er is een groot, gelukkig en voorspoedig land genaamd Kosala, gelegen aan de oevers van de rivier Sarayu en ijk aan overvloed van schatten en graan.
r
6. Daar lag de wereldberoemde stad Ayodhya, een stad ebouwd door Manu zelf, de heer der mensen.
g
7. Het was een grote vorstelijke stad, zesendertig mijl lang en negen mijl breed en de wegen waren volgens een rachtig plan aangelegd.
p
8. Er was een fraaie, brede, koninklijke hoofdweg, die altijd bezaaid was met neerdwarrelende bloesem en die voortdurend met water werd besprenkeld.
43
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Koning Dasaratha, die het grote rijk nog verder uitge-breid had, woonde in die stad, zoals de heer der goden in de hemel.
10. De stad was voorzien van poorten en deuren en de overdekte marktplaatsen waren goed ingericht. Alle denkbare gereedschappen en wapens waren aanwezig n de vele handwerkslieden werkten er graag.
e
11. De stad was werkelijk vorstelijk, in pracht niet te evena-ren en er waren talloze zangers en voordrachtskunste-naars. Er waaiden wimpels van de hoge torens en op de stadsmuren stonden honderden verdedigingswapens pgesteld.
o
12. Het was een indrukwekkende stad met veel theaters en toneelspelers en overal waren parken en mangoboom-aarden. Het geheel was omringd door stadswallen.
g
13. Het was een fort, met rondom een diepe gracht waar men onmogelijk overheen kon en dat dus voor de vijand onneembaar was. Ook waren er heel veel aarden, olifanten, koeien, kamelen en ezels.
p
14. Vaak kwamen er koningen uit de naaste omgeving met hun hele gevolg eer bewijzen en kooplieden uit erschillende landen vormden een kleurrijk toneel.
v
15. Er waren prachtige heuvels in de stad en met edel-stenen versierde paleizen. Met zijn torentjes die fier op de daken prijkten, leek de stad wel op Amaravati, de hemelse stad van Indra.
44
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Het was een kleurrijke stad, aangelegd in de vorm van een schaakbord. Mede door de grote aantallen zeer schone vrouwen, leek de stad, met haar vele gebouwen die er als paleizen uitzagen, wel bezaaid met juwelen.
17. De huizen waren op vlak terrein gebouwd en stonden dicht tegen elkaar aan. De voorraadschuren waren vol met de beste kwaliteit sali-rijst en het drinkwater maakte als het sap van suikerriet.
s
18. Overal weerklonk luid de muziek van trommels, slagwerk en snaarinstrumenten - zoals dundubhi’s, mridanga’s, luiten en panava’s - waarlijk als nergens nders.
a
19. De buitenmuren van de woningen waren stevig ge-bouwd en er woonden slechts goede mensen. Waarlijk, het geheel was als een hemels paleis, dat volmaakte ezens door ascese hadden verworven.
w
20-22. Koning Dasaratha had de gehele stad bevolkt met duizenden deskundige en ervaren krijgslieden die op strijdwagens streden, mannen die nooit een pijl zouden afschieten op een tegenstander die van zijn kameraden gescheiden was, die de enige kostwinner van zijn familie was, die zich verborgen hield, of op de vlucht was. Het waren mannen die met hun scherpe wapens, of zelfs met hun blote handen, woest brullende leeu-en, tijgers en wilde zwijnen in het woud doodden.
w
45
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. Maar de koning liet ook grote brahmanen in de stad wonen, die de heilige vuren brandend hielden en de Veda’s met de zes daarbij behorende wetenschappen beheersten - mannen die toegewijd waren aan de waar-heid en duizenden aan liefdadigheid gaven - en ook liet de koning in de stad vooraanstaande rishi’s wonen die op de grote rishi’s zelf leken.
Einde van Sarga 5 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
46
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
6 De mensen van Ayodhya
1-4. Koning Dasaratha woonde in die stad Ayodhya en re-geerde over de aarde zoals eens de machtige Manu over de wereld heerste. Hij kende de Veda’s en was heer en meester over alles. Hij was machtig, had een vooruitziende blik en was in stad en land geliefd bij het volk. Deze uiterst bekwame krijgsman en wagenmen-ner uit het geslacht Ikshvaku, voerde vele offers uit en rechtvaardigheid stond hoog in zijn vaandel. Hij was befaamd in de drie werelden en stond bekend als een man van groot gezag, een koning-rishi, gelijk aan de grote rishi’s. Hij was een machtig man die niet alleen zijn vijanden had verslagen, maar ook zijn zinnen had overwonnen en hij had vele vrienden. Door zijn rijk-dom en verworven bezit was hij de gelijke van Sakra of aisravana, de god van de rijkdom.
V
5. Trouw aan zijn geloften en met altijd het drievoudige levensdoel voor ogen, regeerde hij over die prachtige tad zoals Indra over Amaravati.
s
6. In die grote stad waren de mensen gelukkig, recht-vaardig en goed opgeleid. Zij hadden de waarheid lief en waren niet hebzuchtig, want een ieder was tevreden et zijn eigen bezit.
m
7. In die schitterende stad was er geen huisvader die geen aanzienlijk bezit had, die niet zijn levensdoel bereikt had, of die geen vee, paarden, rijkdom en graan bezat.
47
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Nergens in Ayodhya was er een ontuchtige, een vrek, een wreedaard, een analfabeet of een ongelovige.
9. Alle mannen en vrouwen gedroegen zich rechtschapen, kenden zelfbeheersing en waren opgewekt. Hun ge-moedstoestand en gedrag waren zuiver als die van de rote rishi’s.
g
10. Het ontbrak niemand aan oorringen, een diadeem of halsketting. Niemand was verstoken van genoegens. Er was niemand die vuil was, of die zijn lichaam niet met elriekende oliën verzorgde.
w
11. Niemand at onzuiver voedsel en ieder was gastvrij. Iedereen droeg een armband en een gouden borst-sieraad en bezat ringen. Het ontbrak niemand aan elfbeheersing.
z
12. Ook was er in Ayodhya geen enkele brahmaan die verzuimde de heilige vuren brandende te houden, offers te brengen, en duizenden aan liefdadigheid weg te geven. En geen van hen had een echtgenote uit een ndere sociale klasse.
a
13. De brahmanen hadden hun zinnen overwonnen en waren altijd toegewijd aan hun eigen taak. Zij deden veel aan studie en liefdadigheid en waren matig in het anvaarden van geschenken.
a
14. Er waren geen ongelovigen en leugenaars. Er was niemand die niet goed onderlegd was. Niemand was jaloers, onbekwaam of onwetend.
48
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Niemand was ongelukkig, wispelturig of bezorgd. Er was geen enkele man of vrouw in Ayodhya te vinden die geen gratie of schoonheid bezat, en ieder was de koning zeer toegewijd.
16. Mensen uit alle maatschappelijke klassen, waarvan de meest vooraanstaande klasse die van de brahmanen was, betoonden eerbied aan zowel goden als gasten. Zij leefden in waarheid en rechtschapenheid en bereikten en hoge leeftijd.
e
17. De kshatriya’s aanvaardden de brahmanen als hun meerderen en de vaisya’s waren ondergeschikt aan de kshatriya’s. De sudra’s waren toegewijd aan hun taak n dienden de drie andere klassen.
e
18. Kortom, de stad werd even goed geregeerd door deze koning van de Ikshvaku’s als lang geleden door de ijze Manu, de beste van de mensen.
w
19. Als een grot vol leeuwen was de stad vol vurige, goed opgeleide krijgers, die nergens voor terugschrokken en ie zeer bedreven waren in de krijgskunst.
d
20. De stad bezat een keur van de allerbeste paarden, gefokt in de gebieden van Bahlika, Vanayu, Kamboja en de grote rivier; deze paarden evenaarden het paard van ishnu.
V
21. Ook waren er veel sterke bronstige olifanten, als bergen zo groot, afkomstig uit de Vindhya heuvels en het Himalaya gebergte.
49
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
22-23. De stad was altijd vol bronstige mannetjesolifanten. Deze machtige olifanten van de gemengde rassen bha-dramandra, bhadramriga en mrigamandra, waren af-stammelingen van de kosmische olifanten Anjana en Vamana. Waarlijk, de naam Ayodhya, de onneembare, was volkomen terecht en haar roem reikte tot ver uiten de poorten van de stad.
b
24. Zo regeerde de heer der aarde, als Sakra’s gelijke, over die voorspoedige stad met haar toepasselijke naam, waarin duizenden mensen woonden, en die zo luister-rijk was met haar prachtige gebouwen en haar zwaar vergrendelde poorten.
Einde van Sarga 6 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
50
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7 De dienaren van Koning Dasaratha
1. Deze held, koning Dasaratha, had acht vermaarde ministers, die onkreukbaar waren en onwankelbaar in hun toewijding aan de staatszaken.
2. Het waren Dhrishti, Jayanta, Vijaya, Siddhartha, Artha-adhaka, Asoka, Mantrapala en als achtste Sumantra.
s
3. De koning werd ook bijgestaan door twee hoofd-priesters, de voornaamsten onder de rishi’s, Vasishtha n Vamadeva, samen met andere raadgevers.
e
4. Het waren mannen van vorstelijke statuur, onderlegd in de wetenschappen en altijd moedig. Zij genoten rote faam, waren ijverig en getrouw aan hun woord.
g
5. Zij waren machtig, verdraagzaam, roemrijk en spraken altijd met een glimlach op het gelaat. Zij zouden nooit onwaarheid spreken, noch uit woede, noch uit eigenbe-ang.
l
6. Er gebeurde niets in hun eigen rijk of daarbuiten waar-van zij niet op de hoogte waren door middel van geheime afgezanten, of iets nu al gebeurd was, op dat moment plaatsvond, of zelfs alleen maar overwogen erd.
w
7. Zij waren berekend op hun taak en hun trouw was bewezen, zodat zij zelfs hun zonen zouden straffen, als e gelegenheid dat vereiste.
d
51
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Zij hielden zich bezig met de zorg voor de schatkist en het onderhoud van het leger. Zij zouden zelfs een vijand geen kwaad doen, als deze zich nergens aan schuldig had gemaakt.
9. Heldhaftig en met nimmer aflatende energie bestuur-den zij het rijk en zij beschermden voortdurend alle erlijke inwoners.
e
10. Zij vulden de schatkist zonder de brahmanen en ksha-triya’s te benadelen en deelden pas strenge straffen uit adat ze de ernst van een vergrijp hadden overwogen.
n
11. Wanneer al deze eerlijke en gelijkgezinde mannen rechtspraak hielden, was er geen mens in de stad of het oninkrijk die een valse getuigenis durfde af te leggen.
k
12. Een verdorven mens was daar niet te vinden, noch een man die met andermans vrouw overspel pleegde. In die prachtige stad, ja waarlijk in het gehele land, heerste rede.
v
13. De ministers droegen fraaie gewaden, zij hadden schit-terende sieraden en hun gedrag was onberispelijk. Zoals het goede staatslieden betaamt, waakten zij over et welzijn van de heer der mensen.
h
14. Zij hadden slechts oog voor de deugden van hun koning en waren beroemd om hun moed. Overal, zelfs in het buitenland, stonden zij bekend om hun vastbe-adenheid.
r
52
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Gezegend met deze ministers, die zulke deugden be-zaten, regeerde de onberispelijke koning Dasaratha over de aarde.
16. Hij was altijd waakzaam dankzij zijn geheime afge-zanten en gaf zijn onderdanen wat hun toekwam. Geen ijand was zijn gelijke en zeker niet zijn meerdere.
v
17. En zo, omgeven door toegewijde, intelligente en kun-dige raadgevers, die zowel in wetgeving als in politiek bedreven waren, verkreeg de koning een grote luister, zo schitterend als de opgaande zon, omgeven door zijn stralen.
Einde van Sarga 7 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
53
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8 Dasaratha wenst een zoon
1. Maar hoewel de grote koning bekend was met de we-gen der rechtvaardigheid en in zo grote glorie regeerde, ging hij gebukt onder het gemis van een zoon, want hij ad geen zoon om zijn geslacht voort te zetten.
h
2. En terwijl de grote man hierover piekerde, kwam op een dag de gedachte bij hem op: “Waarom volbreng ik iet het paardenoffer om een zoon te krijgen?”
n
3-4. Toen de wijze en rechtschapen koning in overleg met al zijn raadgevers tot het besluit was gekomen dat hij een offer moest brengen, wendde hij zich tot Sumantra, de voornaamste onder hen en zei: “Laat onmiddellijk mijn amiliepriester en al mijn goeroes hier komen.”
f
5. Hierop nam Sumantra, die zijn wagenmenner was, de koning terzijde en sprak: “Ik heb een oude geschiedenis ehoord die verteld wordt door de offerpriesters.
g
6. Lang geleden, Majesteit, vertelde de heilige Sanatkuma-ra in aanwezigheid van de rishi’s dit verhaal, dat alles e maken heeft met hoe u een zoon zult krijgen:
t
7. ‘Kasyapa heeft een zoon die Vibhandaka heet. Deze zal en beroemde zoon hebben genaamd Risyasringa.
e
8. Deze wijze, die opgroeit in het woud en daar ook blijft wonen, een groot brahmaan, zal niets anders kennen an voortdurende gehoorzaamheid aan zijn vader.
d
54
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. De kuisheid van die grote man zal teniet gedaan worden en die gebeurtenis, Majesteit, zal alom bekend worden onder het volk en zal lange tijd onderwerp van gesprek zijn bij de brahmanen.
10. Maar toch zal de tijd komen waarin hij slechts zal leven m het heilig vuur en zijn beroemde vader te dienen.
o
11. In diezelfde tijd zal de machtige, moedige en befaamde omapada koning van de Anga’s zijn.
R
12. Door een misstap van die koning zal er een wrede en verschrikkelijke droogte heersen die alle schepselen in evensgevaar brengt.
l
13. Daar de droogte aanhoudt, zal de koning in grote nood een vergadering bijeenroepen van geleerde brahmanen n tot hen zeggen:
e
14. ‘Heren, u kent de wegen van rechtvaardigheid en u begrijpt de wereld. Schrijf mij een straf voor, als zoen-ffer.’
o
15. En die brahmanen, meesters in de Veda’s, zullen de beschermer der aarde antwoorden: ‘Majesteit, stel alles n het werk om Vibhandaka’s zoon hier te brengen.
i
16. En, beschermer der aarde, wanneer u Risyasringa met alle verschuldigde eerbewijzen naar u toe hebt laten brengen, moet u vastbesloten en met de voorgeschre-en ceremoniën hem uw dochter Santa aanbieden.’
v
17. Als de koning hun raad hoort, zal hij gaan overwegen:
55
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
‘Op welke manier kan die machtige man hier gebracht worden?’
18. Na een beslissing genomen te hebben in overleg met zijn raadgevers, zal de wijze koning zijn huispriester en ministers uitzenden na hun de verschuldigde eer te ebben bewezen.
h
19. Maar de woorden van de koning zullen hen benauwen en met gebogen hoofd zullen zij op smekende toon tot de beschermer der mensen zeggen: ‘Wij durven niet te aan, wij zijn bang voor de rishi.’
g
20. Maar nadat zij hebben nagedacht over een geschikte manier om het doel te bereiken, zullen zij zeggen: ‘Wij zullen de brahmaan hier brengen. Het zal geen oeilijkheden opleveren.’
m
21. Zo zal de koning van Anga met de hulp van prostituees de zoon van de rishi binnenhalen en hem zijn dochter anta schenken. En de god zal het laten regenen.’
S
22. Risyasringa, de schoonzoon van koning Romapada, zal zorgen dat u zonen krijgt. Tot zover het verhaal dat estijds door Sanatkumara werd verteld.”
d
23. Dasaratha was zeer verheugd en antwoordde Suman-tra: “Vertel mij precies hoe Risyasringa naar het hof van Anga werd gebracht.”
Einde van Sarga 8 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
56
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9 Hoe Risyasringa regen bracht
1. Op aandringen van de koning sprak Sumantra: “U en uw raadslieden zullen horen hoe zij Risyasringa in Anga brachten.
2. De hofpriester van Romapada en zijn ministers zeiden tot hem: ‘Wij hebben een plan bedacht dat niet kan islukken.
m
3. Risyasringa leeft in het woud en wijdt zich geheel aan ascese en studie. Hij is volkomen onbekend met rouwen en met de geneugten van de zinnen.
v
4. Dus zullen wij hem naar de stad brengen door middel van zinnenstrelende zaken die de gedachten van annen prikkelen. Laat dit meteen geregeld worden.
m
5. Laat mooie, fraai geklede prostituees daarheen gaan. Hij zal ze met eerbewijzen ontvangen en zij zullen hem p allerlei manieren verblinden en hem hier brengen.’
o
6. Toen de koning dit gehoord had, antwoordde hij zijn hofpriester: ‘Zo zij het.’ Zijn hofpriester en raadslieden eden toen precies wat zij gezegd hadden.
d
7-8. Nadat zij de instructies gekregen hadden, gingen de schoonste courtisanes het grote woud in en bleven in de buurt van de ashram, om te proberen een glimp op te vangen van de standvastige zoon van de rishi die altijd daarbinnen verbleef. Volkomen tevreden met alleen het
57
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
gezelschap van zijn vader had hij zich nooit buiten de ashram gewaagd.
9. Vanaf de dag dat hij geboren werd, had deze asceet nog nooit een man of vrouw, of enig ander schepsel gezien uit de stad of van het platteland.
10. Maar op een keer kwam de zoon van Vibhandaka toe-vallig op de plaats waar de vrouwen zich bevonden en ag hen daar.
z
11. Prachtig gekleed en lieflijk zingend liepen al die schone onge vrouwen naar de zoon van de rishi toe en zeiden:
j
12. ‘Wie bent u? Hoe leeft u hier? Brahmaan, dat zouden wij graag willen weten. Vertel ons eens, waarom zwerft zo alleen rond in dit vreselijke en verlaten woud?’
u
13. Plotseling doorstroomde hem een gevoel van liefde voor deze vrouwen wier lichaam en blikken zo bekoorlijk waren. Zoiets aantrekkelijks had hij nog nooit eerder gezien en op dat moment kwam het idee ij hem op om ze over zijn vader te vertellen.
b
14. ‘Mijn vader is Vibhandaka en ik ben zijn zoon. Ik heet Risyasringa. De hele wereld kent mijn naam en weet aar ik mij mee bezighoud.
w
15. Maar wat ziet u er lieflijk uit! Onze ashram is hier vlakbij en daar zal ik u eer betonen volgens onze raditie.’
t
16. Op deze uitnodiging van de zoon van de rishi gingen
58
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
zij allen graag in. Vervolgens gingen zij allen met hem mee om de ashram te bekijken.
17. Toen zij daar waren aangekomen, ontving de zoon van de rishi hen met eerbewijzen en zei: ‘Hier is het offer ter verwelkoming: water om uw voeten te wassen en ook ied ik u onze wortels en onze vruchten aan.’
b
18. Maar hoewel zij zijn gastvrijheid hadden aanvaard en vervuld waren van verlangen, besloten zij uit vrees oor zijn vader, de rishi, snel te vertrekken.
v
19. ‘Wij hebben ook heerlijke vruchten bij ons, brahmaan. et u er alstublieft wat van.’
E
20. Toen omhelsden zij hem allen vrolijk, en boden hem oetigheden en allerlei andere heerlijkheden aan.
z
21. Toen de machtige man deze proefde, realiseerde hij zich dat hij dit soort vruchten nog nooit eerder geproefd had, omdat hij altijd in het woud had ewoond.
g
22. Toen zeiden de vrouwen tot de brahmaan dat zij hun godsdienstige verplichtingen moesten nakomen en namen afscheid. Bevreesd voor zijn vader vertrokken ij onder dat voorwendsel.
z
23. Maar toen zij allen vertrokken waren, werd de brah-maan, de kleinzoon van Kasyapa, neerslachtig en wierf onrustig rond.
z
24. Daarom ging de machtige man meteen de volgende dag
59
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
weer naar de plaats waar hij die charmante, rijk versierde courtisanes had gezien.
25. Toen zij de brahmaan zagen aankomen, sprong hun hart op van vreugde en liepen zij allen naar hem toe en zeiden:
26. ‘Nu moet u naar onze ashram komen, vriend, daar ullen wij u rijkelijk verwelkomen.’
z
27. Deze woorden troffen hem recht in het hart en hij besloot met ze mee te gaan. En zo leidden de vrouwen em weg.
h
28. En op het moment dat zij de grote brahmaan met zich meenamen naar de stad, liet de god het plotseling egenen en verfriste daarmee de wereld.
r
29. De heer der mensen trad de wijze, die naar zijn koninkrijk gekomen was en hem regen gebracht had, nederig tegemoet en boog zijn hoofd tot aan de grond oor hem.
v
30. Volledig geconcentreerd bracht hij hem het traditionele welkomstoffer en smeekte de grote brahmaan om een unst: ‘Wees alstublieft niet boos, brahmaan.’
g
31. Toen ging de koning de vrouwenvertrekken binnen en gaf hem zijn dochter Santa met alle daarbij behorende ceremoniën, terwijl hij vrede voelde in zijn hart en hij erd gelukkig.
w
32. En zo gebeurde het, dat de machtige Risyasringa daar
60
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
kwam wonen met zijn vrouw Santa, en alle geluk van de wereld viel hem ten deel.”
Einde van Sarga 9 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
61
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
10 Risyasringa komt naar Ayodhya
1. Sumantra vervolgde Sanatkumara’s verhaal: “Luister nu verder, heer der koningen, want het verhaal dat door die wijze afstammeling van de goden werd ver-eld, kan u goed van pas komen:
t
2. ‘In het geslacht Ikshvaku zal een rechtschapen koning geboren worden, Dasaratha genaamd, vol majesteit en rouw aan zijn geloften.
t
3-4. Deze koning zal een verdrag sluiten met Romapada, de koning van Anga, die een beroemde dochter zal krijgen, Santa genaamd. De befaamde koning Dasaratha zal em benaderen en zeggen:
h
5. ‘Ik heb geen kinderen, rechtvaardige heer. Sta Santa’s echtgenoot toe een offer voor mij ten uitvoer te brengen m mijn geslacht voor te zetten.’
o
6. Als die wijze man het verzoek van de koning hoort en dit overweegt, zal hij hem Santa’s echtgenoot mee-even, die hem zonen kan schenken.
g
7. De koning zal die brahmaan ontvangen. Onbezorgd en ol vreugde zal hij zich voorbereiden op het offer.
v
8-9. In zijn verlangen het offer te doen plaatsvinden, zal de rechtvaardige koning Dasaratha, heer der mensen, zijn handen samenvouwen in een smekend gebaar en Risyasringa, die grote brahmaan, verzoeken zijn offer te
62
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
voltrekken en hem zonen en gelukzaligheid te schen-ken. En de heer van het volk zal dankzij die grote brahmaan zijn wens in vervulling zien gaan.
10. Hij zal vier zonen krijgen om zijn geslacht voort te zetten en zij zullen vol ongekende moed en kracht zijn n beroemd in alle werelden.’
e
11. Zo heeft de zoon der goden, de heilige Sanatkumara, dit verhaal verteld, lang geleden, in het tijdperk der oden.
g
12. Nu moet u zelf op pad gaan, dappere koning, met troepen en paarden, om Risyasringa met grote eer-ewijzen hierheen te halen.”
b
13. Toen de koning zijn wagenmenner zo had horen spre-ken, en toestemming had gevraagd aan Vasishtha, ging hij met zijn vrouwen en ministers op weg naar Anga, de laats waar die brahmaan verbleef.
p
14. Langzaam trok hij door wouden en rivieren en kwam in et land waar die stier onder de wijzen woonde.
h
15. Daar gekomen, zag hij onmiddellijk de zoon van de rishi, die grote brahmaan, stralend als de zon, naast omapada.
R
16. Toen bewees koning Romapada vol vreugde koning Dasaratha bijzondere eer, omwille van hun verbond.
63
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Romapada vertelde de zoon van de rishi over hun verbond en hun familieband. Vervolgens bewees Risya-sringa eer aan koning Dasaratha.
18. En zo op gepaste wijze geëerd door koning Romapada, bleef koning Dasaratha, stier onder de mensen, gedu-ende zeven of acht dagen bij hem en toen zei hij:
r
19. “Majesteit, heer van het volk, laat uw dochter Santa met haar echtgenoot naar mijn stad komen, want er zal een rote ceremonie worden voltrokken.”
g
20. De koning beloofde dat de wijze mee zou gaan, en hij sprak: “Zo zij het.” Toen zei hij tegen de brahmaan: Wees zo goed daarheen te gaan met uw vrouw.”
21. De zoon van de rishi stemde daarin op zijn beurt toe en zei: “Zo zij het.” Hij nam afscheid van de koning en ing op weg met zijn vrouw.
g
22. Dasaratha en de machtige Romapada vouwden hun handen eerbiedig voor elkaar, en verheugd omarmden ij elkaar hartelijk.
z
23. Toen hij eenmaal afscheid genomen had van zijn vriend, ging de vreugde van de Raghu’s op weg, nadat hij snelle boodschappers had uitgezonden naar de bevolking van zijn stad met de opdracht: “Laat de hele stad direct versierd worden.”
64
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. De mensen in de stad verheugden zich toen zij hoorden dat de koning terug zou keren en voerden alles uit wat hij had bevolen.
25. Voorafgegaan door Risyasringa, die stier onder de brahmanen, ging de koning onder trompetgeschal en tromgeroffel zijn fraai versierde stad binnen.
26. Toen de bevolking van de stad zag dat de brahmaan werd binnengeleid en geëerd door de heer der mensen, wiens daden die van Indra evenaarden, verheugden llen zich.
a
27. De koning liet Risyasringa de vrouwenvertrekken bin-nengaan, na hem eer bewezen te hebben zoals in de geschriften staat voorgeschreven. Op grond van het feit dat hij hem hierheen gebracht had, beschouwde hij ichzelf als iemand die zijn doel al had bereikt.
z
28. Alle vrouwen keken naar de wijd-ogige Santa toen zij zo binnenkwam met haar echtgenoot, en omdat zij van aar hielden, waren zij zeer verheugd.
h
29. Geëerd door hen en vooral ook door de koning, voelde zij zich gelukkig en zij bleef daar enige tijd met haar echtgenoot, de brahmaan.
Einde van Sarga 10 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
65
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
11 Voorbereiding van het offer
1. Na enige tijd, toen de komst van de lente de harten deed opspringen, besloot de koning het offer ten uit-voer te brengen.
2. Met eerbiedig gebogen hoofd benaderde hij de brah-maan Risyasringa, luisterrijk als een god, stemde hem gunstig, en verzocht hem het offer uit te voeren om zijn eslacht te kunnen voortzetten.
g
3. Na met zoveel eerbied te zijn benaderd zei Risyasringa tot de koning: “Het is goed. U kunt alle benodigde ttributen bijeenbrengen en het paard loslaten.”
a
4. Toen sprak de koning deze woorden tot Sumantra, zijn belangrijkste raadsman: “Ontbied onmiddellijk de fferpriesters, die de kennis van de Veda’s bezitten.”
o
5. De snelvoetige Sumantra vertrok meteen om alle brah-manen die meesters waren in de Vedische kennis bijeen e brengen.
t
6. Hij nodigde Suyajna uit en Vamadeva en Jabali evenals Kasyapa, Vasishtha, de hofpriester, en andere beroem-e brahmanen.
d
7. De rechtschapen koning Dasaratha betoonde hun eer en sprak ze toe met vriendelijke woorden, die blijk gaven owel van rechtvaardigheid als van goed beleid:
z
8. “Diep bedroefd omdat ik geen zoon heb, vind ik ner-
66
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
gens vreugde in. Daarom heb ik besloten het paarden-offer te volbrengen.
9. Ik wil het offer doen uitvoeren overeenkomstig de voorgeschreven riten, opdat mijn hartenwens in vervul-ling zal gaan door de macht van de zoon van de rishi.”
10. Voorgegaan door Vasishtha, betuigden alle brahmanen daarop hun bijval met deze woorden van de koning en iepen: “Uitstekend!”
r
11. Met Risyasringa als hun woordvoerder richtten zij zich tot de koning en zeiden: “U mag alle benodigde attri-uten bijeenbrengen en het paard loslaten.
b
12. Aangezien u, met het doel een zoon te verkrijgen, dit rechtvaardige besluit hebt genomen, zullen u voorzeker ier oneindig dappere zonen geschonken worden.”
v
13. Toen de koning dit hoorde, was hij zeer verheugd en in zijn vreugde sprak hij deze veelbelovende woorden tot ijn ministers:
z
14. “Breng, op last van mijn goeroes, al wat nodig is onmiddellijk in gereedheid. Laat ook het paard los en zorg dat het wordt bewaakt door sterke mannen en dat et begeleid wordt door onze grote leermeester.
h
15. Laat de offergrond gereedmaken op de noordelijke oever van de Sarayu en zorg ervoor dat de zoenoffers volgens de rituele voorschriften en in de juiste volgorde orden uitgevoerd.
w
67
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Dit offer mag worden uitgevoerd door elke beschermer van de aarde, vooropgesteld dat er geen ernstige fout gemaakt wordt in de uitvoering van deze grootste van alle riten.
17. Want geleerde rakshasa-brahmanen liggen onophoude-lijk op de loer om de geringste fout te ontdekken. Een ieder die het offer brengt zonder alle voorschriften op te olgen, gaat ogenblikkelijk te gronde.
v
18. U bent bedreven in rituele handelingen. Laat daarom de inleidende riten zodanig worden uitgevoerd, dat mijn offer geheel in overeenstemming met de richtlijnen an worden voltooid.”
k
19. Onder het uitspreken van de woorden: “Zo zij het”, stemden al zijn raadslieden in met wat de grote koning had gezegd en vervolgens deden zij zoals hij hun bevo-en had.
l
20. Toen loofden alle brahmanen die stier onder de ko-ningen, die de wegen der rechtvaardigheid kende. En na afscheid te hebben genomen, gingen ze weg zoals ze ekomen waren.
g
21. Toen de brahmanen waren verdwenen, zond de luister-rijke heer der mensen zijn raadslieden weg en ging zijn privé-vertrekken binnen.
Einde van Sarga 11 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
68
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
12 Verdere voorbereidingen
1-2. Nadat een jaar voorbij was gegaan en het weer lente was geworden, begroette koning Dasaratha de wijze Vasishtha plechtig met het gebruikelijke eerbetoon, en omdat hij zo graag nakomelingen wilde hebben, sprak hij de volgende eerbiedige woorden tot de voornaamste der brahmanen : “Brahmaan, stier onder de wijzen, wil alstublieft uw belofte gestand doen en het offer voor mij en uitvoer brengen.
t
3. Tref alstublieft de maatregelen die het mogelijk maken dat het gehele offer ongestoord voltrokken zal worden. bent mijn geliefde vriend en allerhoogste goeroe.
U
4. Als het offer eenmaal begonnen is, zal de verantwoor-delijkheid hiervoor geheel en al op uw schouders rus-ten.” De verheven brahmaan antwoordde: “Zo zij het”, n zei tot de koning:
e
5-7. “Ik zal aan al uw wensen tegemoet komen.” Daarna wendde hij zich tot ervaren brahmanen, die zeer goed op de hoogte waren van de benodigde handelingen bij dit offerritueel en tot mannen die grondige vakkennis bezaten van de bouwkunst. Hij wendde zich ook tot betrouwbare handwerkslieden, timmerlieden, gravers, astrologen, kunstenaars, dansers, toneelspelers en tot eerbiedwaardige geleerden met grote kennis van de ituele teksten, en sprak tot hen:
r
69
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. “Mannen, begin met de voorbereiding van het offer zo-als de koning dat heeft bevolen. Laat onmiddellijk vele duizenden bakstenen komen.
9. Zorg ervoor dat er voor de koningen vorstelijke verblijf-plaatsen worden gebouwd, van alle comfort voorzien, n honderden prachtige huizen voor de brahmanen.
e
10-12. Deze moeten degelijk worden gebouwd en bevoorraad met alle soorten voedsel en drank. U moet ook ruime verblijfplaatsen bouwen voor de stedelingen, gemeubi-leerd met alles wat men zich maar wensen kan en eveneens voorzien van goed voedsel. Zelfs het volk van het platteland moet verfijnd voedsel krijgen, zoals bij zulke gelegenheden gebruikelijk is, en moet niet neer-buigend behandeld worden, maar vol eerbied. Alles moet zodanig geregeld worden dat alle klassen van de samenleving naar behoren en met respect worden ehandeld.
b
13-15. U zult geen enkel schepsel oneerbiedig bejegenen, ook al wordt u misschien door wellust of toorn overmand. De handwerkslieden die zich bezig houden met de voorbereidingen voor het offer, dienen met speciale aandacht, overeenkomstig hun rang, behandeld te worden. Edele mannen, u moet, mild en liefdevol, zo optreden dat alles goed geregeld en niets over het hoofd gezien wordt.” Toen kwamen zij allen tezamen n antwoordden Vasishtha:
e
16. “Wij zullen doen wat u gezegd hebt, zonder ook maar
70
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
iets te verzuimen.” Daarop liet Vasishtha Sumantra bij zich komen en zei:
17. “Nodig alle rechtvaardige koningen van de wereld uit, evenals duizenden brahmanen, kshatriya’s, vaisya’s en sudra’s.
18-19. Laat mensen uit alle landen hier bijeenkomen en bewijs hun eer. Koning Janaka, die werkelijk dappere held en vermaarde heerser van Mithila, moet door u persoonlijk en met eerbetoon begeleid worden; want hij bezit zowel grondige kennis van de Veda’s als van de aloude wetenschappen. Ik noem hem eerst, omdat ik weet dat ij een bloedverwant van ons is.
h
20. Maar ook de beminnelijke en godgelijke heer van Kasi, die altijd vriendelijk spreekt en wiens gedrag onberis-elijk is, moet u persoonlijk begeleiden.
p
21. Laat ook de schoonvader van de leeuw onder de koningen, onze koning Dasaratha, komen, de bejaarde en buitengewoon rechtschapen koning van de Kekaya’s n zijn zoon.
e
22. Nodig ook met veel eerbetoon Romapada uit, de luisterrijke koning van Anga, de alom bekende vriend an onze grote koning.
v
23. Breng alle oosterse vorsten hierheen, en de koningen van Sindhu-Sauvira en Saurashtra, evenals de vooraan-taande heersers uit het zuiden.
s
71
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. Verder iedere andere koning op aarde die ons goed gezind is; laat ze allemaal komen, vergezeld van hun dienaren en familieleden.”
25. Toen Sumantra deze woorden van Vasishtha gehoord had, zond hij direct een aantal geschikte mannen erop it om de koningen te halen.
u
26. Vervolgens haastte de rechtvaardige Sumantra zich de bevelen van de wijze op te volgen en ging zelf op weg m de heren der aarde bijeen te brengen.
o
27. Ondertussen kwamen alle toegewijde werklieden de wijze Vasishtha vertellen dat alles in gereedheid was ebracht voor het offer.
g
28. De eminente brahmaan was zeer tevreden en liet ze nogmaals weten: “Niemand mag ooit iets aangeboden krijgen op een oneerbiedige of minachtende manier, want wat op oneerbiedige wijze wordt aangeboden, zal zich tegen de gever keren. Daarover bestaat geen wijfel.”
t
29. De aankomst van alle heersers der aarde nam ver-scheidene dagen en nachten in beslag; en zij kwamen et vele kostbare geschenken voor koning Dasaratha.
m
30. Tenslotte sprak Vasishtha zeer verheugd deze woorden tot de koning: “Tijger onder de mensen, op uw bevel ijn alle koningen gekomen.
z
31. Ikzelf heb al deze uitnemende koningen, ieder overeen-
72
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
komstig zijn verdienste, eer betoond. En intussen, Majesteit, hebben onze ijverige werklieden alle voorbe-reidingen voor het offer voltooid.
32. Majesteit, begeeft u zich dan nu naar de offerplaats hier vlakbij, die nu volledig uitgerust is met alle gewenste enodigdheden die erheen gebracht zijn.”
b
33. Zo begaf de heer van de wereld zich daarheen op een gunstige dag en onder een gunstig gesternte, de raad pvolgend van zowel Vasishtha als Risyasringa.
o
34. Daarna gaven de grote brahmanen, bij monde van Vasishtha, de wijze Risyasringa de leiding en begonnen met het offerritueel.
Einde van Sarga 12 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
73
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
13 Het paardenoffer
1. Toen er een vol jaar verstreken was en het paard was teruggebracht, werd er een begin gemaakt met het ko-ninklijke offer op de noordelijke oever van de rivier de arayu.
S
2. Onder leiding van Risyasringa brachten die stieren onder de brahmanen het paardenoffer ten uitvoer, het grootste van alle offerriten, terwille van de grote koning asaratha.
D
3. Geheel in overeenstemming met de rituele gebruiken voltrokken de offerpriesters, meesters in de Veda’s, het ritueel. Nauwgezet de vedische voorschriften volgend, oerden zij het offer op de juiste wijze uit.
v
4. Nadat de voorbereidende offers, de Pravargya en de Upasad, geheel volgens de rituele teksten waren vol-bracht, voerden de brahmanen alle bijbehorende ritu-len uit, die eveneens zijn vastgelegd in deze teksten.
e
5. Het vieren van de eredienst die eraan voorafging, vervulde die stieren onder de wijzen met vreugde. Daarna werd, geheel volgens de geboden, het ritueel eopend met het plengoffer.
g
6. Bij dit ritueel werd niets achterwege gelaten of op de verkeerde manier aangeboden en ieder offer werd begeleid door de juiste vedische recitatie. Het werd inderdaad volmaakt uitgevoerd.
74
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. Gedurende deze periode was er niet één brahmaan die vermoeid, hongerig of onwetend was, of die zich niet omringd wist door een honderdtal dienaren.
8. De brahmanen en hun ondergeschikten werden voort-durend van voedsel voorzien. Aan asceten en rond-zwervende bedelmonnikken werd ook voedsel uitge-eeld.
d
9. En ook bejaarden, zieken, vrouwen en kinderen werden gevoed. Hoewel iedereen voortdurend at, raakte nie-and overvoerd.
m
10. De opdracht luidde: “Geef! Schenk voedsel en kleding.” n hieraan werd gevolg gegeven, keer op keer.
E
11. Iedere dag weer kon men grote hoeveelheden voor-treffelijk bereid voedsel zien, als bergen zo hoog opge-tapeld.
s
12. De stieren onder de brahmanen lieten zich er lovend over uit. Raghava hoorde ze zeggen: “Dit voedsel is met liefdevolle zorg bereid en verrukkelijk. Moge u geze-end zijn, wij zijn geheel voldaan.”
g
13. Dienaren die rijkelijk getooid waren, bedienden de brahmanen en werden bijgestaan door anderen die lonkerende juwelen en oorringen droegen.
f
14. Tijdens de pauzes tussen de verschillende rituelen, hiel-den geleerde en welbespraakte brahmanen, in het ver-langen elkaar wetenschappelijk te onderhouden, zich
75
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
bezig met talloze filosofische debatten, waarbij ze pro-beerden elkaar de loef af te steken.
15. Dag na dag voerden bekwame brahmanen aan de hand van de voorschriften en in overeenstemming met de rituele teksten, alle rituelen uit die noodzakelijk waren ij het offer.
b
16. Elke brahmaan die voor de koning dienst deed, was goed onderlegd in de zes wetenschappen die daarbij behoorden, voerde boetedoeningen uit, was zeer eleerd en vaardig in de kunst van het disputeren.
g
17. Zes van de offerpalen die werden opgericht, waren van bilvahout, zes waren van khadirahout en in combinatie met deze bilvahouten palen was er een gelijk aantal fferpalen van parninhout.
o
18. De voorgeschreven paal van sleshmatakahout was aanwezig, evenals palen van devadaruhout. Van de laatste moesten er twee zodanig worden geplaatst dat zij door de offerpriester aangeraakt konden worden anneer hij zijn armen wijd uitgespreid hield.
w
19. Diegenen die grote kennis bezaten van de rituele teksten en bedreven waren in de uitvoering van offers, hadden alle palen pasklaar gemaakt en versierd met oud, opdat het geheel er fraai uit zou zien.
g
20. Nadat deze stevige palen door handwerkslieden acht-hoekig waren afgewerkt en glad geschuurd, werden ze volgens de rituele voorschriften, op hun plaats gezet.
76
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
21. Bekleed met prachtige draperieën, versierd met bloemen en besprenkeld met reukwerk, waren zij even schitterend als het aan de hemel fonkelende sterren-beeld van de zeven rishi’s.
22. De stenen waren op de voorgeschreven manier en in de juiste grootte gebakken. Het vuuraltaar was opge-bouwd door brahmanen die deskundig waren in de etenschap van rituele berekeningen.
w
23. Voor Dasaratha, die leeuw onder de koningen, bouwden deze bekwame brahmanen een vuuraltaar in de vorm van een adelaar met gouden vleugels, bestaande uit achttien verdiepingen, driemaal hoger an gewoonlijk.
d
24. De voorgeschreven offerdieren, zoals slangen, vogels, waterdieren en het paard, werden op de offerplaats vastgebonden. Elk dier werd opgedragen aan een specifieke godheid, zoals dit in de rituele teksten wordt oorgeschreven.
v
25. Conform de voorschriften bonden de priesters vervol-gens al deze dieren aan de palen. Behalve het prachtige paard van koning Dasaratha werden er nog driehon-erd andere dieren vastgebonden aan de offerpalen.
d
26. Koningin Kausalya liep eerbiedig driemaal om het paard en daarna sneed zij het in opperste vreugde met rie messen.
d
77
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
27. Terwijl haar geest standvastig gericht bleef op haar verlangen naar rechtvaardigheid, bracht Kausalya een nacht door bij het paard.
28. De hotri priester, de adhvaryu- en de udgatri priester zagen erop toe dat zowel de eerste koningin van Dasaratha als zijn tweede gade en zijn jongste echt-enote zich symbolisch met het paard verenigden.
g
29. Vervolgens verwijderde de dienstdoende priester, die buitengewoon ervaren was en zijn zintuigen geheel in bedwang hield, het vet van het paard en kookte dit op e voorgeschreven wijze.
d
30. Op het geëigende moment volgens de voorschriften snoof de heer der mensen de geur op van het rokende et en bevrijdde zich zo van zijn zonden.
v
31. Gezamenlijk wierpen toen de zestien offerpriesters de ledematen van het paard in het vuur, alles volgens de ituele geboden.
r
32. Bij andere offerrituelen wordt de offerande aangeboden op takken van de plakshaboom; bij het paardenoffer chter gebeurt dit op een bed van riet.
e
33. Het paardenoffer staat bekend als het drie-dagen sacra-ment; want zowel de kalpasutra als de brahmana’s verwijzen naar het paardenoffer als een rite die drie dagen duurt. Op de eerste dag moet de Catushtoma rite orden voltrokken.
w
78
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
34. Op de tweede dag is de rite genaamd Ukthya voorge-schreven en daarna volgt de Atiratra rite. Bij deze gelegenheid echter werden nog vele rituelen toege-voegd, die volgens het inzicht van enkele samenstellers an rituele teksten zijn voorgeschreven.
v
35. Zo werden die grote rituelen, zoals de Jyotishtoma en de Ayus riten, evenals twee Atiratra riten, namelijk de bhijit en de Visvajit, en de Aptoryama rite voltrokken.
