Indonesische Spiritualiteit, energie uit de kosmos

app Mythen en Sagen

Ter info!

Om iets op te zoeken druk je eerst

1- Ctrl + A.  Dan is alles geselecteerd

Om te zoeken druk dan

2- Ctrl + F

Type dan in het vakje je zoekopdracht en het hele boek word doorzocht naar het opgegeven woord.


Indonesische mythen en sagen



Dit hoofdstuk breng me terug naar mijn jeugd. Mijn vader, en eigelijk alle mannen uit mijn familie waren fantastische vertellers. Ik ben dan ook grootgebracht met de verhalen van de Kancil....

Fantastisch vind ik deze verhalen die zo vast zitten aan de Indische identiteit!!!


Wayang kulit van de Kancil, hier samen met Dalang Ki Ledjar Subroto

__________________________________
Lijst van Midden- en Oost-Javaanse heersers, bron Wikipedia.


Het eiland Java werd in het eerste millennium na Christus op religieus en cultureel terrein sterk door India beïnvloed. Daardoor werd het hindoeïsme en het boeddhisme steeds meer verbreid en het animisme grotendeels verdrongen. Er ontstonden in wat nu Indonesië wordt genoemd talrijke feodale staten en staatjes. Sommige vorstendommen bereikten in deze tijd een hoog peil van ontwikkeling; daarvan getuigt onder meer de Boroboedoer (750-850), een uit de negende eeuw stammend boeddhistisch heiligdom op Java.

Hindoe-Indonesische staten hebben op Java tot in de vijftiende eeuw bestaan. Twee van deze staten verwierven enige tijd een overheersende positie waarin zij grote delen van het latere Indonesië en het schiereiland Malakka in hun macht hadden, het Zuid-Sumatraanse rijk Sriwidjaja in de dertiende eeuw en het Oost-Javaanse rijk Modjopahit in de veertiende eeuw.

De vorstenhuizen en de geschiedenis van Malakka en van Java en Sumatra waren sterk met elkaar verbonden. De meeste vorstendommen leidden overigens een wisselvallig bestaan als gevolg van interne en externe conflicten; herhaaldelijk kwamen nieuwe staten op en verdwenen andere van het toneel, soms zonder veel sporen na te laten. Over sommige rijken is maar weinig bekend. Er zijn niet veel geschreven bronnen beschikbaar.

Oost-Java

De boeddhistische dynastie die de Boroboedoer had laten bouwen werd verdreven door een sjiwaïtisch koningshuis dat zijn zetel naar Oost-Java overbracht. Tegen het eind van de eeuw viel dit rijk uiteen.
In de elfde eeuw wist de uit Bali afkomstige koning Erlangga heel Oost-Java onder zijn bestuur te verenigen en opnieuw tot bloei te brengen, maar ook zijn rijk bleef niet lang bestaan[1].
Het koninkrijk Mataram was gevestigd aan de Brantasrivier. De vorsten en de bevolking beleden het hindoeïsme en het boeddhisme. Dat kwam tot uitdrukking in de bouw van de Boroboedoer. Hetzij door een uitbarsting van de Merapi, hetzij door interne twisten, verplaatste het rijk zich naar het dal van de Brantas in Oost-Java. Dit hindoeïstische rijk staat tegenwoordig bekend als Mataram I. De koningen waren afstammelingen van de heersers van het oude, meer naar het westen gelegen rijk.
koning Mpoe Sindoek
koning Dharmawangsa (omstreeks 996)
koning Airlangga (1019-1042)
Het koninkrijk Kediri rond Kediri, tot 1222

Singhasari
In de dertiende eeuw ging de macht van Kediri over op het koninkrijk Singasari (1222-1292), dat gesticht was door de rebel Ken Arok. Dit rijk, waarvan de hoofdstad ten noorden van het huidige Malang lag, verwierf de hegemonie over een groot deel van Java. Met behulp van een sterke zeemacht werden delen van Sumatra, Malakka, Borneo en de Molukken veroverd. Het koninkrijk Dingasiri ging binnen een eeuw ten onder aan een conflict met het indertijd expansionistische keizerrijk China.
Ken Arok 1222 - 1227
Anoesapati 1227 - 1248
Panji Tohjaya 1248
Wisnoewardhana 1248 - 1268
Kartanegara 1268 - 1292