A
36. De koning, nu in staat gesteld zijn geslacht voort te zetten, schonk het oosten van zijn koninkrijk aan de hotri priester, het westen aan de adhvaryu priester, het uiden aan de brahmaan priester.
z
37. Aan de udgatri priester schonk hij het noorden. Dit was namelijk de prijs zoals die lang geleden voor het paardenoffer was vastgesteld door Brahma, de uit ichzelf bestaande.
z
38. Toen de koning, die stier onder de mensen en tevens een belangrijk beschermheer van offers, zag dat het ritueel geheel volgens de voorschriften was voltooid, schonk hij de gehele aarde aan de dienstdoende riesters.
p
39. Maar deze priesters zeiden allen tot de koning, die nu bevrijd was van zijn zonden: “U alleen, Majesteit, bent ij machte uw hele rijk te beschermen.
b
40. Ons werkterrein ligt niet op de aarde, wij zijn absoluut niet in staat haar te beschermen. Beschermer van de
79
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
aarde, wij gaan volledig op in onze vedische studies, wij vragen u daarom ons een passende vergoeding te geven.”
41. Dus schonk de koning hun een miljoen koeien, honderd miljoen goudstukken en viermaal zoveel zilver.
42. Toen gaven de priesters gezamenlijk deze rijkdommen et vreugde aan de wijzen Risyasringa en Vasishtha.
m
43. Deze eminente brahmanen verdeelden de beloning op de juiste manier en zeer verheugd en tevreden, betuig-en zij allen de koning hun dankbaarheid.
d
44. En zo voltooide de koning met vrede in het hart het paardenoffer dat, hoewel het bevrijdt van zonden en toegang geeft tot de hemel, zelfs voor een stier onder de koningen een moeilijk offer is om tot een goed einde te rengen.
b
45. Koning Dasaratha richtte zich vervolgens tot Risya-sringa: “U bent iemand die uw beloften altijd nakomt. oe nu wat nodig is om mij nakomelingen te geven.”
D
46. De voorname brahmaan antwoordde de koning: “Zo zij het. Majesteit, u zult vier zonen krijgen om uw geslacht voort te zetten.”
Einde van Sarga 13 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
80
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
14 De verschijning van Vishnu
1. Risyasringa, die niet alleen de Veda’s grondig kende, maar tevens met inzicht begenadigd was, verzonk enige tijd in diepe concentratie. Toen gaf hij de be-chermer der mensen dit antwoord:
s
2. “Om u zonen te kunnen geven, moet ik een speciaal daarvoor bestemd offer ten uitvoer brengen. Dit moet gebeuren in overeenstemming met de geboden in de rituele teksten. De krachtige verzen uit de Atharva eda moeten er de juiste uitwerking aan geven.”
V
3. Zo maakte de machtige wijze een begin met dit speciale offer, opdat zonen zouden worden verkregen. Hij stort-te de offerande uit in het vuur, overeenkomstig de rite ie beschreven staat in de Veda’s.
d
4. Daarop verzamelden de goden, gandharva’s, de volmaakte wezens en opperste rishi’s zich in de juiste volgorde om hun aandeel van de offerande in ont-angst te nemen.
v
5. En toen de goden op de offerplaats bijeengekomen waren in de voorgeschreven opstelling, spraken zij deze rnstige woorden tot Brahma, schepper van de wereld:
e
6. “Heer! Een rakshasa genaamd Ravana, die zich verze-kerd heeft van uw gunst, onderdrukt ons allen. Omdat hij zoveel macht heeft, zijn wij niet in staat hem te straffen.
81
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. Eens, lang geleden, Heer, toen u hem goedgezind was, hebt u hem een gunst verleend. Wij respecteren dit nog altijd, maar wij lijden onder alles wat hij doet.
8. Hij is kwaadaardig en doet de drie werelden sidderen van angst. Hij haat iedereen die machtiger is dan hijzelf, en hij wil zelfs Sakra, de koning van de dertig goden, en val brengen.
t
9. Onaantastbaar en verblind door de gunst die hem is verleend, valt hij rishi’s, yaksha’s, gandharva’s, asura’s n brahmanen aan.
e
10. De zon verbrandt hem niet. De wind waait niet in zijn nabijheid. Zelfs de oceaan, met haar onstuimige golven, urft zich niet te roeren als hij verschijnt.
d
11. Wij zijn vreselijk bang voor deze rakshasa die er af-schrikwekkend uitziet. O Heer, bedenkt u toch een anier om hem te vernietigen.”
m
12. Toen Brahma zo door de goden was toegesproken, dacht hij een ogenblik na en sprak vervolgens: “Ah! Het middel om dit verdorven schepsel te vernietigen is al epaald.
b
13. Toen hij om zijn gunst vroeg, gebruikte hij de volgende woorden: ‘Laat mij onkwetsbaar zijn voor gandharva’s, yaksha’s, goden, danava’s en rakshasa’s.’ Ik antwoord-e: ‘Het zij zo!’
d
14. In zijn hoogmoed verzuimde die rakshasa mensen te
82
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
noemen. Daarom is er maar één mogelijkheid om hem te doden en dat is door een mens.”
15. Toen de goden en de grote rishi’s Brahma’s welkome woorden hoorden, waren zij allen opgetogen.
16. Precies op dat moment verscheen de stralende Vishnu. Hij stond daar naast Brahma, geheel en al gericht op het p handen zijnde werk.
o
17. Alle goden wierpen zich aan zijn voeten en loofden hem en zeiden: “In onze wens voor het welzijn van de erelden hebben wij een taak voor U, Vishnu!
w
18. Heer, koning Dasaratha, heerser over Ayodhya, is rechtvaardig, edelmoedig en gelijk in macht aan de grote rishi’s. Vishnu, u zult uzelf in vieren moeten delen en geboren worden als de zonen van zijn drie vrouwen, die het evenbeeld zijn van de deugden ngetogenheid, Koninklijke Waardigheid en Roem.
I
19. En wanneer u bent opgegroeid tot een volwassen man, Vishnu, moet u Ravana, die geweldige doorn in het oog van de wereld, in het gevecht doden; want hij is on-wetsbaar voor de goden.
k
20. Door machtswellust gedreven, onderdrukt deze dwaze rakshasa Ravana op onbeschaamde wijze de goden, de andharva’s, de volmaakte wezens en de grote rishi’s.
g
21. Ruk deze doorn - deze hooghartige Ravana, die bol staat van aanmatiging en macht - uit het vlees van
83
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
heiligen en asceten, want hij is de aartsvijand van Indra, de heer van de dertig goden, een verschrikking voor de asceten en een bron van ellende voor de wereld.”
Einde van Sarga 14 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
84
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15 Ravana’s lot bezegeld
1. Nadat Vishnu Narayana door de belangrijkste goden belast was met deze taak, stelde hij hun hoffelijk een vraag, hoewel hij het antwoord al wist.
2. “O goden, bestaat er een middel waarmee ik de heer der rakshasa’s kan doden? Wat zou ik zou kunnen doen m deze doorn in het oog van de rishi’s te vernietigen?”
o
3. Toen ze zo werden aangesproken door de onsterfelijke Vishnu, antwoordden alle goden: “U moet de gedaante an een mens aannemen en Ravana doden in de strijd.
v
4. Want, heldhaftige overwinnaar van vijanden, deze Ravana heeft zich eens aan een strenge en langdurige boetedoening onderworpen, waarbij hij de gunst won van Brahma, die de wereld heeft gemaakt en door de ereld aanbeden wordt.
w
5. De opperste Heer was zo tevreden over de rakshasa dat hij hem als beloning onkwetsbaar maakte voor alle oorten wezens, behalve voor de mens.
s
6. Toen de gunst hem geschonken werd, hield hij geen rekening met de mens. Daarom, vernietiger van vijanden, voorspellen wij dat zijn dood door mensen-handen voltrokken zal worden.”
85
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. Toen Vishnu, altijd vol zelfbeheersing, de goden dit had horen zeggen, koos hij koning Dasaratha uit als zijn toekomstige vader.
8. Juist op dat moment was die luisterrijke koning, vernietiger van vijanden, bezig een offer uit te voeren waarmee hij hoopte een zoon te krijgen, daar hij er geen ad.
h
9. En terwijl hij het offer bracht, verscheen uit het heilige vuur een groot en machtig wezen met een weergaloze itstraling en een enorme kracht.
u
10. Hij had een zwart gelaat en was in het rood gekleed. Zijn mond was rood en zijn stem had het geluid van een grote trom. Het haar op zijn lichaam, hoofd en baard glansden als dat van een leeuw en hij had goud-ele ogen.
g
11. Hij vertoonde goddelijke kenmerken en was getooid met hemelse ornamenten. Hij was zo groot als een berg n hij had de trotse gang van een tijger.
e
12-13. Hij zag eruit als de zon, als een vlam in een laaiend vuur. In zijn armen droeg hij, alsof het een geliefde vrouw was, een grote schaal, gemaakt van puur goud, met een zilveren deksel. Het leek alsof deze door de creatieve kracht zelf was gevormd. De schaal was evuld met een hemelse brij.
g
14. Hij keek koning Dasaratha recht in de ogen en sprak de volgende woorden: “Majesteit, weet dat ik hier geko-
86
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
men ben als dienaar van Brahma, de Heer der schep-selen.”
15. Hierop vouwde de koning zijn handen in eerbied en zei: “Welkom, Heer. Wat kan ik voor u doen?”
16. De dienaar van de Heer der schepselen sprak daarop weer: “Majesteit, omdat u eer hebt bewezen aan de oden, wordt u dit vandaag geschonken.
g
17. Neem deze pap, tijger onder de mensen. Hij is door de goden bereid en zal u nakomelingen, gezondheid en ijkdom brengen.
r
18. Geef hem aan diegenen onder uw vrouwen die van uw eigen stand zijn en vraag hun ervan te eten. Dan zullen zij u de zonen baren waarom u in het offer hebt evraagd, Majesteit.”
g
19. De koning was zeer verheugd, boog het hoofd als teken van dankbaarheid en zei: “Zo zij het.” Hij nam de gouden schaal met het goddelijke voedsel dat hem door e goden geschonken was.
d
20. Hij maakte een diepe buiging voor dat wonderbaarlijke schepsel, dat zo’n lust voor het oog was, en in opperste errukking liep hij vervolgens eerbiedig om hem heen.
v
21. Toen hij de brij kreeg die de goden hadden bereid, voelde Dasaratha zich als een bedelaar die plotseling schatrijk is geworden.
87
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
22. Maar nadat het prachtige, stralende wezen zijn op-dracht had voltooid, verdween het onmiddellijk.
23. De vertrekken van de vrouwen van Dasaratha straalden een gloed van vreugde uit. Zij leken op de hemel als die verlicht wordt door de stralen van de lieflijke herfst-aan.
m
24. De koning betrad onmiddellijk de vrouwenvertrekken en zei tegen Kausalya: “Eet deze brij; het zal je een zoon even.”
g
25. Toen gaf de heer der mensen de helft van de pap aan Kausalya. Aan Sumitra gaf de heer der mensen de helft van de andere helft. En de helft van het restant gaf hij an Kaikeyi om ook bij haar een zoon te verkrijgen.
a
26. Tenslotte, nadat hij er even over nagedacht had, gaf de heer der aarde de overgebleven portie van de geurige, oddelijke pap aan Sumitra.
g
27. Op deze manier verdeelde de koning de pap onder zijn rouwen.
v
28. De voornaamste vrouwen van de heer der mensen be-schouwden het als een grote eer dat zij de pap gekregen hadden en hun hart sprong op van vreugde.
Einde van Sarga 15 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
88
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16 De schepping van apenlegers
1. Toen Vishnu zich had teruggetrokken om zich voor te bereiden op zijn geboorte als zoon van de grote koning Dasaratha, sprak Brahma, de uit zichzelf voortgekomen eer, tot alle goden:
H
2. “Schep, om de heldhaftige Vishnu te helpen, machtige bondgenoten die in staat zijn elke gedaante aan te nemen, want hij is trouw aan zijn belofte en zoekt ons ller heil.
a
3. Laten zij helden zijn met magische krachten en met een snelheid de met de wind kan wedijveren. Zij moeten schrander zijn, vaardig in het leiding geven en gelijk-aardig in moed aan Vishnu zelf.
w
4. Maak ze onvernietigbaar, uiterst bedreven in het voeren van oorlog en laat ze begenadigd zijn met een goddelijk lichaam. Zij moeten met alle wapenen even goed kunnen omgaan als de goden, die zich voeden met ectar.
n
5-6. U moet zonen verwekken bij de voornaamste apsaras en gandharva vrouwen, bij de dochters van de yaksha’s en de slangen, de vrouwelijke mensapen en de kleine apen, zo ook bij de vrouwen van de vidyadhara’s en de kinnara’s. Laat ze de gedaante van apen aannemen, aar in heldenmoed gelijk zijn aan u.”
m
7. Nadat zij zo door de Heer waren toegesproken, beloof-
89
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
den zij zijn opdracht uit te voeren. En zo verwekten zij zonen in de vorm van apen.
8. De grote rishi’s, de volmaakte wezens, de vidhya-dhara’s, de slangen en hemelse minstrelen verwekten heldhaftige apenzonen, die het woud bewoonden.
9. Vele duizenden kwamen ter wereld. Allen waren dap-pere helden, ongelooflijk sterk en in staat welke ge-daante dan ook aan te nemen. Zij waren vastbesloten de ienkoppige Ravana te doden.
t
10. Ook werden er onmiddellijk allerlei verschillende soor-ten apen geboren en hun kracht was zo enorm dat zij op lifanten en bergen leken.
o
11. Iedere godenzoon die geboren werd, was in lichaams-ouw, schoonheid en moed de gelijke van zijn vader.
b
12. Sommige apen, beroemd om hun heldenmoed, werden uit de vrouwelijke slank-apen geboren. Andere apen erden geboren uit mensapen en kinnara vrouwen.
w
13. In de strijd gebruikten zij stenen en bomen als wapens. Hoewel zij meestal vochten met hun tanden en klauwen, waren zij ook zeer bedreven in het gebruik an wapens.
v
14. De hoogste bergen konden zij tot trilling brengen en stevig gewortelde bomen konden zij afbreken. Hun kracht was zodanig, dat zij de oceaan, de heer der rivie-en, deden sidderen.
r
90
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Met hun voeten konden zij de aarde openscheuren en met één sprong konden zij zelfs de machtige oceaan oversteken. Zij konden zichzelf de lucht in slingeren en de wolken vastgrijpen.
16. Zij waren in staat bronstige olifanten te vangen die in het woud rondzwierven. Met het gebrul van hun machtige stem konden zij de vogels uit de lucht naar eneden laten vallen.
b
17. Er kwamen wel tien miljoen van zulke grote apen ter wereld, aanvoerders van troepen, die elke willekeurige gedaante konden aannemen. Op hun beurt verwekten eze machtige leiders nog meer heldhaftige apen.
d
18. Sommige waren regelmatig langs de hellingen van de berg Rikshavant te vinden, terwijl de overige apen erscheidene andere bergen en wouden bewoonden.
v
19. Maar al deze apen waren toegewijd aan twee broers: ugriva, de zoon van Surya, en Valin, zoon van Sakra.
S
20. Om Rama bij te staan zwermden deze machtige aan-voerders van apenlegers over de aarde uit. Hun lichamen zagen eruit als grote wolkenpartijen of berg-ketens, ontzagwekkend om te zien.
Einde van Sarga 16 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
91
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17 De geboorte van Rama
1. Toen het paardenoffer van de grote koning Dasaratha was voltooid, namen de goden hun deel in ontvangst en zij vertrokken zoals ze gekomen waren.
2. De koning, die nu niet meer in rituele, gewijde staat verkeerde, trok de stad binnen, vergezeld van zijn rouwen, dienaren, troepen en rijdieren.
v
3. De groten der aarde, aan wie overeenkomstig hun rang door de koning eer was bewezen, gingen blij gestemd terug naar hun eigen land, nadat zij op hun beurt eer adden betuigd aan de stier onder de wijzen.
h
4. En nadat zij waren afgereisd, betrad de verheven ko-ning Dasaratha wederom de stad, voorafgegaan door e voortreffelijkste van alle brahmanen.
d
5. Met alle verschuldigde eerbewijzen vertrok vervolgens Risyasringa met Santa, uitgeleide gedaan door de wijze oning en zijn gevolg.
k
6. Kausalya bracht een vermaarde zoon ter wereld, Rama genaamd, de glorie van de Ikshvaku’s. Hij had godde-ijke kenmerken, want hij was de helft van Vishnu.
l
7. Deze buitengewoon luisterrijke zoon strekte Kausalya tot grote eer, net zoals Aditi deelde in de glorie van haar zoon Indra, de aanvoerder der goden en heer van e bliksem.
d
92
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Kaikeyi baarde een waarlijk dappere zoon, die Bharata werd genoemd. Hij was een kwart van de geïncar-neerde Vishnu en was begiftigd met alle deugden.
9. Sumitra schonk het leven aan twee zonen: Lakshmana en Satrughna, helden die zeer bekwaam waren in het gebruik van alle wapens en die eveneens begiftigd aren met het bewustzijn van Vishnu.
w
10. En zo kreeg de koning vier grote en deugdzame zonen, allen in schoonheid gelijk aan het sterrenbeeld Pro-hthapada.
s
11-12. Op de twaalfde dag na de geboorte van zijn zonen, hield Dasaratha de naamgevings-ceremonie. Vasishtha schiep er het grootste genoegen in de namen uit te spreken. De oudste en uitmuntendste werd Rama ge-noemd en Kaikeyi’s zoon ontving de naam Bharata. De ene zoon van Sumitra werd Lakshmana genoemd en de andere Satrughna. Vasishtha zag erop toe dat alle cere-moniën voor hen werden uitgevoerd, te beginnen met et geboorteritueel.
h
13. Van alle zonen van de koning was het de oudste, Rama, die als een koninklijk vaandel was voor zijn geslacht en die zijn vader de grootste vreugde schonk. Van alle broers was hij degeen die het hoogst geacht werd, zoals de uit zichzelf voortgekomen Brahma het meest vereerd ordt door alle schepselen.
w
14-17. Alle vier waren helden. Zij kenden de Veda’s terdege
93
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
en waren toegewijd aan het welzijn van het volk. Allen waren doordrenkt van hogere kennis en begiftigd met deugden. Maar de machtige Rama werd beschouwd als de moedigste van deze grote mannen. Vanaf zijn prilste jeugd was Lakshmana, brenger van glorie, altijd bij-zonder gesteld op zijn oudste broer Rama, de vreugde van de wereld. De stralende Lakshmana omringde hem met dienstbaarheid en was zodoende als een tweede levensadem voor hem, want zonder Lakshmana kon de voortreffelijke Rama de slaap niet vatten. Zonder hem wilde hij ook niets eten van het smakelijke voedsel dat em werd aangeboden.
h
18. Steeds wanneer Raghava te paard op jacht ging, volgde akshmana hem en beschermde hem met zijn boog.
L
19. Zo ook hield Bharata van Lakshmana’s jongere broer Satrughna, nog meer dan van de levensadem zelf, erwijl Satrughna hem op gelijke wijze liefhad.
t
20. Dasaratha schiep evenveel vreugde in zijn vier luister-rijke en geliefde zonen als grootvader Brahma in zijn onen, de goden.
z
21-22. Nadat de opvoeding van de broers was voltooid, en zij al hun deugden hadden ontwikkeld, geleerd hadden ascese te betrachten, beroemd waren geworden, over wereldse kennis beschikten en begiftigd waren met een helder inzicht in de toekomst, was voor de recht-schapen Dasaratha met zijn leermeesters en verwanten de tijd rijp om aan hun huwelijk te denken.
94
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. Terwijl de grote koning temidden van zijn raadgevers het een en ander aan het overwegen was, arriveerde de grote en machtige wijze Visvamitra.
24. Verlangend de koning te ontmoeten, sprak hij tot de poortwachters: “Kondig onmiddellijk aan dat ik, Kausi-a, de zoon van Gadhi, ben aangekomen.”
k
25. Aangespoord door die woorden renden zij allen pgewonden naar het koninklijke verblijf.
o
26. Daar aangekomen vertelden zij de Ikshvaku koning dat e rishi Visvamitra was gearriveerd.
d
27. Toen de koning dit hoorde, was hij opgetogen. Hij liet zijn bezigheden voor wat ze waren, stond op en ging met de familiepriester op weg om Visvamitra te ont-vangen, zoals Vasava dit zou doen wanneer de komst an Brahma werd aangekondigd.
v
28. Toen de koning de grote asceet zag, die zich altijd zo gestreng hield aan zijn geloften en die straalde met een innerlijke gloed, lichtte zijn gezicht op van blijdschap en erbiedig heette hij hem welkom.
e
29. De asceet nam de welkomst offerande van de koning, zoals beschreven in de traditionele teksten, in ont-angst, en vroeg hem naar zijn welzijn en voorspoed.
v
30. Daarna omhelsde de stier onder de wijzen Vasishtha en de andere voorname rishi’s en vroeg ze, zoals gebrui-elijk was, naar hun welzijn.
k
95
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
31. Allen betraden verheugd het koninklijk verblijf, waar zij, na het gebruikelijke eerbetoon, overeenkomstig hun rang plaatsnamen.
32. Met vreugde in het hart sprak de edele koning tot de grote wijze Visvamitra:
33. “Zoals het verkrijgen van nectar, als regen in de woes-tijn, gelijk een kinderloze man die een zoon krijgt bij een deugdzame vrouw, zoals het terugvinden van iets dat verloren was, en de vreugde die oprijst bij grote voorspoed - even zo lief is mij uw komst. Wees wel-om, grote wijze.
k
34. Het zou mij grote vreugde schenken een bijzondere wens van u te mogen vervullen. Want, grote brahmaan, u bent achtenswaardig en weet hoe gaven te ontvangen. Wat een zegen voor mij dat u bent gekomen! Vandaag pluk ik de vruchten van mijn bestaan en het is duidelijk at ik een goed leven heb geleid.
d
35. Door uw verblindende uitstraling kreeg u eens de naam koning-rishi. Maar door uw ascese hebt u stralende luister verworven en de status van een brahma-rishi ereikt. Daarom bent u mijn eerbetoon dubbel waard!
b
36. Dit is een buitengewoon en zeer gewijd ogenblik voor mij, brahmaan. U te mogen aanschouwen, heer, is als een pelgrimsreis naar een heilige plaats.
96
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
37. Vertelt u mij welk edel doel u hier gebracht heeft. Sta mij toe dat ik u help dit doel te bereiken, want dat is alles wat ik wens.
38. Aarzelt u niet mij te vragen wat u wenst en ik zal het volledig voor u uitvoeren, want u bent als een god voor ij.”
m
39. Toen de grote en deugdzame rishi Visvamitra, wiens goede eigenschappen wijd en zijd bekend waren, deze woorden hoorde, die zo aangenaam klonken voor zo-wel het oor als het hart, en die zo bescheiden door de wijze koning werden geuit, was hij zeer verheugd.
Einde van Sarga 17 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
97
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
18 Het verzoek van Visvamitra
1. Toen de machtige Visvamitra deze prachtige en zorg-vuldig gekozen woorden van de leeuw onder de ko-ningen hoorde, antwoordde hij, vol vreugde:
2. “Dit is een eigenschap die alleen u, en niemand anders op aarde bezit, o grote koning, want u stamt uit een obel geslacht en wordt geleid door Vasishtha.
n
3. Tijger onder de koningen, u moet uw gelofte gestand oen en gevolg geven aan het verzoek dat ik heb.
d
4. Stier onder de mensen, ik ben bezig een offer te brengen om een speciaal doel te bereiken. Twee rakshasa’s echter, die iedere gewenste vorm kunnen aannemen, roberen dit te verhinderen.
p
5. Net in het laatste stadium, nu mijn offer bijna voltooid is, hebben deze rakshasa’s, Marica en Subahu, die zeer machtig en ervaren zijn, het altaar bedolven onder vlees n bloed.
e
6. Nu mijn inspanningen om dit offer ten uitvoer te brengen zo verijdeld zijn, heb ik wanhopig de offer-plaats verlaten. Alle moeite die ik mij heb getroost, is oor niets geweest.
v
7. En, Majesteit, ik ben ook niet van plan mijn woede op hen te koelen. Want ik weet dat tijdens een dergelijk itueel geen vervloeking mag worden uitgesproken.
r
98
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Daarom, tijger onder de koningen, verzoek ik u mij uw oudste zoon, de dappere Rama, mee te geven, die, hoewel men aan zijn haardracht kan zien dat hij nog maar een knaap is, toch al een held is.
9. Onder mijn leiding zal hij met zijn eigen goddelijke kracht in staat zijn zelfs deze hinderlijke rakshasa’s te oden.
d
10. En u kunt er zeker van zijn dat hij door mij veelvuldig gezegend zal worden, waardoor hij roem zal verwerven n de drie werelden.
i
11. Wanneer die twee rakshasa’s tegenover Rama komen te staan, zullen zij hem met geen mogelijkheid kunnen weerstaan; er is trouwens niemand anders dan Rama aghava die ze zou kunnen doden.
R
12. In de waan dat zij niet waren te verslaan, zijn zij beiden in de val van Kala, de Dood, gelopen. Zij zijn immers, tijger onder de koningen, geen partij voor de grote ama.
R
13. U hoeft niet bezorgd te zijn over uw zoon, Majesteit. Ik geef u mijn woord. U kunt deze twee rakshasa’s als eeds gedood beschouwen.
r
14. Ik weet dat Rama een groot en werkelijk dapper mens is en dat weten ook de machtige Vasishtha en de andere wijzen, die allen standvastig zijn in hun ascese.
99
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Beste van alle koningen, als u blijvende roem en eer op aarde wenst te verwerven, moet u mij Rama meegeven.
16. Kakutstha, indien al uw raadslieden met Vasishtha aan het hoofd hun toestemming geven, moet u Rama laten gaan.
17. O koning, geef mij vrijwillig gedurende de tien nachten van het offer uw geliefde zoon, Rama met de lotus-ormige ogen.
v
18. De beslissing is aan u, Raghava. Maar ik verzoek u dringend ervoor te zorgen dat de tijd die mij rest voor het offer, niet zomaar voorbij gaat. Ontvang mijn zegen n laat uw geest niet door smart worden overmand.”
e
19. Toen de grote wijze, de rechtschapen en machtige Visvamitra deze woorden, die zowel van rechtvaardig-heid als van staatsmanschap getuigden, gesproken had, erd hij stil.
w
20. De koning werd echter zo vervuld van angst toen hij de wijze deze voor hem zo hartverscheurende woorden hoorde spreken, dat hij buiten bewustzijn raakte en van zijn troon afgleed.
Einde van Sarga 18 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
100
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
19 Dasaratha’s antwoord
1. Toen deze tijger onder de koningen de woorden van Visvamitra hoorde, verloor hij even het bewustzijn. Nadat hij weer bijgekomen was, sprak hij:
2. “Mijn Rama met zijn lotus-ogen is nog geen zestien jaar oud. Ik zie niet in hoe hij met rakshasa’s de strijd kan anbinden.
a
3. Ik heb hier echter een geweldig groot leger, waarover ik het commando voer. Tezamen met dit leger zal ik persoonlijk de strijd aanbinden tegen deze zwervers an de nacht.
v
4. Al mijn mannen zijn dappere helden, bedreven in het gebruik van wapens. Zij zijn volledig geschikt om te vechten tegen hordes rakshasa’s. Alstublieft, neem ama niet mee.
R
5. Ik zal zelf, met de boog in de hand, uw offers bewaken in de frontlinie van het gevecht. Tot mijn laatste demtocht zal ik de zwervers van de nacht bevechten.
a
6. Uw offer zal goed beschermd worden en door niets worden verstoord. Ik zal er persoonlijk naar toe gaan. aar neem Rama niet mee, alstublieft.
M
7. Hij is nog maar een jongen en heeft zijn studies nog niet voltooid. Hij kan zelfs een sterke vijand niet van een zwakke onderscheiden. Hij is noch sterk, noch bedre-
101
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
ven in het gebruik van wapens en evenmin ingewijd in de vechtkunst. Hij is zeker geen partij voor rakshasa’s, die bekend staan als verraderlijke vechtjassen.
8. Ik kan geen moment zonder Rama leven. Ik bid u, tijger onder de wijzen, neem niet Rama mee, alstublieft.
9. Brahmaan, die altijd uw beloften nakomt, mocht u er toch op staan Rama mee te nemen, laat dan ook mij eegaan en alle vier mijn legeronderdelen.
m
10. Ik ben zestigduizend jaar oud, Kausika, en hij is met rote moeite verwekt. Neem Rama alstublieft niet mee.
g
11. Want van al mijn vier zonen is hij mijn oogappel. Neem toch alstublieft mijn oudste en meest rechtschapen zoon ama niet mee.
R
12. Hoe machtig zijn deze rakshasa’s? Wie zijn zij? Wiens zonen zijn ze? Hoe groot zijn ze? Onder wiens bescher-ing staan ze, stier onder de wijzen?
m
13. En op welke manier kunnen Rama, mijn troepen of ik, et beste deze verraderlijke rakshasa’s bestrijden?
h
14. Vertel mij hier alles over, heilige man. Hoe kan ik standhouden in het gevecht tegen deze verdorven schepsels? Want rakshasa’s zijn met recht trots op hun racht.”
k
15. Toen Visvamitra dit alles had aangehoord, antwoordde hij: “Er is een rakshasa, Ravana genaamd, telg uit het Paulastya geslacht.
102
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Sinds hij van Brahma een gunst ontvangen heeft, onder-drukt hij op wrede wijze de drie werelden. Hij is sterk, machtig, en wordt altijd begeleid door vele rakshasa’s.
17. Er wordt beweerd dat Ravana, deze machtige heer van de rakshasa’s, in werkelijkheid de broer is van Vais-avana en de zoon van Visravas.
r
18. Wanneer deze machtige rakshasa het offer niet zelf verstoort, doen twee anderen, de sterke Marica en ubahu, dat op zijn bevel.”
S
19. Nadat de koning dit antwoord gekregen had van de wijze, zei hij: “Zelfs ik kan in de strijd tegen dit erdorven schepsel geen stand houden.
v
20. U weet wat juist is, maar wees mijn jonge zoon genadig, smeek ik u. U bent zowel god als goeroe voor mij, een ngelukkige.
o
21. Zelfs de goden, danava’s, yaksha’s, grote vogels en slangen zijn niet bij machte Ravana weerstand te ieden. Hoe zou een mens dat dan kunnen?
b
22. Deze rakshasa ontkracht in de strijd de macht van de machtige. Verheven wijze, ik ben niet in staat de strijd met hem aan te gaan, noch met zijn troepen, zelfs niet et ondersteuning van mijn leger of mijn zonen.
m
23. Onder geen voorwaarde, brahmaan, zal ik u mijn kleine jongen, mijn kind, mijn goddelijke zoon, die niets van orlogvoeren afweet, meegeven.
o
103
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. Het zijn de zonen van Sunda en Upasunda die uw offer verstoren, en in de strijd zijn zij de Dood in eigen persoon. Neen, ik geef u mijn zoontje niet mee.
25. Marica en Subahu zijn machtig en ervaren. Met een leger bondgenoten zou ikzelf slechts één van die twee tot de strijd kunnen uitdagen.”
Einde van Sarga 19 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
104
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
20 Het betoog van Vasishtha
1. Toen Kausika deze door tederheid onduidelijk uitge-sproken woorden van de koning hoorde, werd hij woedend en gaf het volgende antwoord:
2. “Eerst belooft u iets, en daarna wilt u de belofte weer terugnemen. Deze ommezwaai is onwaardig voor het uis van de Raghava’s.
H
3. Als u denkt dat dit juist is, Majesteit, dan zal ik ver-trekken zoals ik gekomen ben, en u, Kakutstha, mag u vermeien met uw verwanten als iemand die zijn woord iet houdt.”
n
4. Toen de wijze Visvamitra zo in woede ontstoken was, trilde de hele aarde, en angst maakte zich meester van e goden.
d
5. Toen de grote rishi Vasishtha, die altijd standvastig was en trouw aan zijn geloften, zag hoe de ganse wereld door vrees werd geteisterd, sprak hij tot de heer der ensen:
m
6. “U bent geboren in het Huis van de Ikshvaku’s, u bent trouw aan uw beloften en majesteitelijk, als de recht-schapenheid in persoon. U moet niet afwijken van het ad van rechtvaardigheid.
p
7. De Raghava’s zijn in de drie werelden vermaard om hun rechtschapenheid. U dient de traditie van uw Huis
105
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
te volgen, en moet niet vervallen in onrechtvaardig gedrag.
8. Alle offers en goede werken van een man die belooft iets te doen en dit verzaakt, zijn tevergeefs. Daarom moet u Rama laten gaan.
9. Of hij nu bedreven is in het hanteren van wapens of niet, de rakshasa’s zullen hem geen weerstand kunnen bieden zolang hij beschermd wordt door Kausika, net zoals de nectar beschermd werd door de ring van vuur n de legende over de vogel Garuda.
i
10. Want Visvamitra is de verpersoonlijking van rechtvaar-digheid en de machtigste onder de mensen. Hij is de meest wijze mens ter wereld en de hoogste bron van scetische vermogens.
a
11-12. Bovendien is hij de meester van alle magische wapenen. Geen ander mens in alle drie de werelden met alles wat daarin onbeweeglijk of beweeglijk is, bezit al deze kennis of zal die ooit verkrijgen, ook niet de goden, noch de rishi’s, noch de asura’s, de rakshasa’s, de belangrijkste gandharva’s, de yaksha’s, de kinnara’s of e grote slangen.
d
13. Want lang geleden werden alle magische wapens, Krisasva’s deugdzame zonen, aan Kausika geschonken, oen hij nog heerste in zijn koninkrijk.
t
14. De zonen van Krisasva zijn de zonen van de dochters van Brahma, de Heer van alle schepselen. Zij hebben
106
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
allerlei vormen en beschikken over onmetelijke macht. Zij stralen en brengen een zekere overwinning.
15. Jaya en Suprabha, de welgevormde dochters van Daksha schonken het leven aan honderd schitterende projectielen en wapens.
16. Voor de vernietiging van de asura-legers baarde Jaya eerst vijftig prachtige, onmetelijk krachtige zonen, die lke vorm konden aannemen.
e
17. Daarna baarde Suprabha nog eens vijftig onoverwinne-lijke, onaantastbare en buitengewoon machtige zonen, e Samhara’s genaamd.
d
18. Visvamitra weet deze magische wapens feilloos te gebruiken. En bovendien kan deze man, die zozeer één is geworden met rechtvaardigheid, nieuwe wapens aken.
m
19. Zo geweldig is het vermogen van de grote asceet, de machtige Visvamitra. Majesteit, u hoeft niet bang te zijn om Rama te laten gaan.”
Einde van Sarga 20 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
107
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
21 Op weg met Visvamitra
1. Toen Vasishtha op deze wijze had gesproken, liet Dasaratha opgelucht Rama en Lakshmana komen.
2-3. Rama’s vader Dasaratha en zijn moeder spraken hun zegen uit over zijn reis. Vervolgens, nadat de familie-priester Vasishtha voorspoedbrengende lofzangen had aangeheven, kuste koning Dasaratha het hoofd van zijn geliefde zoon en met vrede in het hart stelde hij hem nder de hoede van de zoon van Kusika.
o
4. Toen Vayu, de god van de wind, zag dat de lotus-ogige Rama was toevertrouwd aan Visvamitra, blies hij een angenaam strelend en zuiver briesje.
a
5. Terwijl de grote man vertrok onder een regen van bloesem, klonken de drums van de goden en er was een geweldig geroffel van trommels en geschal van schelp-oorns.
h
6. Visvamitra ging voorop, gevolgd door de luisterrijke Rama, die nog steeds de haardracht van een jongeling had en die gewapend was met een boog. Daarachter iep Saumitri.
l
7. Met de boog in de hand en een stel pijlkokers op de rug, zagen zij er zo ontzagwekkend uit dat zij op drie-koppige cobra’s leken. En zo volgden zij de grote Visvamitra, zoals de Asvin-tweeling grootvader Brah-ma volgt en straalden zij hun licht uit in alle richtingen.
108
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Schitterend, gewapend met zwaarden en met hun pols- en vingerbeschermers omgebonden, waren zij gelijk de uit het vuur geboren Kumara-tweeling, voorafgegaan door de onvoorstelbare god Sthanu.
9. Toen zij zo vijf mijl gelopen hadden langs de zuidelijke oever van de Sarayu, riep Visvamitra: “Rama!” en prak deze vriendelijke woorden:
s
10. “Kom, mijn jongen, drink van dit water. Laat deze gelegenheid niet voorbijgaan. Aanvaard deze twee agische krachten Bala en Atibala genaamd.
m
11. Dan zul je nooit ten prooi vallen aan koorts of ver-moeidheid en nooit zal je schoonheid vergaan. Geen snode rakshasa zal je ooit overvallen, zelfs niet als je laapt of niet op je hoede bent.
s
12. Er zal geen tweede zijn op aarde die zo zwaar bewa-pend is als jij en er zal niemand in de drie werelden zijn ie jou kan evenaren, Rama.
d
13. O, zondeloze, er zal niemand in de wereld zijn die jouw gelijke is in schoonheid, bekwaamheid, wijsheid en astberadenheid, niemand zal zo snel reageren als jij.
v
14. Wanneer je over deze twee magische krachten kunt beschikken, zal niemand je evenaren, want de Bala en e Atibala zijn de dragers van alle wijsheid.
d
15. Grote Rama, als jij onderweg de Bala en de Atibala reci-teert, zul je geen honger of dorst lijden. Doordat je deze
109
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
twee magische krachten beheerst, Raghava, zal jouw roem op aarde niet overtroffen worden.
16. Want deze twee machtige toverkrachten zijn dochters van grootvader Brahma. En jij, deugdzame Kakutstha, bent het waard ze te ontvangen.
17. Vele krachten zullen zich in jou ontwikkelen. Daar kan geen twijfel over bestaan. Deze magische krachten die ik door ascese heb verkregen, kunnen voor velerlei oeleinden worden gebruikt.”
d
18. Daarop reinigde Rama zich door van het water te drinken en met een uitdrukking van opperste blijd-schap op het gezicht ontving hij de twee magische krachten van de grote en alles beschouwende rishi. Toen hij de magische krachten ontvangen had, straalde e dappere Rama als een vuur.
d
19. En, nadat de twee broers alle eerbetuigingen die een goeroe toekomen, aan de zoon van Kusika hadden gebracht, genoot het drietal van een goede nachtrust aan de oever van de Sarayu.
Einde van Sarga 21 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
110
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
22 De ashram van Kama
1. Toen de nacht had plaatsgemaakt voor het ochtend-gloren, sprak de grote wijze Visvamitra tot Kakutstha, die op een bed van bladeren lag:
2. “Rama, voortreffelijke zoon van Kausalya en tijger onder de mensen, het is tijd voor de ochtendgebeden. Sta op, wij moeten de goden het dagelijkse eerbetoon rengen.”
b
3. Toen de twee heldhaftige zonen van de koning de rishi deze hoffelijke woorden hoorden spreken, namen ze een bad en brachten vervolgens het plengoffer en eciteerden het hoogste gebed.
r
4. Nadat zij deze dagelijkse riten hadden uitgevoerd, be-wezen deze twee machtige mannen eer aan Visvamitra, e grote asceet, waarna zij welgemoed op reis gingen.
d
5. De machtige mannen gingen verder en op de plaats waar de Ganges op lieflijke wijze samenvloeit met de Sarayu, zagen zij deze hemelse rivier, de rivier van de rie wegen.
d
6. Daar kwamen zij bij een plek waar een heilige ashram stond die toebehoorde aan rishi’s die over een ontzag-wekkende ascetische kracht beschikten en die daar gedurende vele duizenden jaren in zeer strenge sober-eid hadden geleefd.
h
111
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. Toen de twee Raghava’s die heilige ashram zagen, waren zij zeer verheugd en vroegen de grote Visva-mitra:
8. “Van wie is deze heilige ashram? Wie woont hier? Heilige man, dat zouden wij graag willen weten, want aar zijn wij zeer benieuwd naar.”
d
9. Toen hij ze zo hoorde spreken glimlachte die stier onder de wijzen en zei: “Rama, luister, ik zal je het verhaal vertellen over de man aan wie deze ashram ens toebehoorde.
e
10. Hij was de belichaamde Kandarpa, door de wijzen ama genoemd.
K
11. Die dwaas overviel de heer der goden, Sthanu, vlak voor diens huwelijk, terwijl deze zich hier, overeen-komstig zijn gelofte, wijdde aan strenge onthoudingen. Terwijl de machtige godheid met zijn leger Maruts de plek verliet, reageerde hij door luid bulderend ‘Hum!’ e laten klinken.
t
12. En, Rama, vreugde van de Raghu’s, toen werd Kama volledig verbrand door Siva’s verschrikkelijke derde oog, zodat alle ledematen van de dwaas verschrom-elden.
p
13. Toen de grote god hem verbrandde, vernietigde hij zijn gehele lichaam. Zo werd Kama door de toorn van Siva, e heer der goden, zijn lichaam ontnomen.
d
112
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
14. Sindsdien, Raghava, staat hij bekend als Ananga, de lichaamloze, en dit welvarende gebied wordt Anga ge-noemd, want hier verloor hij zijn anga, zijn lichaam.
15. Dit is de heilige ashram van Siva en deze wijzen, van wie het hoogste doel rechtvaardigheid is, waren eens zijn leerlingen. Er is geen zonde onder hen, o grote eld.
h
16. Laten wij hier ons kamp opslaan voor de nacht, schone Rama, tussen de twee heilige rivieren; morgen zullen ij het water oversteken.”
w
17. Terwijl zij daar zo stonden te praten hadden de wijzen met hun grote opmerkzaamheid, die het gevolg was van hun ascetische levenshouding, hen herkend. Zij aren opgetogen en gaven blijk van grote vreugde.
w
18. Allereerst verwelkomden zij Visvamitra, de zoon van Kusika. Zij boden hem water aan voor zijn voeten en gastvrijheid. Pas daarna betoonden zij gastvrijheid aan ama en Lakshmana.
R
19. Na deze eervolle ontvangst brachten zij op aangename wijze de nacht door in de ashram van Kama en onderhielden elkaar met verhalen.
Einde van Sarga 22 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
113
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23 Het woud van Tataka
1. Bij de heldere dageraad voerden de twee helden, over-winnaars van hun vijanden, hun dagelijkse rituelen uit. Daarna gingen zij, voorafgegaan door Visvamitra, naar e oever van de rivier.
d
2. Daar hadden alle grote wijzen, nauwgezet in het na-komen van hun geloften, een zeer fraaie boot laten omen en zij spraken tot Visvamitra:
k
3. “Stap als eerste in de boot, heer, vóór de zonen van de oning. Goede reis! Laat u niet ophouden.”
k
4. “Zo zij het”, antwoordde Visvamitra en terwijl hij de rishi’s eerbiedig groette, vertrok hij met de twee broers m de rivier over te steken die naar de zee stroomde.
o
5. Midden op de rivier vroeg Rama aan de stier onder de ijzen: “Wat is dit voor tumult van kolkend water?”
w
6. Toen hij de vraag van Raghava hoorde, waaruit zo’n nieuwsgierigheid sprak, verklaarde de rechtschapen ijze de oorzaak van dit geluid.
w
7. “Op de berg Kailasa, Rama, bevindt zich een meer dat ontsprongen is uit manas, de geest van Brahma. Daar-om, tijger onder de mensen, wordt dat meer het anasameer genoemd.
M
8. Deze rivier stroomt uit dat meer naar beneden en om-ringt de stad Ayodhya. Zij ontstond uit het meer van
114
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Brahma, en omdat zij voortkomt uit saras, een meer, wordt zij de heilige Sarayu, uit een meer, genoemd.
9. De rivier maakt dit onvoorstelbare geraas door het kolken van het water als zij zich stort in de rivier de Jahnavi. Concentreer je gedachten, Rama, en groet eide eerbiedig.”
b
10. Zo betuigden de twee rechtschapen prinsen eer aan de twee rivieren en na het bereiken van de zuidelijke oever ervolgden zij haastig hun weg.
v
11. Weldra kwamen zij bij een woest, onbegaanbaar en vreesaanjagend woud en Rama Aikshvaka, zoon van de este van alle koningen, vroeg de stier onder de wijzen:
b
12. “Wat een afschrikwekkend woud is dit! Overal zijn zwermen krekels hoorbaar en het wemelt van vreselijke oofdieren en krassende gieren.
r
13. Er zijn allerlei soorten vogels die angstaanjagend krij-en, en ook leeuwen, tijgers, wilde zwijnen en olifanten.
s
14. Het staat vol dhava-, asvakarna-, kakubha-, bilva-, tinduka-, patala- en badaribomen. Wat is dit voor een fschuwelijk woud?”
a
15. De grote en machtige Visvamitra antwoordde: “Kakuts-tha, mijn zoon, luister terwijl ik je vertel aan wie dit reselijke woud toebehoort.
v
16. Beste van de mensen, eens waren hier twee vruchtbare landstreken, Malada en Karusha genaamd, die dankzij
115
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
de inspanningen van de goden tot bestaan waren gekomen.
17. Lang geleden, Rama, toen de duizendogige Indra Vritra doodde, werd hij bezoedeld door de zonde van moord op een brahmaan, gestraft met honger en bedolven nder vuil.
o
18. Daarom gaven de goden en de rishi’s, die schatbewaar-ders van ascetische kracht, Indra een bad. Door hem te einigen met waterkruiken namen ze de smet weg.
r
19. Daarna legden ze de smet en de honger die voortge-komen waren uit het lichaam van Mahendra, in deze wee gebieden. En zo werden ze vervuld van vreugde.
t
20. En toen de Heer Indra weer zuiver werd en bevrijd van zijn bezoedeling en honger, was hij zeer verheugd en prak een onovertroffen zegening uit over dit land:
s
21. ‘Deze twee welvarende gebieden zullen in de wereld roem verwerven als Malada, de bevuilde en Karusha, de door honger geteisterde, omdat zij de smet droegen an mijn lichaam.’
v
22. Toen de goden zagen welk een eer die wijze Sakra had toegekend aan de landstreek, riepen ze hem, de be-traffer van Paka, toe: ‘Uitstekend! Uitstekend!’
s
23. Onoverwinnelijke held, deze beide districten Malada en Karusha waren gedurende lange tijd zeer welvarend, er as rijkdom en overvloedig graan.
w
116
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. Nu was er op zeker moment een yaksha-vrouw die even sterk was als duizend olifanten en die in staat was elke willekeurige vorm aan te nemen.
25. Men noemt haar Tataka, gezegende Rama, en zij is de vrouw van de wijze Sunda. De rakshasa Marica, die ven moedig is als Sakra, is haar zoon.
e
26. Raghava, het is deze slechte Tataka, die voortdurend de eide gebieden Malada en Karusha teistert.
b
27. Zij woont vijf mijl hier vandaan en verspert onze weg, want we moeten dwars door het woud van Tataka rekken.
t
28. Jij moet deze slechte vrouw doden en daarbij ver-trouwen op de kracht van je eigen wapens. Maak op ijn bevel dit gebied opnieuw vrij van doornen!
m
29. Want nu, Rama, kan niemand naar deze streek komen, een land dat te gronde wordt gericht door deze nverdraaglijke en afschrikwekkende yaksha-vrouw.
o
30. Nu heb ik je de waarheid verteld over dit vreselijke woud, dat totaal vernield is door de yaksha-vrouw Tataka. Tot op deze dag blijft ze doorgaan met haar plunderingen.”
Einde van Sarga 23 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
117
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24 De vervloeking van Tataka
1. Toen de tijger onder de mensen de onmetelijk wijze Visvamitra dit wonderlijke verhaal had horen vertellen, antwoordde hij met welluidende woorden:
2. “Maar hoe, stier onder de wijzen, kan een yaksha-vrouw even sterk zijn als duizend olifanten, terwijl iedereen weet dat deze wezens maar weinig kracht ezitten?”
b
3. Visvamitra antwoordde: “Ik zal je vertellen hoe deze vrouw aan die uitzonderlijke kracht is gekomen. Haar kracht en macht heeft zij namelijk verkregen door een peciale gunst.
s
4. Lang geleden was er een belangrijke yaksha, Suketu genaamd. Deze was zeer machtig en deugdzaam en mdat hij geen kinderen had, wijdde hij zich aan ascese.
o
5. En Rama, dit stemde grootvader Brahma zo gunstig dat hij de grote yaksha een juweel van een dochter schonk, ataka genaamd.
T
6. Grootvader Brahma gaf haar de kracht van wel duizend olifanten, maar de roemrijke god schonk de yaksha geen zoon.
118
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. Toen de tijd was gekomen dat zijn dochter volgroeid was en het toppunt van haar jeugd en schoonheid bereikt had, huwelijkte Suketu deze prachtige vrouw uit aan Sunda, de zoon van Jambha.
8. Na enige tijd baarde de yaksha vrouw een onover-winnelijke zoon, Marica genaamd, die door een vloek eranderd werd in een rakshasa.
v
9. Nadat Sunda gedood was, probeerden Tataka en haar zoon samen Agastya, de grootste onder de rishi’s, aan e vallen.
t
10. Agastya sprak echter een vloek uit over Marica: ‘Dat jij een rakshasa wordt!’ En in zijn tomeloze woede ver-loekte hij ook Tataka:
v
11. ‘Je bent nu een grote yaksha-vrouw, maar je zult een weerzinwekkende menseneter worden met een afschu-welijk gezicht. Ik spreek de vloek uit dat je je huidige vorm zult verliezen en een werkelijk vreselijke ge-aante zult aannemen.’
d
12. Omdat zij deze vloek niet kan verdragen, viert zij in blinde woede haar verwoestende krachten bot op dit ieflijke gebied, omdat Agastya hier eens woonde.
l
13. Daarom, Raghava, moet jij terwille van de brahmanen en de heilige koeien deze door en door slechte yaksha- vrouw, die haar krachten voor kwade doelen gebruikt, oden.
d
119
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
14. Niemand anders in de drie werelden, vreugde van de Raghu’s, kan dit vervloekte schepsel doden.
15. En, beste van de mensen, je hoeft ook geen weekhartige gevoelens te hebben over het doden van een vrouw. Een koningszoon moet handelen in het belang van het welzijn van de vier grote sociale klassen van de samen-eving.
l
16. Dit is de eeuwenoude regel voor een ieder die belast is met de taak van het koningschap. Kakutstha, jij moet dit verdorven schepsel doden, want zij kent geen recht-aardigheid.
v
17. Want, beschermer der mensen, men zegt dat lang geleden de god Sakra Manthara doodde, de dochter an Virocana, omdat zij de aarde wilde vernietigen.
v
18. Eveneens lang geleden, Rama, werd de vrouw van Bhrigu en moeder van Kavya, die haar woord altijd gestand deed, gedood door Vishnu, toen zij de wereld ilde beroven van Indra.
w
19. Deze en nog vele andere grote en uitmuntende mannen hebben vrouwen gedood die doelbewust de wegen der onrechtvaardigheid bewandelden.”
Einde van Sarga 24 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
120
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
25 De dood van Tataka
1. Raghava, die zijn geloften gestand deed, zoon van de beste der mensen, luisterde naar de krachtige woorden van de wijze en met eerbiedig samengevouwen handen ei hij:
z
2-3. “In Ayodhya gaf mijn vader, de grote Dasaratha, mij in het bijzijn van mijn hele familie de volgende opdracht: ‘Je moet de bevelen van Kausika zonder aarzeling opvolgen.’ Het woord van een vader moet geëerbiedigd worden, want zijn bevelen zijn immers wet, dus dien ik aaraan gehoor te geven.
d
4. Omdat ik mijn vader gehoorzaam - en een kenner van de Veda’s mij hetzelfde bevel geeft - zal ik zonder twijfel deze alleszins gerechtvaardigde actie uitvoeren n Tataka doden.
e
5. Terwille van de koeien en brahmanen, om geluk te brengen in deze streek en om u te behagen, ondoor-rondelijke wijze, ben ik bereid te doen wat u zegt.”
g
6. Nadat hij zo gesproken had, greep de onoverwinnelijke held zijn boog in het midden vast met zijn vuist, spande de pees aan en liet los, zodat het geluid in de vier indstreken te horen was.
w
7. Dit geluid vervulde de bewoners van Tataka’s woud met angst en Tataka zelf viel ten prooi aan woede en verwarring.
121
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Buiten zichzelf van razernij rende de vrouwelijke rakshasa naar de plaats waar het geluid vandaan kwam.
9. Toen Raghava het reusachtige gedrocht met haar af-grijselijke gezicht op zich af zag komen, zei hij tegen zijn broer:
10. “O Lakshmana, kijk toch eens naar het afschrikwek-kende en vreselijke lichaam van deze yaksha-vrouw, waarvan alleen al de aanblik schuchtere harten met oodsangst zou vervullen.
d
11. Let op, Lakshmana, zij lijkt onoverwinnelijk, gewapend als ze is met magische krachten, maar ik snijd haar de oren en het puntje van de neus af en jaag haar op de lucht.
v
12. Toch durf ik haar niet werkelijk te doden, want zij is beschermd door haar vrouw-zijn. Ik wil haar slechts eroven van haar kracht en haar verblijfplaats.”
b
13. Maar terwijl Rama dit zei, kwam Tataka brullend en et opgeheven armen op hem afstormen.
m
14. Zij wierp zich op hem met de snelheid en kracht van een bliksemschicht, maar met een pijl doorboorde hij aar hart, zodat ze viel en stierf.
h
15. Toen zij zagen dat het afzichtelijke schepsel verslagen was, prezen Indra, de heer der goden, en de andere go-den Kakutstha en riepen: “Goed gedaan! Schitterend!”
122
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. De duizendogige Indra, de verwoester van citadellen, was zeer verheugd. Onder bijval van alle andere goden, die zeer opgetogen waren, sprak hij tot Visvamitra:
17. “O wijze Kausika, moge voorspoed uw deel zijn. Wij allen en ook de scharen Maruts zijn blij met dit wapen-feit en zouden graag zien dat u Raghava uw genegen-eid toont.
h
18. O brahmaan, schenk Raghava toch de zonen van Krisasva - de goddelijke wapens - die door ascese waar-ijk dapper en machtig zijn.
l
19. De zoon van de koning is het waard dit geschenk van u te ontvangen, brahmaan, want hij is u zeer toegewijd. Bovendien moet hij de goden nog een grote dienst ewijzen.”
b
20. Hierop bewezen alle goden eer aan Visvamitra en keer-den zeer tevreden naar hun verblijf terug. Weldra trad e schemering in.
d
21. Toen kuste de grootste aller wijzen, die zeer verheugd was over de dood van Tataka, Rama op het hoofd en ei:
z
22. “Hier zullen we vanavond ons kamp opslaan, moedige Rama, en morgen bij het aanbreken van de dag zullen we naar de plek gaan waar mijn ashram ligt.”
Einde van Sarga 25 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
123
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
26 Rama krijgt hemelse wapens
1. Nadat zij daar de nacht hadden doorgebracht, wendde de beroemde wijze Visvamitra zich met een glimlach tot Raghava en zei vriendelijk:
2. “O, gezegende en roemrijke prins, ik ben zeer tevreden over je. Zo dierbaar ben je me, dat ik jou de goddelijke apens geef.
w
3-4. Al deze wapens schenk ik je, gezegende Rama. Hiermee zul je de kracht hebben je vijanden te onderwerpen, je zult ze in de strijd verslaan zelfs al waren het de scharen goden en asura’s samen met de gandharva’s en de grote slangen. Raghava, ik geef je de grote hemelse anda discus.
D
5. En, mijn held, hier zijn ook de Dharma discus en de Kala discus en verder de discus van Vishnu, die heel fschrikwekkend is, en ook de discus van Indra.
a
6. Ik geef je het wapen dat bekend staat als de Vajra, een donderkeil, en de beste van alle speren, namelijk die van Siva. Geliefde Raghava met je sterke armen, ik geef je ook de wapens die Brahmasiras en Aishika genoemd worden, evenals het sterkste aller wapenen, het wapen an Brahma.
v
7-8. En prins Kakutstha, tijger onder de mannen, ik voeg er nog twee blinkende knotsen aan toe, Modaki en Sikhari; ik schenk je de strop van Dharma en die van Kala.
124
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Verder geef ik je, vreugde van het Raghu geslacht, de strop van Varuna, een onovertroffen wapen. Hier zijn twee donderkeilen, Sushka, de droge en Ardra, de vochtige.
10. Voorts geef ik je het wapen van Pinakin, het wapen dat Narayana toebehoort en het uitverkoren wapen van gni, de vlammende knots Sikhara.
A
11. Raghava, je krijgt het wapen van Vayu, Prathama ge-naamd en het wapen met het paardenhoofd, Hayasiras, en ook het Krauncha wapen.
12. Verder geef ik je, onberispelijke Kakutstha, twee speren en de gevreesde knots Kankala genaamd, evenals de apens bekend als Kapala en Kankana.
w
13. Over alle wapens die door de asura’s worden gedragen, en over het machtige wapen van de vidyadhara’s, dat andana heet, zul je kunnen beschikken.
N
14. O prins met de sterke armen, ik geef je een juweel van een zwaard, het geliefde wapen van de gandharva’s, anava genaamd.
M
15. Raghava, dan geef ik je nog het wapen met de naam Prasvapana, het wapen dat slaap veroorzaakt, Prasa-mana, het vernietigingswapen, Saura, Darpana, Sosha-na, het wapen dat droogte veroorzaakt, Samtapana, het wapen dat verschroeit en Vilapana, het wapen dat ejammer veroorzaakt.
g
125
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Je bent een beroemd koningszoon, een tijger onder de mannen. Neem daarom de onweerstaanbare Madana aan, Kandarpa’s meest geliefde wapen, dat sexuele begeerte opwekt, en Mohana, het uitverkoren wapen van de pisaca’s, de bloeddrinkende en vleesetende emonen.
d
17. Prins en tijger onder de mensen, aanvaard ook de volgende wapens: de Tamasa, het wapen van de traag-heid, het machtige Saumana wapen, dat blijdschap ver-oorzaakt, de onweerstaanbare Samvarta, het bedekken-e wapen van Kala en de Mausala knots.
d
18. O machtig-armige krijgsman, neem verder het Satya wapen van mij aan, de grote Mayadhara en het verschrikkelijke wapen dat Tejahprabha heet, dat ijanden van hun kracht berooft.
v
19. Tenslotte moet je ook nog Soma’s wapen aannemen, de Sisira, en Tvashtri’s wapen, de Sudamana, Bhaga’s apen, de Daruna, evenals Manu’s wapen de Siteshu.
w
20. Dappere Rama, deze wapens moet je nu meteen aan-vaarden, want ze zijn zeer machtig. Ze kunnen iedere vorm aannemen die je verlangt en zullen al je wensen ervullen.”
v
21. Daarna reinigde de grootste aller wijzen zich, keerde zijn gelaat naar het oosten en gaf Rama vol vreugde de novertroffen mantra’s die bij de wapens behoorden.
o
22. Op het moment dat de wijze Visvamitra de mantra’s
126
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
uitsprak, verschenen al deze kostbare wapens voor Raghava.
23. Met grote vreugde brachten zij allen de handen in eer-bied bijeen en zeiden tot hem: “Hier zijn uw dienaren, nobele Raghava.”
24. Kakutstha raakte de wapens met zijn handen aan ten teken dat hij ze aanvaardde en gaf hun het bevel: “Kom nmiddellijk, steeds als ik jullie roep!”
o
25. Dit alles vervulde de machtige Rama met vreugde en hij boog eerbiedig voor Visvamitra. Daarna zetten zij hun reis voort.
Einde van Sarga 26 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
127
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
27 Mantra’s en meer wapens
1. Nadat Kakutstha de wapens had aangenomen en zich gereinigd had, gingen zij op weg. Met een blik van verrukking op zijn gezicht zei hij tegen Visvamitra:
2. “Nu ik deze wapens heb aangenomen, o heilige man, ben ik onoverwinnelijk geworden, zelfs voor de goden. Maar, stier onder de wijzen, ik zou gaarne van u nog meer mantra’s ontvangen waarmee ik de wapens kan proepen.”
o
3. Toen Kakutstha dit zei, reciteerde de grote wijze, die zuiver was, standvastig en zijn woord getrouw, de mantra’s voor het oproepen van de wapens en gaf hem og meer wapens.
n
4-9. “Satyavant, Satyakirti, Dhrishta, Rabhasa, Pritiharatara, Paranmukha, Avanmukha, Lakshaksha, Vishama, Dri-dhanabha, Sunabhaka, Dasaksha, Satavaktra, Dasasir-sha, Satodara, Padmanabha, Mahanabha, Dundunabha, Sunabhaka, Jyotisha, Krisana, Nairasya, Vimala, Yau-gandhara, Haridra, Daitya, Pramathana, Pitrya, Sauma-nasa, Vidhuta, Makara, Karavirakara, Dhana, Dhanya, Kamarupa, Kamaruci, Moha, Avarana, Jrimbhaka, Sarvanabha, Santana en Varana: dit zijn de stralende zonen van Krisasva, die naar believen iedere gedaante kunnen aannemen. Neem ze van mij aan, Raghava, ant je bent het waard ze te ontvangen.”
w
128
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
10. Kakutstha antwoordde opgetogen: “Dat zal ik zeker!” waarop de mantra’s pal voor hem verschenen in de vorm van stralende, hemelse lichamen, die een lust waren voor het oog.
11. Met hun handen eerbiedig gevouwen spraken zij op beminnelijke toon tot Rama: “Hier zijn wij, tijger onder de mensen. Wij staan tot uw beschikking. Wat kunnen e voor u doen?”
w
12. En Rama, de vreugde van de Raghu’s, zei tegen hen: “Voorlopig kunnen jullie gaan waar je wilt. Maar houd je gereed tot ik jullie in de geest oproep. Als de tijd daar is om tot handelen over te gaan, moeten jullie mij te ulp komen.”
h
13. “Zo zij het”, antwoordden zij. Daarna liepen ze eer-biedig rond Rama Kakutstha, namen afscheid van hem n vertrokken zoals ze gekomen waren.
e
14. Toen Raghava zich de mantra’s had eigen gemaakt, liep hij verder. Vol liefde vroeg hij de grote wijze Visva-itra:
m
15. “Vanaf deze plaats zie ik daar bij die berg een bos dat zo dicht is dat het wel een donkere wolk lijkt. Wat is dat och? Ik ben daar zeer benieuwd naar.
t
16. Het is lieflijk en bekoorlijk, vol herten en er klinkt rachtig vogelgezang.
p
17. Beste der wijzen, deze streek ziet er heel vriendelijk uit.
129
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Ik veronderstel dat we dat schrikaanjagende woud achter ons hebben gelaten.
18. Vertel mij er alles over, heilige man. Aan wie behoort de ashram die hier is? Is daar de plek waar we die verdorven en goddeloze moordenaars van brahmanen kunnen vinden?”
Wapens uit vers 4-9:
Satyavant wapens die de waarheid laten klinken
Satyakirti het met recht befaamde wapen
Dhrishta het actieve wapen, een soort boog
Rabhasa het wapen dat ontreddering teweeg brengt
Pratiharatara het wapen dat het effect teniet doet
Paranmukha wapen met de grote mond
Avanmukha wapen met een gericht of gebogen uiteinde
Lakshaksha wapen waarvan de koers gevolgd kan worden
Vishama wapen met een fijne navel
Dridhanabha wapen met een onbewegelijk middelpunt
Sunabhaka wapen met een fijne navel
Dasaksha tien-ogig wapen
Satavaktra honderd-mondig wapen
Dasashirsha tien-koppig wapen
Satodara honderd-buikig wapen
Padmanabha wapen met de lotusnavel
Mahanabha wapen met de grote navel
Dundunabha soort knots, staf- of staafvormig wapen
Sunabhaka wapen met vele navels
Jyotisha wapen dat licht verspreidt
Krisana wapen in de vorm van een gier
130
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Nairasya magische formules
Vimala vlekkeloos wapen
Yaugandhara een bijzondere magische formule,
uitgesproken over koningswapens
Haridra wapen dat slapeloosheid teweeg brengt
Daitya wapen van de reuzen
Pramathana kolkend wapen, wapen van Vayu
Saumanasa maanwapen: in relatie met soma,
brengt mogelijk hallucinaties teweeg
Vidhuta sterk trillend wapen
Makara mythisch waterdier, geïnspireerd door de krokodil
Dhana wapen dat de vijand van zijn buit berooft
Dhanya wapen dat fortuin brengt
Kamarupa wapen dat elke willekeurige gedaante
kan aannemen
Kamaruci schitterende pijl of schicht die naar wens
overal naar toe gaat
Moha wapen dat bewustzijnsverlies teweegbrengt
Jrimbhaka toverformules waardoor boze geesten
uit wapens gedreven worden
Einde van Sarga 27 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
131
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
28 De ashram van Vamana
1. Omdat de weergaloze Rama zoveel belangstelling toon-de voor dit woud, begon de machtige Visvamitra er-over te vertellen:
2. “Heel lang geleden was dit de ashram van de beroemde dwerg Vamana, een incarnatie van Vishnu. Deze plek staat bekend als de ashram van het Volmaakte Wezen, ant hier bereikte deze grote asceet volmaaktheid.
w
3. In die tijd had de befaamde koning Bali Vairocana de scharen der goden, waaronder Indra en de Maruts, verslagen en zijn heerschappij over alle drie de werel-en gevestigd.
d
4. Terwijl koning Bali bezig was een offer uit te voeren, kwamen de goden hier in deze ashram bijeen onder eiding van Agni en zij wendden zich tot Vishnu.
l
5. ‘O Vishnu, koning Bali Vairocana is een groot offer aan het brengen. Voordat dit ritueel geheel voltrokken is, oeten wij iets doen.
m
6. Vrijwel alles wat hij bezit, geeft hij weg. Iedereen, waar hij ook maar vandaan komt, krijgt waar hij om vraagt, at en hoeveel het ook moge zijn.
w
7. U moet zich door uw magische kracht veranderen in een dwerg en terwille van de goden een grote helden-aad verrichten.
d
132
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Als u dit volbracht heeft, heer van de goden, zal door uw genade deze plaats de ashram van het Volmaakte Wezen genoemd worden. Wij smeken u, Heer, doe wat wij u vragen.’
9. Toen nam de machtige Vishnu de gedaante aan van een dwerg en werd geboren als zoon van Aditi. Vervolgens ing hij naar koning Bali Vairocana.
g
10. Hij verzocht de koning hem evenveel land te geven als hij in drie stappen kon bestrijken en de koning willigde het verzoek in. Toen omspande deze opperste godheid van alle werelden, die gericht is op het welzijn van alle chepselen, in drie schreden alle drie de werelden.
s
11. De machtige god deed zijn kracht gelden; hij legde koning Bali aan banden, gaf de drie werelden terug aan akra en bracht ze weer onder diens heerschappij.
S
12. Omdat de dwerg zelf hier heeft gewoond, verdrijft deze ashram alle neerslachtigheid. Dankzij mijn toewijding an hem, behoort deze ashram nu aan mij toe.
a
13. De laatste tijd word ik echter lastiggevallen door rakshasa’s die naar deze ashram komen en daarom moet jij, tijger onder de mensen, deze kwelgeesten hier ernietigen.
v
14. Rama, laten wij naar deze onovertroffen ashram van het Volmaakte Wezen gaan, want die heilige plaats is even-eer van jou als van mij.”
z
133
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Toen de wijzen die in de ashram van het Volmaakte Wezen woonden, Visvamitra zagen aankomen, spron-gen zij dadelijk op, liepen hem tegemoet en begroetten hem eerbiedig.
16. Nadat zij eerst Visvamitra de gepaste eer bewezen had-en, boden zij de twee prinsen alle gastvrijheid.
d
17. Toen de twee prinsen, overwinnaars van hun vijanden en vreugde van de Raghu’s, even gerust hadden, richtten zij zich met eerbiedig gevouwen handen tot de ijger onder de wijzen.
t
18. “Wees gezegend, stier onder de wijzen. Indien u dit wenst, kom dan nu tot een staat van opperst bewust-zijn. Mogen uw woorden in vervulling gaan en moge de ashram van het Volmaakte Wezen werkelijk een olmaakt oord worden.”
v
19. Op deze woorden van de prinsen trok de grote wijze, de machtige Visvamitra, zich terug in zichzelf met zijn zinnen geheel onder beheersing, in een toestand van eiligheid.
h
20. Maar de twee prinsen brachten de nacht wakend door, zich bewust van hun plichten, en bij het krieken van de dag loofden zij Visvamitra.
Einde van Sarga 28 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
134
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
29 Strijd met de rakshasa’s
1. De twee welbespraakte en krijgshaftige prinsen wisten dat nu de tijd gekomen was om te spreken en zij richt-ten het woord tot Kausika:
2. “Heilige brahmaan, wij zouden graag willen weten wanneer wij de aanval van de twee demonen van de nacht moeten afweren, opdat wij het goede moment iet voorbij laten gaan.”
n
3. Toen de wijzen de zeer strijdlustige Kakutstha prinsen zo hoorden spreken, waren zij allen opgetogen en ant-oordden:
w
4. “O Raghava’s, houd de komende zes nachten de wacht, want de wijze Visvamitra zal, nu hij zich aan het offer wijdt, gedurende die tijd een strikt stilzwijgen in acht emen.”
n
5. Hierop hielden de twee vermaarde prinsen gedurende zes dagen en nachten de wacht in het woud van de sceten, zonder ook maar één ogenblik te slapen.
a
6. Gewapend met hun machtige boog bewaakten de twee machtige prinsen zo de grote wijze Visvamitra met een iet aflatende oplettendheid.
n
7. Toen de tijd verstreken was en de zesde dag was aangebroken, zei Rama tegen zijn broer Saumitri: Wees vandaag op alles voorbereid!”
135
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Juist op het moment dat Rama dit zei, vol ongeduld om de strijd aan te gaan, laaide plotseling het vuur op van het altaar waar de leermeester van de prinsen en de offerpriesters bezig waren met het ritueel.
9. Hoewel het offerritueel overeenkomstig de tradities verliep, onder begeleiding van vedische hymnen, klonk r een luid en angstaanjagend lawaai in de lucht.
e
10. Plotseling werd de hemel verduisterd door twee rakshasa’s die van vorm veranderden als wolken in het egenseizoen. Brullend stortten deze zich op hen.
r
11. Het waren Marica en Subahu en hun afgrijselijke gevolg die daar verschenen en die een stortvloed van loed lieten neergutsen.
b
12. Toen de lotusogige Rama hen zo gewelddadig op zich f zag stormen, zei hij tegen Lakshmana:
a
13. “Let op, Lakshmana, zoals de wind de wolken aan flarden rukt, zo zal ik deze boosaardige, vleesetende akshasa’s uiteenjagen met het Manava wapen.”
r
14. Razend van woede schoot Raghava het edele en chitterende Manava wapen in de borst van Marica.
s
15. Getroffen door dit machtige Manava wapen, stortte de demon in de golven van de oceaan, meer dan drie-onderd mijl verderop.
h
16. Toen hij zag hoe Marica werd weggeslingerd en krimpend van pijn het bewustzijn verloor, verpletterd
136
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
door de kracht van het Manava Siteshu wapen, zei Rama:
17. “Kijk, Lakshmana, hoe het Siteshu wapen van Manu, dat wapen dat altijd volkomen rechtvaardig is, hem heeft overweldigd en weggeslingerd, maar toch is hij iet dood.
n
18. Maar die andere genadeloze en verdorven rakshasa’s zal ik uitroeien, want deze bloeddrinkende monsters deinzen voor geen kwaad terug en verstoren de heilige fferrituelen.”
o
19. Daarop greep Rama, de vreugde van de Raghu’s, het buitengewoon machtige Agneya wapen en schoot Su-bahu in de borst. Middenin het hart getroffen, stortte hij er aarde.
t
20. De nobele en vermaarde Raghava nam toen het Vaya-vya wapen en, tot grote blijdschap van de wijzen, oodde hij daarmee de overige demonen.
d
21. Toen de prins, bron van vreugde van de Raghu’s, alle rakshasa’s die het offerritueel verstoorden, had uitge-roeid, werd hij door de aanwezige rishi’s vereerd, zoals Indra lang geleden ter gelegenheid van zijn overwin-ing op de asura’s werd vereerd.
n
22. Nadat Visvamitra zijn offerritueel tenslotte voltooid had en zag dat de hele omgeving bevrijd was van deze welgeesten, zei hij tegen Kakutstha:
k
137
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. “Machtig-armige krijgsman, mijn doel is bereikt. Je hebt de opdracht van je vader ten uitvoer gebracht. Jij, vermaarde Rama, hebt deze plek werkelijk gemaakt tot een ashram van een volmaakt wezen.”
Einde van Sarga 29 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
138
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
30 Op weg naar Koning Janaka
1. De helden Rama en Lakshmana waren zeer verheugd dat zij hun taak vervuld hadden en innig tevreden brachten zij de nacht door.
2. Toen de nacht plaats had gemaakt voor de stralende dageraad, voerden zij samen het ochtendritueel uit en ingen naar Visvamitra en de andere rishi’s.
g
3. Zij maakten een diepe buiging voor de verheven wijze, die op een schitterend vuur leek, en spraken nobele en riendelijke woorden:
v
4. “Hier staan uw dienaren voor u, o tijger onder de wijzen. Wij staan geheel tot uw beschikking. Wat kun-en wij voor u doen?”
n
5. Op deze woorden van de twee prinsen zeiden alle grote ishi’s, bij monde van Visvamitra, tot Rama:
r
6. “O beste onder de mensen, Janaka, de heer van Mithila, gaat een offer brengen dat de hoogste uiting van recht-aardigheid is, en wij zullen dat bijwonen.
v
7. Vergezel ons, tijger onder de mensen, want je moet die prachtige, met edelstenen versierde boog zien die hij aar heeft.
d
8. Lang geleden, toen Janaka een offer bracht, gaven de goden hem op die heilige plaats een ontzagwekkende, stralende boog, waarvan de kracht ongeëvenaard is.
139
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Noch de goden, gandharva’s of de asura’s, noch de rak-shasa’s zijn in staat die te spannen, laat staan een mens.
10. Koningen en machtige prinsen, brandend van verlan-gen om de boog te beproeven, hebben het geprobeerd, maar geen van hen is erin geslaagd hem te spannen.
11. Ga toch mee, tijger onder de mensen, dan kun je de boog van de grote heer van Mithila zien. Bovendien Kakutstha, zul je dan getuige zijn van zijn offer, dat erkelijk de moeite waard is.
w
12. Tijger onder de mensen, als beloning voor een offer dat hij eens bracht, schonken de goden hem, op zijn ver-oek, die prachtige boog met zijn schitterende greep.”
z
13. Na deze uitleg ging de grote wijze Visvamitra op weg met de twee Kakutstha’s en de schare rishi’s, na eerst e goden van het woud eerbied te hebben betuigd:
d
14. “Ik zeg u vaarwel. Nu ik volmaakt geworden ben, zal ik de ashram van het Volmaakte Wezen verlaten om naar het Himalaya gebergte op de noordelijke oever van ahnavi, de Ganges, te gaan.”
J
15. Daarna maakte hij een rondgang om de onovertroffen ashram van het Volmaakte Wezen te zegenen en ver-rok naar het noorden.
t
16. Toen nu de eerste onder de wijzen vertrok, werd hij gevolgd door een stoet van wel honderd wagens met olgelingen die allen kenners van de Veda’s waren.
v
140
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Zelfs hele zwermen vogels en roedels herten die in de ashram van het Volmaakte Wezen leefden, volgden in het spoor van de grote wijze Visvamitra.
18. Nadat ze een eind gereisd hadden en de zon op het punt stond onder te gaan, maakte de schare wijzen zich in volkomen rust gereed de nacht door te brengen aan e oevers van de rivier de Sona.
d
19. Toen de zon was ondergegaan, namen deze zeer mach-tige mannen een bad en voerden een vuuroffer uit, aarna ze op een teken van Visvamitra gingen zitten.
w
20. Rama en Saumitri echter bewezen eerst eer aan de wijzen en pas daarna zetten zij zich neer aan de voeten an de wijze Visvamitra.
v
21. Vol belangstelling stelde de machtige Rama vragen aan e grote tijger onder de wijzen, Visvamitra.
d
22. “O heilige man, welke streek is dit, die zo gezegend is met weelderige bossen? Ik wil er graag alles over eten. Vertel mij alstublieft alles naar waarheid.”
w
23. Aangespoord door Rama’s woorden en gezeten temid-den van de rishi’s, vertelde de grote asceet, altijd getrouw aan zijn geloften, de hele geschiedenis van die landstreek.
Einde van Sarga 30 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
141
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
31 De dochters van Kusanabha
1. Visvamitra vertelde: “Eén van de zonen van Brahma, Kusa genaamd, was een groot asceet, die zelf weer vader was van vier prachtige zonen; hun moeder was Vidarbha. Hun namen waren Kusamba, Kusanabha, dhurtarajasa en Vasu.
A
2. Verlangend zijn stralende, krachtige en waarheidlie-vende zonen de plichten van de kshatriya’s te zien vervullen, zei hij tot hen: ‘Mijn zonen, jullie behoren koninkrijken te besturen, want slechts dan kunnen jullie en volle je plicht uitvoeren.’
t
3. Op deze woorden van Kusa besloten deze vier hoog-staande en alom geëerde zonen op weg te gaan en teden te stichten.
s
4. De machtige Kusamba stichtte de stad Kausambi, terwijl de rechtvaardige Kusanabha de stad Mahodaya ouwde.
b
5. Koning Adhurtarajasa stichtte een van de belangrijkste steden, Dharmaranya genaamd en koning Vasu stichtte irivraja.
G
6. Dit rijke land hier, Rama, behoort toe aan de grote Vasu en wordt omringd door die vijf schitterende heuvels aar.
d
7. De lieflijke rivier hier voor ons, stroomt naar Magadha
142
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
en staat daarom bekend als de Sumagadhi. Ingebed tussen de vijf prachtige heuvels kronkelt zij zich voort als een glinsterend lint.
8. Rama, deze rivier heet ook de Magadhi, en behoort toe aan de edele Vasu. Zij stroomt oostwaarts, omzoomd oor vruchtbare akkerlanden met goudgeel graan.
d
9. O vreugde van het Raghu geslacht, wat de rechtscha-pen koning-rishi Kusanabha betreft, hij was vader van een honderdtal wonderschone dochters, wier moeder hritaci was.
G
10. In de bloei van hun stralende jeugd gingen zij op een dag naar een park; rijk met juwelen getooid geleken zij p glinsterende regendruppels.
o
11. In hun mooiste gewaden, versierd met juwelen, zongen en dansten zij, Raghava, en zichzelf begeleidend met uziekinstrumenten, genoten zij met volle teugen.
m
12. Alles aan hen was even mooi, hun schoonheid was waarlijk ongeëvenaard op deze aarde. Daar in dat park agen zij eruit als stralende sterren tussen de wolken.
z
13. Toen de windgod Vayu, die in iedereen leeft, deze lief-lijke en deugdzame prinsessen in hun jeugdige schoon-eid zag, richtte hij het woord tot hen:
h
14. ‘Ik begeer jullie allen. Jullie zullen allemaal mijn vrouw worden. Geef je sterfelijkheid op en verkrijg het eeuwi-e leven.’
g
143
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Maar toen de honderd meisjes die woorden van de vurige Vayu hoorden, antwoordden zij spottend:
16. ‘Beste onder de goden, u beweegt zich in alle schep-selen en kent hun verschillende krachten. Hoe waagt u het dan ons zonder de verschuldigde eerbied te bena-eren?
d
17. Beste van de goden, wij zijn de dochters van Kusa-nabha. Hoewel u een god bent, kan ieder van ons u met gemak van uw voetstuk stoten, ware het niet dat wij er de voorkeur aan geven de kracht van onze ascese niet te erliezen.
v
18. O dwaas, wij hopen dat dat nooit zal gebeuren! Nooit zullen wij de wensen van onze vader, die de waarheid zelve is, verontachtzamen en op eigen gezag een echt-enoot kiezen.
g
19. Want onze vader is onze heer en opperste god. Slechts de man aan wie hij ons schenkt, zal onze echtgenoot ijn.’
z
20. Toen de heilige god Vayu dit hoorde, ontstak hij in zo’n grote woede, dat hij de lichamen van de meisjes binnen-rong en deze verwrong.
d
21. Zo door Vayu vervormd, gingen zij het paleis van Ku-sanabha binnen en toen de koning hun misvormde ichamen zag, riep hij radeloos uit:
l
22. ‘Wat is er gebeurd? Mijn dochters, zeg het me toch. Wie
144
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
heeft het gewaagd zich zo aan jullie te vergrijpen? Wie heeft jullie in gebochelden veranderd? Jullie maken wilde gebaren, maar jullie spreken niet.’”
Einde van Sarga 31 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
145
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
32 Het huwelijk van Brahmadatta
1. “Toen de honderd dochters van de wijze Kusanabha hun vader zo hoorden spreken, raakten zij allen eer-biedig zijn voeten aan en antwoordden:
2. ‘Hoogheid; Vayu, die in alle schepselen leeft, wil ons te gronde richten door ons op een ongepaste manier te benaderen. Het kan hem niet schelen wat behoorlijk edrag is.
g
3. Maar wij hebben tegen hem gezegd: ‘Gelukkig hebben wij een vader die over ons lot beschikt. Vraagt u aan em of hij ons aan u wil schenken.’
h
4. Wij waren nog niet eens uitgesproken of Vayu, die het slecht met ons voorhad en niet naar ons wilde luisteren, ergreep zich op hardhandige wijze aan ons.’
v
5. Toen de rechtvaardige en machtige koning hoorde wat zijn honderd weergaloze dochters hem vertelden, ant-oordde hij:
w
6. ‘Mijn dochters, jullie gedrag getuigt van buitengewone zelfbeheersing, zoals dat gehoorzame dochters betaamt. Door gezamenlijke standvastigheid hebben jullie onze amilie eer betoond.
f
7. Zelfbeheersing siert zowel vrouwen als mannen, maar is onder dergelijke omstandigheden moeilijk op te bren-en, zeker tegenover de goden.
g
146
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Jullie allen komt eer toe voor de zelfbeheersing die je hebt getoond. Zelfbeheersing is barmhartigheid, is waarheid en vraagt offers, mijn dochters.
9. Zelfbeheersing is de ware glorie, is rechtvaardigheid; de wereld is erop gegrondvest.’ Na deze woorden, Kakutstha, zond de koning, wiens moed niet onder-eed voor die van de derdig goden, zijn dochters heen.
d
10. Als een goed vorst raadpleegde hij zijn ministers over een huwelijk voor zijn dochters. Hij besprak met hen de juiste tijd en plaats voor een huwelijk en zij zochten gezamenlijk naar een geschikte man aan wie hij zijn ochters kon schenken.
d
11. Nu leefde er in die dagen een grote wijze, Culin ge-naamd. Deze had zich in ascese teruggetrokken, zoals in de Veda’s wordt voorgeschreven en hij leidde een uis en deugdzaam leven.
k
12. De grote rishi, die zich zo overgaf aan ascese, werd door een gandharva vrouw verzorgd. Zij was de ochter van Urmila en heette Somada.
d
13. Deze deugdzame vrouw bleef enige tijd bij hem, zij aanbad hem en verzorgde hem met grote toewijding, odat de goeroe heel tevreden over haar was.
z
14. Dus, vreugde van de Raghu’s, zocht hij een geschikt moment uit om het woord tot haar te richten en zei: ‘Wees gezegend, ik ben zeer tevreden over je. Waarmee kan ik je gelukkig maken?’
147
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Toen de gandharva merkte dat de wijze met haar ingenomen was, voelde zij zich erg gelukkig en omdat zij net als de wijze altijd de juiste woorden wist te kiezen, sprak zij op beminnelijke toon tot hem:
16. ‘U bent gehuld in het licht van Brahma, u bent een machtige asceet, u hebt Brahma bereikt. Nu ik dit gezien heb, verlang ik naar een deugdzame zoon die ook vervuld zal zijn van de ascetische kracht van rahma.
B
17. O gezegende, een echtgenoot heb ik niet, ik ben niemands vrouw. En omdat ik u benaderd heb op de wijze als staat voorgeschreven in de Veda’s, vraag ik u: chenk mij toch een zoon.’
s
18. Haar woorden waren de brahma-rishi Culin welge-vallig. Daarom schonk hij haar een onovertroffen zoon, die de naam Brahmadatta kreeg, een zoon regelrecht ntsproten aan de kracht van zijn geest.
o
19. En deze Brahmadatta, die koning was, woonde in de stad Kampilya, omringd door vorstelijke pracht, zoals e koning der goden in de hemel.
d
20. Aan deze Brahmadatta nu besloot de deugdzame ko-ning Kusanabha zijn honderd dochters uit te huwe-ijken.
l
21. Daarom nodigde de machtige koning, heer van de aarde, Brahmadatta bij zich uit en schonk hem vol vreugde zijn honderd dochters.
148
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
22. En zo geschiedde het, bron van vreugde van de Raghu’s, dat de heer der aarde, Brahmadatta, die geleek op de heer der goden, van ieder van de dochters op haar beurt de hand nam.
23. En nauwelijks had hij hun hand aangeraakt, of alle honderd jonge meisjes straalden van pure schoonheid, evrijd van hun misvorming en leed.
b
24. Toen hij zag dat Vayu hen had losgelaten, was Kusa-nabha, heer van de aarde, zo blij dat zijn vreugde geen inde kende.
e
25. Daarna liet de heer van de aarde de pasgetrouwde koning met zijn vrouwen en leermeesters naar huis erugkeren.
t
26. Ook de gandharva vrouw Somada was zeer verheugd bij het zien van deze huwelijksplechtigheid, die zij zeer geschikt achtte voor haar zoon, en zij heette haar schoondochters op gepaste wijze welkom.”
Einde van Sarga 32 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
149
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
33 De afstamming van Visvamitra
1. “Na het huwelijk en het vertrek van Brahmadatta, Raghava, bracht Kusanabha, die nog geen zoon had, een offer om de geboorte van een zoon af te smeken.
2. Brahma’s zoon Kusa, die heel blij was met dit offer, prak tot koning Kusanabha, de heer van de aarde:
s
3. ‘Mijn zoon, je zult een deugdzame en zeer rechtschapen zoon krijgen, die Gadhi zal heten en door hem zul je uurzame roem in de wereld verkrijgen.’
d
4. Nadat hij dit tegen koning Kusanabha gezegd had, steeg Kusa ten hemel en keerde terug naar de oneindige ereld van Brahma.
w
5. Enige tijd later kreeg de wijze Kusanabha een zeer echtschapen zoon, die Gadhi werd genoemd.
r
6. Vreugde van het Raghu geslacht, deze rechtvaardige Gadhi is mijn vader, want ik ben van het geslacht ausika, geboren in het huis van Kusa.
K
7. En Raghava, ik heb ook nog een oudere zuster, Satya-vati, standvastig in haar geloften, die uitgehuwelijkt erd aan Ricika.
w
8. Nadat haar echtgenoot was gestorven, volgde zij hem in haar menselijk lichaam naar de hemel. Deze edele vrouw uit het geslacht Kausika veranderde toen van gedaante en werd een machtige rivier.
150
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Mijn zuster, de lieflijke godin van de heilige wateren, ontspringt in de Himalaya en stroomt van daaruit naar de vlakten, aangezien zij de mensheid tot zegen wenst te zijn.
10. Vreugde van de Raghu’s, omdat ik mijn zuster Kausiki zeer toegenegen ben, zal het mij een vreugde zijn bij haar aan de voet van de Himalaya te verblijven in trenge ascese.
s
11. Want de heilige en vermaarde Satyavati dient immer de waarheid en is haar echtgenoot zeer toegewijd. Zij is iemand minder dan de grote rivier de Kausiki.
n
12. Uitsluitend om mijn offer te kunnen volbrengen, ben ik van haar weggegaan naar de ashram van het volmaakte Wezen, o Rama. Alleen dankzij jouw macht was ik in staat volmaakt te worden in de ashram van het Vol-aakte Wezen.
m
13. Dit nu, Rama, is het verhaal van mijn familie en mijn afkomst. En omdat je ernaar vroeg, machtig-armige man, heb ik je ook de geschiedenis van deze streek erteld.
v
14. Maar met het vertellen van deze verhalen, Kakutstha, is de halve nacht voorbijgegaan. Wees gezegend en ga nu slapen, zodat je morgen goed uitgerust bent voor de eis.
r
15. Het ruisen van de bomen is opgehouden, alle dieren
151
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
hebben hun nesten en holen opgezocht en de nacht spreidt zich als een deken over alles uit.
16. De schemering maakt geleidelijk plaats voor de nacht. De hemel, met al zijn sterren en planeten, schittert en straalt alsof hij bezaaid is met ogen.
17-18. En Rama, de koele maan komt nu op om de duisternis op de aarde te verdrijven en met haar stralen de harten van alle schepselen te verblijden, omdat er op sommige plaatsen nachtelijke creaturen, afschuwelijke, bloeddor-tige horden yaksha’s en rakshasa’s, rondzwerven.”
s
19. Toen de grote en machtige wijze Visvamitra zo ge-sproken had, zweeg hij en alle wijzen juichten hem toe n riepen: “Prachtig! Schitterend!”
e
20. Ook Rama en Saumitri waren verwonderd over wat ze gehoord hadden. Na de tijger onder de wijzen eer betoond te hebben, gingen ze slapen.
Einde van Sarga 33 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
152
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
34 De afstamming van de Ganges
1. Visvamitra bracht de rest van de nacht met de grote rishi’s door aan de oever van de rivier de Sona. Toen de nacht plaatsmaakte voor een stralende dageraad, sprak ij:
h
2. “Rama, de zon is opgegaan. Het is tijd voor de ochtend-rituelen. Sta op, mijn zoon, sta op! Maak je klaar voor ertrek.”
v
3. Rama volvoerde zijn ochtendrituelen zoals hem gezegd as en toen hij gereed was om op weg te gaan, zei hij:
w
4. “De kristalheldere rivier de Sona is ondiep en vol zand-banken. Vertel ons, brahmaan, waar zullen we over-teken?”
s
5. Op deze vraag van Rama zei Visvamitra: “Ik heb het pad al gezien, wij zullen daarheen gaan waar de grote ishi’s oversteken.”
r
6. Later, tegen het middaguur, toen ze al een heel stuk verder gereisd hadden, kwamen ze bij de Jahnavi aan, de Ganges, die als eerste onder de rivieren altijd druk ezocht wordt door wijzen.
b
7. Bij het zien van haar heilige wateren, waar het wemelde van wilde ganzen en witte kraanvogels, waren de ijzen en de twee Raghava’s opgetogen.
w
8. Zij sloegen hun kamp op aan de oever, namen een bad
153
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
en brachten plengoffers aan de goden en de voor-vaderen in overeenstemming met de rituele voor-schriften. Vervolgens brachten zij een vuuroffer en aten van het plengoffer, dat smaakte als nectar.
9. Toen gingen zij, met vreugde in hun hart, aan de oever van de heilige Jahnavi in een kring om Visvamitra heen itten.
z
10. Verheugd sprak Rama tot Visvamitra: “Heilige man, ik zou graag iets willen weten over de Ganges, de rivier die door de drie werelden stroomt. Hoe doorkruist zij de drie werelden en bereikt zij uiteindelijk de oceaan, e heer van alle wateren?”
d
11. Op Rama’s aandringen begon Visvamitra te vertellen ver de oorsprong en de grootsheid van de Ganges.
o
12. “Wel Rama, er is een koninklijke berg, de Himalaya, die een schatkamer vormt van mineralen. Hij heeft twee ochters die in schoonheid hun weerga niet kennen.
d
13. Hun moeder, de lieflijke echtgenote van de Himalaya, as Mena, de ranke dochter van de berg Meru.
w
14. O Raghava, de eerste dochter die zij kregen, was de anges, de tweede heette Uma.
G
15. In hun verlangen een goddelijk doel te verwezenlijken, vroegen de goden aan de heer van de bergen om zijn oudste dochter, Ganges, de rivier die door de drie erelden stroomt.
w
154
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Omdat Himalaya het welzijn van alle schepselen in de drie werelden voor ogen had en wenste rechtvaardig te handelen, schonk hij de goden zijn dochter Ganges, die de werelden zuivert en in vrijheid haar eigen loop kiest.
17. In het belang van de drie werelden namen de goden de Ganges tot vrouw. Nu hun hartewens vervuld was, ertrokken ze samen met haar.
v
18. Maar, o vreugde van het Raghu geslacht, de andere dochter van de berg was een maagd die zich verschrik-kelijke boetedoeningen oplegde en in uiterste soberheid eefde.
l
19. De uitnemendste onder de bergen gaf deze dochter, Uma, die om het vuur van haar ascese door de hele wereld geëerd werd, ten huwelijk aan de weergaloze udra.
R
20. Dit nu, vreugde van de Raghu’s, zijn de twee dochters van de koning der bergen: de Ganges, die de voor-naamste is onder de rivieren, en de godin Uma. De hele ereld aanbidt hen.
w
21. Wel, mijn snelvoetige zoon, zo heb ik je verteld hoe de rivier die drie wegen volgt, ooit langs het pad van het uitspansel stroomde.”
Einde van Sarga 34 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
155
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
35 Uma vervloekt de goden
1. Toen de wijze was uitgesproken, gaven de twee helden, Raghava en Lakshmana, uiting aan hun bewondering voor zijn verhaal en zeiden tegen hem:
2. “Wat een prachtig en leerzaam verhaal heeft u ons verteld, grote brahmaan. U weet zoveel van deze ge-schiedenis af; vertel ons alstublieft uitvoerig hoe de oudste dochter van de koning der bergen zowel in de emel, als in de wereld van de mensen ontspringt.
h
3. Hoe komt het dat zij die heil brengt over de werelden, aar zuiverende kracht in drie sferen laat stromen?
h
4. Hoe komt het dat de Ganges, de grootste onder de rivieren, bekend staat in alle drie werelden als ‘zij die langs drie wegen stroomt?’ U kent de wegen van recht-vaardigheid, vertel ons toch over de grote gebeur-enissen waarin zij een rol speelde.”
t
5. Nadat Kakutstha dit gezegd had, vertelde de grote asceet Visvamitra, omringd door de rishi’s, de hele eschiedenis tot in de kleinste bijzonderheden.
g
6. “Lang geleden, Rama, gebeurde het volgende: De grote, ascetische Siva met de zwarte keel was pas getrouwd met de godin Uma. Hij begeerde haar zeer en begon het iefdesspel met haar.
l
7. Zo elkaar beminnend, brachten Siva en zijn gemalin
156
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
wel honderd jaar door, in hemelse tijd gemeten. En nog, o Rama, vernietiger van tegenstanders, werd de godin niet zwanger.
8. Tegen die tijd begonnen de goden, met grootvader Brahma aan het hoofd, zich grote zorgen te maken en zij vroegen zich af: ‘Wie zal in staat zijn het wezen dat it deze verbintenis geboren wordt, te weerstaan?’
u
9. Zij gingen gezamenlijk naar Siva toe en wierpen zich voor hem ter aarde met de woorden: ‘O allerhoogste heer der heren, het welzijn van deze wereld gaat u zeer ter harte. Wij smeken u, wees ons goden, die hier aan w voeten liggen, toch genadig.
u
10. O grootste onder de goden, de werelden kunnen uw zaad niet dragen. Wij smeken u daarom met de godin onthouding te betrachten zoals die in de Veda’s voor-eschreven staat.
g
11. Stort, terwille van de drie werelden, uw zaad niet uit. escherm al deze werelden en vernietig ze niet.’
B
12. Toen de grote heer van alle werelden de woorden van de goden hoorde, zei hij: ‘Zo zij het.’ En vervolgens prak hij tot hen:
s
13. ‘Ik zal mijn zaad beheersen en Uma zal mij daarbij helpen. De dertig goden en de aarde kunnen gerust ijn.
z
14. Maar zeg mij, grote goden, wie zal het deel van mijn
157
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
onovertroffen zaad dat reeds is vrijgekomen, ontvan-gen?’
15. Op deze vraag antwoordden de goden Siva, die de stier als rijdier heeft: ‘De aarde zal het zaad opvangen dat uit u is vrijgekomen.’
16. Hierop stortte de heer der goden zijn zaad uit over de ele aarde, met al haar bergen en wouden.
h
17. Toen spraken de goden tot Agni, die met zijn vuur de plengoffers verteert: ‘Jij moet samen met Vayu binnen-aan in het overvloedige zaad van Rudra.’
g
18. Toen Agni het zaad binnengedrongen was, veranderde het in een witte berg waaruit een hemelse bos van wit riet ontsproot, dat er uitzag als de zon, door vuur omgeven. En op die plek werd Kartikeya uit het vuur eboren.
g
19. De goden en de schare rishi’s waren hierover zeer erheugd en zij bewezen eer aan Uma en Siva.
v
20. Maar Uma, de dochter van de berg, was razend, Rama. et rode ogen van woede vervloekte zij de goden:
M
21. ‘Omdat jullie mij hebben gedwarsboomd terwijl ik mij overgaf aan het liefdesspel in de hoop een zoon te krijgen, zullen jullie bij je eigen vrouwen geen kinderen kunnen verwekken. Vanaf nu zullen jullie vrouwen inderloos blijven.’
k
22. Nadat zij alle goden zo had toegesproken, vervloekte zij
158
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
ook de aarde: ‘O aarde, jij zult vele gedaanten aan-nemen en de vrouw zijn van velen.
23. Bovendien, omdat jij, boosaardig schepsel, mijn zoon niet wilde hebben, zul je ook nooit de liefde van een moeder voor haar zoon kennen.’
24. Toen de heer der goden gezien had dat alle goden zo te schande gemaakt werden, ging hij op weg naar het esten, de windstreek waar Varuna de wacht houdt.
w
25. Daar, op de noordhelling van een bergtop in de Hima-laya, gaven de grote heer en zijn godin zich over aan scese.
a
26. Rama en Lakshmana, dit was het uitvoerige verhaal over de dochter van de koning der bergen. Luister dan nu hoe de Ganges haar oorsprong vond.”
Einde van Sarga 35 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
159
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
36 Agni bevrucht de Ganges
1. “Lang geleden, toen de god Siva zich bezig hield met ascese, wendden de goden en de scharen rishi’s zich tot grootvader Brahma, omdat ze een aanvoerder voor hun eger wensten.
l
2. De vuurgod Agni deed het woord voor Indra en alle goden en terwijl zij voor de Grootvader, hun Heer, eerknielden, zei de welsprekende Agni:
n
3. ‘O Heer, de bevelhebber die u lang geleden over ons leger aanstelde, heeft zich teruggetrokken in ascese en eeft nu met Uma in strikte soberheid.
l
4. U heeft macht over alles. Wij smeken u te overwegen wat er nu in het belang van de werelden gedaan moet orden. U bent onze enige toevlucht.’
w
5. Toen de Grootvader van alle werelden de woorden van e goden hoorde, sprak hij hun moed in en troostte ze:
d
6. ‘Aan de vloek van Uma, dat jullie nooit kinderen zullen krijgen bij je echtgenotes, valt niet te tornen. Laat daar een twijfel over bestaan.
g
7. Maar zie, hier is de Ganges, die zich langs het uit-spansel beweegt. Agni, die de offers verteert, zal bij haar een zoon verwekken die een onoverwinnelijke evelhebber voor het leger der goden zal worden.
b
8. De Ganges, de oudste dochter van de heer der bergen,
160
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
zal deze zoon met vreugde ontvangen. Het lijdt geen twijfel dat Uma zich hiertegen niet zal verzetten.’
9. De goden luisterden naar de woorden van grootvader Brahma en tevredengesteld maakten zij allen een diepe buiging en bewezen hem eer.
10. Daarop togen alle goden naar de berg Kailasa, die zo rijk is aan ertsen, en droegen de vuurgod Agni op een oon te verwekken.
z
11. ‘O stralende god, die offergaven verteert, u moet deze godentaak uitvoeren. Stort toch uw zaad uit in de anges, de dochter van de berg.’
G
12. Agni, de god die zuivert, stemde toe. Hij benaderde de Ganges en sprak: ‘Wil toch, als gunst aan de goden, ijn levenskracht in uw schoot ontvangen, godin.’
m
13. Toen zij deze woorden hoorde, nam zij haar goddelijke vorm aan en in verrukking over haar stralende schoon-eid stortte Agni zijn zaad volledig over haar uit.
h
14. En zo, o vreugde van de Raghu’s, doordrenkte de vuur-od haar ledematen en al haar aderen stroomden vol.
g
15. Toen zei de Ganges tot de verheven Agni: ‘O god, ik kan uw krachtige zaad niet verdragen. Ik word verteerd oor vuur en ben geheel in verwarring.’
d
16. Hij die alle offergaven voor de goden verteert, gaf de Ganges als antwoord: ‘Geef de vrucht een plaats aan de voet van de Himalaya.’
161
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Hierop, onberispelijke Rama, liet de machtige Ganges het ondraaglijke, stralende embryo uit zich vloeien.
18. Vanaf het ogenblik dat het uit haar te voorschijn kwam, schitterde het als vloeibaar goud en toen het embryo de aarde raakte, veranderde het in zuiver goud en glan-end zilver.
z
19. Zijn scherpe eigenschappen brachten koper en ijzer oort en zijn onzuiverheden werden tin en lood.
v
20. Op deze manier veranderde het toen het de aarde aakte, in de verschillende elementen.
r
21. Op het ogenblik dat de vrucht aan de aarde werd toe-vertrouwd, doordrong zijn schittering het hele rietbos p de berg en dit veranderde in goud.
o
22. En, Raghava, tijger onder de mensen, sinds die tijd staat goud, dat straalt als vuur, bekend als Jatarupa, dat wil eggen: gevormd bij de geboorte.
z
23. Zodra de jongen was geboren, droegen Indra en alle scharen van de Maruts de Krittika’s op om hem te ogen.
z
24. Zij boden hem meteen melk aan en kwamen overeen at hij hun aller zoon zou zijn.
d
25. Daarom noemden de goden hem Kartikeya en zeiden: ‘Er is geen twijfel aan dat dit kind overal in de drie erelden beroemd zal worden.’
w
162
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
26. Toen de Krittika’s dit hoorden, baadden zij het kind, dat als een prachtig stralend vuur uit die stroom van vruchtwater te voorschijn was gekomen.
27. En, Kakutstha, omdat de vermaarde en vurige Karti-keya voortgekomen was uit die uitstorting van vrucht-water, gaven de goden hem ook de naam Skanda, hij ie te voorschijn komt.
d
28. Toen gaven alle zes Krittika’s verrukkelijke melk en hij kreeg zes hoofden om uit de borsten van alle Krittika’s e kunnen drinken.
t
29. Na slechts een enkele dag hun melk gedronken te hebben, versloeg Skanda de horde daitya krijgers op eigen kracht, hoewel hij nog maar het lichaam van een lein knaapje had.
k
30. Daarom kwam de scharen goden bij elkaar en met Agni als hun woordvoerder, riepen zij hem, wiens schittering smetteloos was, uit tot bevelhebber van de heerscharen er goden.
d
31. Zo, Rama, nu heb ik je uitvoerig de geschiedenis van de Ganges verteld en ook die van de gelukkige en heilige geboorte van Kartikeya, ook Kumara genaamd.”
Einde van Sarga 36 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
163
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
37 De zonen van Sagara
1. Na dit prachtige verhaal ging Kausika voort Rama Kakutstha te vertellen:
2. “In lang vervlogen tijden was er een dappere en recht-schapen koning, Sagara genaamd, heerser over Ayo-dhya. Hoewel hij naar nageslacht verlangde, was hij inderloos.
k
3. Zijn eerste vrouw, Kesini, was de rechtschapen en aarheidlievende dochter van koning Vidarbha.
w
4. De tweede vrouw van Sagara was Sumati, dochter van rishtanemi en van een ongeëvenaarde schoonheid.
A
5. Op zekere dag begaf koning Sagara zich naar de Himalaya en daar, op de berg Bhriguprasravana, gaf hij ich met zijn twee vrouwen over aan ascese.
z
6. Toen honderd jaren waren verstreken, toonde de wijze Bhrigu, de voornaamste onder de dienaren van de waarheid, zich zeer ingenomen met de ascese van agara en hij verleende hem een gunst.
S
7. ‘O zondeloze’, sprak hij, ‘uw nageslacht zal talrijk zijn en wat meer is, stier onder de mensen, u zult weerga-oze roem vergaren.
l
8. Mijn zoon, uit een van uw echtgenotes zal een zoon geboren worden die uw dynastie in stand zal houden. De andere zal zestigduizend zonen ter wereld brengen.’
164
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. En terwijl Bhrigu nog sprak, wierpen de twee vrouwen van de koning zich in opperste vreugde aan zijn voeten en met gevouwen handen vroegen zij Bhrigu eerbiedig:
10. ‘Wie van ons zal die ene zoon krijgen en uit wie zal de talrijke kinderschaar geboren worden? Mogen uw woorden toch werkelijkheid worden.’
11. De buitengewoon rechtvaardige Bhrigu luisterde naar hen en gaf dit bijzondere antwoord: ‘Hierover mag u amen beslissen.
s
12. Wat kiest u: één zoon om de dynastie in stand te houden, of vele zonen die machtig, sterk en beroemd ullen zijn?’
z
13. O Rama, bron van vreugde voor de Raghu’s, toen Kesini de woorden van de wijze hoorde, koos zij meteen, in aanwezigheid van de koning, voor de zoon ie de dynastie zou voortzetten.
d
14. Maar Sumati, de zuster van Suparna, verkoos zestig-uizend krachtige en vermaarde zonen.
d
15. Daarna, vreugde van de Raghu’s, liep de koning als eerbetoon rondom de rishi, boog nogmaals eerbiedig het hoofd en keerde met zijn echtgenotes naar zijn stad erug.
t
16. Toen de tijd daar was, schonk Kesini, de eerste vrouw, koning Sagara één zoon en hij werd Asamanja ge-noemd.
165
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Maar, tijger onder de mensen, uit Sumati werd een samengebalde streng menselijke vruchten geboren; deze sprong open en er kwamen zestigduizend zonen uit te voorschijn.
18. Voedsters verzorgden ze in potten met geklaarde boter n uiteindelijk groeiden zij op tot schone jongelingen.
e
19. Het duurde inderdaad heel lang voordat de zestig-duizend zonen van Sagara tenslotte jonge mannen erden.
w
20. Maar, beste van alle mensen en vreugde van de Raghu’s, Asamanja, de oudste zoon van koning Sagara, nam de gewoonte aan kinderen te grijpen en deze in het water van de Sarayu te smijten, om dan in lachen uit te arsten als hij hen zag verdrinken.
b
21. Omdat hij met zijn kwade neigingen de burgers van de stad kwelde, werd hij door zijn vader uit de stad ver-annen.
b
22. Asamanja had echter een machtige zoon, Amsumant genaamd, die iedereen vriendelijk bejegende en dus eliefd was bij het volk.
g
23. Na enige tijd, uitnemende Rama, overlegde Sagara bij zichzelf, en nam een besluit. Hij zei: ‘Ik zal een offer-plechtigheid uitvoeren.’
166
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. Toen de koning, die een grote kennis van de Veda’s bezat, dit besluit eenmaal genomen had in overleg met zijn leermeesters, trof hij de eerste voorbereidingen.”
Einde van Sarga 37 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
167
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
38 Het offerpaard ontvoerd
1. Toen het verhaal van Visvamitra ten einde was, sprak Rama, vreugde van de Raghu’s, vol bewondering tot de wijze, die straalde als vuur:
2. “Wees gezegend, brahmaan. Ik zou graag ook deze geschiedenis tot in alle bijzonderheden willen horen. oe bracht mijn voorvader dit offer ten uitvoer?”
H
3. Met een vriendelijke glimlach richtte Visvamitra zich opnieuw tot Kakutstha en zei: “Nu zal ik je dan de hele eschiedenis van de grote Sagara vertellen.
g
4. De Himavant, de grootste onder de bergen en de schoonvader van Sankara, ligt tegenover de Vindhya ergketen. Zij kijken in feite recht op elkaar uit.
b
5. Welnu, tijger onder de mensen, tussen deze twee berg-ketens vond het paardenoffer plaats, want dit is naar men zegt het meest geschikte gebied voor offerplechtig-eden.
h
6. En Kakutstha, mijn zoon, in opdracht van Sagara werd het offerpaard bewaakt door Amsumant, die in een rote wagen zat en was bewapend met een sterke boog.
g
7. Maar hoewel Sagara zelf de leider van het ritueel was, lukte het Indra Vasava toch, in de gedaante van een rakshasa, het offerpaard in een onbewaakt ogenblik eg te voeren.
w
168
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Welnu, toen het paard van de grote Sagara gestolen was, Kakutstha, richtte zijn hele schare leermeesters zich tot hem, de leider van het ritueel:
9. ‘Juist nu wij het offer gaan volbrengen, is uw offerpaard ontvoerd. U moet de dief doden, koning, en het paard erugbrengen.
t
10. Want deze verstoring van het offer zal ons allen nood-lottig worden. Wij vragen u, Majesteit, zorg er toch voor at het paard terugkomt.’
d
11. Toen de koning zijn wijzen zo hoorde spreken, zei hij ot zijn zestigduizend zonen:
t
12. ‘Mijn zonen, stieren onder de mannen, ik begrijp niet hoe rakshasa’s dit konden doen, want dit grote ritueel wordt uitgevoerd door vermaarde wijzen, geheiligd oor de gewijde woorden uit de Veda’s.
d
13. Ga daarom het paard zoeken en volg het spoor over de gehele aarde met al haar oceanen. Mogen de goden met ullie zijn!
j
14. oorzoek alles grondig, mijn zonen, mijl voor mijl.
D
15. Zoek de paardendief en spit de hele aarde om, tot jullie et paard hebben gevonden.
h
16. Ik geef jullie mijn zegen. Zelf bevind ik mij in een staat van wijding en daarom moet ik hier met mijn kleinzoon n mijn priesters wachten tot het paard gevonden is.’
e
169
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Na deze woorden, Rama, zwermden de machtige zonen van de koning welgemoed uit over de aarde om de bevelen van hun vader uit te voeren.
18. Tijger onder de mensen, met hun wapens zo hard als diamant, doorkliefde ieder van hen tien vierkante mijl an het aardoppervlak.
v
19. Opengereten door speren als bliksemschichten en door onbarmhartige ploegscharen, schreeuwde de aarde het it, o vreugde van de Raghu’s.
u
20. Rama, er steeg een ondraaglijk gekrijs op van wezens ie gedood werden, zoals naga’s, asura’s en rakshasa’s.
d
21. Want, vreugde van de Raghu’s, deze heldhaftige prin-sen scheurden de aarde open over een afstand van honderdtachtigduizend mijl. Zij stootten heel diep oor, tot aan Rasatala, de schitterende onderwereld.
d
22. En zo, tijger onder de mannen, zwierven de zonen van de koning overal uit en doorgroeven dit werelddeel, ambudvipa, met zijn vele bergen.
J
23. In opperste verwarring wendden alle goden, gandhar-a’s, asura’s en slangen zich tot grootvader Brahma.
v
24. In doodsangst en met gebogen hoofd spraken zij vol erbied tot de grote oervader:
e
25. ‘O Heer, de zonen van Sagara zijn bezig de gehele aarde om te ploegen. Vele machtige wezens, zowel op het land als in de wateren, vinden hierdoor de dood.
170
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
26. De zonen van Sagara vermoorden alle schepselen, luid-keels roepend : ‘Hij heeft het paard ontvoerd! Hij heeft het offer verstoord!’”
Einde van Sarga 38 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
171
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
39 Op zoek naar het offerpaard
1. “De heilige grootvader Brahma antwoordde de goden, die dodelijk verschrikt en verbijsterd waren door de kracht van die alles verwoestende jonge mannen:
2. ‘De wijze Vasudeva, aan wie deze hele aarde toebe-hoort, heeft de gedaante aangenomen van Kapila en ndersteunt de aarde zonder ophouden.
o
3. Reeds lang geleden is voorzien dat dit openrijten van de aarde onvermijdelijk was, evenals de vernietiging van Sagara’s zonen, die slechts een kort leven bescho-en is.’
r
4. Gesterkt door de woorden van de Grootvader, gingen de drieëndertig onoverwinnelijke goden verheugd huns eegs.
w
5. En terwijl Sagara’s machtige zonen voortgingen met het openscheuren van de aarde, dreunde deze als bij een ardbeving.
a
6. Toen ze zagen hoe ze de gehele aarde doorkliefd had-den, liepen ze er eerbiedig omheen en richtten het oord tot hun vader:
w
7. ‘Wij hebben de ganse aarde doorzocht en daarbij veel machtige wezens, goden, danava’s, rakshasa’s, pisaca’s, slangen en kinnara’s geveld.
172
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Desondanks hebben we noch het paard, noch de dief gevonden. O vader, zeg ons wat ons nu te doen staat.’
9. Toen de grote koning Sagara deze woorden van zijn zonen hoorde, vreugde van de Raghu’s, antwoordde hij woedend:
10. ‘Ga door met graven! Verscheur de aarde en kom pas terug als jullie je taak volbracht hebben en de paarden-ief gevonden is.’
d
11. De zestigduizend zonen van Sagara gaven gevolg aan de opdracht van hun vader en haastten zich terug naar e onderwereld Rasatala.
d
12. Terwijl ze van daaruit verder groeven, ontmoetten ze Virupaksha, een van de reusachtige olifanten die de arde ondersteunen.
a
13. Vreugde van het Raghu geslacht, deze grote olifant Virupaksha torst de gehele aarde met al haar bergen en ouden op zijn hoofd.
w
14. Telkens wanneer die machtige olifant zijn hoofd even schudt om zijn vermoeidheid wat te verlichten, is er een ardbeving.
a
15. Toen de prinsen eerbiedig rond deze machtige olifant, de wachter van het oosten, waren gelopen en hem eer hadden bewezen, gingen zij voort met het openrijten van Rasatala.
173
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16-17. Na het doorwroeten van het oosten, gingen zij verder en groeven in het zuiden tot alles ondersteboven was. Daar zagen zij een andere grote olifant, de machtige Mahapadma, die de aarde als een geweldige berg op zijn hoofd draagt. De prinsen waren sprakeloos van erwondering.
v
18. Eerbiedig maakten de zestigduizend zonen van Sagara een rondgang om Mahapadma. Daarna wendden zij aar het westen en verscheurden ook deze streek.
n
19. Ook daar kwamen die machtige krijgers een gigan-tische olifant tegen, Saumanasa, ook een van de vier die e aarde schragen.
d
20. Wederom maakten zij eerbiedig een rondgang om hem heen en vroegen naar zijn welzijn, waarna zij hun weg ervolgden om het noorden open te klieven.
v
21. In het noorden, beste van de Raghu’s, ontmoetten zij de sneeuwwitte Bhadra, die met zijn schitterende lichaam e aarde draagt.
d
22. Die zestigduizend zonen van Sagara raakten ook deze olifant eerbiedig aan en maakten een rondgang om hem een, en ook hier reten zij de aarde open.
h
23. Tenslotte trokken de zonen van Sagara gezamenlijk naar het vermaarde noordoosten en doorgroeven als azenden de aarde.
r
24. Daar zagen zij de eeuwige Vasudeva in de gedaante
174
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
van Kapila en vlakbij de god zagen zij het paard, dat rustig stond te grazen.
25. In de overtuiging dat hij het was die het offer te gronde had gericht, renden zij in blinde woede op hem af en schreeuwden: ‘Stop! Stop!
26. U hebt ons offerpaard gestolen. Dwaas! Weet dat wij, e zonen van Sagara, gekomen zijn om dit te wreken!’
d
27. Toen Kapila deze woorden hoorde, vreugde van de Raghu’s, ontstak hij in grote woede en uitte de klank: Hum’.
28. Toen, Kakutstha, werden alle zonen van Sagara door de grote en ondoorgrondelijke Kapila verteerd tot niets meer dan een hoop as.”
Einde van Sarga 39 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
175
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
40 Het offerpaard teruggevonden
1. “Toen koning Sagara besefte, o vreugde van de Ra-ghu’s, dat zijn zonen al zeer lange tijd weg waren, sprak hij tot zijn kleinzoon Amsumant, die straalde anuit een innerlijk vuur:
v
2. ‘Jij bent dapper, je munt uit in de kunst van het oorlogvoeren en je evenaart je machtige ooms in kracht. Ga ze achterna. Zoek de weg die ze gegaan zijn en het poor waarlangs het paard is meegenomen.
s
3. Onder het aardoppervlak huizen gigantische en zeer machtige wezens; neem daarom je pijl en boog en je waard mee.
z
4. Betuig eer aan wie eer toekomt, maar dood ieder die je in de weg staat. Wanneer je je opdracht hebt uitge-voerd, kom dan terug om mij terzijde te staan bij het oltooien van het offer.’
v
5. Op dit bevel van de grote koning Sagara ging Amsu-mant snel op weg, gewapend met pijl en boog en waard.
z
6. Hij volgde de aanwijzingen van de koning, o Rama, beste van de mensen, en sloeg de ondergrondse weg in ie zijn heldhaftige ooms hadden uitgegraven.
d
7. Daar zag deze machtige man een van de olifanten die de aarde ondersteunenen en die vereerd werd door dai-
176
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
tya’s, danava’s, rakshasa’s, pisaca’s en door de grote vogels en slangen.
8. Nadat hij eerbiedig buigend rondom de olifant was gelopen, vroeg hij naar zijn welzijn en informeerde bovendien naar zijn ooms en de paardendief.
9. De olifant antwoordde Amsumant vriendelijk: ‘Zoon van Asamanja, u zult spoedig uw doel bereiken en met et paard terugkeren.’
h
10. Toen hij dit gehoord had, ging hij op weg om op gepaste wijze en in de juiste volgorde de andere drie lifanten die de aarde ondersteunen, te ondervragen.
o
11. Al deze bewakers van de windrichtingen, die de achter-grond van zijn vraag kenden en de juiste woorden wisten te kiezen, eerden Amsumant en moedigden hem an met de woorden: ‘U zult met het paard terugkeren.’
a
12. Hij repte zich voort en kwam weldra op de plek waar zijn ooms, de zonen van Sagara, verteerd waren tot een oop as.
h
13. Toen werd de zoon van Asamanja door intens verdriet vermand, en hij huilde over hun dood.
o
14. Luid weeklagend zag deze tijger onder de mannen plotseling het offerpaard, dat vlakbij hem stond te gra-en.
z
15. De machtige Amsumant wilde voor de gestorven zonen van de koning een passend plengoffer brengen en zocht
177
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
dus naar water, maar hoe hij ook zocht, hij kon geen poel of beek vinden.
16. Maar terwijl hij al speurend rondkeek, Rama, viel zijn geoefend oog op Suparna, koning van de vogels, oom van zijn voorvaderen en rivaal van de wind.
17. De vogel, de pijlsnelle Vainateya, zei tot hem: ‘Treur niet, tijger onder de mensen, want hun dood vond laats in het belang van de werelden.
p
18. O wijze man, omdat het de weergaloze Kapila was die deze machtige mannen tot as deed verschroeien, kunt u geen plengoffer voor hen brengen met het water van eze wereld.
d
19. Stier onder de mensen, gebruik daarom het water van de Ganges, de oudste dochter van de Himalaya. Alleen zij die de wereld loutert met haar water, mag deze annen, die tot een hoop as verteerd zijn, zuiveren.
m
20. Mijn zoon, pas wanneer hun as doordrenkt wordt door de Ganges, die geliefd is bij de hele wereld, zullen de estigduizend zonen naar de hemel gaan.
z
21. Neem nu het paard, vermaarde stier onder de mensen, en ga uw grootvader bijstaan bij het voltooien van zijn ffer.’
o
22. Na de woorden van Suparna nam de vermaarde en machtige Amsumant het paard en keerde snel naar huis erug.
t
178
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. O vreugde van de Raghu’s, daar begaf hij zich naar de koning, die zich nog in gewijde staat bevond. Hij vertelde hem alles zoals het gebeurd was en herhaalde de woorden van Suparna.
24. Na dit ontzettende nieuws voltooide de koning zijn ffer met de voorgeschreven rituelen.
o
25. Daarna keerde koning Sagara, de verheven heer van de aarde, naar zijn residentie terug. Hij werd echter in beslag genomen door de vraag hoe hij de Ganges kon aten neerdalen om zijn zonen te zuiveren.
l
26. Toen de grote koning tenslotte stierf, nadat hij dertig-duizend jaar had geregeerd, ging hij naar de hemel zonder dat hij een plan had kunnen bedenken.”
Einde van Sarga 40 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
179
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
41 De nakomelingen van Sagara
1. “Wel Rama, nadat Sagara de laatste adem had uitge-blazen, riepen zijn raadslieden de rechtschapen Amsu-mant uit tot koning.
2. Amsumant was een zeer groot koning, vreugde van de Raghu’s. Hij had een krachtige zoon, de befaamde ilipa.
D
3. Aan deze Dilipa droeg hij het koningschap over, o vreugde van de Raghu’s, om zich daarna op een lieflijke bergtop in het Himalaya gebergte volledig aan ascese ver te geven.
o
4. Nadat hij daar tweeëndertigduizend jaar in het bos had doorgebracht als asceet, bereikte de beroemde koning msumant uiteindelijk de hemel.
A
5. Toen de machtige Dilipa op zijn beurt hoorde hoe zijn voorvaderen omgekomen waren, was hij zo verslagen oor verdriet dat ook hij geen oplossing kon vinden.
d
6. Onafgebroken peinsde hij over de vraag: ‘Hoe kan ik het water van de Ganges naar beneden laten stromen en plengoffers brengen voor de bevrijding van hun iel? Hoe kan ik hen redden?’
z
7. Zo was de koning, befaamd om zijn rechtschapenheid, voortdurend in gepeins verzonken. Na verloop van tijd reeg hij een even rechtschapen zoon, Bhagiratha.
k
180
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. De machtige koning Dilipa bracht vele offers en re-geerde dertigduizend jaar.
9. Maar toch, tijger onder de mensen, kon hij geen op-lossing vinden voor het probleem hoe hij de zielen van zijn voorvaderen kon redden. Tenslotte werd hij ziek en ing de weg van alle stervelingen.
g
10. Nadat hij zijn zoon Bhagiratha tot heerser over het rijk had aangesteld, ging de koning, die stier onder de mensen, naar de wereld van Indra, dankzij de verdien-ten die hij door zijn daden had verkregen.
s
11. De rechtschapen en machtige koning-rishi Bhagiratha had echter geen kinderen. En, vreugde van de Raghu’s, mdat hij geen erfgenaam had, wenste hij een zoon.
o
12. Dit was de reden, vreugde van het Raghu geslacht, dat hij naar Gokarna ging en aan een lange periode van onthouding begon. Met zijn armen onafgebroken ten hemel geheven, gaf hij zich over aan de ascese van de vijf vuren. Hij at slechts eenmaal per maand en beheer-te zijn zintuigen volledig.
s
13. Duizend jaren gingen zo voorbij, terwijl hij volhardde in zijn ontzagwekkende ascese. Dit behaagde Brahma, e opperste heer en meester van alle schepselen, zeer.
d
14. Vergezeld van de scharen der goden begaf grootvader Brahma zich naar de grote Bhagiratha, die nog steeds erzonken was in ascese, en sprak:
v
181
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. ‘O illustere Bhagiratha, heer der mensen, ik ben zeer ingenomen met uw ascese, die u zo goed hebt uitge-voerd. U hebt uw geloften gestand gedaan, vraag daar-om wat u wenst.’
16. Met zijn handen in eerbied tezamen gebracht, zei de luisterrijke en machtige Bhagiratha stralend tot Brahma, e oervader van alle werelden:
d
17. ‘Indien u behagen in mij schept, Heer, en mij een beloning toekomt voor mijn onthoudingen, dan bid ik u dat alle zonen van Sagara het begrafenis-plengoffer van ij mogen ontvangen.
m
18. Moge de as van deze grote mannen, die mijn overgroot-vaders zijn, doordrenkt worden met het water van de Ganges, opdat zij ten lange leste de hemel kunnen innengaan.
b
19. O God, schenk mij ook nakomelingen, opdat ons ge-slacht nooit zal uitsterven. Verleen mij ook deze tweede unst, Heer, terwille van het Huis Ikshvaku.’
g
20. De Grootvader van alle werelden antwoordde de koning met welgekozen woorden, lieflijk zowel van etekenis als van klank:
b
21. ‘Bhagiratha, grote wagenmenner, uw edele wens zal vervuld worden. Wees gezegend, want u zult het ge-lacht Ikshavaku voortzetten.
s
22. Haimavati, de Ganges, is de oudste dochter van de
182
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Himalaya. Majesteit, de grote Hara zal opdracht krijgen om haar val in goede banen te leiden.
23. Want, Majesteit, de aarde zou bezwijken onder de kracht waarmee de Ganges op haar neer zou storten. O grote held, ik ken geen ander dan Siva, de drager van e drietand, die bij machte is haar op te vangen.’
d
24. Toen hij dit tegen de koning gezegd had, sprak Brahma de Ganges toe omtrent haar taak. Daarna keerde de Schepper van de werelden terug naar zijn hemelse regionen, begeleid door de scharen Maruts.”
Einde van Sarga 41 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
183
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
42 De neerdaling van de Ganges
1. Visvamitra vervolgde: “Toen de heer der goden ver-trokken was, stond Bhagiratha een jaar lang op de punt van zijn grote teen in devotie voor Siva.
2. Toen dat jaar verstreken was, zei Siva, Heer van alle schepselen en echtgenoot van Uma, die door alle werel-en aanbeden wordt, tegen de koning:
d
3. ‘O beste onder de mensen, ik ben tevreden over u en zal uw wens vervullen. Ik zal de dochter van de koning der ergen op mijn hoofd opvangen.’
b
4. En zo gebeurde het, Rama, dat de alom vereerde Hai-mavati, de oudste dochter van de Himalaya, een buitengewoon machtige gedaante aannam en zich van-uit de hemel met onweerstaanbare kracht op het rachtige hoofd van Siva stortte.
p
5. Maar omdat de godin verstrikt raakte in zijn verwarde, verstrengelde haarlokken, kon zij geen uitweg vinden n dwaalde er vele jaren in rond.
e
6. Hara was hiermee zeer ingenomen, vreugde van het Raghu geslacht, en tenslotte liet hij de Ganges vrij weg-tromen in het Bindu meer.
s
7. Zo kwam ze uit de hemel neer op het hoofd van San-kara en vandaar liet zij haar wateren met donderend eraas op de aarde neerstorten.
g
184
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. De goden, rishi’s, gandharva’s, yaksha’s en de hele schare volmaakte wezens keken toe hoe zij uit de hemel op de aarde neerviel.
9. Zelfs de goden, die daar samengekomen waren in hun hemelse wagens zo groot als steden, met hun paarden n schitterende olifanten, waren vervuld van ontzag.
e
10. Zo verzamelden de scharen onmetelijk krachtige goden zich daar om het grootste van alle wonderen te aan-chouwen: de machtige afdaling van de Ganges.
s
11. De wolkenloze hemel straalde zo door de vele toe-snellende goden en de pracht van hun sieraden, dat het eek of zij verlicht werd door wel honderd zonnen.
l
12. De hemel was gevuld met grote aantallen kronkelende slangen, krokodillen en vissen en scheen doorschoten et uitwaaierende lichtflitsen.
m
13. De lucht, wit door duizenden vlokken rondvliegend schuim en vluchten sneeuwwitte ganzen, leek plotse-ing bedekt met dikke, witte herfstwolken.
l
14. Op sommige plaatsen stroomde de rivier snel, op andere traag. Nu eens kronkelde zij zich voort, of verbreedde zich, dan weer werd de stroom smal en verdween tussen de oevers, om elders weer te voor-chijn te komen.
s
15. Hier en daar kolkte het water omhoog en werd huizenhoog de lucht ingeslingerd, om dan nogmaals op
185
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
de aarde neer te storten.
16. Het water viel eerst op Sankara’s hoofd en daarna pas op de aarde. Daarom schitterde het, want het was zuiver en kon alle zonden wegwassen.
17. Omdat zij wisten dat water dat van Bhava’s lichaam is gevallen heilig is, namen de gandharva’s en de rishi’s en bad, samen met degenen die op aarde woonden.
e
18. Zelfs zij die door een vloek uit de hemel naar de aarde verbannen waren, werden bevrijd van al hun zonden oor daar te baden.
d
19. Nu hun zonden waren weggewassen door dat stralende water, stegen zij weer op naar de hemel en keerden erug naar de werelden waar zij thuishoorden.
t
20. De mensen waren verrukt van dat sprankelende water. Vol vreugde baadden zij in de Ganges en werden evrijd van alle kommer en kwel.
b
21. Toen ging de koning-rishi, de machtige Bhagiratha, hen in een hemelse wagen voor, en de stroom van de Gan-es volgde hem.
g
22-23. Vol vreugde sloot toen een grote stoet zich bij de Ganges aan en volgde Bhagiratha’s wagen: alle goden, de grote schare rishi’s, de daitya’s, danava’s en raksha-sa’s, de eersten onder de gandharva’s en yaksha’s, de kinnara’s, grote slangen en alle apsarasen, en alle chepselen die in het water leven.
s
186
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. Zo volgde de eerste onder de rivieren, de Ganges, die alle zonden wegwast, in het kielzog van koning Bhagi-ratha.”
Einde van Sarga 42 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
187
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
43 Het plengoffer
1. “Gevolgd door de Ganges, spoedde de koning zich voort in de richting van de oceaan en ging het gapende gat in de aarde binnen waar zijn voorvaderen tot as aren verteerd.
w
2. Toen deze berg as overspoeld werd met water, Rama, richtte Brahma, de Heer van alle werelden, het woord ot de koning:
t
3. ‘Tijger onder de mensen, de zestigduizend zonen van de grote Sagara zijn gered en ten hemel gevaren als oden.
g
4. Majesteit, zolang het water van de oceaan op de wereld zal zijn, zolang zullen de zonen van Sagara als goden in e hemel verblijven.
d
5. De Ganges zal uw oudste dochter zijn. Zij zal op aarde haar stroom blijven volgen en de naam dragen die u aar zult geven.
h
6. Want de Ganges, de rivier van de drie werelden, zal bekend staan als de hemelse Bhagirathi. Omdat zij de drie werelden heiligt, zal zij ook de naam Tripathaga ragen, de rivier van de drie stromen.
d
7. O grote koning, hier kunt u het plengoffer voor uw gestorven voorvaderen brengen. Los uw gelofte in, ajesteit.
M
188
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Uw machtige voorvader, koning Sagara, de rechtvaar-digheid zelve, kon deze innig gekoesterde wens niet vervullen.
9. Ondanks de weergaloze kracht van zijn kleinzoon Amsumant, kon deze gelofte ook door hem niet nage-komen worden, welke pogingen hij ook in het werk telde om de Ganges naar de aarde te laten vloeien.
s
10-11. Na hem kwam uw vader, de machtige koning-rishi Dilipa, die de kracht van een grote rishi had, en wiens ascese de mijne evenaarde. Maar, schuldeloze en luisterrijke man, zelfs hij, die plichtsgetrouwe kshatriya, slaagde ondanks al zijn inspanningen er niet in de anges naar beneden te laten stromen.
G
12. U echter, stier onder de mensen, hebt deze gelofte in vervulling doen gaan en hebt daarmee de hoogste en eest begeerde overwinning ter wereld behaald.
m
13. Door de Ganges naar beneden te laten stromen, held-haftige overwinnaar van vijanden, heeft u de hoogste laats in de hemel verdiend.
p
14. Neem hier een bad, beste onder de mensen, dit water heeft immers altijd een zuiverende uitwerking. Reinig uzelf, tijger onder de mensen, en bereik nu het heilige oel dat u nastreeft.
d
15. Breng de begrafenis-plengoffers voor al uw voorva-deren. Vaarwel, ik ga terug naar mijn eigen wereld. U kunt nu gaan, Majesteit.’
189
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Na deze toespraak ging de heer van de goden, de roem-rijke Grootvader van alle werelden, naar de wereld van de goden, precies zoals hij gekomen was.
17. En zo bracht de illustere koning en koning-rishi Bhagi-ratha een schitterend dodenplengoffer voor de zonen van Sagara, in overeenstemming met de rituele voor-schriften. Hij nam nogmaals een bad om zich te uiveren en keerde tenslotte terug naar zijn eigen stad.
z
18. Nu hij zijn doel bereikt had, regeerde hij weer over zijn koninkrijk. Ook zijn onderdanen waren verheugd, Raghava, beste onder de mensen, want met de terug-keer van de koning was ook hun doel bereikt en waren ij bevrijd van alle angst en zorg.
z
19. Nu heb ik je de hele geschiedenis van de Ganges ver-teld, Rama. Wees gezegend en moge het geluk je toe-lachen. Maar kom nu, het is de hoogste tijd voor ons vondgebed.
a
20. Het verhaal dat ik je verteld heb over de afdaling van de Ganges, brengt aan wie het horen welvaart, roem, een lang leven, de hemel en zelfs zonen.”
Einde van Sarga 43 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
190
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
44 Het karnen van de oceaan
1. Nadat hij daar samen met Lakshmana had zitten luiste-ren naar wat Visvamitra verteld had, sprak Raghava in grote bewondering:
2. “Brahmaan, dit verhaal dat u ons verteld hebt over de heilige afdaling van de Ganges en het volstromen van e oceaan is werkelijk schitterend!”
d
3. En terwijl hij zo met Saumitri zat te mijmeren over deze prachtige geschiedenis van Visvamitra, gleed de nacht ngemerkt voorbij.
o
4. Bij het gloren van de dageraad zei de onoverwinnelijke Raghava tot de grote wijze Visvamitra, die zijn chtendrituelen al had uitgevoerd:
o
5. “De godin van de nacht is heengegaan en wij hebben een vertelling gehoord die zeer de moeite waard was. O machtige asceet, terwijl ik daar in diep gepeins over verzonken was, is de hele nacht als in een oogwenk oorbijgegaan.
v
6. Laten wij nu deze uitnemende en heilige stroom, die door de drie werelden vloeit, oversteken. Er ligt hier een boot met gerieflijke zitplaatsen die de roemrijke rishi’s toebehoort. Ongetwijfeld is deze onmiddellijk hier naartoe gebracht toen zij hoorden dat zo’n heilig an als u in aantocht was.”
m
191
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. Visvamitra gaf gehoor aan de woorden van de grote Raghava en liet zich overvaren, tezamen met een aantal rishi’s en de twee Raghava’s.
8. Toen zij de noordelijke oever bereikt hadden, bedank-ten zij de rishi’s met gepaste eerbied en eenmaal uit-gestapt op de oever van de Ganges, zagen zij de stad isala liggen.
V
9. De grote wijze en de twee Raghava’s spoedden zich naar die lieflijke en hemelse stad, die slechts te verge-ijken is met het rijk der goden.
l
10. De wijze Rama vouwde zijn handen eerbiedig en vroeg Visvamitra hem het een en ander te vertellen over deze rachtige stad Visala:
p
11. “Grote wijze, welk koninklijk geslacht woont er in isala? Ik zou daar heel graag over horen.”
V
12. Op deze vraag van Rama begon de stier onder de ijzen de oude geschiedenis van Visala te vertellen.
w
13. “Luister Raghava, ik zal je het prachtige verhaal over Sakra vertellen. Dan zul je te weten komen wat zich recies in deze streek heeft afgespeeld.
p
14. Lang geleden, Rama, in het gouden tijdperk, hadden de zonen van Diti, de demonen, grote invloed. De zonen van Aditi, de goden, waren echter ook zeer machtig. Bovendien genoten deze veel aanzien en waren zij uitengewoon deugdzaam.
b
192
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Toen kwam er een tijd dat al deze grote wezens zich begonnen af te vragen: ‘Hoe kunnen wij onsterfelijk worden - vrij van ouderdom en ziekte?’
16. Na lang nadenken kwamen zij op een idee: ‘Als wij de oceaan van melk zouden karnen, dan zouden wij daar-it de nectar van onsterfelijkheid kunnen verkrijgen.’
u
17. Hun macht was onbegrensd. Toen zij eenmaal besloten hadden dit karnen ten uitvoer te brengen, gebruikten zij de grote slang Vasuki als touw en de berg Mandara als arnstok, en zij begonnen te karnen.
k
18. Hierbij kwamen, o beste onder de zonen van Manu, allereerst de geneesheer Dhanvantari en de schitterende apsarasen te voorschijn. Aangezien deze laatsten, de schoonsten onder de vrouwen, door het karnen van dit oceaanwater, apsu, uit de nectar, rasa, waren ontstaan, erden zij apsarasen genoemd.
w
19. Er waren zeshonderd miljoen van deze schone apsara-sen, Kakutstha, en zij hadden een ontelbare hoeveelheid ienstmaagden.
d
20. Maar noch de goden, noch de danava’s wilden hen als echtgenote aanvaarden. En daarom, omdat zij niet ge-accepteerd werden, wordt gezegd dat zij aan iedereen oebehoren.
t
21. Toen werd, o vreugde van het Raghu geslacht, Varuni geboren, de beroemde dochter van Varuna. Ook zij wilde graag een echtgenoot hebben.
193
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
22. Heldhaftige Rama, de zonen van Diti wilden Sura, de dochter van Varuna, niet hebben, maar de zonen van Aditi namen haar wel tot vrouw, want zij was zeer deugdzaam.
23. Daarom staan de daiteya’s, de zonen van Diti, bekend als de asura’s, terwijl de zonen van Aditi de sura’s heten. Deze laatsten waren overgelukkig toen zij aruni tot hun vrouw hadden genomen.
V
24. Vervolgens, beste onder de mensen, kwam Uccaih-sravas, de edelste onder de paarden, te voorschijn; en Kaustubha, het kroonjuweel onder de edelstenen, ge-olgd door het meest begeerde van alles, de nectar.
v
25. Om dit levenselixer te bemachtigen, vermoordden de zonen van Aditi de zonen van Diti. Zo leed haar familie en enorm verlies.
e
26. Ja werkelijk, de heldhaftige zonen van Aditi vernietig-den bijna alle zonen van Diti in die grote, ver-chrikkelijke oorlog tussen de daiteya’s en de aditya’s.
s
27. Nadat Indra, de verwoester van citadellen, de zonen van Diti over de kling had gejaagd en de macht in handen genomen had, was hij zeer tevreden en heerste over de werelden met hun scharen rishi’s en hemelse zangers.”
Einde van Sarga 44 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
194
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
45 De wraak van Diti
1. “Toen Diti’s zonen gedood waren, Rama, was zij over-weldigd door verdriet en tot haar echtgenoot Marica Kasyapa, die ook Aditi’s echtgenoot was, sprak zij:
2. ‘O grote heilige, uw machtige zonen hebben mijn zonen uitgemoord. Nu wil ik door langdurige ascese een zoon rijgen die Sakra kan verslaan.
k
3. Ik zal mijzelf onthoudingen opleggen; maar u moet mij beloven me een zoon te geven die Indra zal kunnen oden.’
d
4. Na haar te hebben aangehoord, antwoordde Marica asyapa de diepbedroefde Diti:
K
5. ‘Wees gezegend, ascetische vrouw. Zuiver uzelf, want u zult een zoon baren die Sakra in een gevecht kan ver-laan.
s
6. Als u duizend jaar rein blijft, zal ik ervoor zorgen dat u het leven schenkt aan een zoon die in staat is de drie erelden te vernietigen.’
w
7. Terwijl hij dit zei, streelde de machtige man haar met zijn hand. Nadat hij haar zo aangeraakt had, zei hij: Vaarwel’, en ging heen om zich aan ascese te wijden.
8. Toen hij vertrokken was, ging Diti zeer opgetogen naar Kusaplavana, waar ze zich overgaf aan intense en ont-zagwekkende ascese.
195
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Maar terwijl ze deze ascese beoefende, beste onder de mensen, diende de duizend-ogige Indra haar op voor-treffelijke wijze.
10. Want de duizend-ogige Indra bracht haar vuur, kusa-gras, brandhout, water, vruchten, wortelen en alles wat e maar verlangde.
z
11. Zo diende Sakra Diti voortdurend en masseerde ook aar ledematen om haar vermoeidheid te verminderen.
h
12. En zo gebeurde het, o vreugde van de Raghu’s, dat toen de duizend jaren op tien jaar na voorbij waren, Diti tegen de duizend-ogige Indra, die haar nu volkomen oor zich had gewonnen, zei:
v
13. ‘Wees gezegend, eerste onder de machtigen, er zijn maar tien korte jaren over van de tijd van mijn onthou-ing. Daarna zult u uw broer zien.
d
14. Hij zal u willen overwinnen, maar terwille van u zal ik hem tot bedaren brengen. Vrees niet, mijn zoon, want u zult de overwinning van de drie werelden met hem elen.’
d
15. De zon stond op zijn hoogste punt en terwijl de godin Diti deze woorden tegen Sakra zei, werd zij plotseling door slaap overmand. Bovendien was haar hoofd niet gericht naar het noorden of oosten, zoals het had moeten zijn. En ook haar voeten waren niet naar de uiste richting gekeerd.
j
196
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Sakra zag dat zij in een onreine staat verkeerde, want haar haren lagen gespreid op de plaats van haar voeten, en haar voeten waren op de plaats waar haar hoofd had moeten zijn. Dit verheugde hem zeer en hij lachte luid.
17. Indra, de stedenbedwinger, ging daarop haar lichaam binnen en sloeg in koelen bloede haar vrucht in zeven tukken.
s
18. Toen de foetus door de vajra, de donderkeil met hon-derd punten, kapot geslagen werd, Rama, schreeuwde eze zo hard dat Diti ontwaakte.
d
19. ‘Schreeuw toch niet zo!’ zei de machtige Sakra en sloeg e luid krijsende vrucht in stukken.
d
20. ‘Stop, dood hem niet!’ huilde Diti en uit achting voor de oorden van een moeder, kwam Sakra naar buiten.
w
21. Terwijl hij de donderkeil nog vasthield, vouwde Sakra eerbiedig zijn handen en zei tegen Diti: ‘Godin, u was in slaap gevallen en uw hoofdharen waren gespreid over de plaats waar uw voeten behoorden te zijn, en daarom as u onrein.
w
22. Ik greep die gelegenheid aan om hem die voorbestemd was om mij in de strijd te overwinnen, in stukken te slaan en nu ligt hij in zeven delen. O godin, vergeef me wat ik heb gedaan.’”
Einde van Sarga 45 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
197
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
46 De zeven Maruts
1. “Toen Diti’s vrucht in zeven stukken gehakt was, smeekte ze, overweldigd door verdriet, de duizend-ogige, onoverwinnelijke Indra:
2. ‘Ik heb het aan mijzelf te wijten dat de foetus in zeven stukken is gehakt. U hebt hieraan geen schuld, o heer er goden, vernietiger van Bala.
d
3. Maar ik zou graag willen dat de vernietiging van mijn vrucht ten goede wordt gekeerd. Laat de zeven delen achters worden over de zeven windstreken.
w
4. Mogen de zeven zonen die ik gedragen heb bekend worden als de Maruts, en laat hen in goddelijke gedaante vrij rondgaan in de regionen van de hemelse inden.
w
5. Laat er een de wereld van Brahma bewonen, een ander de wereld van Indra, en laat de derde, als de befaamde ayu, vrijelijk het zwerk doorkruisen.
V
6. O gezegende onder de goden, laat mijn vier andere zonen goden worden en onder uw bevel rondzwerven in alle windrichtingen. Laat hen bekend staan onder de aam die u hun gaf: de Maruts.’
n
7. De duizend-ogige Indra, verwoester van citadellen, vernietiger van Bala, vouwde zijn handen eerbiedig en eloofde Diti:
b
198
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. ‘Alles zal gebeuren zoals u wenst, u hoeft daar niet aan te twijfelen. Uw zonen zullen goden worden en vrijelijk in de werelden rondgaan.’
9. En zo, Rama, kwamen Diti en Indra daar in het woud van de asceten tot een overeenkomst en nu beiden, moeder en zoon, hun doel bereikt hadden, vertrokken e - naar gezegd wordt - naar de hemel.
z
10. Waar we nu zijn, Kakutstha, is precies het gebied waar de grote Indra woonde, toen hij Diti, die volmaakt eworden was door onthouding, diende.
g
11. Welnu, tijger onder de mensen, eens werd een buiten-gewoon rechtschapen mens, Visala genaamd, geboren ls zoon van Ikshvaku en Alambusha.
a
12. Hij was het die de stad Visala hier op deze plaats tichtte.
s
13. De machtige Hemacandra was Visala’s zoon, Rama, en ucandra was de directe opvolger van Hemacandra.
S
14. Sucandra’s zoon stond bekend als Dhumrasva, en deze reeg een zoon genaamd Srinjaya.
k
15. Srinjaya’s zoon was de luisterrijke en dappere Sahadeva en deze had een zeer rechtschapen zoon, Kusasva enaamd.
g
16. Kusasva’s zoon was de moedige en machtige Soma-atta, en diens zoon heette Kakutstha.
d
199
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Het is de machtige zoon van deze laatste, de onover-winnelijke, goddelijke Sumati, die nu in deze stad woont.
18. Dankzij de zegen van Ikshvaku genieten alle grote koningen van Visala een lang leven en zijn ze machtig n rechtvaardig.
e
19. Laten wij hier gerieflijk overnachten, Rama, dan zullen e morgenochtend Janaka ontmoeten.”
w
20-21. Toen de machtige en roemrijke Sumati, de edelste onder de mensen, hoorde van Visvamitra’s komst, ging hij naar hem toe om hem welkom te heten. Vergezeld van zijn verwanten en raadslieden bewees hij hem de grootste eer. Hoffelijk informeerde hij naar zijn welzijn n zei:
e
22. “Ik ben bevoorrecht, o wijze, ik voel mij zeer vereerd dat u in mijn koninkrijk gekomen bent en dat ik u ont-moeten mag. Waarlijk, niemand is gelukkiger dan ik.”
Einde van Sarga 46 van de Balakanda van de Sri Ramayana
200
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
47 De vloek van Gautama
1. De twee mannen begroetten elkaar en informeerden naar elkaars welzijn. Na de rituele begroeting zei Su-mati tot de grote wijze:
2. “Waarlijk, deze twee heldhaftige prinsen zien er zo moedig uit als de goden. Zij lijken op tijgers of stieren n bewegen zich als leeuwen of olifanten.
e
3. In de volle bloei van hun jeugd, gewapend met hun zwaarden, pijlkokers en bogen, met hun ogen als bloembladen van de lotus, steken ze in schoonheid de svins naar de kroon.
A
4. Ze lijken op onsterfelijken die bij toeval uit de wereld van de goden op aarde gekomen zijn. Wijze Visvamitra, vertel mij toch hoe zij hier te voet gekomen zijn? Wat is et doel van hun bezoek? Wiens zonen zijn zij?
h
5. Zij hebben eenzelfde gedaante, gebaar en beweging en ze sieren dit land zoals de zon en de maan de hemel ieren.
s
6. Waarom zijn deze schone jongelingen, deze helden, langs deze moeilijke weg gekomen en waarom dragen ze zulke schitterende wapens? Ik zou graag de waar-eid hierover willen horen.”
h
7. Visvamitra antwoordde op deze vragen door hem precies te vertellen wat er was voorgevallen: hun ver-
201
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
blijf in de ashram van het Volmaakte Wezen en hoe zij de rakshasa’s gedood hadden.
8. De koning was zeer verheugd over Visvamitra’s woor-den en hij bewees de twee machtige zonen van Dasa-ratha alle eer, want zij waren belangrijke gasten.
9. Zo werden de twee Raghava’s respectvol bejegend door Sumati en zij overnachtten daar, om de volgende chtend verder te trekken naar Mithila.
o
10. Toen de wijzen Mithila zagen liggen, de roemrijke woonplaats van Janaka, riepen zij vol bewondering: Wat een schitterende stad!”
11. Raghava echter, die in een woud bij Mithila een heel oude ashram zag, lieflijk en verlaten, vroeg aan de achtigste onder de wijzen:
m
12. “Die stralende plek lijkt wel een ashram. Waarom zijn er geen wijzen? Daar wil ik graag iets over horen, hei-ige man. Van wie was deze ashram?”
l
13. Op deze vraag van Raghava, antwoordde Visvamitra et welgekozen woorden:
m
14. “Luister Raghava, ik zal je precies vertellen wiens ashram dit is geweest en waarom een groot man in zijn oede deze plek vervloekte.
w
15. Beste van de mensen, deze hemelse ashram, die zelfs door de goden vereerd wordt, behoorde eens toe aan de grote Gautama.
202
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Hier trok hij zich samen met zijn vrouw Ahalya gedu-rende zeer vele jaren terug, in ascese.
17. Op zekere dag nu, nam de duizend-ogige Indra, de heer van Saci, die gehoord had dat de wijze Gautama afwezig was, diens gestalte aan en zei tot Ahalya:
18. ‘O welgevormde vrouw, een man die vol verlangen is, wacht niet tot een vrouw haar vruchtbare periode heeft. vrouw met uw slanke leest, ik wil u beminnen.’
O
19. De dwaze vrouw, o vreugde van de Raghu’s, wist wel dat het de duizend-ogige Indra was die zich vermomd had als de wijze, maar ze gaf toe aan haar begeerte naar e koning der goden.
d
20. Toen haar hartewens vervuld was, zei ze tot de eerste onder de goden: ‘Nu uw verlangen is gestild, beste van de goden, moet u snel gaan. Mijn minnaar en heer van e goden, bescherm uzelf en mij voor altijd.’
d
21. Glimlachend zei Indra tegen Ahalya: ‘O vrouw met uw welgevormde heupen, ik ben geheel voldaan en zal eer vertrekken zoals ik gekomen ben.’
w
22. Nadat hij zo de liefde met haar bedreven had, Rama, verliet hij haar bladerhut. Hij voelde zich niet op zijn gemak en wilde zich snel uit de voeten maken, uit angst oor Gautama.
v
23. Maar daar stond hij plotseling oog in oog met de grote wijze Gautama, die onaantastbaar was voor goden en
203
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
danava’s en vol kracht door zijn ascetische leven. Gau-tama, deze stier onder de wijzen, was nog vochtig van het bad dat hij genomen had. Hij hield sprokkelhout en kusagras in zijn handen en straalde als een vuur.
24. Toen hij hem daar zag, werd de heer der goden be-angen door angst en hij verbleekte.
v
25. Toen de deugdzame Gautama de verdorven duizend-ogige Indra zag in de gedaante van zichzelf, sprak hij oedend:
w
26. ‘Dwaas! Omdat u mijn uiterlijk hebt aangenomen en u noorbaar gedragen hebt, zult u uw testikels verliezen.’
o
27. Nauwelijks had de grote en vertoornde wijze Gautama dit gezegd of de testikels van de duizend-ogige Indra ielen op de grond.
v
28. Nadat hij zo Sakra gestraft had, vervloekte hij ook zijn rouw: ‘Vele duizenden jaren zul je hier blijven wonen.
v
29. Je zult in deze ashram verblijven zonder eten; lucht zal je enige voedsel zijn terwijl je, liggend in as, zult lijden n onzichtbaar zult zijn voor alle schepselen.
e
30. Pas wanneer Rama, de onoverwinnelijke zoon van Dasaratha, naar dit verschrikkelijke woud komt, zul je gezuiverd worden.
204
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
31. Alleen door hem gastvrijheid te verlenen, slechte vrouw, zul je in mijn aanwezigheid weer een gewoon lichaam krijgen, vrij van begeerte en dwaasheid en ver-vuld van vreugde.’
32. Toen hij zo gesproken had tot zijn overspelige vrouw, verliet de machtige Gautama zijn ashram. En nu wijdt de grote asceet zich aan een leven van soberheid op een prachtige bergtop in de Himalaya, waar hij dikwijls bezocht wordt door volmaakte wezens en hemelse zangers.”
Einde van Sarga 47 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
205
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
48 Rama bevrijdt Ahalya
1. Visvamitra vervolgde: “Toen Indra ontmand was - de ontzetting stond nog op zijn gezicht te lezen - zei hij tot de goden, die aangevoerd werden door Agni, de god van het vuur, en vergezeld door hemelse zangers en en grote schare rishi’s:
e
2. ‘Door de woede van de grote Gautama op te wekken, waardoor hij gehinderd werd in zijn ascese, heb ik de oden een dienst bewezen.
g
3. In zijn toorn heeft hij mij ontmand en zijn vrouw ver-stoten. Door hem tot deze stortvloed van vervloekingen te brengen, heb ik hem beroofd van zijn ascetische racht.
k
4. Omdat ik hiermee de goden geholpen heb, zou u allen - grote goden, hemelse zangers en de schare rishi’s – er-voor moeten zorgen dat ik mijn testikels weer terug-rijg.’
k
5. Toen de goden, aangevoerd door Agni, deze woorden van Indra, god van de honderd offers, hoorden, gingen zij met alle Maruts naar de goddelijke voorvaderen en eiden:
z
6. ‘Sakra is ontmand. Maar hier is een ram waarvan de testikels nog ongeschonden zijn; neem deze toch en eef ze direct aan Sakra.
g
206
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. De gecastreerde ram zal u allen de grootste voldoening schenken, zoals een dergelijke ram die door anderen aan u wordt geofferd.’
8. Toen de goddelijke voorvaderen die daar bijeenge-komen waren, Agni’s woorden hoorden, rukten zij de testikels van de ram en gaven deze aan de duizend-gige Indra.
o
9. En vanaf die tijd, Kakutstha, eten de goddelijke voor-vaderen tijdens hun bijeenkomsten gecastreerde ram-en, waarvan ze de testikels bewaren voor Indra.
m
10. Zo komt het, Raghava, dat Indra vanaf die tijd, door de macht van de ascese van de grote Gautama, de testikels an een ram draagt.
v
11. Kom nu met mij mee, machtige man, naar de ashram van die heilige wijze en verlos de stralende Ahalya, die ieflijk is als een godin.”
l
12. Nadat Raghava het verhaal van Visvamitra had aan-gehoord, volgde hij de wijze en betrad samen met akshmana de ashram.
L
13. Daar zag hij die luisterrijke vrouw, die door haar ascese straalde vanuit een innerlijke gloed en toch verborgen was voor de ogen van al diegenen die bij haar kwamen, elfs voor goden en asura’s.
z
14. Als een godin was zij en het leek wel of de Schepper zelf haar met zeer veel zorg gemaakt had uit zuivere,
207
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
scheppende energie. Zij geleek een schitterende vlam waarvan de vorm verduisterd wordt door rook.
15. Ze was als het licht van de volle maan, wanneer deze door bewolking of nevel verduisterd is, of als de schit-terende pracht van de zon, waarvan het licht getemperd ordt door dikke wolken.
w
16. Want door de woorden van Gautama was zij onzicht-baar geworden voor de drie werelden tot de dag dat zij ama zou aanschouwen.
R
17. Toen pakten de twee Raghava’s haar voeten; Ahalya herinnerde zich de woorden van Gautama en verwel-omde hen.
k
18. Zij verleende hun alle gastvrijheid en bood voedsel, bloemen en water aan om hun voeten te wassen, over-eenkomstig de traditionele gebruiken en Kakutstha anvaardde deze gaven.
a
19. Plotseling daalde er een grote bloesemregen neer uit de hemel, de trommen der goden roffelden en er versche-en menigten gandharva’s en apsarasen.
n
20. “O wat schitterend!” riepen de goden en zij brachten hulde aan Ahalya wier lichaam, nu zij zich weer onder-worpen had aan de macht van Gautama, gezuiverd was oor de kracht van haar boetedoeningen.
d
21. De machtige Gautama was opgetogen eindelijk her-enigd te zijn met Ahalya; de grote asceet bewees Rama
208
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
hulde op de voorgeschreven manier en hervatte daarna zijn ascese.
22. Rama ontving de huldeblijken van de grote asceet Gau-tama op passende wijze. Daarna vervolgde hij zijn weg naar Mithila.
Einde van Sarga 48 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
209
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
49 Bij Koning Janaka
1. Rama en Saumitri zetten hun reis voort en volgden Visvamitra naar het noordoosten, tot ze bij een offer-plaats kwamen.
2. Daar zeiden Rama en Lakshmana tegen de tijger onder de wijzen: “Hoe schitterend is het offer van de grote anaka!
J
3. O vermaarde wijze, er zijn hier vele duizenden brah-manen, afkomstig uit allerlei streken, die allen de eda’s grondig bestudeerd hebben.
V
4. Bij de verblijfplaatsen van de rishi’s zien wij honderden voertuigen. O wijze brahmaan, zoek toch een onder-omen voor ons.”
k
5. Na deze woorden van Rama ging de grote rishi Visva-mitra naar een afgezonderde plek bij het water en aakte deze gereed om er de nacht door te brengen.
m
6-7. Toen de koning hoorde dat Visvamitra was aange-komen, volgde hij zijn onberispelijke familiepriester Satananda en zijn voornaamste offerpriesters en bood de beste van alle wijzen onmiddellijk welkomstgaven an, onder begeleiding van vedische hymnen.
a
8. Na dit eerbewijs van de grote Janaka te hebben ont-vangen, vroeg Visvamitra naar het welzijn van de ko-ing en informeerde of het offer naar wens verliep.
n
210
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Hij vroeg ook naar het welzijn van de wijzen, leer-meesters en hofpriesters en omhelsde hen allen hartelijk naar goed gebruik.
10. Toen sprak de koning, de handen eerbiedig samen-gevouwen, tot de beste van de wijzen: “O heilige, neem lstublieft plaats bij deze uitmuntende wijzen.”
a
11. Hierop ging de grote wijze Visvamitra zitten en de hofpriesters, de koning en zijn raadslieden volgden zijn oorbeeld.
v
12. Toen de koning zag dat iedereen rondom hem de juiste laats had ingenomen, richtte hij zich tot Visvamitra:
p
13. “Vandaag hebben de goden de overvloed van mijn offer vrucht doen dragen, want nu ik u ontmoet, o eilige man, word ik al beloond.
h
14. O brahmaan, stier onder de wijzen, wat ben ik gelukkig en dankbaar dat u met deze wijzen naar mijn offer-laats bent gekomen.
p
15. Mijn wijze priesters hebben mij verteld dat deze offer-plechtigheid nog twaalf dagen duurt, o brahma-rishi. Als het u behaagt, Kausika, kunt u er daarna getuige van zijn hoe de goden hun offerdeel in ontvangst omen nemen.”
k
16. Nadat hij zo tot de tijger onder de wijzen gesproken had, stelde de beschermer van de mensen hem in alle rust nog enkele vragen. Vreugde stond op zijn gezicht
211
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
te lezen en zijn handen waren vol eerbied samenge-vouwen.
17. “Deze twee heldhaftige prinsen zien er zo dapper uit als de goden. Zij lijken op tijgers of stieren en bewegen zich als leeuwen of olifanten.
18. Gewapend met zwaarden, pijlkokers en bogen, met ogen als bloembladen van de lotus en in de volle bloei van hun jonge mannelijkheid, wedijveren zij in schoon-eid met de Asvins.
h
19. Zij lijken op onsterfelijken die bij toeval uit de wereld van de goden op aarde gekomen zijn. Wijze man, waarom zijn zij hier te voet gekomen? Wat is het doel an hun bezoek? Wiens zonen zijn zij?
v
20-21. Wiens zonen zijn zij, grote wijze, dat zij zulke schitte-rende wapens dragen? Zij hebben eenzelfde gedaante, gebaar en beweging en sieren dit land zoals zon en maan de hemel sieren. Ik zou graag de waarheid horen over deze twee helden die hun haar nog in lokken langs un oren dragen, zoals jongelingen.”
h
22. Toen hij de woorden van de grote Janaka gehoord had, vertelde hij hem over de twee machtige zonen van asaratha.
D
23-24. Hij vertelde over hun verblijf in de ashram van het Volmaakte Wezen en het doden van de rakshasa’s, over hun vermetele reis en hun bezoek aan Visala, over hun ontmoeting met Ahalya en Gautama en tenslotte dat ze
212
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
gekomen waren om te proberen de grote boog te spannen.
25. Toen hij dat alles aan de grote Janaka verteld had, ver-zonk de grote en machtige wijze Visvamitra in stil-zwijgen.
Einde van Sarga 49 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
213
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
50 Koning Visvamitra
1-2. Toen de grote asceet Satananda, de oudste zoon van Gautama, stralend door de kracht van zijn onthoudin-gen, Rama zag en de woorden van de wijze Visvamitra hoorde, werd hij tot in het diepst van zijn ziel geroerd n een huivering van geluk voer door hem heen.
e
3. Satananda zorgde ervoor dat de koningszonen een ge-rieflijke zitplaats kregen en sprak vervolgens tot isvamitra, de beste onder de wijzen:
V
4. “Tijger onder de wijzen, hebt u mijn vermaarde moeder Ahalya, die zo langdurig boetedoeningen heeft onder-aan, wel aan de zoon van de koning voorgesteld?
g
5. Machtige man, heeft mijn vermaarde moeder Rama, aan wie alle levende wezens eer verschuldigd zijn, ulde gebracht door hem bosvruchten aan te bieden?
h
6. Machtige man, hebt u Rama verteld wat mijn moeder lang geleden overkomen is, toen de god haar zo schan-elijk misbruikte?
d
7. O gezegende Kausika, beste onder de wijzen, werd mijn moeder herenigd met mijn vader nadat zij Rama had ezien?
g
8. Zoon van Kusika, bewees mijn vader eer aan de grote en machtige Rama en betoonde Rama hem op zijn beurt er voordat hij hierheen kwam?
e
214
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Zoon van Kusika, groette Rama, die uitmunt door zelf-beheersing, mijn vader sereen en met respect, voordat hij hier naar toe kwam?”
10. Na de woorden van de welsprekende Satananda ant-woordde de grote Visvamitra, die zelf ook de gave van et woord had:
h
11. “Grootste onder de wijzen, ik heb alles gedaan zoals het behoort. De wijze en zijn vrouw werden herenigd, zoals de wijze Bhargava en zijn vrouw Renuka herenigd erden.”
w
12. Toen de machtige Satananda dit van Visvamitra hoor-e, wendde hij zich tot Rama en zei:
d
13. “Wees welkom, beste der mensen. Wat een geluk dat u hier gekomen bent, samen met deze grote rishi, de noverwinnelijke Visvamitra.
o
14. De machtige Visvamitra, met zijn onvoorstelbaar grote daden en zijn oneindige straling, werd door middel van zijn eigen ascese een brahma-rishi. U weet toch dat hij e grootste van allen is?
d
15. Niemand op aarde is meer gezegend dan u, Rama, want uw leermeester is de zoon van Kusika, die grote nthoudingen heeft volbracht.
o
16. Luister alstublieft, dan zal ik u over deze grote Kausika vertellen. Luister naar mijn verhaal over zijn machtige aden, zoals deze hebben plaatsgevonden.
d
215
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Deze deugdzame man was gedurende lange tijd een koning die menige vijand overwon. Hij kende de wegen van rechtschapenheid, hij had zich bekwaamd in alle wetenschappen en het welzijn van zijn onderdanen ag hem na aan het hart.
l
18. Er was eens een koning die Kusa heette, een zoon van Brahma, heer der schepselen. De zoon van Kusa was de achtige en rechtvaardige Kusanabha.
m
19. Kusanabha’s zoon kent men onder de naam Gadhi, en deze grote wijze, de machtige Visvamitra, is de zoon an Gadhi.
v
20. Eens heerste Visvamitra over de aarde, hij regeerde als oning gedurende vele duizenden jaren.
k
21. Maar op een dag riep die machtige man zijn strijd-krachten bijeen en met een voltallig leger trok hij rond ver de aarde.
o
22-27. Na vele omzwervingen langs steden, landen, rivieren, bergen en ashrams, kwam de koning uiteindelijk bij de ashram van Vasishtha, waar allerlei soorten bloemen, vruchten en bomen groeiden. O grootste van alle overwinnaars, daar zag de machtige Visvamitra deze ashram van Vasishtha, die als het ware een tweede wereld van Brahma was. Er waren kudden van allerlei soorten dieren en er kwamen dikwijls volmaakte wezens en hemelse zangers. Goden, dhanava’s, gan-dharva’s en kinnara’s hadden deze ashram tot een
216
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
lieflijke plaats gemaakt. Tamme herten en zwermen vo-gels vonden er hun thuis. Vele brahma-rishi’s bevonden zich daar en er kwamen ook dikwijls grote mannen die zichzelf gelouterd hadden door het beoefenen van onthoudingen en die straalden als vuur. En in deze prachtige omgeving was er een voortdurende toeloop van machtige mannen die geleken op Brahma en die slechts van water, lucht of gedroogde bladeren leefden. Zeer veel rishi’s en asceten waren daar - mannen met een grote zelfbeheersing, die nooit vertoornd raakten en hun zinnen beteugeld hadden - die zich alleen met vruchten en wortels in leven hielden en zich geheel en al overgaven aan gebed en het brengen van offers.”
Einde van Sarga 50 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
217
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
51 Visvamitra ontmoet Vasishtha
1. “De machtige Visvamitra was opgetogen om Vasishtha, ongeëvenaard in vedische recitatie, te zien en hij boog nederig voor hem.
2. De grote en heilige Vasishtha verwelkomde hem en odigde hem uit te gaan zitten.
n
3. Toen de wijze Visvamitra zat, bood de eminente wijze em volgens de traditie vruchten en wortels aan.
h
4-5. De machtige Visvamitra, die een groot koning was, nam Vasishtha’s eerbewijs aan en vroeg hem vervol-gens naar de voortgang van zijn geestelijke oefeningen, vuuroffers en leerlingen en ook hoe de machtige bomen in zijn heilige bos erbij stonden. Vasishtha antwoordde at het in alle opzichten goed ging.
d
6. Vasishtha, zoon van Brahma, een groot asceet en on-geëvenaard in vedische recitatie, vroeg op zijn beurt an koning Visvamitra, die daar in alle rust zat:
a
7. ‘Ik mag aannemen dat het u goed gaat, Majesteit. U bent een rechtschapen man, ik ben er zeker van dat u over uw onderdanen regeert zoals het een koning betaamt en dat u hen binnen de grenzen van recht-aardigheid laat leven in tevredenheid.
v
8. Zij worden, naar ik aanneem, goed verzorgd en gehoor-zamen uw bevelen. O held die uw vijanden vermorzelt,
218
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
ik vertrouw er ook op dat al uw vijanden overwonnen zijn.
9. Tijger onder de mensen en vloek van uw vijanden, ik verwacht tenslotte dat het goed gaat met uw leger, uw schatkist, uw bondgenoten en met uw zonen en leinzonen, o zondeloze.’
k
10. De beroemde koning Visvamitra antwoordde de ver-even Vasishtha nederig dat alles naar wens ging.
h
11. De twee rechtschapen mannen voerden toen geruime tijd een aangenaam gesprek met elkaar, waardoor ze eer op elkaar gesteld raakten.
z
12. Aan het eind van hun gesprek zei Vasishtha met een riendelijke glimlach tot Visvamitra:
v
13. ‘Machtig mens, ik wil u en uw leger gaarne gastvrijheid verlenen in overeenstemming met uw positie. Wees zo oed mijn uitnodiging aan te nemen.
g
14. Aanvaard dit onthaal, u bent een zeer voorname gast, ajesteit, en ik wil niets nalaten om u te eren.’
M
15. Nadat Vasishtha zo tot hem gesproken had, antwoord-de de wijze koning Visvamitra: ‘Alleen al door uw oorden hebt u mij deze eer bewezen.
w
16-17. U bent het die geëerd behoort te worden, o heilige, en toch hebt u mij op alle manieren eer betoond met dat-gene wat in uw ashram aanwezig is - vruchten en wortels, water om mijn voeten te wassen en mijn mond
219
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
te spoelen, en door mij toe te staan u te bezoeken. Ik zal nu gaan, wijze en heilige man, wees gegroet en blijf mij alstublieft welgezind.’
18. Ondanks deze woorden van de koning herhaalde Vasishtha, die zowel edel van geest als rechtvaardig as, met nadruk nog enige malen zijn uitnodiging.
w
19. Tenslotte gaf de zoon van Gadhi Vasishtha ten ant-woord: ‘Heel goed. Laat het zijn zoals u wenst, heilige n voortreffelijke wijze.’
e
20. Vasishtha, ongeëvenaard in recitatie en gereinigd van alle zonden, was opgetogen over dit antwoord en hij iep meteen zijn gevlekte koe bij zich.
r
21. ‘Kom Sabala! Kom vlug hier en luister naar mijn woorden! Ik heb besloten een feestmaal te bereiden, overvloedig en weelderig, als welkom voor de koning-ishi en zijn leger. Zorg daarvoor.
r
22. O hemelse koe die wensen vervult, tover terwille van mij alles tevoorschijn wat deze mensen verlangen - zoveel als zij maar willen, en laat het in alle zes smaken anwezig zijn.
a
23. Haast je, Sabala, want je moet voor een enorme hoe-veelheid voedsel zorgen zoals pittige rijst, dranken en heerlijke zoetigheden.’”
Einde van Sarga 51 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
220
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
52 Visvamitra wenst de koe Sabala
1. Satananda vervolgde: “Nadat de wensen-vervullende koe Sabala zo was toegesproken door de held Vasish-tha, o vernietiger van vijanden, produceerde ze zoveel ls iedereen maar wenste.
a
2. Ze maakte suikerriet en zoetigheid, gedroogd graan en wijnen, uitstekende likeuren, kostbare dranken en aller-ei soorten voedsel.
l
3. Ze maakte reusachtige bergen stomende rijst, gekruid oedsel, soepen en grote stromen dikke melk.
v
4. Er waren duizenden zilveren schalen, gevuld met aller-ei verrukkelijke desserts en bonbons.
l
5. Op deze manier, Rama, was Vasishtha in staat om de honger van het gehele leger van Visvamitra te stillen. Het leger was geheel verzadigd en iedereen was geluk-ig en voldaan.
k
6. Ook de koning-rishi Visvamitra, zijn vrouwen, brahma-en en huispriesters waren gelukkig en voldaan.
n
7. Hij werd vervuld met grote vreugde door de eer die hem, zijn ministers en raadgevers was betoond en hij prak tot Vasishtha:
s
8. ‘Brahmaan, u, aan wie alle eer toekomt, hebt mij harte-lijk ontvangen en mij grote eer bewezen. Maar luister, welsprekende wijze, want ik heb iets te zeggen.
221
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Alstublieft, geef mij Sabala in ruil voor honderdduizend koeien, want, heilige man, zij is waarlijk een juweel en juwelen behoren de koning toe. Daarom, brahmaan, moet u mij Sabala geven. Ze komt mij rechtens toe.’
10. Nadat de eminente, rechtvaardige en heilige wijze Vasishtha zo was toegesproken door Visvamitra, ant-oordde hij die heer der aarde:
w
11. ‘Uwe Majesteit, voor nog geen honderdduizend of zelfs een miljard koeien zou ik Sabala aan u geven - zelfs niet oor bergen zilver.
v
12. Want zij is even onafscheidelijk met mij verbonden als een goede reputatie met een man vol zelfbeheersing. Held die uw vijanden verslaat, Sabala verdient niet dat e van mij gescheiden wordt.
z
13. Want van haar zijn wij afhankelijk voor mijn offers aan de goden en de offers aan mijn overleden voorouders; en ook voor ons lichamelijk bestaan, evenals de vuur-offers, de dagelijkse bali- en homa-offers van rijst, graan n geklaarde boter.
e
14. Ook de rituele uitspraken svaha en vashat en de verschillende onderdelen van de wetenschap hangen alle van haar af, koning-rishi. Hierover bestaat geen wijfel.
t
15. Zij is waarlijk alles voor mij, zij geeft mij alles. Uwe Majesteit, er zijn vele redenen waarom ik u Sabala niet kan geven.’
222
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. De welsprekende Visvamitra werd alleen maar vast-houdender na deze woorden van Vasishtha en sprak:
17. “Ik zal u veertienduizend olifanten schenken met gou-den prikstokken en met gouden kettingen als buikriem en als nekband.
18. En ik zal u achthonderd gouden vierspanwagens ge-ven, afgezet met bellen en getrokken door witte paar-en.
d
19. Wijze, standvastig in uw geloften, ik zal u bovendien duizend en tien machtige paarden geven, opgegroeid in oede streken en uit edele rassen geboren.
g
20. En hier zal ik tien miljoen jonge koeien aan toevoegen, lk met een ander kleurpatroon. Geef mij nu Sabala.’
e
21. Na zo door de wijze Visvamitra te zijn toegesproken, antwoordde de heilige man: ‘Voor niets ter wereld zou k Sabala opgeven, Majesteit.
i
22. Want zij alleen is mijn juweel. Zij alleen is mijn rijkdom. ij alleen is alles voor mij, waarlijk, ze is mijn leven.
Z
23. Uwe Majesteit, alleen zij vertegenwoordigt voor mij de nieuwe maan- en volle maan-rituelen, de offers waar-voor ik vergoeding ontvang. Zij vertegenwoordigt alle verschillende rituele offerhandelingen.
223
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. Er is geen twijfel aan, Majesteit, dat al mijn rituele offers van haar afhangen. Maar wat is het nut van al dit zinloze gepraat? Ik zal de wensen-vervullende koe niet opgeven.’”
Einde van Sarga 52 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
224
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
53 Visvamitra neemt Sabala mee
1. “Toen nu de wijze Vasishtha de wensen-vervullende koe Sabala niet wilde afstaan, Rama, liet Visvamitra haar met geweld bij hem wegslepen.
2. Nadat de grote koning Sabala had laten wegvoeren, o Rama, werd zij overmand door verdriet en vroeg zich f:
a
3. ‘Zou de grote Vasishtha mij in de steek hebben gelaten, dat dienaren van de koning mij weghalen, hoewel ik anhopig en vreselijk ongelukkig ben?
w
4. Wat voor kwaad heb ik de grote en heilige rishi toch aangedaan dat deze rechtvaardige man niet meer naar mij omziet; naar mij, zijn lieveling? Ik ben onschuldig n ik ben hem zo toegewijd!’
e
5. Dit overwegend, zuchtte zij herhaaldelijk en rende toen peens terug naar de weergaloos machtige Vasishtha.
o
6. Honderden dienaren van zich afschuddend, o vijanden verpletterende held, vloog ze zo snel als de wind naar eze grootmoedige man.
d
7. Bescherming zoekend bij Vasishtha, stond Sabala voor em en loeide met donderend geluid. In tranen riep ze:
h
8. ‘Heilige zoon van Brahma, hebt u mij verstoten, dat de mannen van de koning mij zomaar bij u kunnen weg-halen?’
225
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Na haar woorden troostte de brahma-rishi haar als was zij zijn eigen zuster, die verteerd werd door verdriet:
10. ‘Ik heb je niet in de steek gelaten, Sabala, en jij hebt mij ook geen enkel kwaad gedaan. Deze machtige koning heeft je met geweld van me weggehaald.
11. Mijn kracht is niet opgewassen tegen die van de koning, en zeker vandaag niet. Hij is immers een machtige shatriya heerser, de gebieder der aarde.
k
12. Zie, daar is zijn hele leger met een grote hoeveelheid paarden en strijdwagens, een gewoel van olifanten en apperende banieren. Daardoor is hij sterker dan ik.’
w
13. Op deze woorden van Vasishtha gaf Sabala de onmete-lijk stralende brahma-rishi welsprekend en toch nederig en antwoord:
t
14. ‘Men zegt dat een kshatriya geen werkelijke macht bezit en dat een brahmaan in feite machtiger is. O brah-maan, de macht van een brahmaan is goddelijk en veel roter dan die van kshatriya’s.
g
15. Uw macht is onmetelijk. Visvamitra is wel zeer krachtig, maar niet machtiger dan u. Uw macht is onbe-wistbaar.
t
16. Geef mij slechts het bevel, o machtige man, en vervuld van de macht van de brahmanen, zal ik de kracht en rots van deze boosaardige man vermorzelen.’
t
17. Toen zij hem zo toesprak, Rama, zei de zeer befaamde
226
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Vasishtha: ‘Schep een leger om de legers van mijn vij-and te vernietigen.’
18. Daarop, beschermer der mensen, liet Sabala een donde-rend gebrul horen: ‘Humbha!’ en daaruit werden vele honderden Pahlava’s geboren die Visvamitra’s leger oor zijn ogen vernietigden.
v
19. Maar razend van woede en met wijdopen gesperde ogen doodde de koning deze Pahlava’s met allerlei apens.
w
20. Toen zij zag dat de Pahlava’s bij honderden tegelijk door Visvamitra werden verslagen, schiep de koe een nieuwe legermacht bestaande uit vreselijke Shaka’s en avana’s.
Y
21. Dit gemengde leger was zo groot dat het de hele aarde bedekte. Schitterend en immens machtig straalden de Shaka’s en Yavana’s als even zovele gouden meeldra-en van bloemen.
d
22. Met lange zwaarden en scherpe lansen, en gekleed in gouden gewaden, vaagden zij, als waren zij een laaiend uur, het gehele leger van de koning weg.
v
23. Toen wierp de machtige Visvamitra al zijn wapens in de strijd en vernietigde ook deze legers.”
Einde van Sarga 53 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
227
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
54 De strijd om Sabala
1. Satananda ging verder: “Toen Vasishtha zag dat de legers van de koe opnieuw overrompeld en overwel-digd werden door de wapens van Visvamitra, beval hij: ‘Wensen-vervullende koe, maak nog meer legers met je oga macht.’
y
2. Door te loeien: ‘Humbha!’ kwamen Kamboja’s zo schit-terend als de zon tevoorschijn, terwijl uit haar uiers ewapende Pahlava’s kwamen.
g
3. Uit haar vulva kwamen Yavana’s, uit haar anus Shaka’s en uit de poriën van haar huid Mleccha’s, Harita’s en irata’s.
K
4. In een oogwenk, vreugde van de Raghu’s, werd het hele leger van Visvamitra vernietigd, met zijn voetvolk, lifanten, paarden en strijdwagens.
o
5-6. Toen de honderd zonen van Visvamitra zagen dat hun leger vernietigd was door de grote Vasishtha, de beste in het reciteren van de Veda’s, namen zij allerlei wa-pens ter hand en vielen hem woedend aan. Maar de grote rishi liet slechts de syllabe ‘Hum’ klinken en zie, llen werden verschroeid.
a
7. Zo liet de grote Vasishtha in één seconde de zonen van Visvamitra, zijn paarden, strijdwagens en de hele infan-erie in rook opgaan.
t
228
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. De befaamde Visvamitra werd door schaamte over-weldigd toen hij zag dat zijn zonen en legers vernietigd waren, en hij verzonk in droevig gepeins.
9. Zoals een oceaan die door windstilte overvallen wordt, als een slang waarvan de giftanden gebroken worden, als een zon die verduisterd wordt door een eclips, zo as hij plotseling van zijn schittering beroofd.
w
10. Nu zijn zonen en leger verslagen waren, voelde hij zich machteloos, als een vogel wiens vleugels gekortwiekt zijn. Nu zijn trots gebroken was en zijn kracht onder-raven, werd hij door zwaarmoedigheid overmand.
g
11. Hij maakte zijn enige zoon die nog in leven was koning en zei: ‘Regeer over de aarde overeenkomstig de plicht van een kshatriya’, waarna hij zonder uitstel het woud ntrok.
i
12. Hij ging naar de hellingen van de Himalaya waar veel kinnara’s en slangen leven en daar deed deze grote asceet boete om de gunst van de machtige god Siva te innen.
w
13. Na enige tijd verscheen die heer der goden en schenker van gunsten, wiens symbool de stier is, aan de grote ijze Visvamitra.
w
14. Hij sprak: ‘Wat is het doel van uw onthoudingen, Majesteit? Spreek vrijuit! Noem de gunst die u verlangt, k ben immers degene die ze verleent.’
i
229
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Op deze woorden van de grote god Siva wierp de grote asceet Visvamitra zich languit ter aarde en sprak:
16. ‘Indien u, grote zondeloze god, tevreden over mij bent, onderwijst u mij dan alstublieft in de leer van wapens en alle mogelijke eigenschappen daarvan en in de ge-eime kennis over het gebruik van deze wapens.
h
17. O zondeloze Siva, schenk mij kennis over alle wapens die bekend zijn bij de goden, de danava’s, de grote ishi’s, de gandharva’s en de yaksha’s.
r
18. Moge door uw genade, god der goden, mijn wens in vervulling gaan.’ De heer der goden sprak: ‘Zo zij het’, n keerde terug naar de hemel.
e
19. Maar de machtige koning-rishi werd door die wapens og hoogmoediger dan hij al was.
n
20. Zoals de oceaan bij volle maan, zo zwol zijn machts-gevoel en hij hield de eminente rishi Vasishtha al voor o goed als dood.
z
21. Hij keerde terug naar de ashram van Vasishtha en vuurde zijn krachtige wapens af, waardoor het hele eilige bos van de asceet in vlammen opging.
h
22. Toen de wijzen de wapens zagen die door Visvamitra werden afgevuurd, sloeg hun de schrik om het hart en bij honderden tegelijk vluchtten zij weg in alle richtin-en.
g
230
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. Ook de leerlingen van Vasishtha, de dieren en de vogels waren bang voor het gevaar en vluchtten bij duizenden in alle richtingen.
24-25. Vasishtha riep voortdurend: ‘Wees niet bang! Ik zal de zoon van Gadhi vernietigen zoals de zon de mist oplost.’ Toch was de ashram van de grote Vasishtha in en oogwenk zo stil en verlaten als een woestijn.
e
26. Toen sprak de machtige Vasishtha, ongeëvenaard in het eciteren van de Veda’s, toornig tot Visvamitra:
r
27. ‘O dwaas, zo verdorven is uw gedrag dat u een sinds lang bloeiende ashram hebt vernietigd en daarom zult sterven.’
u
28. In grote woede hief hij snel zijn staf, zoals de staf van Kala, de god van de dood zelf, en hij stond daar als het rookloze vuur dat een eind aan de wereld maakt.”
Einde van Sarga 54 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
231
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
55 De macht van een kshatriya
1. Satananda vertelde verder: “Toen Vasishtha zo tegen hem sprak, vuurde de machtige Visvamitra het Agni wapen af en schreeuwde: ‘Blijf staan! Loop niet weg!’
2. Woedend zei toen de heilige Vasishtha:
3. ‘Hier ben ik! Alleen in naam bent u een kshatriya! Laat mij nu maar eens zien hoe machtig u werkelijk bent. Zoon van Gadhi, ik zal de wapens waar u zo trots op ent verpletteren.
b
4. Wat is uw kshatriya kracht vergeleken met de onmete-lijke macht van een brahmaan? U maakt de kshatriya’s te schande en u zult nu getuige zijn van de goddelijke acht waarover ik als brahmaan beschik.’
m
5. En zo werd het grote en vreselijke Agni wapen dat door de zoon van Gadhi was afgeschoten, door de staf van de brahmaan onschadelijk gemaakt, zoals een fel laai-nd vuur door water wordt geblust.
e
6-10. Woedend vuurde de zoon van Gadhi toen de volgende wapens af: Varuna, Raudra, Aindra, Pasupata, Aishika, Manava, Mohana, Gandharva, Svapana, Jrimbhana, Mohana, Samtapana, Vilapana, Soshana, Darana, de on-weerstaanbare Vajra, de stroppen van Brahma, van Kala en van Varuna, het zo begeerde wapen Pinaka, de bliksemschichten Sushka en Ardra, het Danda wapen, de wapens Paisaka en Kraunca, de discus van Dharma,
232
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
van Kala en van Vishnu, en de wapens Vayavya, Ma-thana en Hayasiras.
11-13. Toen wierp hij een paar speren, de Kankala en de Musala, dat grote wapen, Vaidyadhara, het afschuwe-lijke werptuig van Kala, het vreselijke Trisula wapen, de Kapala en de Kankana. Waarlijk, o vreugde van de Raghu’s, al deze wapens wierp hij naar Vasishtha, de grootste in het reciteren van de Veda’s. Maar toen gebeurde er iets verbazingwekkends: de zoon van rahma vernietigde ze allemaal met zijn staf.
B
14-15. Nadat al deze wapens onschadelijk waren gemaakt, bracht Vishvamitra, de vreugde van Gadhi, het Brahma wapen in de strijd. Toen dat wapen geheven werd, verstijfden de goden van angst, met Agni voorop, en eveneens de goddelijke rishi’s, de gandharva’s en de grote slangen. Toen het Brahma wapen werd gelan-eerd, sidderden de drie werelden.
c
16. Maar, Raghava, door zijn macht als brahmaan verslond Vasishtha zelfs het grote en verschrikkelijke Brahma apen met zijn brahmanenstaf.
w
17. Nadat hij het Brahma wapen had ontkracht, werd Vasishtha’s verschijning zo woest en afschrikwekkend at de drie werelden verbijsterd waren.
d
18. Want als een vonkenregen ontsprongen rokende tongen van vuur uit iedere porie van het lichaam van de grote asishtha.
V
233
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
19. Als een tweede staf van Yama, zo vlamde zijn opgehe-ven brahmanenstaf, als het rookloze vuur dat de wereld doet vergaan.
20. Toen prees de grote schare wijzen Vasishtha, ongeëve-naard in het reciteren van de Veda’s: ‘Brahmaan, uw krachten zijn onbegrensd. Houd ze toch in bedwang oor uw macht.
d
21. Brahmaan, u hebt de grote asceet Visvamitra verslagen. Wees toch genadig, beste van allen die de Veda’s reci-eren, bevrijd de werelden van deze vrees.’
t
22. Na deze woorden dwong de machtige asceet zich tot almte. Visvamitra zuchtte in zijn vernedering en zei:
k
23. ‘De macht van een kshatriya stelt niets voor. Alleen de fijne energie van een brahmaan geeft werkelijke macht. Al mijn wapens zijn vernietigd door één enkele brah-anenstaf.
m
24. Daarom zal ik, als ik dit alles goed heb overwogen en mijn geest en zinnen weer onder beheersing heb, grote onthoudingen gaan beoefenen, want dat alleen zal mij tot een brahmaan maken.’”
Einde van Sarga 55 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
234
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
56 De wens van Trisanku
1-2. “En zo, Raghava, begon de vete tussen de machtige as-ceet Visvamitra en de grote Vasishtha. Terneergeslagen door de herinnering aan zijn nederlaag en herhaaldelijk zuchtend, reisde Visvamitra vergezeld van zijn konin-gin naar het zuiden. Daar aangekomen begon hij zijn buitensporige en ontzagwekkende ascese. Hij at slechts ruchten en wortels, en beheerste zijn zinnen.
v
3. Na verloop van tijd werden hem verscheidene zonen geboren. Dit waren: Havishpanda, Madhushpanda, Dridhanetra en Maharatha, en zij stelden zich in dienst an waarheid en rechtvaardigheid.
v
4. Toen er ruim duizend jaar zo voorbijgegaan was, sprak Brahma, de grootvader der werelden, vriendelijk tot de scetische Visvamitra:
a
5. ‘Zoon van Kusika, door uw onthoudingen hebt u de werelden bereikt waar koning-rishi’s naar uitzien. Op rond van uw ascese erkennen we u als koning-rishi.’
g
6. Na deze woorden ging de machtige, opperste Heer van alle werelden eerst samen met de goden naar de hemel, om vervolgens naar zijn eigen rijk, de Brahmaloka, te aan.
g
7. Visvamitra echter, werd na Brahma’s woorden zeer mismoedig. Hij boog vol schaamte het hoofd en ver-vuld van groot verdriet sprak hij:
235
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. ‘Ik heb de zwaarste onthoudingen volbracht en toch be-schouwen alle goden en rishi’s mij slechts als een ko-ning-rishi. Ik vind dit geen passende beloning voor mijn ascese.’
9. Toen hij tot deze slotsom gekomen was, Kakutstha, begon deze grote asceet, die al zoveel beheersing had tentoongespreid, opnieuw aan de meest verregaande nthoudingen.
o
10. In diezelfde tijd was er een afstammeling van de Iksh-vaku’s, Trisanku genaamd. Hij had zijn zinnen over-onnen en sprak de waarheid.
w
11. Op een keer, Raghava, kwam het volgende plan bij Trisanku op: ‘Ik zal een zodanig offer brengen dat ik in dit lichaam op zal stijgen naar de hoogste verblijfplaats an de goden.’
v
12. Hij riep Vasishtha bij zich en vertelde hem van zijn plan, maar de grote Vasishtha zei hem ronduit: ‘Dat is nmogelijk.’
o
13. Omdat Vasishtha hem hulp weigerde, ging Trisanku naar het zuiden, waar de zonen van Vasishtha vol vergave zeer langdurige ascese beoefenden.
o
14. Daar zag de machtige Trisanku de honderd beroemde zonen van Vasishtha, omgeven door een stralend licht, ie daar hun onthoudingen volvoerden.
d
15. De machtige koning naderde de grote zonen van zijn
236
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
goeroe in schaamte, met licht gebogen hoofd en hij begroette hen zoals het hoort. Daarna bracht hij zijn handen eerbiedig samen en richtte zich tot hen allen:
16. ‘Ik zoek mijn toevlucht tot u, want u alleen kunt mij bescherming geven. O gezegenden, Vasishtha heeft mij fgewezen.
a
17. Ik wens een groot offer te brengen. Sta mij dit toch toe! Ik buig mij neer voor de zonen van mijn goeroe om hun unst te verkrijgen.
g
18. Met gebogen hoofd richt ik mij smekend tot u, brah-manen, die standvastig in uw onthoudingen bent. Als-tublieft, voer toch samen voor mij een offer uit, opdat ik n dit lichaam de wereld der goden zal bereiken.
i
19. Daar Vasishtha mij heeft afgewezen, asceten, bent u, onen van mijn goeroe, mijn enige toevlucht.
z
20. Onze familiepriester is altijd de hoogste autoriteit ge-weest voor alle Ikshvaku’s. Na hem bent u dit voor mij.’”
Einde van Sarga 56 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
237
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
57 Trisanku vervloekt
1. Satananda vervolgde zijn verhaal: “Toen de honderd zonen van de rishi de woorden van Trisanku hoorden, Rama, werden ze woedend en antwoordden de koning:
2. ‘Dwaas! Uw goeroe, die altijd de waarheid spreekt, heeft uw verzoek afgewezen. Hoe waagt u het hem te egeren en naar iemand anders te gaan?
n
3. Uw familiepriester is altijd de hoogste autoriteit voor de alle Ikshvaku’s geweest. Het is onmogelijk tegen het oord van hem die de waarheid spreekt in te gaan.
w
4. Als de heilige rishi Vasishtha u gezegd heeft dat dit onmogelijk is, hoe kunnen wij dit offer van u dan op ns nemen?
o
5. Wees niet zo dwaas, beste der mensen! Ga nu terug naar uw stad. Majesteit, de heilige rishi Vasishtha is immers in staat een offer te volbrengen waardoor hij eerser wordt over de drie werelden.’
h
6. Toen Trisanku deze woorden hoorde, die zij in hun woede onduidelijk uitspraken, richtte hij zich nogmaals ot hen:
t
7. ‘Zo! Ik word dus afgewezen door zowel mijn goeroe als door zijn zonen. Het is fraai! Maar goed, ik zal wel een ndere manier vinden. Asceten, ik groet u!’
a
8. Bij het horen van deze verschrikkelijke woorden wer-
238
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
den de zonen van de rishi razend. Zij vervloekten Tri-sanku en beten hem toe: ‘Een paria zul je worden!’ En vervolgens gingen deze grote mannen hun ashram binnen.
9. Toen de nacht voorbij was, bleek de koning veranderd te zijn in een paria. Hij had een donker, grof lichaam gekregen met warrige haren en zwarte kleding. Zijn sieraden waren van ijzer en hij droeg bloemslingers die, net als de zalf waarmee hij was ingesmeerd, afkomstig aren van de crematieplaats.
w
10. Toen zij de koning zo in de gedaante van een paria zagen, Rama, lieten de bewoners van de stad en zelfs zijn raadslieden en hovelingen hem aan zijn lot over en amen de benen.
n
11. De koning was door iedereen verlaten, o Kakutstha. Dag en nacht werd hij gekweld, maar toch wist hij zich volkomen te beheersen en hij besloot naar de asceet isvamitra te gaan.
V
12. De wijze Visvamitra kreeg diep medelijden met Trisan-u toen hij die gevallen koning zo ontluisterd zag.
k
13. Door dit medelijden bewogen, gezegende Rama, sprak de machtige en zeer rechtschapen wijze tot de koning, ie er weerzinwekkend uitzag:
d
14. ‘Wat voert u hierheen, machtige vorst? Heldhaftige heer van Ayodhya, door een vervloeking bent u een paria geworden.’
239
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Bij het horen van deze woorden vouwde de welspre-kende paria-koning zijn handen in eerbied samen en zei tot Visvamitra, die ook een befaamd spreker was:
16. ‘Zowel door mijn goeroe Vasishtha als door de zonen van mijn goeroe ben ik afgewezen. Ik moet deze ver-schrikking ondergaan zonder dat mijn wens in vervul-ing is gegaan.
l
17. Het was namelijk mijn droom, o wijze, om in dit lichaam naar de hemel te gaan. Honderd offers heb ik olbracht en niets heb ik erdoor gewonnen.
v
18. Ik heb nooit gelogen en zal dat ook nooit doen, hoewel ik het zwaar te verduren heb, genadige heer. Dit zweer k u bij de eer van een kshatriya.
i
19. Ik heb velerlei offers gebracht, mijn onderdanen recht-vaardig geregeerd en mijn grote goeroes door mijn eugdzaam gedrag tevreden gesteld.
d
20. Hoewel ik voortdurend rechtvaardigheid nastreef, stier onder de wijzen, en offers wens te volbrengen, zijn mijn eermeesters toch niet tevreden.
l
21. Daarom denk ik dat alleen het lot oppermachtig is en menselijke inspanning tevergeefs. Alles wordt bepaald oor het lot. Het lot is ons uiteindelijke toevluchtsoord.
d
22. Toon mij uw genade, in mijn bittere smart rest mij niets anders. Het lot heeft al mijn goede werken teniet ge-daan.
240
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. Ik zal geen andere weg zoeken, u bent mijn laatste toe-vlucht. Ik smeek u, probeer toch door menselijke in-spanning de kracht van het lot te overwinnen!’”
Einde van Sarga 57 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
241
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
58 Hulp van Visvamitra
1. “Toen de koning zo gesproken had, kreeg de zoon van Kusika medelijden met hem en hij sprak Trisanku rechtstreeks en vriendelijk toe, ook al zag hij eruit als en paria:
e
2. ‘Wees welkom, Ikshvaku, mijn zoon. Ik weet dat u een rechtschapen man bent. Vrees niet, stier onder de ko-ingen, ik zal uw toevlucht zijn.
n
3. Majesteit, ik zal alle grote rishi’s bijeenroepen, heilig in al hun handelingen, opdat zij mij bijstaan in dit offer. an kunt u vrij van alle zorgen uw offer volbrengen.
D
4. U zult in dit lichaam, zoals het door de vervloeking van w goeroe veranderd is, naar de hemel opstijgen.
u
5. Heer der mensen, ik voel dat de hemel al binnen uw be-reik is, want u hebt tot mij, een Kausika, uw toevlucht enomen en ik kan u zeker helpen.’
g
6. Na deze woorden gaf deze machtige man instructies aan zijn wijze en rechtschapen zonen, betreffende de oorbereidingen voor het offer.
v
7-8. Toen riep hij al zijn leerlingen bijeen en sprak tot hen: ‘Mijn zonen, op mijn gezag moeten jullie alle waarlijk geleerde mannen hier bijeen brengen, de eersten onder de rishi’s, met hun leerlingen en dienstdoende priesters, llen die ons welgezind zijn.
a
242
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. En als iemand na het horen van mijn machtige woorden ook maar iets oneerbiedigs zegt, dan moeten jullie dat woord voor woord aan mij overbrengen, zonder iets daarvan te verzwijgen.’
10. Hierop volgden zij zijn aanwijzingen en verspreidden zich in alle richtingen. En zo gebeurde het dat vedische geleerden uit alle delen van het land daar bijeenkwa-en.
m
11. Zijn leerlingen kwamen terug bij die vurig stralende wijze en berichtten Visvamitra wat de vedische ge-eerden hadden gezegd:
l
12. ‘Op uw oproep verzamelen zich brahmanen in alle de-len van het land. Ze komen allemaal, behalve Maho-aya.
d
13. Maar luister nu, stier onder de wijzen, wat de honderd zonen van Vasishtha zeiden, die zo woedend waren dat ij over hun woorden struikelden:
z
14. ‘Hoe kunnen de goden en rishi’s in een offerbijeen-komst deelnemen aan de plechtigheid van een man wiens offerpriester een kshatriya is, en dat nog wel erwijl hijzelf een paria is?
t
15. Biedt de bescherming van deze Visvamitra de grote brahmanen soms voldoende zekerheid dat zij naar de hemel zullen gaan, zelfs wanneer ze het voedsel van en paria gegeten hebben?’
e
243
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Dit waren de minachtende woorden, o tijger onder de wijzen, die Mahodaya en alle zonen van Vasishtha uit-spraken, met rooddoorlopen ogen.’
17. Toen de stier onder de wijzen dit hoorde, spuwden zijn eigen ogen vuur en hij sprak vertoornd:
18. ‘Omdat zij zich schamper uitlaten over mij, die op grond van onthoudingen achting verdient, zullen deze erachtelijke creaturen stellig tot as verteerd worden.
v
19. Vandaag heeft de strop van Kala hen gebracht naar het huis van Vaivasvata, de heer van de dood. Mogen zij llen gedurende zevenhonderd levens aaseters zijn.
a
20. Mogen zij door de wereld dolen als Mushtika’s, lage, afschrikwekkende verschoppelingen, die zich met wal-gelijke zaken bezighouden en zich voeden met honden-lees.
v
21. En ook de boosaardige Mahodaya spreekt kwaad van mij, terwijl ik dat niet verdien. Laat hij een stamlid van e Nishada’s worden, veracht door alle volkeren.
d
22. Hij is meedogenloos en alleen uit op het vernietigen van leven. Omdat hij mij zo tergt, zal zijn leven zich in rote ellende voortslepen.’
g
23. Nadat de grote wijze Visvamitra deze vervloekingen temidden van de rishi’s had uitgesproken, zweeg hij.”
Einde van Sarga 58 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
244
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
59 Trisanku in de hemel
1. “Nadat de machtige Visvamitra Mahodaya en de zonen van Vasishtha met de kracht van zijn ascese in het verderf had gestort, sprak hij temidden van de rishi’s:
2. ‘Hier staat Trisanku, een vroom en edelmoedig afstam-meling van Ikshvaku. Omdat hij in zijn lichaam de wereld der goden wenst binnen te gaan, heeft hij tot mij ijn toevlucht moeten nemen.
z
3. Heilige mannen, laten wij een zodanig offer brengen dat hij in zijn eigen lichaam zal opstijgen naar de we-eld van de goden.’
r
4. Toen zij Visvamitra’s woorden hoorden, kwamen alle grote rishi’s, die wisten wat juist was, bijeen en spraken nderling deze rechtvaardige woorden:
o
5. ‘Deze wijze, de erfgenaam van Kusika, is een buiten-gewoon opvliegend man. Het lijdt geen twijfel dat wij ijn bevelen goed moeten opvolgen, welke die ook zijn.
z
6. Want deze heilige man is als vuur. Als hij in woede ont-steekt, zal hij ons zeker vervloeken. Laat het offer dus beginnen, opdat Trisanku, de erfgenaam van de Ikshva-ku’s, in dit lichaam naar de hemel moge gaan door de acht van Visvamitra.’
m
7. Vervolgens riepen zij: ‘Laat het offer beginnen’, en amen er allen aan deel.
n
245
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Na deze woorden voerden de grote rishi’s de verschil-lende rituele handelingen uit. Maar de voornaamste offerpriester was de machtige Visvamitra zelf.
9. De offerpriesters, bedreven in het reciteren van de Veda’s, voerden alle rituelen uit onder begeleiding van vedische gezangen, in de juiste volgorde en volgens de oorgeschreven regels en gebruiken.
v
10. Na een lange tijd riep de grote asceet Visvamitra de oden op hun deel tot zich te nemen.
g
11. Maar hoewel zij werden opgeroepen om hun deel te omen halen, kwam geen der goden.
k
12. De grote wijze Visvamitra werd woedend. Razend stak hij een offerlepel omhoog en zei tegen Trisanku: ‘Heer over mensen, zie de macht van mijn ascese die ik gelei-elijk verwierf.
d
13. Met behulp van deze onmetelijke kracht zal ik u nu met lichaam en al naar de hemel leiden. Stijg dus in dit lichaam op naar de hemel, heer der mensen, hoe moei-ijk dat ook moge zijn.
l
14. Want door mijn ascese heb ik enige verdienste vergaard en door de kracht daarvan, Majesteit, zult u in dit ichaam naar de hemel opstijgen.’
l
15. Nauwelijks had de wijze deze woorden uitgesproken, Kakutstha, of de heer der mensen steeg vlak voor ieders gen in zijn lichaam op naar de hemel.
o
246
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Toen nu Indra, de kastijder van de demon Paka, zag dat Trisanku in de wereld der goden was aangekomen, zei hij, en met hem alle andere goden:
17. ‘Ga terug, Trisanku. Er is voor u geen plaats in de hemel. Dwaas, u bent te gronde gericht door de ver-vloeking van uw goeroe. Val met uw hoofd naar eneden terug op de aarde!’
b
18. Door deze woorden van de grote heer Indra viel Trisan-ku naar beneden, schreeuwend naar de asceet Visva-itra: ‘Help, red me!’
m
19. Kausika hoorde hem roepen. Een hevige woede maakte ich van hem meester en hij riep: ‘Stop, stop!’
z
20-21. De beroemde en machtige wijze stond daar temidden van de rishi’s. Buiten zichzelf van razernij schiep hij in de zuidelijke hemel een geheel nieuwe reeks sterren-beelden. Hij geleek een tweede Brahma, Heer van de schepselen, zoals hij aan de zuidelijke hemel een nieuw terrenbeeld schiep, ‘de Zeven Rishi’s’.
s
22. Toen hij deze nieuwe sterrenbeelden had geschapen, sprak hij, ziedend van drift: ‘Ik zal een tweede Indra scheppen, of misschien moet de wereld het maar zon-der Indra doen.’ En in zijn woede begon hij zelfs goden e scheppen.
t
23. Hierop raakten de stieren onder de goden en de rishi’s ernstig verontrust en zij spraken tot de grote Visvamitra om hem te kalmeren:
247
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
24. ‘O roemrijke asceet, deze koning is in het verderf ge-stort door de vervloeking van zijn goeroe; hij verdient het niet om in zijn lichaam de hemel binnen te gaan.’
25. Bij het horen van deze woorden van de goden, ant-woordde Kausika, de stier onder de wijzen, in diepe ernst:
26. ‘Wees gezegend, maar weet, dat ik koning Trisanku plechtig beloofd heb dat hij in zijn lichaam naar de emel zou opstijgen. Die belofte moet ik gestand doen.
h
27. Trisanku zal in zijn lichaam voor eeuwig in de hemel blijven. En ook zullen al mijn sterrenbeelden blijven estaan.
b
28. Ja, alles wat ik geschapen heb, zal blijven bestaan zo-lang de werelden bestaan. O goden, er rest u niets nders dan hiermee in te stemmen.’
a
29. Toen zij op deze wijze waren toegesproken, antwoord-en alle goden de stier onder de wijzen:
d
30-31. ‘Zo zij het dan, en wees gezegend. Laat al uw sterren-beelden aan de hemel blijven staan, buiten de baan van de zon, die op alle mensen schijnt. En, beste der wijzen, laat Trisanku, helder stralend als een god, daar zo met het hoofd naar beneden blijven staan als een van die tralende sterren.’
s
32. Geprezen door alle goden en rishi’s antwoordde de rechtschapen en machtige Visvamitra: ‘Zo zal het zijn.’
248
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
33. Toen het offer volbracht was, o beste van de mensen, vertrokken de goden en de grote ascetische wijzen, zo-als ze gekomen waren.”
Einde van Sarga 59 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
249
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
60 Het paardenoffer van Ambarisha
1. Satananda vervolgde: “Toen de grote Visvamitra zag dat de rishi’s vertrokken waren, o tijger onder de men-sen, sprak hij tot alle bewoners van het woud:
2. ‘Onze ascese hier in het zuiden is nu verstoord; we zullen naar een ander gebied gaan en daar onthouding eoefenen.
b
3. O grote wijzen, laten wij gaan om onze onthoudingen ongestoord voort te zetten in Pushkara, in het dun-bevolkte westen. Dat is het beste van alle wouden voor sceten.’
a
4. Na deze woorden ondernam de grote en machtige wijze strenge en zware onthoudingen in Pushkara, ter-ijl hij zich met wortels en vruchten in leven hield.
w
5. Het was in die tijd dat de heer van Ayodhya, een oning genaamd Ambarisha, een offer bracht.
k
6. Maar terwijl er al een begin was gemaakt met de ceremoniën, roofde Indra het offerdier. Omdat dat ver-wenen was, zei de priester tegen de koning:
d
7. ‘O Majesteit, door uw zorgeloosheid is vandaag het offerdier gestolen. Heer over de mensen, wanneer een koning hiertegen geen voorzorgsmaatregelen neemt, ordt hij door zulke nalatigheden ten gronde gericht.
w
8. Stier onder de mensen, er is maar één manier om deze
250
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
fout weer goed te maken. Dit is werkelijk een zeer ernstige situatie. Terwijl het ritueel nog gaande is, moet u snel het dier terugvinden, of het vervangen door een mens.’
9. Toen hij deze woorden van zijn leermeester hoorde, probeerde de wijze koning een slacht-offer te vinden in uil voor duizenden koeien.
r
10-11. Nu gebeurde het, vreugde van de Raghu’s, mijn zoon, terwijl hij in vele streken, landen, steden, bossen en heilige ashrams zocht, dat de koning in Bhrigutunda de brahmaan Ricika ontmoette, die daar zat met zijn rouw en zonen.
v
12. De machtige en onmetelijk stralende koning-rishi boog diep, eer bewijzend aan de brahma-rishi Ricika, die door zijn onthoudingen gloeide van innerlijk vuur. Nadat koning Ambarisha had geïnformeerd naar zijn elzijn in alle opzichten, zei hij:
w
13. ‘O befaamde Bhargava, als u mij voor honderdduizend koeien uw zoon wilt verkopen, zodat hij mijn offer kan ijn, dan zal ik mijn doel bereikt hebben.
z
14. Want ik heb door alle landen gezworven en ik heb nog steeds geen geschikt slacht-offer gevonden. Ik vraag u, wees zo goed mij tegen betaling één van uw zonen te even.’
g
15. De machtige Ricika zei daarop: ‘Beste der mensen, voor niets ter wereld zou ik mijn oudste zoon verkopen.’
251
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Toen zijn echtgenote, de moeder van zijn grote zonen, de woorden van Ricika hoorde, sprak de ascetische vrouw tot Ambarisha, die tijger onder de mensen:
17. ‘Majesteit, u moet beseffen dat ook ik een lieveling heb: Sunaka, mijn jongste zoon.
18. Want zoals vaders gewoonlijk het meeste van de oudste zoon houden, zo houden moeders het meeste van de ongste. Daarom zal ik mijn jongste zoon niet afstaan.’
j
19. Na deze woorden van de wijze en zijn vrouw sprak de iddelste zoon, Sunahsepa, uit eigen beweging:
m
20. ‘Mijn vader zegt dat de oudste zoon niet verkocht kan worden en mijn moeder zegt hetzelfde van de jongste. Ik maak hieruit op dat de middelste zoon verkocht ordt. Voer mij dus weg, o vorst.’
w
21. En zo, vreugde van de Raghu’s, vertrok de heer der mensen, opgetogen dat hij voor honderdduizend koei-n Sunahsepa had verkregen.
e
22. Snel liet hij Sunahsepa in zijn wagen plaatsnemen en toen ging de befaamde en machtige koning-rishi er met grote haast vandoor.”
Einde van Sarga 60 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
252
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
61 Sunahsepa gered
1. “Met Sunahsepa bij zich, o vreugde van de Raghu’s, beste van de mensen, hield de beroemde koning rond het middaguur een rustpauze te Pushkara.
2. Terwijl de koning rustte, wandelde Sunahsepa naar het rachtige Pushkara-meer, waar hij Visvamitra zag.
p
3. Sunahsepa was terneergeslagen en hij voelde zich ellendig van dorst en vermoeidheid, Rama. Hij wierp ich in de armen van de wijze Visvamitra en riep:
z
4. ‘Ik heb geen moeder en geen vader, zelfs geen bloed-verwant om mij terzijde te staan. O vriendelijke heer, stier onder de wijzen, red mij toch, als dat op een recht-aardige manier mogelijk is.
v
5-6. Want u bent een redder, beste der wijzen, en een steun voor allen. Bescherm mij, die geen beschermer heeft, vanuit uw stille geest. Moge daarbij de koning zijn doel bereiken en moge ik de hemel bereiken na een lang en gezond leven en het uitvoeren van onovertroffen ont-houdingen. O rechtschapen man, red mij uit deze ampspoed zoals een vader zijn zoon zou redden.’
r
7. Toen hij dit hoorde, troostte de grote Visvamitra hem en stelde hem gerust. Toen wendde hij zich tot zijn igen zonen en sprak:
e
253
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. ‘Vaders die naar het goede streven, verwekken zonen terwille van hun eigen welzijn in de volgende wereld. De tijd is nu gekomen om dat doel in vervulling te laten gaan.
9. Deze jongen, de zoon van een wijze, zoekt bij mij zijn toevlucht. Mijn zonen, jullie moeten hem een dienst ewijzen ten koste van je eigen leven.
b
10. Jullie zijn allen je plichten goed nagekomen en hebben rechtvaardigheid als hoogste doel. Nu moeten jullie het slacht-offer van de heer der mensen zijn om het heilige uur te verzadigen.
v
11. Op deze manier zal Sunahsepa een beschermer hebben, zal het offer zonder belemmering voltrokken worden, zullen de goden tevreden zijn en wordt mijn woord ge-tand gedaan.’
s
12. Maar, beste van de mensen, de zonen van de wijze, Madhushyanda en de anderen, antwoordden hem op anmatigende en oneerbiedige toon:
a
13. ‘Hoe is het mogelijk, heer, dat u uw eigen zonen in de steek wilt laten om de zoon van een ander te redden? Wij beschouwen dat als een verboden handeling, net als et eten van hondenvlees.’
h
14. Toen de stier onder de wijzen hoorde wat zijn zonen zeiden, werden zijn ogen rood van woede en hij begon en te vervloeken:
h
254
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. ‘Jullie grove en onbeschaamde woorden doen mij de haren te berge rijzen en zijn in tegenspraak met alles wat ik gezegd heb. Volslagen verwerpelijk zijn ze, van-uit het standpunt van rechtvaardigheid!
16. Duizend jaar lang zullen jullie allen in deze wereld leven in dezelfde kaste als de zonen van Vasishtha en ondenvlees eten.’
h
17. En nadat Visvamitra, de beste van de wijzen, zijn zonen had vervloekt, richtte hij zich tot de diepbedroefde Sunahsepa en verschafte hem een onfeilbaar middel ter escherming:
b
18. ‘Wanneer je, gebonden met de heilige koorden en ge-sierd met rode bloemslingers en met sandelpasta, naar de aan Vishnu gewijde brandstapel wordt gebracht, oep dan de vuurgod Agni aan met gewijde formules.
r
19. Zoon van een wijze, je moet deze twee goddelijke ver-zen bij Ambarisha’s offer reciteren. Dan zul je je doel ereiken.’
b
20. Sunahsepa nam de twee verzen met volle aandacht in zich op. Daarop haastte hij zich naar Ambarisha, leeuw nder de koningen, en sprak:
o
21. ‘O machtige leeuw onder de koningen, laten we snel naar de offerplaats gaan. Ga daarheen terug, heer van e koningen, en keer in tot een gewijde staat.’
d
22. Toen de koning deze woorden van de zoon van de rishi
255
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
hoorde, werd hij vervuld van vreugdevolle verwach-ting en ging snel maar behoedzaam naar de offerplaats.
23. Met toestemming van de offerpriesters liet de koning zijn slacht-offer van de heilige tekenen voorzien en hem kleden in een rood gewaad. Daarop liet hij hem aan de fferpaal vastbinden.
o
24. Maar toen Sunahsepa, de zoon van de wijze, vastge-bonden was, begon hij de twee goden, Indra en zijn jongere broer Vishnu, op de voorgeschreven wijze te rijzen met de prachtige hymnen die hij had geleerd.
p
25. Indra met de duizend ogen was verheugd en tevreden-gesteld door die geheime lofzang, Raghava, en hij ver-eende Sunahsepa een lang leven.
l
26. Wat de koning betreft, Rama, beste van de mensen, die verkreeg velerlei vruchten van dat offer door de genade an de duizend-ogige Indra.
v
27. En toen eindelijk begon de grote asceet, de rechtscha-pen Visvamitra, in Pushkara met zijn onthoudingen ge-durende nog eens duizend jaar.”
Einde van Sarga 61 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
256
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
62 Visvamitra verliefd
1. “Toen de duizend jaren voorbij waren gegaan en de grote wijze het voorgeschreven bad had genomen na het vervullen van zijn gelofte, kwamen alle goden bij hem met de wens hem de vruchten van zijn onthou-ingen te geven.
d
2. De machtige Brahma sprak hem uiterst vriendelijk toe: ‘Wees gezegend, door de heilige handelingen die u op u hebt genomen, bent u nu een rishi geworden en bent niet langer een kshatriya.’
u
3. Nadat hij zo tot hem gesproken had, keerde de heer der goden terug naar de hemel. Maar de machtige Visva-mitra begon nog strengere onthoudingen, nu hij zijn oel, brahma-rishi te worden, nog niet had bereikt.
d
4. Na een lange tijd nu, beste van de mensen, kwam enaka, de mooiste der apsarasen, baden in Pushkara.
M
5. De machtige zoon van Kusika zag daar de onverge-lijkelijk schone Menaka en haar aanblik trof hem als as zij een bliksemstraal in een regenwolk.
w
6. Zodra hij haar zag, kwam de wijze onder de betovering van Kandarpa, de god der liefde, en hij zei: ‘Welkom apsaras. Kom hier bij mij wonen in mijn ashram. Wees gezegend en wees mij welgezind, want Madana, de iefdesgod, heeft mij aangestoken.’
l
257
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. Omdat Visvamitra zo tot haar sprak, nam de lieflijke vrouw haar intrek bij hem en daardoor werden zijn onthoudingen zeer belemmerd.
8. En zo, beste Rama, gingen tien jaren heel plezierig voorbij terwijl zij in Visvamitra’s ashram woonde.
9. Maar toen die periode verstreken was, begon de grote wijze Visvamitra zich te schamen en viel hij ten prooi an gevoelens van smart en onrust.
a
10. Al spoedig, vreugde van de Raghu’s, kwam er een boze gedachte bij de wijze op: ‘Dit alles, deze grote diefstal an mijn ascetische kracht, is het werk van de goden.
v
11. Tien jaar zijn als één enkele dag en nacht voorbijgegaan, terwijl ik het slachtoffer was van een dwaze verliefd-heid. Er is waarlijk een hinderpaal op mijn weg ge-omen.’
k
12. De eminente wijze werd door wroeging gekweld en uchtte diep.
z
13. Toen hij zag dat de apsaras beefde van angst en haar handen in een gebaar van eerbied samenvouwde, stuurde Visvamitra, de zoon van Kusika, haar met vriendelijke woorden weg en vertrok zelf naar de bergen in het noorden, Rama.
258
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
14. Vastbesloten in zijn opzet te slagen nam de beroemde wijze een buitengewoon besluit, en bij de oevers van de rivier de Kausiki gekomen, begon hij aan werkelijk ontzagwekkende onthoudingen.
15. Nadat hij zulke vreselijke onthoudingen duizend jaar had volgehouden in de noordelijke bergen, raakten de oden verontrust.
g
16. Daarom kwamen alle goden en de scharen rishi’s bijeen en beraadslaagden, zeggende: ‘Goed! Laat de zoon van usika de titel maha-rishi ontvangen.’
K
17. Toen hij die woorden van de goden hoorde, sprak Brahma, de grootvader van alle werelden, vriendelijk ot de ascetische Visvamitra:
t
18. ‘Wees gegroet, grote rishi. Kausika, mijn zoon, ik ben tevreden over je strenge onthouding. Ik verleen je rootheid en een bijzondere plaats onder de rishi’s.’
g
19. Maar toen de ascetische Visvamitra deze woorden van grootvader Brahma hoorde, boog hij en met zijn handen n eerbied samengevouwen antwoordde hij:
i
20. ‘Heiligheid, als u mij op grond van de heilige daden die ik heb verricht, had aangesproken met de ongeëve-naarde titel brahma-rishi, dan zou aangetoond zijn dat ik mijn zintuigen werkelijk onderworpen had.’
259
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
21. Maar Brahma antwoordde alleen maar: ‘Tot nu toe heb je je zintuigen nog niet overwonnen. Span je in!’ En daarop keerde hij terug naar de hemel.
22. Zo kwam het dat toen de goden vertrokken waren, de grote wijze Visvamitra zijn onthoudingen hervatte. Hij stond rechtop, zonder steun en met zijn armen omhoog, n zijn enige voedsel was de lucht.
e
23. In de zomer hield hij de vijf vuren brandende, in de regentijd bleef hij buiten en in de winter stond hij dag n nacht in het water.
e
24. Op deze wijze beoefende hij duizend jaar lang de meest erschrikkelijke onthoudingen.
v
25. Toen nu de grote wijze Visvamitra deze onthoudingen beoefende, raakten Vasava en de goden hevig veront-ust.
r
26. Indra en de scharen Maruts spraken tot de apsaras Rambha over een plan dat hun voordeel zou brengen en dat Kausika zou benadelen.”
Einde van Sarga 62 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
260
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
63 Visvamitra vervloekt Rambha
1. “‘Rambha, je moet een belangrijke taak uitvoeren namens de goden. Je moet Kausika verleiden door hem dronken van verliefdheid te maken.’
2. Maar, Rama, toen zij zo toegesproken werd door de duizend-ogige Indra, raakte de nimf van schrik ver-uld. Met samengevouwen handen smeekte zij:
v
3. ‘Heer der goden, deze grote wijze Visvamitra is vrese-lijk. Hij zal zonder twijfel al zijn toorn over mij uit-torten. O Heer, ik ben doodsbang! Wees mij genadig.’
s
4. Maar hoewel zij over haar hele lichaam beefde en hem eer bewees, antwoordde Indra haar slechts: ‘Wees niet ang, Rambha, en breng mijn opdracht ten uitvoer.
b
5. Ik zal in de vorm van een koekoek zijn hart raken en in de lente, wanneer de bomen op hun mooist zijn, zal ik e bijstaan samen met Kandarpa, de god van de liefde.
j
6. Zorg dat je er allerbekoorlijkst uitziet en gebruik al je charmes, Rambha, en breng de ascetische rishi Kausika n verwarring.’
i
7. Na zijn woorden nam de verleidelijke Rambha een on-vergetelijk mooie gestalte aan en met een betoverende limlach ging zij op weg om Visvamitra te verleiden.
g
8. Hij hoorde de zoete roep van de koekoek, en zijn hart sprong op toen hij de apsaras zag.
261
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Maar de aanblik van Rambha en het geluid van haar strelende stem wekten argwaan bij de wijze.
10. Hij begreep dat dit het werk van de duizend-ogige Indra moest zijn. De zoon van Kusika, die stier onder de wijzen, werd door woede meegesleurd en hij ver-loekte Rambha.
v
11. ‘Ongelukkige Rambha, omdat je mij wilt verleiden, ik die poog wellust en woede te overwinnen, zul je voor ienduizend jaar in steen veranderen.
t
12. Je bent bezoedeld door mijn woede, Rambha. Maar je zult gered worden door een machtige brahmaan die een rote ascetische kracht bezit.’
g
13. Maar zodra de grote wijze, de machtige Visvamitra, deze woorden had geuit, betreurde hij het. Want hij as niet in staat geweest zijn woede te beheersen.
w
14. Desondanks veranderde Rambha, door de kracht van zijn verschrikkelijke vervloeking, ter plekke in steen. Maar toen Indra en Kandarpa de woorden van de grote ishi hoorden, slopen zij weg.
r
15. Nu de machtige wijze, die zijn zinnen nog altijd niet meester was, door woede zijn onthoudingen teniet had gedaan, Rama, kon hij geen rust meer vinden.”
Einde van Sarga 63 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
262
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
64 Visvamitra wordt brahma-rishi
1. Satananda vervolgde zijn verhaal: “Hierna, Rama, ver-liet de grote wijze het gebied van de Himalaya en ging naar het oosten, waar hij zich onderwierp aan de meest reselijke onthoudingen.
v
2. Hij deed de weergaloze gelofte om duizend jaar te zwijgen en volvoerde ongeëvenaarde en vrijwel onmo-elijke onthoudingen.
g
3. Toen die duizend jaar om was, was de grote wijze, op de proef gesteld door velerlei verleidingen, als een stuk out geworden en woede had geen vat meer op hem.
h
4. De glans die hem omstraalde, verbijsterde de goden, de gandharva’s, de slangen en asura’s, en ook de raksha-sa’s. Hun eigen natuurlijke luister verflauwde bij zijn ascetische kracht. Zeer terneergeslagen hierover, zeiden ij tot grootvader Brahma:
z
5. ‘O Brahma, op allerlei manieren hebben we de grote wijze Visvamitra verleid en getracht zijn woede op te ekken, maar toch neemt zijn ascetische macht nog toe.
w
6. Er is geen enkele zonde, zelfs niet de allerkleinste, bij hem te vinden. Als hem niet gegeven wordt wat zijn hart begeert, dan zal hij met zijn ascetische macht de drie werelden vernietigen met alles wat daarin is, be-weeglijk of onbeweeglijk. Het is nu al overal bewolkt, in geen enkele richting kan men nog iets zien.
263
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
7. De oceanen zijn vol woeste golven en de bergen storten ineen. De aarde beeft en razend loeit de wind.
8. O god, wij moeten die heilige wijze, wiens luister straalt als een vuur, gunstig stemmen, opdat hij zijn zinnen niet zet op totale vernietiging.
9. De drie werelden staan in brand, net als lang geleden toen het alles verzengende vuur het einde van de wereld betekende. Sta hem toe wat hij maar wenst, zelfs ls dat het koningschap van de goden is.’
a
10. Grootvader Brahma, aan het hoofd van de scharen der goden, sprak toen deze vriendelijke woorden tot de rote Visvamitra:
g
11. ‘Wees gezegend, brahma-rishi! Wij zijn zeer tevreden over uw onthoudingen, Kausika. Hierdoor bent u een rahmaan en een brahma-rishi geworden.
b
12. De scharen Maruts en ik schenken u nu een lang leven, brahma-rishi. Wees gezegend, bereik gelukzaligheid. u kunt u gaan, genadige heer, waar u maar wilt.’
N
13. De grote wijze was zeer verheugd bij het horen van deze woorden van grootvader Brahma en alle goden. ij wierp zich ter aarde en zei:
H
14. ‘Indien ik nu werkelijk de status van brahma-rishi en een lang leven heb bereikt, laat dan de heilige syllaben ‘Om’ en ‘Vashat’ en de Veda’s mij volledig onthuld orden.
w
264
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. En, o goden, Vasishtha zelf, die een zoon van Brahma is, en de meest uitnemende van degenen onder de kshatrya’s en de brahmanen die de Veda’s werkelijk kennen, moet mij met deze titel aanspreken. Als deze wens, mijn grootste wens, wordt ingewilligd, dan kunt gaan, stieren onder de goden.’
u
16. En dus smeekten de goden Vasishtha, de grootste in het reciteren van de Veda’s, om deze gunst. Vasishtha, de brahmaan, sprak vervolgens: ‘Laat het zo zijn!’ en be-oonde Visvamitra zijn vriendschap.
t
17. Vasishtha zei: ‘U bent een brahma-rishi. Daar is geen twijfel aan. Alles heeft zich nu voor u ten goede ge-keerd.’ Toen hij zo gesproken had, vertrokken alle oden weer zoals ze gekomen waren.
g
18. En de rechtschapen Visvamitra, die tenslotte de aller-hoogste positie van brahma-rishi had bereikt, prees asishtha.
V
19. Toen zijn verlangen zo was vervuld, ging hij waar hij maar wilde, onwrikbaar in zijn soberheid. Zo, Rama, erwierf een groot mens de status van brahma-rishi.
v
20. Rama, hij is de grootste onder de wijzen. Hij is de soberheid zelve en hij is steeds de hoogste autoriteit. Alle macht is in hem verenigd.”
265
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
21. Toen Janaka het verhaal van Satananda daar had ge-hoord in aanwezigheid van Rama, Lakshmana en Visvamitra, vouwde hij eerbiedig zijn handen en richtte zich tot de zoon van Kusika:
22. “Gelukkig ben ik en dankbaar, rechtvaardige stier on-der de wijzen, dat u met de Kakutstha’s naar mijn offer ekomen bent.
g
23. Alleen al door u te zien, brahmaan, word ik gezuiverd, grote wijze. Alleen door u te ontmoeten word ik veel-oudig gezegend.
v
24. Machtige brahmaan, de grote Rama en ik hebben ge-hoord over uw grote onthoudingen, waar hier uitvoerig ver verteld is.
o
25. De priesters die hier op onze offerplechtigheid bijeen ijn, hebben ook gehoord over uw grote deugden.
z
26. Onmetelijk zijn uw soberheid en macht, waarlijk, zoon an Kusika, uw deugden zijn altijd onbegrensd.
v
27. Nooit krijg ik genoeg van de prachtige verhalen over u, heer. Maar, eerste onder de wijzen, de zon gaat onder n het is tijd om de offerplechtigheid te laten beginnen.
e
28. Komt u alstublieft morgenochtend weer, machtige man. Zeer welkom bent u, beste van de asceten. Wilt u mij nu erontschuldigen?”
v
29. Toen Vaideha, heer van Mithila, omringd door zijn leer-meesters en bloedverwanten zo had gesproken, bewees
266
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
hij Visvamitra, de beste van alle wijzen, eer, door om hem heen te gaan.
30. Daarop vertrok de rechtvaardige Visvamitra, geëerbie-digd door de grote rishi’s, met Rama en Lakshmana naar zijn eigen onderkomen.
Einde van Sarga 64 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
267
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
65 Siva’s boog
1. Bij het eerste ochtendgloren volvoerde koning Janaka, heer over de mensen, zijn rituele plichten en riep Visva-mitra en de twee Raghava’s bij zich.
2. De rechtschapen koning bewees de wijze en de beide Raghava’s eer volgens de traditionele riten die in de ude teksten zijn vastgelegd en sprak:
o
3. “Welkom, heilige. Wat kan ik voor u doen, o zonde-loze? Zeg het me, heer, want ik sta geheel tot uw be-chikking.”
s
4. Op deze woorden van de grote Janaka, richtte de rechtschapen wijze zich in welgekozen bewoordingen ot die held:
t
5. “Deze twee kshatriya’s zijn de wereldberoemde zonen van koning Dasaratha. Zij zouden graag de beroemde oog willen zien die u in uw bezit heeft.
b
6. Toon hun de boog alstublieft, en wanneer hun wens vervuld is, zullen de prinsen voldaan weer naar huis erugkeren.”
t
7. Hierop gaf Janaka de grote wijze ten antwoord: “Laat ij u eerst vertellen waarom deze boog hier is.
m
8. Heilige man, er was eens een koning die Devarata heette, de zesde afstammeling in het geslacht van Nimi. De grote Siva had hem de boog in bewaring gegeven.
268
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Lang geleden, toen Daksha’s offer werd vernietigd, spande de machtige Rudra deze boog, en in toorn ont-stoken sprak hij vol verachting tot de goden:
10. ‘Omdat u verzuimd hebt een deel van het offer voor mij te bewaren, o goden, zal ik uw edele hoofden nu met deze boog doorklieven.’
11. O stier onder de wijzen, wanhopig probeerden alle goden Bhava, de heer der goden, gunstig te stemmen, otdat hij tenslotte tevredengesteld was.
t
12. Als blijk van zijn welgezindheid schonk hij de boog aan lle grote goden.
a
13. Het was deze schitterende boog, heer, die aan de grote god der goden toebehoorde, die aan onze voorvader evarata in bewaring werd gegeven.
D
14. Op een dag, toen ik een veld aan het omploegen was, verscheen er opeens uit de vore achter mijn ploeg een meisje. Ik vond haar toen ik op dat veld aan het ploegen was en daarom kreeg ze de naam Sita, die ‘vore’ bete-ent.
k
15. Uit de aarde voortgekomen, groeide zij op als mijn dochter. Aangezien zij niet uit de moederschoot is geboren, is grote kracht de enige bruidsschat die voor ijn dochter wordt gevraagd.
m
16. O stier onder de wijzen, vele koningen kwamen om de hand te vragen van dit meisje, dat uit de aarde is ont-
269
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
sproten en als mijn dochter is opgevoed.
17. Maar, heilige man, hoewel alle heersers van de aarde dit meisje begeerden, heb ik mijn dochter nog niet ten huwelijk gegeven. Ik overwoog dat grote kracht haar bruidsschat is.
18. Daarom, stier onder de wijzen, kwamen alle vorsten ezamenlijk naar Mithila om hun kracht te beproeven.
g
19. Omdat zij hun kracht wilden beproeven, bood ik hun de boog aan. Maar zij konden hem niet eens vasthou-en, laat staan optillen.
d
20. U begrijpt wel, grote wijze, dat toen ik zag dat deze machtige vorsten zo weinig kracht hadden, ik ze alle-aal afwees.
m
21. Nu de kracht van de koningen in twijfel was getrokken, stier onder de wijzen, ontstaken zij allen in grote woede n belegerden de stad Mithila.
e
22. Zij voelden zich in hun eer aangetast, o stier onder de ijzen, en razend van woede bestookten ze Mithila.
w
23. Zo ging er een heel jaar voorbij en al mijn hulpbronnen raakten uitgeput, beste onder de wijzen. Ik was werke-ijk diep ongelukkig.
l
24. Daarom stemde ik de hele godenschaar gunstig door onthoudingen en aangezien zij tevreden over mij waren, schonken de goden mij een leger, compleet met alle vier divisies.
270
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
25. Zo werden die boosaardige vorsten, nadat hun kracht in twijfel was getrokken, verslagen. Zij vluchtten met hun ministers weg in alle richtingen. Beroofd van hun laatste krachten, werden ze afgeslacht.
26. En dit is dan de geschiedenis van die weergaloos prachtige boog, o tijger onder de wijzen, u die uw ge-loften gestand doet. Ik zal de boog aan Rama en akshmana laten zien.
L
27. O wijze, als Rama, de zoon van Dasarata, deze boog kan spannen, schenk ik hem mijn dochter, die niet uit de moederschoot is geboren.”
Einde van Sarga 65 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
271
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
66 Rama breekt de boog
1. Toen de grote wijze Visvamitra de woorden van koning Janaka had gehoord, zei hij tegen hem: “Laat Rama de boog zien.”
2. Koning Janaka beval daarop zijn dienaren: “Laat de hemelse boog brengen en zorg ervoor dat hij is voor-ien van een fijne geur en versierd met slingers.”
z
3. Op Janaka’s bevel gingen de dienaren naar de stad en voerden de opdracht van de koning uit door de boog te aten brengen.
l
4. Vijfduizend grote en gespierde mannen konden de chtwielige kist waarin de boog zat maar net verslepen.
a
5. Toen de ijzeren kist met de boog was aangekomen, richtten de raadslieden zich tot de goddelijke koning anaka:
J
6. “Majesteit, beste van de koningen, heer van Mithila, hier is de grote boog, die door alle koningen vereerd ordt. Als u het wenst, kunnen we hem laten zien.”
w
7. Op deze woorden vouwde de koning eerbiedig zijn handen en sprak tot de grote Visvamitra, Rama en akshmana:
L
8. “Wel brahmaan, hier is de grote boog, die vereerd wordt door de Janaka’s en die de machtige koningen niet konden spannen.
272
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9-10. Alle goden bij elkaar, de asura’s, rakshasa’s en de besten onder de gandharva’s en yaksha’s, de kinnara’s en de grote slangen zijn niet in staat om de boog te buigen, de snaar te spannen, een pijl aan te leggen, de snaar aan te trekken of de boog zelfs maar op te tillen. oe zou een mens dat dan kunnen?
H
11. Stier onder de wijzen, dit is de grootste van alle bogen. oemrijke wijze, toon hem aan de twee prinsen.”
R
12. Toen de rechtschapen Visvamitra had gehoord wat Janaka zei, wendde hij zich tot Raghava en zei: “Rama, ijn zoon, aanschouw de boog.”
m
13. De aanwijzingen van de grote rishi opvolgend, opende Rama de kist waarin de boog lag, en terwijl hij hem auwkeurig bekeek, sprak hij:
n
14. “Nu, brahmaan, zal ik deze grote boog ter hand nemen. k zal proberen hem op te tillen en zelfs te spannen.”
I
15. “Uitstekend”, antwoordde zowel de koning als de wijze. Op aanwijzing van de wijze greep Rama de boog oeiteloos in het midden vast.
m
16. Onder het toeziend oog van duizenden, spande de rechtschapen prins, de vreugde van de Raghu’s, de oog alsof het kinderspel was.
b
17. De machtige Rama maakte de snaar vast, legde de pijl aan en trok die naar achteren. Maar, terwijl hij dat deed, rak de beste der mensen de boog in tweeën.
b
273
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
18. Er klonk een oorverdovende donderslag en een machti-ge beving deed de aarde trillen, alsof een berg in stuk-ken was gescheurd.
19. Van al die mannen hielden alleen de grote wijze, de koning en de twee Raghava’s zich staande. Alle ande-en vielen neer, geschokt door het lawaai.
r
20. Toen de mensen weer bij zinnen waren gekomen, vouwde de welsprekende koning opgelucht de handen n eerbied en richtte zich tot de stier onder de wijzen:
i
21. “Heilige man, ik ben getuige geweest van de macht van Dasaratha’s zoon Rama. Die is wonderbaarlijk en on-oorstelbaar. Nooit had ik dit verwacht.
v
22. Met Rama, de zoon van Dasaratha als haar echtgenoot, zal mijn dochter Sita het huis van de Janaka’s roem rengen.
b
23. En daarmee, Kausika, kan ik mijn gelofte dat alleen grote kracht haar bruidsschat zou zijn, nu gestand doen. Ik zal mijn dochter Sita, die mij even dierbaar is ls het leven zelf, aan Rama tot bruid geven.
a
24. Gezegende Kausika brahmaan, als u het toestaat zullen mijn raadslieden zich nu direct in snelle wagens naar yodhya spoeden.
A
25. Met hoffelijke woorden zullen zij de koning uitnodigen naar mijn stad te komen. Zij zullen hem vertellen over de voorgenomen verbintenis van mijn dochter, wier
274
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
enige bruidsschat grote kracht was.
26. Zij zullen de koning ook vertellen dat de Kakutstha’s onder bescherming van de wijze staan. En de koning zal zeer verheugd zijn. Laat ze nu snel gaan en de koning hierheen brengen.”
27. “Zo zij het”, antwoordde Kausika. Toen sprak de recht-schapen koning met zijn raadgevers en nadat zij hun orders hadden ontvangen, vertrokken ze naar Ayo-dhya.
Einde van Sarga 66 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
275
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
67 Dasaratha’s toestemming gevraagd
1. Drie dagen en nachten reisden de gezanten op bevel van Janaka tot ze de stad Ayodhya hadden bereikt. De paarden waren uitgeput.
2. De boodschappers betraden het koninklijk paleis, zoals hun koning dat bevolen had en zij zagen de oude ko-ing, de goddelijke Dasaratha.
n
3. De handen in eerbied gevouwen, ingetogen maar onbe-reesd, spraken zij allen goede woorden tot de koning:
v
4-5. “Majesteit, de geliefde koning Janaka van Mithila en zijn brahmanen laten met genegenheid en belang-stelling vragen naar uw welzijn en dat van uw leer-eesters, priesters en dienaren.
m
6. En nadat hij zo naar uw welzijn heeft laten vragen, laat Vaideha, de heer van Mithila, met Kausika’s toestem-ing de volgende woorden tot u richten:
m
7. ‘U kent mijn oude gelofte dat kracht de enige bruids-schat is die ik voor mijn dochter vraag. Ook weet u dat de koningen die niet over die kracht beschikten, kwaad n vijandig zijn geworden.
e
8. Wel, Majesteit, uw heldhaftige zoon heeft mijn dochter gewonnen toen hij, op reis met Visvamitra, in Mithila kwam.
276
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. Want, uwe Majesteit, grote koning, de grote Rama heeft mijn hemelse boog doormidden gebroken, ten over-staan van een grote menigte.
10. Daarom moet ik Sita, wier enige bruidsschat kracht was, aan deze grote man schenken. Geef mij hiervoor oestemming, want ik moet mijn gelofte gestand doen.
t
11. Kom snel, grote koning, met uw leermeesters en met uw familiepriester voor u. Kom alstublieft de twee Ra-hava’s opzoeken.
g
12. Kom alstublieft, zodat mijn geluk volmaakt zal zijn, heer der koningen, en dan zult ook u geluk ondervin-en vanwege uw beide zoons.’
d
13. Zo luidde de prachtige toespraak van de heer van Videha, die de volledige instemming had van Visva-itra en Satananda.”
m
14. Toen de koning de woorden van de boodschappers hoorde, was hij opgetogen. Hij richtte zich tot Vasish-ha, Vamadeva en zijn andere raadgevers en sprak:
t
15. “Rama, hij die steeds meer bijdraagt tot het geluk van Kausalya, verblijft in Videha met zijn broer Lakshmana, nder bescherming van de zoon van Kusika.
o
16. De grote Janaka heeft gezien over welke kracht Kakut-tha beschikt en hij wil hem zijn dochter schenken.
s
17. Als dit nieuws u behaagt, laten we dan snel naar Jana-ka’s stad gaan. Laten we geen tijd verliezen!”
277
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
18. Zijn raadgevers en alle grote rishi’s antwoordden: “Uitstekend!” De koning was hierover zeer verheugd en zei tot hen: “We zullen morgen afreizen.”
19. Alle deugdzame raadgevers van Janaka, de heer der mensen, waren zeer tevreden. Ze brachten daar de nacht door en er werd ze grote eer bewezen.
Einde van Sarga 67 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
278
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
68 Dasaratha ontmoet Janaka
1. Toen de nacht voorbij was, richtte koning Dasaratha zich verheugd tot Sumantra in aanwezigheid van zijn leermeesters en bloedverwanten:
2. “Laat de schatbewaarders vandaag voor ons uitgaan met overvloedige rijkdommen en allerlei soorten juwe-en en zorg ervoor dat zij goed beschermd zijn.
l
3. Zie er dan op toe dat alle vier de legeronderdelen klaar staan om te vertrekken, met fijne draagstoelen en rij-uigen, zodra ik het bevel daartoe geef.
t
4-5. Laat ook de brahmanen - Vasishtha, Vamadeva, Jabali, Kasyapa, de oude Markandeya en de rishi Katyayana vooruit gaan. Zorg dat mijn voertuig klaar staat zodat er geen tijd verloren gaat, want de boodschappers ragen mij dringend haast te maken.”
v
6. En zoals de heer der mensen bevolen had, volgden alle vier de legereenheden de koning, die in gezelschap van ijn rishi’s op weg ging.
z
7. Na vier dagreizen bereikte hij Videha en toen de ver-heven koning Janaka hoorde dat hij was aangekomen, ntving hij hem met gepaste eer.
o
8. Toen Janaka de bejaarde koning Dasaratha, beschermer van de mensen, ontmoette, was hij opgetogen en hij voelde een grote blijdschap. De twee eminente vorsten
279
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
onderhielden zich met elkaar en beiden waren zeer verheugd.
9. “Welkom, grote koning”, zei Janaka. “Wat een groot geluk is het voor mij dat u gekomen bent, Raghava! U zult een groot geluk ervaren vanwege uw beide zonen ie zo’n grote kracht hebben getoond.
d
10. En wat een geluk dat ook de heilige rishi Vasishtha is gekomen met alle vooraanstaande brahmanen, zoals Indra van de duizend offers gevolgd wordt door de oden.
g
11. Doordat het lot mij gunstig gezind was heb ik alle obstakels overwonnen. Mijn huis is vereerd door deze verbintenis met de grote Raghava’s, de machtigsten van llen.
a
12. Beste der mensen, heer van de grote koningen, laat morgenochtend, aan het eind van mijn offerplechtig-heid, het huwelijk plaatsvinden, dat al de goedkeuring eeft gekregen van alle rishi’s.”
h
13. Toen Dasaratha, heer der mensen, wiens welsprekend-heid ongeëvenaard was, deze woorden in aanwezig-heid van de rishi’s hoorde, antwoordde hij Janaka, de eer der aarde:
h
14. “Lang geleden leerde ik dat de ontvanger afhankelijk is van de gever. Omdat u weet wat passend is, zullen we recies doen wat u zegt.”
p
280
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Toen Janaka, de heer van Videha, deze rechtvaardige en prachtige woorden hoorde, gesproken door die waar-heidlievende man, was hij met het diepste ontzag ver-vuld.
16. De nacht ging aangenaam voorbij, terwijl alle wijzen enoten van elkaars gezelschap.
g
17. De koning was zeer verheugd dat hij zijn beide zonen, de twee Raghava’s, weer terugzag. Daarna bracht hij goed verzorgd door Janaka, die hem hem alle eer be-ees, de nacht door.
w
18. De machtige en met groot inzicht begiftigde Janaka legde zich te ruste, nadat hij zijn offers had volbracht en ook de plechtigheden voor zijn twee dochters volgens de traditie had uitgevoerd.
Einde van Sarga 68 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
281
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
69 Het Huis Ikshvaku
1. Toen de welsprekende Janaka de volgende ochtend sa-men met de grote rishi’s zijn rituele plichten had uitge-voerd, sprak hij tot Satananda, zijn huispriester:
2-3. “Mijn machtige en rechtschapen jongere broer Kusa-dhvaja verblijft in de mooie en heilige stad Samkasya. Omgeven door een imposante palissade aan de oevers van de rivier de Ikshumati, lijkt deze stad op Pushpaka, e hemelse strijdwagen.
d
4. Ik wil deze machtige man graag bij dit huwelijk zien, want ik beschouw hem als de beschermer van mijn ffer. Hij zou deze vreugde met mij moeten delen.”
o
5-6. Toen werd volgens de instructies van de heer der men-sen deze tijger onder de mensen met snelle paarden opgehaald. Zo kwam Kusadhvaja op verzoek van de eer der mensen, zoals Vishnu op verzoek van Indra.
h
7. Toen hij een diepe buiging had gemaakt voor Sat-ananda en de rechtvaardige koning, de grote Janaka, beraadslaagde hij met de koning, die de rechtvaardig-eid liefhad.
h
8-9. Kusadvaya nam zijn plaats in op een hemelse troon, schitterend en een koning waardig. Toen zonden deze twee heldhaftige en onmetelijk machtige broers Suda-mana, de beste der raadgevers, weg met de woorden: “Ga snel, heer van de raadgevers, en breng de onover-
282
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
winnelijke en onmetelijk schitterende Aikshvaka hier met zijn zonen en ministers.”
10. Sudamana begaf zich naar het koninklijke kamp en zag de vorst van de Raghu’s. Zijn hoofd eerbiedig buigend, sprak hij:
11. “Heldhaftige heer van Ayodhya, Vaideha, de heer van Mithila, is gereed om u, uw leermeesters en uw familie-riester te ontvangen.”
p
12. Toen de koning de woorden van Sudamana, die beste van de raadgevers, had gehoord, ging hij met zijn bloedverwanten en de scharen rishi’s naar de plaats aar Janaka hem opwachtte.
w
13. De koning, de eerste onder allen die welsprekend zijn, richtte zich in gezelschap van zijn raadgevers, leermees-ers en bloedverwanten tot Vaideha:
t
14. “Zoals u weet, grote koning, is de heilige rishi Vasish-tha de godheid van het Huis van Ikshvaku. Hij zal in lle zaken voor ons spreken.
a
15. De rechtschapen Vasishtha zal nu met instemming van Visvamitra en in aanwezigheid van alle grote rishi’s, ijn stamboom in de juiste volgorde reciteren.”
m
16. Toen zweeg Dasaratha, en de heilige en welsprekende rishi Vasishtha richtte de volgende woorden tot Vaide-a en zijn familiepriester:
h
17. “Brahma is eeuwig en onvergankelijk, en zijn oor-
283
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
sprong kan niet gekend worden. Uit hem is Marici voortgekomen. Marici’s zoon was Kasyapa.
18. Vivasvant werd geboren uit Kasyapa. En Manu, die bekend stond als Vaivasvata, was lang geleden een van de Heren der schepselen. Manu’s zoon was Ikshvaku.
19. Nu moet u weten dat deze Ikshvaku de eerste koning van Ayodhya was. Een zoon werd hem geboren, de erheven Vikukshi.
v
20. Vikukshi’s zoon was de machtige en moedige Bana. ana’s zoon was de machtige en dappere Anaranya.
B
21. Uit Anaranya kwam Prithu voort. Trisanku was Pri-thu’s zoon. Trisanku’s zoon was de vermaarde Dhun-humara.
d
22. Na Dhundhumara kwam de machtige Yuvanasva, een groot wagenstrijder. Yuvanasva’s zoon was de verhe-en Mandhatri, heer der aarde.
v
23. Mandhatri werd een zoon geboren, de verheven Susan-dhi. Susandhi had twee zonen, Dhruvasandhi en Prase-ajit.
n
24. Dhruvasandhi had een vermaarde zoon, bekend als Bharata. Na Bharata werd een machtig man geboren die sita heette.
A
25. Toen werd Sagara geboren met vergif. Na Sagara kwam samanja en na Asamanja kwam Amsumant.
A
284
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
26. Dilipa was Amsumants zoon, en Dilipa’s zoon heette Bhagiratha. Na Bhagiratha kwam Kakutstha, en diens zoon was Raghu.
27. Raghu’s zoon was de machtige Pravriddha, die door een vloek een menseneter werd. Hij stond bekend als almashapada en hem werd Sankhana geboren.
K
28. Sudarsana was Sankhana’s zoon, na Sudarsana kwam Agnivarna. Agnivarna’s zoon was Sighraga. Sighraga’s oon was Maru.
z
29. Na Maru kwam Prasusruka en na Prasusruka kwam Ambarisha. Ambarisha’s zoon was Nahusha, heer der arde.
a
30. Nahusha’s zoon was Yayati. En na Yayati kwam Na-bhaga. Nabhaga’s zoon heette Aja. Dasaratha is Aja’s zoon en het is deze Dasaratha, die de vader is van deze wee broers Rama en Lakshmana.
t
31-32. Majesteit, de koningen uit het Huis van Ikshvaku zijn heldhaftig, rechtschapen en waarheidsgetrouw en zij stammen in rechte lijn af van hun eerste oorsprong. En dit is het koninklijk huis waarin Rama en Lakshmana werden geboren. Uit hun naam vraag ik u om uw twee dochters. Beste der mensen, schenk deze twee waardige vrouwen alstublieft aan deze even achtenswaardige mannen.”
Einde van Sarga 69 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
285
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
70 Het Huis Videha
1. Nadat Vasishtha zo had gesproken, antwoordde Janaka hem met eerbiedig samengevouwen handen: “Wees gezegend! Laat mij nu een uiteenzetting geven over de tamboom van ons uitmuntende koningshuis.
s
2. Want, beste onder de wijzen, bij het ten huwelijk geven van zijn dochter behoort de afstammeling van een vooraanstaande familie zijn volledige genealogie voor e leggen. Luister dus alstublieft, grote wijze.
t
3. Er was eens een rechtschapen koning, genaamd Nimi, die vermaard was in de drie werelden vanwege zijn aden en die de machtigste onder de mensen was.
d
4. Zijn zoon heette Mithi, en Mithi’s zoon was Janaka, de erste die deze naam droeg. Na Janaka kwam Udavasu.
e
5. Udavasu kreeg een zoon, de rechtschapen Nandivar-hana, en Nandivardhana’s zoon heette Suketu.
d
6. Na Suketu kwam de deugdzame en machtige Devarata. De koning-rishi Devarata had een zoon die bekend tond als Brihadratha.
s
7. Brihadratha had een zoon, de dappere held Mahavira. Mahavira’s zoon was de standvastige en waarlijk moe-dige Sudhriti.
286
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. En de zoon van Sudhriti was de deugdzame, de wer-kelijk zeer deugdzame Dhrishtaketu. De koning-rishi Dhrishtaketu had een zoon genaamd Haryasva.
9. Haryasva’s zoon was Maru. Maru’s zoon was Pratin-dhaka. Pratindhaka’s zoon was de deugdzame koning irtiratha.
K
10. Kirtiratha’s zoon stond bekend als Devamidha. Deva-midha’s zoon was Vibudha en Vibudha’s zoon was ahidhraka.
M
11. Mahidhraka’s zoon was de machtige koning Kirtirata en deze koning-rishi Kirtirata kreeg een zoon, Maha-oman.
r
12. Maharoman was de vader van de deugdzame Svarna-roman. Hrasvaroman was de zoon van de koning-rishi varnaroman.
S
13. Twee zonen kreeg deze grote man, die de wegen der rechtvaardigheid kende. Ik ben de oudste, en de jongste s mijn broer, de heldhaftige Kusadhvaja.
i
14. Mijn vader, heerser over de mensen, wijdde mij, zijn eerstgeborene, tot koning en vertrouwde Kusadhvaja aan mijn zorg toe. Daarna trok hij zich terug in het woud.
287
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Sinds mijn bejaarde vader naar de hemel is gegaan, heb ik deze zware taak vervuld in overeenstemming met de aloude wet en heb ik met liefde toegezien op mijn op en god gelijkende broer Kusadhvaja.
e
16. Toen gebeurde het op een dag dat de machtige koning udhanvan uit Samkasya kwam en Mithila belegerde.
S
17. Hij zond me de volgende boodschap: ‘U moet mij zo-wel de weergaloze boog van Siva geven als uw dochter ita met de lotusogen.’
S
18. Omdat ik deze geen van beide aan hem afstond, viel hij mij aan, o brahma-rishi. Maar ik doodde Sudhanvan, de heerser over de mensen, in een gevecht van man tegen an.
m
19. En, beste onder de wijzen, aangezien ik Sudhanvan gedood had, kroonde ik mijn heldhaftige broer Kusa-hvaja tot heerser over Samkasya.
d
20-22. Dit is mijn jongere broer, grote wijze; ik ben de oudste. Welnu, stier onder de wijzen, met grote vreugde geef ik mijn beide dochters ten huwelijk; Sita aan Rama en Urmila aan Lakshmana: mijn oudste dochter Sita die gelijk een godendochter is, en wier enige bruidsschat kracht was, en mijn tweede dochter Urmila. Ik zeg dit driemaal opdat er geen twijfel kan zijn. Met grote blijd-schap, o vreugde van de Raghu’s, schenk ik u deze wee meisjes.
t
288
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. Majesteit, wees zo goed de ceremonie van het scheren van het hele lichaam te laten verrichten bij Rama en Lakshmana. Daarna, gezegende, kunt u de riten ter verering van de voorvaderen laten plaatsvinden en het uwelijk voltrekken.
h
24. Want het is nu Magha, heer met de machtige armen. Majesteit, het huwelijk kan door u worden gesloten op Uttara Phalguni, over drie dagen. U behoort gaven uit te delen namens Rama en Lakshmana, om hun geluk te verzekeren.”
Einde van Sarga 70 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
289
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
71 Viervoudig voorgenomen huwelijk
1. Toen de heldhaftige koning Vaideha uitgesproken was, antwoordde de grote wijze Visvamitra, met instemming van Vasishtha:
2. “De geslachten Ikshvaku en Videha zijn onbeschrijflijk en onmetelijk, stier onder de mensen. Geen ander is un gelijke.
h
3. O koning, deze wettige verbintenis van Sita en Urmila met Rama en Lakshmana is zeer geschikt, temeer van-ege hun uitzonderlijke schoonheid.
w
4. Maar, beste der mensen, luister nu naar de woorden die k nog moet zeggen.
i
5-6. Hier is uw broer, koning Kusadhvaja, die de wegen der rechtvaardigheid kent. Majesteit, deze rechtschapen man heeft twee dochters die in schoonheid hun gelijke op aarde niet kennen. Beste der mensen, wij vragen u hen ten huwelijk te schenken aan prins Bharata en de wijze Satrughna. Namens deze twee grote prinsen ragen wij u om de hand van uw dochters, Majesteit.
v
7. Want alle zonen van Dasaratha zijn gezegend met schoonheid en jeugdige kracht, zoals de goddelijke wachters van de wereld, en zij evenaren de goden in oed.
m
8. O heer der koningen, heilig in al uw daden, laat door
290
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
deze verbintenis met u beiden, o koning Janaka en koning Kusadhvaja, uw Huis, dat zonder smet of blaam is, verenigd worden met het Huis Ikshvaku.”
9. Toen koning Janaka deze woorden van Visvamitra, die de instemming van Vasishtha hadden, hoorde, vouwde hij zijn handen in eerbied samen en sprak tot beide tieren onder de wijzen:
s
10. “Omdat u dit zelf aanbeveelt als een waardige vereni-ging van beide families, laat het zo zijn. Wees geze-gend! Laten de onafscheidelijke Satrughna en Bharata e dochters van Kusadhvaja huwen.
d
11. Grote wijze, laat de vier machtige prinsen de hand van e vier prinsessen op dezelfde dag ontvangen.
d
12. O brahmaan, de wijzen raden aan huwelijken te sluiten op de tweede van de beide Phalguna-dagen, wanneer e god Bhaga heerst over de schepselen.”
d
13. Toen koning Janaka deze aangename woorden had ge-sproken, stond hij op, vouwde zijn handen eerbiedig en prak tot de beide voortreffelijke wijzen:
s
14. “U hebt mijn hoogste plicht voor mij vervuld. Ik zal voor altijd een leerling van u beiden zijn. Wees zo goed, stieren onder de wijzen, op deze erezetels plaats te emen.
n
15. Deze stad van mij behoort evenzeer aan Dasaratha toe als Ayodhya. Laat er alstublieft geen twijfel bestaan
291
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
over zijn gezag hier en handel dienovereenkomstig.”
16. Toen koning Janaka Vaideha zo had gesproken, was koning Dasaratha, de vreugde van de Raghu’s, zeer tevreden en hij zei tot de heer der aarde:
17. “U, beide broers, heren van Mithila, bezit ontelbare deugden. U bewijst grote eer aan de rishi’s en aan de alloze koningen.”
t
18. En vervolgens zei hij: “Moge het u goed gaan, wees ge-lukkig. Ik zal nu naar mijn eigen verblijf teruggaan om lle riten te vervullen voor mijn overleden voorouders.”
a
19. Koning Dasarata nam afscheid van Janaka, heer der mensen, en vertrok snel, voorgegaan door de twee gro-e wijzen.
t
20. Nadat hij naar zijn eigen verblijf was teruggekeerd, voltrok de koning de offerriten voor zijn voorouders zoals voorgeschreven. De volgende morgen voltrok hij een schitterend scheerritueel, passend bij deze bijzon-ere dag.
d
21. In overeenstemming met de traditie gaf de koning, de heer der mensen, namens elk van zijn zonen honderd-uizend koeien aan de brahmanen.
d
22. Zo schonk deze stier onder de mensen vierhonderd-duizend melkkoeien met vergulde horens, elk met een alf en een koperen melkvat van fijn koperwerk.
k
23. En de vreugde der Raghu’s, die zijn zonen zeer was
292
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
toegewijd, gaf ter gelegenheid van hun scheercere-monie nog veel meer waardevolle geschenken aan de brahmanen.
24. Zo stond de koning daar, omringd door zijn zonen na het scheerritueel, en hij straalde als de welwillende Brahma, de heer der schepselen, omgeven door de wachters van de wereld.
Einde van Sarga 71 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
293
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
72 De bruiloft
1-2. Juist op de dag dat de koning die uitgebreide scheer-ceremonie volbracht, arriveerde de held Yudhajit, zoon van de koning van Kekaya en Bharata’s oom van moederskant. Toen deze bij de koning kwam en ge-raagd had naar diens welzijn, zei hij:
v
3. “De koninklijke heer van Kekaya laat vriendelijk naar uw welzijn informeren, en deelt mede dat allen die u er harte gaan in goede gezondheid verkeren.
t
4. Heer der koningen, heer der aarde, ik zou graag mijn zusters zoon Bharata spreken. Met dat doel, o vreugde an de Raghu’s, reisde ik naar Ayodhya.
v
5. Maar in Ayodhya, heer der aarde, hoorde ik dat uw zoons met u naar Mithila waren gegaan om in het huwelijk te treden. Daarom ben ik haastig hierheen ekomen, verlangend de zoon van mijn zuster te zien.”
g
6. Koning Dasaratha ontving deze geliefde gast met alle erbetoon en met de grootste hartelijkheid.
e
7. Hij bracht de nacht door in het gezelschap van zijn grote zonen. De volgende morgen ging hij, voorgegaan oor de rishi’s, naar de heilige offerplaats.
d
8. Op het gunstige moment met de constellatie van Vijaya, gingen Rama en zijn broers, getooid met prachtige versierselen, voor Vasishtha en de andere grote rishi’s
294
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
staan en ondergingen de voorspoed brengende ceremo-nie waarbij het huwelijkskoord om de pols wordt aan-gebracht.
9. Daarop ging de heilige Vasishtha naar koning Janaka Vaideha en zei tot hem:
10. “O Majesteit, eerste onder de machtigen, koning Dasa-ratha en zijn zonen hebben de ceremonie van het huwelijkskoord verricht en wachten nu op u, want het s uw taak om de bruiden weg te geven.
i
11. Het is altijd het beste zaken rechtstreeks tussen gever en ontvanger af te handelen. Voer nu de schitterende uwelijksceremonie uit en vervul zo uw plicht.”
h
12. Toen de grote Vasishtha zo tot hem gesproken had, antwoordde de nobele en machtige man, die de wegen er rechtvaardigheid zeer goed kende:
d
13. “Wie van mijn kamerheren heeft dienst? Op wiens bevelen wacht u nog? Mijn koninkrijk is het uwe! aarom die aarzeling in uw eigen huis?
W
14. Beste der wijzen, mijn dochters hebben ook de gehele ceremonie van het huwelijkskoord ondergaan. Ze zijn het altaar al dicht genaderd en stralen als vlammend uur.
v
15. Ik ben gereed. Ik sta bij het altaar en wacht op u. Laat de koning de plechtigheid zonder uitstel voltrekken. aar wachten wij nog op?”
W
295
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Toen Dasaratha de woorden van koning Janaka hoorde, liet hij zijn zonen en de hele schare rishi’s het koninklijk paleis binnengaan.
17. Toen sprak koning Janaka tot Rama, de oogappel van zijn moeder Kausalya: “Mijn dochter Sita zal uw wet-tige echtgenote zijn en de vervulling van alle plichten in het leven met u delen. Aanvaard haar, wees gezegend. eem haar hand in de uwe.
N
18. Kom ook hier, Lakshmana, wees gezegend. Aanvaard Urmila, die ik u tot vrouw geef. Aarzel niet haar hand e nemen.”
t
19. Na deze woorden richtte Janaka zich tot Bharata: “Neem Mandavi’s hand in de uwe, o vreugde van de aghu’s.”
R
20. Tenslotte wendde de rechtschapen Janaka zich tot Sat-rughna en zei: “O prins met uw machtige armen, neem e hand van Srutakirti in de uwe.”
d
21. “Kakutstha’s, u allen bent zachtmoedig en getrouw aan w geloften. Neem dan nu uw echtgenotes tot u.”
u
22. Na deze woorden van Janaka en op een instemmend teken van Vasishtha, namen de vier broers de handen an de vier vrouwen in de hunne.
v
23. Tenslotte liepen de voortreffelijke Raghu’s samen met hun vrouwen vol eerbied rond het vuur, het altaar, de koning en de grote rishi’s. Zo voltrokken zij hun huwe-
296
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
lijksceremonie in overeenstemming met de rituele voor-schriften.
24. Plotseling daalde uit de hemel een grote, stralende bloe-semregen neer, begeleid door het donderend geluid van hemelse trommels en de klanken van gezang en uziekinstrumenten.
m
25. Menigten apsarasen dansten bij het huwelijk van de
Raghu prinsen en gandharva’s zongen zacht en lieflijk. et was werkelijk wonderbaarlijk.
H
26. Bij deze muziek - dit gezang en de klanken van hoorn-geschal – liepen die machtige mannen met hun vrouwen driemaal rond het heilige vuur en zo werd un huwelijk gesloten.
h
27. Tenslotte keerden de prinsen, de vreugden van de Raghu’s, terug naar hun verblijf met hun bruiden. De koning, met de scharen rishi’s en zijn bloedverwanten, volgde hen en kon zijn ogen niet van ze afhouden.
Einde van Sarga 72 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
297
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
73 Ontmoeting met Rama Jamadagnya
1. Toen de nacht verstreken was, nam de grote wijze Visvamitra afscheid van de twee vorsten en vertrok naar de bergen in het noorden.
2. Zodra Visvamitra was vertrokken, nam koning Dasa-ratha afscheid van Vaideha, heer van Mithila, en maak-e zich snel klaar om naar zijn eigen stad terug te keren.
t
3-4. Maar eerst gaf de koning van Videha, heer van Mithila, zijn dochters met gulle hand geschenken, zoals vele honderdduizenden koeien, de prachtigste dekens en fijne zijden gewaden. Hij schonk ze ook een legermacht, volledig toegerust, schitterend als goden, en bovendien lifanten, paarden, strijdwagens en voetvolk.
o
5. De vader van de bruiden gaf hun ook een zeer groot aantal mannelijke en vrouwelijke bedienden, en ook eel zilver, goud, parels en koraal.
v
6-9. Met de grootste vreugde gaf de koning, heer van Mithila, zijn dochters onvoorstelbaar grote geschenken. Na deze enorme rijkdom aan hen te hebben gegeven, nam hij afscheid van Dasaratha, heer der aarde, en keerde terug naar Mithila. De koning, de heer van Ayodhya, en zijn voorname zonen vertrokken met hun leger en gevolg, voorafgegaan door alle rishi’s. Maar toen deze tijger onder de mensen met de Raghava’s en al zijn rishi’s zijn weg vervolgde, vlogen er steeds vo-
298
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
gels om hem heen die vreselijk naar hem krijsten, ter-wijl de dieren die op de aarde leven hem vol eerbied omringden.
10. Toen hij dit opmerkte, vroeg Dasaratha aan Vasishtha: “De vogels zijn wild en angstaanjagend en toch lijkt het gedrag van de andere dieren iets goeds te voorspellen. Wat brengt mijn hart zo in beroering? Mijn gedachten orden beheerst door bange voorgevoelens.”
w
11. De grote rishi antwoordde koning Dasaratha vrien-elijk: “Ik zal u de betekenis hiervan uitleggen.
d
12. Het gekrijs van de vogels in de lucht voorspelt dat er een vreselijk gevaar ophanden is, maar de andere dieren geven aan dat dit gevaar zal worden afgewend. hoeft niet ongerust te zijn.”
U
13. Terwijl ze hierover spraken, stak er plotseling een wind op die de gehele aarde deed beven en de prachtige omen omver blies.
b
14. De zon werd in duisternis gehuld en je kon geen hand voor ogen zien. Alles werd met as bedekt en het hele eger stond als aan de grond genageld.
l
15. Alleen Vasishtha, de andere rishi’s, de koning en zijn zonen bleven bij bewustzijn; de anderen vielen bewus-eloos neer.
t
16-19. Terwijl het hele leger met as bedekt was, zagen ze in deze vreselijke duisternis een angstaanjagende man, net
299
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
zo onoverwinnelijk als de berg Kailasa en even onbe-dwingbaar als het vuur dat aan het eind der tijden de wereld verbrandt. Hij droeg zijn haar verkleefd in een streng gebonden, en gewone mensen konden niet naar hem kijken, want zijn aanblik was verblindend door een buitengewone kracht. Met zijn strijdbijl over de schouder, met een boog die op een bliksemschicht leek, en met een machtige pijl in zijn hand leek hij op Hara, de vernietiger van Tripura, de stad der demonen. Toen zij deze vreesaanjagende man zagen die straalde als vuur, kwamen Vasishtha en de andere brahmanen, toe-gewijd aan gebed en offer, bijeen en bespraken de ituatie.
s
20. “Hij zal toch niet van plan zijn om opnieuw de kshatri-ya’s te vernietigen uit woede over de moord op zijn vader. Lang geleden, toen hij de kshatriya’s had afge-slacht, werd hij immers bevrijd van zijn woede en ver-riet. Hij is vast niet van plan hen weer te vernietigen!”
d
21. Na deze beraadslaging vergaarden de rishi’s geschen-ken ter verwelkoming en riepen de verschrikkelijke hargava vriendelijk toe: “Rama! Rama!”
B
22. Deze dappere Rama, zoon van Jamadagnya, aanvaard-de het eerbetoon van de rishi’s. Daarop wendde hij zich tot Rama, de zoon van Dasaratha.
Einde van Sarga 73 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
300
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
74 Vishnu’s boog
1. Hij sprak: “Machtige Rama, zoon van Dasaratha, ik heb alles over jouw buitengewone kracht gehoord en ook hoe je de boog hebt gebroken.
2. Het is wel heel bijzonder, ja bijna onvoorstelbaar dat je die boog gebroken hebt. Toen ik dat hoorde, besloot ik ier te komen met nog een andere prachtige boog.
h
3. Laat me nu eens zien hoe sterk je bent. Zet een pijl op deze grote boog van Jamadagni, de boog die er zo fschrikwekkend uitziet.
a
4. Als blijkt dat je sterk genoeg bent om een pijl op deze boog te zetten, dan zal ik je uitdagen tot een duel, waar achtige mannen veel waarde aan hechten.”
m
5. Toen koning Dasaratha dit hoorde, betrok zijn gezicht. Vol wanhoop vouwde hij zijn handen in eerbetoon amen en sprak:
s
6. “Uw woede tegen de Khsatriya’s is geluwd en u bent een beroemde brahmaan. Verleen mijn zonen toch on-ehinderde doorgang, want het zijn nog maar jongens.
g
7. U bent geboren in het Huis van de Bhargava’s, die zich altijd hebben beziggehouden met het bestuderen van de Veda’s en met heilige geloften. Bovendien hebt u de duizendogige Indra een belofte gedaan en uw wapens eergelegd.
n
301
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Slechts gericht op rechtvaardigheid gaf u de aarde over aan Kasyapa en u trok u terug in het woud op de berg Mahendra.
9. O grote wijze, u bent hier gekomen om alles wat ik heb te vernietigen. Want als Rama wordt gedood, zal nie-and van ons in leven blijven.”
m
10. Hoewel de woorden van Dasaratha van eerbied getuig-den, schonk de krijgshaftige Jamadagnya er geen aan-acht aan, maar wendde hij zich rechtstreeks tot Rama:
d
11. “Visvakarman, de god van de ambachten, heeft met grote vaardigheid twee goddelijke bogen gemaakt, die schitterend, wereldberoemd, onvernietigbaar en mach-ig zijn.
t
12. De boog die jij hebt gebroken, Kakutstha, o beste onder de mensen, was de boog die de drie steden verwoestte toen de goden hem gaven aan de drie-ogige Siva, die unkerde naar de strijd.
h
13. Maar, Kakutshta, de eerste der goden gaf deze boog aan Vishnu. Het is de tweede van die onoverwinnelijke ogen en even machtig als die van Rudra.
b
14. Toen hebben alle goden grootvader Brahma om hulp gevraagd om uit te vinden wie sterker was, Vishnu of Siva met de zwarte keel.
302
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
15. Grootvader Brahma, de meest waarheidlievende van allen, begreep de bedoeling van de goden en lokte een ruzie uit tussen die twee.
16. Door deze ruzie kwam het tot een strijd die de haren te berge deed rijzen; een strijd tussen Vishnu en Siva met de zwarte keel, waarin ieder van hen de ander wenste e overwinnen.
t
17. Toen werd door de klank ‘Hum’ Siva’s angstaanjagend machtige boog ontspannen en de grote drie-ogige god elf raakte verlamd.
z
18. De goden, die samengekomen waren met menigten rishi’s en hemelse zangers, smeekten de twee grootsten er goden vrede te sluiten.
d
19. Toen zij zagen dat Siva’s boog door Vishnu’s macht was ontspannen, riepen de goden en de menigten ishi’s Vishnu uit tot de grootste van de twee.
r
20. Maar de roemrijke Rudra was nog steeds boos en gaf zijn boog en pijlen in handen van de koning-rishi evarata van Videha.
D
21. Maar dit, Rama, is de boog van Vishnu, de veroveraar van vijandige burchten. Vishnu gaf hem in gewijde ewaring aan de Bhargava Ricika.
b
22. En de machtige Ricika gaf de goddelijke boog aan zijn zoon, mijn vader, de grote Jamadagni, wiens daden hun eerga niet hebben.
w
303
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
23. Maar toen mijn vader zijn wapens had neergelegd en alleen gewapend was met de macht van zijn ascese, heeft Arjuna Kartavirya, handelend vanuit een lage ge-dachte, zijn dood veroorzaakt.
24. Toen men mij die ongekend wrede moord op mijn vader meldde, werd ik zo woedend dat ik de kshatri-ya’s heb uitgeroeid, generatie na generatie, keer op eer.
k
25-26. Nadat ik zo de gehele aarde had overwonnen, Rama, gaf ik haar aan het eind van een offer als gave aan de grote Kasyapa, die heilig is in zijn daden. Op de berg Mahendra, waar ik alleen gewapend ben met de macht van mijn onthoudingen, hoorde ik over het breken van e boog. Zo snel als ik kon ben ik hierheen gekomen.
d
27. Rama, hier is Vishnu’s grote boog, die aan mijn vader toebehoorde en voor hem aan mijn grootvader. Neem em en volg de wet van de kshatriya’s.
h
28. Deze pijl is een veroveraar van vijandelijke burchten. Zet hem op deze beste van de bogen, als je daartoe in staat bent, Kakutstha. Dan zal ik je uitdagen voor een tweegevecht.”
Einde van Sarga 74 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
304
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
75 Rama verslaat Rama Jamadagnya
1. Toen de zoon van Dasaratha de woorden van Rama Jamadagnya had gehoord, matigde hij zijn antwoord uit eerbied voor zijn vader:
2. “Bhargava, ik heb gehoord wat u gedaan hebt. Wij res-pecteren dat, brahmaan, want u loste slechts uw schuld an uw vader in.
a
3. Maar, Bhargava, u schijnt mij te beschouwen als een zwakkeling die niet in staat is de plicht van een kshatri-ya te vervullen. Nu zult u zelf getuige zijn van mijn racht en macht.”
k
4. Met deze woorden kwam Raghava snel op Bhargava af en griste boos het prachtige wapen en de pijl uit zijn and. Rama spande de boog en zette de pijl op de pees.
h
5. oen sprak Rama kwaad tot Rama Jamadagnya:
T
6. “Ik ben u eerbied verschuldigd omdat u een brahmaan bent en omwille van Visvamitra. Daarom, Rama, kan ik eze dodelijke pijl niet op u afschieten.
d
7. Maar ik zal óf uw verblijfplaats, óf de prachtige werel-den die u door de macht van uw onthoudingen hebt erworven, vernietigen. De keuze is aan u.
v
8. Want de goddelijke pijl van Vishnu, die vijandelijke burchten verovert en met zijn macht alle hoogmoed vernietigt, wordt nooit tevergeefs afgeschoten.”
305
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
9. De goden en de menigten rishi’s met grootvader Brahma aan het hoofd verzamelden zich overeenkom-stig hun rang om dit grote wapen in de handen van Rama te zien.
10. De gandharva’s en apsarasen, de volmaakte wezens, hemelse zangers, kinnara’s, yaksha’s en rakshasa’s en e grote slangen snelden toe om dat wonder te zien.
d
11. Rama hield de boog vast en de wereld hield zich doodstil. Rama Jamadagnya, beroofd van zijn kracht, taarde naar Rama.
s
12. Jamadagnya was ontdaan toen hij merkte dat zijn kracht werd weggezogen door de macht van de lotus-gige Rama en hij sprak met nauwelijks hoorbare stem:
o
13. “Lang geleden, toen ik de aarde aan Kasyapa gaf, zei hij tegen mij: ‘Van nu af aan kunt u niet meer in mijn rijk onen.’
w
14. Daarom Kakutstha, deed ik in gehoorzaamheid aan mijn goeroe Kasyapa deze belofte: ‘Nooit meer zal ik en nacht op aarde doorbrengen.’
e
15. Heldhaftige Raghava, vernietig dus alsjeblieft mijn ver-blijfplaats niet. Snel als de gedachte zal ik mij daarheen poeden, naar Mahendra, de beste der bergen.
s
16. Maar de weergaloze werelden die ik door mijn onthou-dingen verworven heb, Rama, mag je met deze grote boog vernietigen. Doe dat direct.
306
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
17. Uit de manier waarop je de boog hanteert, weet ik dat je Vishnu bent, de heer der goden en de onsterfelijke overwinnaar van Madhu. Wees gegroet, vernietiger van je vijanden.
18. Alle goden hier verzameld zijn getuige dat jouw daden niet te evenaren zijn en dat je je gelijke niet kent in de trijd.
s
19. En daarom, Kakutstha, hoef ik niet beschaamd te zijn dat ik door jou, de heer van de drie werelden, ben over-onnen.
w
20. Rama, je houdt je altijd aan je geloften, dus moet je deze onovertroffen pijl afschieten. Zodra de pijl afgeschoten is, zal ik vertrekken naar Mahendra, de beste der ber-en.”
g
21. Toen Rama Jamadagnya uitgesproken was, schoot de uisterrijke en machtige Rama Dasarathi de grote pijl af.
l
22. Onmiddellijk werden alle windstreken bevrijd van duisternis en Rama, met de boog nog omhoog gericht, erd geprezen door de goden en de scharen rishi’s.
w
23. Rama Jamadagnya prees Rama Dasarathi en liep eer-biedig om hem heen. Daarna ging hij terug naar zijn verblijfplaats.
Einde van Sarga 75 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
307
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
76 Terug in Ayodhya
1. Nadat Rama Jamadagnya was vertrokken, gaf Rama Dasarathi, weer geheel tot rust gekomen, de pijl en boog in handen van de oneindig grote Varuna.
2. Vervolgens maakte Rama, de vreugde van de Raghu’s, een diepe buiging voor Vasishtha en de andere rishi’s. ij wendde zich tot zijn verbijsterde vader en sprak:
H
3. “Rama Jamadagnya is vertrokken. Laat nu de vier divi-sies van het leger onder bescherming van u, hun heer, ptrekken naar Ayodhya.”
o
4. Toen koning Dasaratha Rama’s woorden hoorde, sloot hij zijn zoon Raghava in zijn armen en kuste hem op het oofd.
h
5. De koning was overgelukkig de woorden: “Rama Jama-dagnya is vertrokken” te horen. In zijn vreugde maande ij het leger tot spoed en weldra bereikte hij zijn stad.
h
6-7. Toen de koning de stad binnenkwam, zag hij dat deze prachtig was versierd met vlaggen en vaandels, en het geluid van muziekinstrumenten en zang weerklonk. De koninklijke hoofdwegen waren met water besprenkeld en overal stonden prachtige boeketten. De stad zag er feestelijk uit, er waren drommen mensen en de wegen waren overvol van de stadsbevolking die goede wensen uitriep. Hun gezichten straalden van vreugde bij de in-tocht van de koning.
308
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
8. Kausalya, Sumitra, Kaikeyi met haar slanke taille, en de andere vrouwen van de koning waren druk met de ontvangst van de bruiden.
9. De vrouwen van de koning verwelkomden de schit-terende Sita, de befaamde Urmila en de twee dochters van Kusadhvaja.
10. Zij werden begroet met zegeningen en in zijden gewa-den gestoken gingen zij direct naar de heiligdommen an de goden om hun eer te bewijzen.
v
11. En nadat ze ieder die dit waardig was eerbiedig gegroet hadden, bedreven alle prinsessen met grote vreugde de iefde met hun echtgenoot in hun privé-vertrekken.
l
12. Nu zij zo hun vrouwen en hun goddelijke wapens verkregen hadden, brachten die stieren onder de men-sen hun dagen door in dienst van hun vader, omringd oor rijkdom en vrienden.
d
13. Maar de wereldberoemde en waarlijk dappere Rama overtrof hen allen in deugdzaamheid, zoals de zelf-eschapen Brahma alle wezens te boven gaat.
g
14. Zo bracht Rama vele seizoenen door met Sita, haar toegewijd en steeds in gedachten bij haar. En zij hield em voortdurend in haar hart.
h
15. Sita was Rama natuurlijk dierbaar, want zij was hem als vrouw geschonken door zijn vader. Toch nam door haar deugd en schoonheid zijn liefde voor haar nog toe.
309
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
16. Maar zij had in haar hart haar echtgenoot nog tweemaal zo lief. Zij verstonden elkaar tot in het diepst van hun hart.
17. Maar toch was het Maithili, de dochter van Janaka, lief-lijk als een godin en zo mooi als Sri, de godin van de schoonheid, die zijn allerdiepste wezen uitzonderlijk oed kon doorgronden.
g
18. Deze lieflijke en edele prinses omringde Rama, die zij zo innig liefhad, zoon van een koning-rishi, net zo met schoonheid als de godin Sri de heer van de onsterfelijke goden, Vishnu, met schoonheid omringt.
Einde van Sarga 76 van de Balakanda van de Sri Ramayana.
Einde van de Balakanda
310
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Sanskriet namen en woorden
Aditi dochter van Daksha, vrouw van
Kasyapa, en moeder van de goden
Agastya beroemde wijze, zoon van Mitra-
Varuna en Urvasi
Agni god van het vuur
Ahalya vrouw van Gautama, vervloekt door
haar echtgenoot nadat zij verleid was
door de god Indra
Aikshvaka afstammeling van Ikshvaku,
voornamelijk gebruikt voor
Dasaratha en Rama
Amaravati de stad van de god Indra
Ambarisha een van de eerste koningen van
Ayodhya en voorvader van Rama.
Hij koopt Sunahsepa, zoon van
Ricika, om als plaatsvervangend
offer te dienen
Amsumant de zoon van Asamanja, koning van
Ayodhya, na Sagara
Ananga ‘zonder lichaam’, een epitheton van
Kama, god van de liefde
Anasuya vrouw van de wijze Atri, zij is
beroemd om haar devotie en
kuisheid
Anga land waar koning Romapada regeert
311
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Angada zoon van de aap Valin, en een
generaal in het leger van Sugriva
Apsarasen hemelse maagden of nimfen,
befaamd om hun schoonheid; vaak
in dienst van de belangrijkste goden,
speciaal van Indra
Asamanja de oudste zoon van Sagara
Asoka bos plek waar Sita wordt vastgehouden
in de stad Lanka
Asvins tweeling-goden uit de vedische
godenwereld, beroemd om hun
schone uiterlijk
Asura’s een demonengroep, de oudere broers
van de goden
Ayodhya hoofdstad van de Ikshvaku’s
Bala demon die door Indra verslagen is.
‘Overwinnaar van Bala’ is een
veel voorkomend epitheton van
Indra
Bali Bali Vairocana, koning van de
asura’s
Bhagiratha zoon van Dilipa en de achter-
achterkleinzoon van Sagara
Bhagirathi epitheton van de Ganges
Bharata de tweede zoon van Dasaratha,
zijn moeder is Kaikeyi
Bharadvaja een wijze die Rama vertelt hoe hij
de berg Citrakuta kan bereiken
Bharadvaja een jonge leerling van Valmiki
312
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Bhargava naam van een machtige brahmaanse
familie, afstammend van de wijze
Bhrigu. Als geslachtsnaam kan de
naam verwijzen naar iedere
afstammeling van die familie
Bhava epitheton van Siva
Bhrigu een grote wijze, een brahmaan,
stamvader van de Bhargava familie
Bibhishana een variant van de naam Vibhishana
Bindu het meer waarin Siva de rivier de
Ganges liet stromen
Brahman naam voor het Indiase religieus-
filosofische concept van het
onpersoonlijke en absolute principe,
zonder kenmerkende eigenschappen,
dat aan het bestaan ten grondslag
ligt
Brahma de scheppende god van de hindoe
‘Drie-eenheid’, hij wordt beschouwd
als de ‘grootvader’ van alle levende
schepselen
Brahmadatta een koning, zoon van Culin, die de
dochters van Kusanabha huwt
Brahmanen de hoogste van de vier kasten. Dit
zijn de priesters en raadgevers van
de koning
Citrakuta berg waar Rama, Sita en Lakshmana
de eerste tijd van hun verbanning
wonen
313
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Culin een wijze, vader van Brahmadatta
Daitya’s een groep demonen die van Diti
afstammen
Daksha een van de tien zonen van Brahma,
geboren uit zijn geest, naar men zegt
heeft hij vele dochters gehad
Danava’s een groep demonen die van Danu
afstammen
Dandakawoud het woud waar Rama, Sita en
Lakshmana een deel van hun
verbanning doorbrengen
Dasaratha Rama’s vader en koning van
Ayodhya
Dasarathi iedere afstammeling van Dasaratha,
gebruikt voor de vier zonen van
Dasaratha, speciaal voor Rama
Diti naam van een godin, moeder van de
demonen die bekend staan als de
daitya’s
Dundubhi naam van een demon die door Valin
verslagen wordt. Rama schopt het
lijk van Dundubhi ver weg om zijn
kracht te tonen aan Sugriva
Dushana een generaal in het leger van Khara
in Janasthana
Gadhi zoon van Kusanabha en vader van
Visvamitra en diens oudere zuster
Satyavati
314
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Gandharva’s een groep half-goddelijke wezens,
beroemd om hun muzikale gaven.
Gandharva vrouwen zijn befaamd
vanwege hun schoonheid
Ganges een beroemde en belangrijke rivier in
het oude- en het hedendaagse-India,
gepersonifieerd als de dochter van
de berg de Himalaya. Zij is de zuster
van Parvati
Garuda naam van de koning van de vogels.
Broer van Sumati, de vrouw van
Sagara. Het rijdier van Vishnu
Gautama een wijze, echtgenoot van Ahalya en
de vader van Satananda
Ghritaci een apsaras die de moeder is van de
honderd dochters van Kusanabha
Guha koning van de Nishada’s en heerser
van de stad Sringavera; bondgenoot
van Rama, die hem tijdens zijn
verbanning bijstaat
Haimavati dochter van Himavant (Himalaya),
epitheton van Uma of van haar
zuster, de rivier de Ganges
Hanuman Rama’s metgezel, een aap die hem
helpt Sita te vinden en om het rijk
van Ravana, de koning van de
demonen, te vernietigen
Hara epitheton van Siva
315
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Himalaya naam van een bergketen, en koning
van de bergen. Hij heeft twee
dochters: Uma, de vrouw van Siva,
en de rivier de Ganges
Himavant een andere naam voor Himalaya
Ikshvaku familienaam van het koninklijke huis
van Ayodhya
Indra koning van de goden, die hun legers
aanvoert in de strijd tegen de asura’s;
in de postvedische traditie staat hij
speciaal bekend vanwege zijn
losbandigheid en overspeligheid
Indrajit epitheton van Meghanada, zoon van
Ravana
Jahnavi epitheton van de Ganges
Jamadagnya zie Rama Jamadagnya
Jambudvipa het Indiase subcontinent
Janaka koning van Mithila en de vader van
Sita
Janaki epitheton van Sita, dochter van
Janaka en de vrouw van Rama
Janasthana deel van het Dandakawoud en
residentie van Surpanakha, de zuster
van Ravana en van haar broer Khara
Jatayus een gier, vriend van Dasaratha
Jaya dochter van Daksha, vrouw van
Brahma, en moeder van de
goddelijke wapens
316
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Kabandha naam van een rakshasa die door
Rama wordt gedood
Kaikeyi vrouw van Dasaratha en de moeder
van Bharata
Kailasa bergpiek in de Himalaya, waar Siva
en Parvati volgens de traditie wonen.
Kubera, god van de rijkdom, verblijft
daar eveneens
Kakutstha afstammeling van Kakutstha, een
epitheton dat algemeen gebruikt
wordt voor de prinsen van de
Ikshvaku dynastie, speciaal voor
Rama en zijn broers
Kala de Tijd, naam van de god van de
dood
Kama god van de liefde
Kandarpa epitheton van Kama
Kapila een wijze die de zestigduizend zonen
van Sagara verbrandt omdat zij zijn
boetedoeningen verstoren
Kartikeya zoon geboren uit het zaad van Siva;
zijn stiefmoeders waren de Krittika’s,
de Pleiaden
Kasyapa Marica Kasyapa, naam van een
beroemde wijze, de echtgenoot van
Diti en Aditi
Kasyapa vader van Vibhandaka, grootvader
van Risyasringa
317
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Kausalya oudste vrouw van Dasaratha, en de
moeder van Rama
Kausika ieder afstammeling van Kusa,
meestal gebruikt om Visvamitra aan
te duiden
Kaustubha een kostbare edelsteen, ontstaan bij
het karnen van de oceaan
Kavya zoon van Bhrigu, meestal wordt hij
Usanas Kavya of Sukra genoemd, de
leermeester van de asura’s en andere
demonen
Kavya’s moeder de vrouw van Bhrigu, van haar
wordt gezegd dat haar hoofd is
afgehakt door Vishnu
Kesini vrouw van Sagara
Khara broer van Ravana en Surpanakha.
Hij wordt door Rama gedood in het
Dandakawoud
Kinnara’s mythische wezens met het hoofd van
een paard en met een menselijk
lichaam; de kinnara vrouwen zijn
beroemd om hun schoonheid
Kishkindha een stad (soms een grot) die door de
apen bewoond wordt
Kosala naam van het koninkrijk van de
Ikshvaku’s
Krisasva’s zonen de gepersonificeerde wapens die
Visvamitra aan Rama schenkt
318
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Krittika’s de Pleiaden, stiefmoeders van
Kartikeya
Kshatriya’s de kaste van de krijgslieden en de
bestuurders van het land. In
rangorde volgend op de kaste van de
brahmanen. De koning is een
kshatriya
Kubera god van de rijkdom, zoon van
Visravas en stiefbroer van Ravana.
Kubera is de koning van de yaksha’s
en de kinnara’s
Kumara naam van de zoon van Siva. Zie
Kartikeya
Kumbhakarna broer van Ravana, bekend om zijn
enorme omvang
Kusa een grote wijze, zoon van Brahma,
uit zijn geest geboren; zijn
achterkleinzoon is Visvamitra
Kusa Rama’s zoon, tweelingbroer van
Lava. Samen reciteren zij de
Ramayana
Kusadhvaja Janaka’s jongere broer en heerser
over Samkasya. Zijn twee dochters,
Mandavi en Srutakirti, trouwen
respectievelijk met Bharata en
Satrughna
Kusanabha zoon van Kusa, vader van honderd
dochters bij de apsaras Ghritaci, ook
is hij de vader van Gadhi
319
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Kusika zoon van Kusika is Visvamitra
Lakshmana zoon van Dasaratha en Sumitra. Hij
is de steeds trouwe metgezel van
Rama
Lanka Ravana’s hoofdstad, de plek waar
Sita wordt vastgehouden
Lomapada andere naam voor Romapada
Madana epitheton van Kama, de god van de
liefde
Maithila epitheton van Janaka
Maithili vrouw uit Mithila, epitheton van
Sita, de dochter van Janaka, zij is de
vrouw van Rama
Manasa een meer, door Brahma geschapen
op de berg Kailasa; de rivier de
Sarayu ontspringt daaruit
Mandara een berg die wordt gebruikt als
roerstok om daarmee de oceaan te
karnen
Mandavi een dochter van de broer van Janaka,
Kusadhvaja, zij is de echtgenote van
Bharata
Manthara dochter van Virocana, men zegt dat
zij is gedood door Indra
Manu traditioneel beschouwd als de vader
van het menselijke ras en de eerste
mens; volgens de legende is hij de
grondlegger van de Ikshvaku
dynastie
320
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Marica Kasyapa zie Kasyapa
Marica een rakshasa, zoon van Sanda en de
yaksha vrouw Tataka. Hij wordt
Ravana’s bondgenoot bij de
ontvoering van Sita
Maruts zonen van Diti, metgezellen van
Indra
Meghanada zoon van Ravana, ook Indrajit
genaamd
Mena echtgenote van de Himalaya, moeder
van de Ganges en Uma
Menaka een apsaras, door Indra gestuurd om
Visvamitra te verleiden
Mithila de hoofdstad van koning Janaka
Nala naam van een aap die de brug naar
Lanka bouwt voor Rama en zijn
leger, hij is een zoon van
Visvakarman
Nandigrama het dorp waar Bharata woont
gedurende de veertien jaar van
Rama’s verbanning
Narada de goddelijke boodschapper die de
Ramayana aan de wijze Valmiki
openbaart
Narayana epitheton van Vishnu
321
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Nishada jager een jager van deze stam doodt het
mannetje van een paar kraunca
vogels tijdens hun paring, en zo
inspireert hij Valmiki om de eerste sloka, of versvorm, te dichten. Guha
is de koning van de Nishada’s
Paka een demon die door Indra gedood
wordt. Deze daad ligt ten grondslag
aan een epitheton van deze grote
godheid:
Pakasasana kastijder van Paka
Pampa het meer waar Rama en Lakshmana
voor het eerst Hanuman en Sugriva
ontmoeten
Parvati epitheton van Uma
Paulastya een afstammeling van Pulastya, een
algemeen gebruikt epitheton van
Ravana
Pisaca’s een demonen soort van zeer lage
rangorde
Pushpaka Ravana’s hemels voertuig
Raghava iedere afstammeling van Raghu,
speciaal gebruikt voor Rama en zijn
broers
Raghu zoon van Kakutstha en voorvader
van Rama
322
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Rakshasa’s een groep gewelddadige en
bloeddorstige demonen, die als de
meedogenloze vijanden van de
brahmaanse kultuur en beschaving
worden beschouwd. Hun koning is
de tienkoppige Ravana, die heerst
vanuit het prachtige vesting-eiland
Lanka
Rama Dasarathi oudste zoon van Dasaratha en
Kausalya, hij is de held van de
Ramayana
Rama Jamadagnya ook bekend als Bhargava Rama of
Parasurama. Hij is de zoon van de
wijze Jamadagni
Rambha een apsaras die tracht Visvamitra te
verleiden, maar door hem wordt
vervloekt
Rasatala naam van een hel
Ravana de voornaamste tegenstander van
Rama in de Ramayana. Hij is de
tienkoppige opperheer van de
rakshasa’s en hij ontvoert Sita
Ricika een Bhargava wijze, echtgenoot van
Satyavati en zwager van Visvamitra
Rohini dochter van Daksha en de meest
geliefde metgezellin van de maan
Romapada koning van Anga en vriend van
Dasaratha. Hij is de vader van Santa
en de schoonvader van Risyaringa
323
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Risyamuka de berg waar Rama de aap Sugriva
ontmoet
Risyasringa de onschuldige knaap-wijze; zoon
van Vibhandaka en echtgenoot van
Santa
Rudra epitheton van Siva
Sabala Vasishtha’s koe, die wensen vervult
Sabari een kluizenaarster die Rama helpt
tijdens zijn zoektocht naar Sita
Saci’s heer een algemeen gebruikt epitheton van
Indra. Saci is de vrouw van Indra
Sagara een Ikshvaku koning, voorvader van
Rama. Hij heeft twee vrouwen,
Kesini en Sumati; en zestigduizend-
en-één zonen
Sakra een algemeen gebruikt epitheton van
Indra
Sampati een gier, broer van Jatayus, hij helpt
de apen bij hun zoektocht naar Sita
Sanatkumara naam van een rishi die het
Risyaringa verhaal vertelt
Sankara epitheton van Siva
Santa Romapada’s dochter en vrouw van
Risyaringa
Sarabhanga een asceet, die Rama, Sita en
Lakshmana opzoeken na hun
ontmoeting met de rakshasa Viradha
Sarayu naam van een rivier die door het
koninkrijk Kosala stroomt
324
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Satananda zoon van Gautama en Ahalya,
voorvader van Janaka. Hij vertelt het
verhaal van de strijd tussen
Visvamitra en Vasishtha
Satrughna jongste zoon van Dasaratha en
Sumitra. Hij is de vriend en altijd
trouwe metgezel van Bharata
Satyavati vrouw van Ricika en zuster van
Visvamitra; zij volgt haar man naar
de hemel en wordt de goddelijke
rivier de Kausiki
Saumitri zoon van Sumitra, naam van
Lakshmana
Siva één van de drie hoofdgoden van de
‘Drie-eenheid’ van het hindoe
pantheon, samen met Brahma en
Vishnu. Hij is de echtgenoot van
Uma (Parvati) en beroemd om zijn
ascese
Somada gandharva vrouw die voor Culin
zorgt tijdens zijn onthoudingen,
moeder van Brahmadatta
Sringavera een stad aan de rivier de Ganges,
waar Guha, de koning van de
Nishada’s, regeert
Srutakirti Kusadhvaja’s jongste dochter en
vrouw van Satrughna
Sthanu epitheton van Siva
325
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Subahu een rakshasa metgezel van Marica.
Hij wordt gedood door Rama
Sudra’s de vierde kaste. De sudra’s dienen
de andere drie kasten
Sugriva koning van de apen, vriend en
bondgenoot van Rama
Suketu een yaksha, de vader van Tataka
Sumantra wagenmenner en raadsman van
koning Dasaratha
Sumati een vrouw van Sagara en dochter
van Arishtanemi
Sumati afstammeling van Visala, en koning
van Visala
Sumitra jongste vrouw van Dasaratha en
moeder van Laksmana en Satrughna
Sunahsepa middelste zoon van Ricika, een
Bhargava wijze, die verkocht werd
door zijn ouders aan de Ikshvaku
koning Ambarisha om te dienen als
plaatsvervangend offer
Suparna epitheton van Garuda
Suprabha dochter van Daksha, vrouw van
Brahma, en moeder van de
Samhara’s
Surpanakha de zuster van Ravana; zij tracht
Rama te verleiden in het Pancavati
woud
Surya de zonnegod, vader van Sugriva
326
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Sutikshna een wijze die Rama, Sita en
Lakshmana bezoeken tijdens hun
verbanning
Tamasa rivier nabij de Ganges, aan haar
oevers is Valmiki’s ashram
Tara vrouw van Valin
Tataka een yaksha vouw die wegens een
vloek een rakshasa is geworden. Zij
is de moeder van de rakshasa
Marica. Op aandringen van
Visvamitra doodt Rama haar
Trijata een rakshasa vrouw die Sita troost
gedurende haar gevangenschap
Tripura naam van de stad van de demonen,
vernietigd door Siva
Trisanku een Ikshvaku koning en voorvader
van Rama. Hij wenste de hemel in
zijn sterfelijke lichaam te bereiken
Trisiras een rakshasa die door Rama wordt
gedood
Tvashtri goddelijke handwerksman van het
Indiase pantheon
Uccaihsravas goddelijk paard, tijdens het karnen
van de oceaan voortgebracht, en aan
Indra geschonken
Uma vrouw van Siva, dochter van de
Himalaya
327
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Urmila dochter van Janaka en de vrouw van
Lakshmana
Vaideha epitheton van Janaka
Vaidehi epitheton van Sita
Vainateya naam van Garuda
Vairocana zie Bali
Vaisravana afstammeling van Visravas. Naam
voor zowel Kubera, god van de
rijkdom, als voor Ravana, koning
van de rakshasa’s
Vaisya’s kaste van de kooplieden, die
zorgdragen voor de welvaart in het
land. In rangorde volgend op de
kaste van de kshatriya’s
Valin koning van de apen, echtgenoot van
Tara en zoon van Indra. Hij is de
oudere broer van Sugriva
Valmiki wijze en dichter van de Ramayana
Varuna god van de oceaan
Varuni dochter van Varuna, voortgebracht
tijdens het karnen van de oceaan. Zij
is de personificatie van wijn
Vasava epitheton van Indra
Vasishtha Dasaratha’s familiepriester, rivaal
van Visvamitra
Vasudeva epitheton van Vishnu, hij neemt de
gestalte aan van de wijze Kapila
Vasuki de grote slang, gebruikt als koord bij
het karnen van de oceaan
328
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Vayu god van de wind, die de dochters
van Kusanabha belaagt
Vibhandaka zoon van Kasyapa en vader van
Risyasringa
Vibhishana een rakshasa, broer van Ravana. Hij
voegt zich bij Rama’s leger. Na de
nederlaag van de demonen troepen
en de dood van zijn broer, wordt hij
door Rama als koning van Lanka
geïnstalleerd
Videha epitheton van Janaka
Vidyadhara’s een soort half-goddelijke wezens. De
vrouwen zijn beroemd om hun
schoonheid
Viradha een rakshasa, die nadat hij trachtte
Sita te ontvoeren, door Rama wordt
gedood
Virocana een asura koning en voorvader van
Bali. Zijn dochter, Manthara, wordt
door Indra gedood
Visala zoon van Ikshvaku en Alambusha;
stichter van Visala
Visala beroemde stad, waar Rama doorheen
trekt op zijn reis naar Mithila
Visvakarman god van de handwerkslieden,
architect van de goden
329
© Copyright 2004 - Stichting Ars Floreat – www.arsfloreat.nl - (Ramayana 1)
Vishnu een van de drie hoofdgoden van de
hindoe ‘Drie-eenheid’, samen met
Brahma en Siva. Men neemt aan dat
Hij zich op aarde heeft geïncarneerd
in de gestalte van Rama, om de
demon Ravana te doden
Visvamitra een belangrijke wijze in de
Balakanda. Hij is leraar en vriend
van Rama, en schenkt de jonge prins
goddelijke wapens. Oorspronkelijk is
hij een kshatriya, maar wordt een
brahma-rishi door zijn strenge
onthoudingen
Vritra een demon die door Indra wordt
gedood
Yaksha’s half-goddelijke wezens, die met
Kubera in verband worden gebracht.
De vrouwen staan bekend om hun
schoonheid
Yudhajit zoon van de koning van de Kekaya’s.
Broer van Kaikeyi en oom van
moeders zijde van Bharata