Majahapit

Het koninkrijk Majapahit (1294-1400), met hoofdstad Trowulan bij Soerabaja
koning Wijaya, stichter van het rijk
koning Hayam Woeroek (omstreeks 1350) met eerste minister Gajah Mada. Vrijwel geheel Indonesië was in zijn machtssfeer.
In de twaalfde eeuw berustte de hegemonie in het eilandenrijk bij het Oost-Javaanse koninkrijk Kediri, dat zich tot een maritieme macht ontwikkelde dat ook Bali en delen van Borneo en Celebes beheerste. De bekendste koning van Kediri is Djojobojo, die onder meer een Javaanse bewerking heeft laten maken van het Indiase heldendicht Mahabharata.
De koningen en keizers van Majapahit[bewerken]
In de vrouwelijke lijn stammen deze heersers af van Ken Arok en Kartanegara. De zoon van de laatste koning van Singasari stichtte een nieuw rijk en vestigde zijn kraton in Majapahit, een dorp aan de rivier de Brantas, op ongeveer vijftig kilometer ten zuidwesten van Soerabaja. Dit rijk, het koninkrijk Majapahit, dat van 1294 tot omstreeks 1520 heeft bestaan, kreeg gedurende enige tijd bijna heel Indonesië en Malakka onder zijn macht. Die machtsuitbreiding was vooral te danken aan legeraanvoerder Gadjah Mada, die van 1331 tot 1364 als rijksbestuurder optrad onder koning Hajam Woeroek.

Raden Wijaya, ook Kertarajasa Jayawardhana genoemd (1294–1309)
Kalagamet, ook Jayanagara genoemd (1309–1328)
Sri Gitarja, ook Tribhoewana Wijayatoenggadewi genoemd (1328–1350)
Hayam Woeroek, ook Sri Rajasanagara genoemd (1350–1389)
Wikramawardhana (1389–1429)
Soehita (1429–1447)
Kertawijaya regeerde als Brawijaya I (1447–1451)
Rajasawardhana, geboren als Bhre Pamotan regeerde als Brawijaya II (1451–1453)
Een interregnum dat van 1453 tot 1456 duurde.
Bhre Wengker, ook wel Poerwawisesa of Girishawardhana genoemd regeerde als Brawijaya III (1456–1466)
Singhawikramawardhana, Pandanalas, of Soeraprabhawa, genoemd regeerde als Brawijaya IV (1466 - 1468 of 1478)
Kertaboemi van Majahapit regeerde als Brawijaya V (1468–1478)
Girindrawardhana regeerde als Brawijaya VI (1478–1498)

Gadjah Mada

Het koninkrijk Gadjah-Mada op de vlakte van Singhasari, bij Palang, een leen, Mada geheten, dat door vorst Rajasanagara werd gegeven aan de hindoeïstische krijgsman Gadjah Mada. Het werd rond 1636 door sultan Agoeng veroverd. De kraton zou de mataramse hoven hebben voorzien van de zoogenaamde Gadjah-mati's, een ambtenarenstand[2].
patih Gajah Mada
Het koninkrijk Demak. De hoofdstad Demak ligt 30 km ten oosten van Semarang. Introductie van de islam. In 1478 vluchtten de hindoes naar Bali en naar het gebied nabij de Bromo;
Raden Patah (1500-1518), afstammeling van de koningen van Majapahit
Pati Oenoes (1480-1521)
Trenggono (1521-1546)
Soenan Prawoto (1546-1549)
De dood van de sterke vorst Trenggana leidde tot een burgeroorlog van de opvolging tussen jongere broer van de koning, Sekar Seda Lepen, en de zoon van de koning, prins Prawoto; streden om de opvolging. Beiden werden in deze burgeroorlog gedood en Sekars zoon, Arya Penangsang besteeg de troon van Demak.

Arya Penangsang werd al snel geconfronteerd met zware tegenstand van zijn eigen vazallen. De reden was zijn onsympathieke karakter en hij werd al snel onttroond door een coalitie van vazallen onder leiding van Jaka Tingkir, Heer van Boyolali, die verwant was aan koning Trenggana. Jaka Tingkir nam de rol als de koning op zich, maar hij verplaatste alle Demakse erfstukken en heilige voorwerpen naar zijn kraton in Pajang. Deze verhuizing betekende het einde van de geschiedenis van Demak. Het koninkrijk werd naar de nieuwe kraton het koninkrijk Pajang genoemd.

In deze periode bekeerden de negen Wali Songo, negen vorstelijke Javanen, de hoven van Java tot de islam.

Het koninkrijk Pajang

Joko Tingkir (1549-1582), schoonzoon van Trenggono, verplaatste omstreeks 1540 het machtscentrum naar Pajang, 10 km ten westen van Surakarta
Het koninkrijk of sultanaat Mataram
sultan Panembahan Senopati of Sutowijoyo (1584-1601), begraven te Kotagede bij Yogyakarta
sultan Panembahan Hanyakrawati (1601-1613)
sultan Adipati Martapura (1613)
sultan Agoeng Hanyokrokoesumo (1613-1646), meestal "Agoeng de Grote" genoemd, verplaatste het machtscentrum naar Kerta, ten zuiden van Kotagede, vocht tegen de kolonisten uit Nederland die vanuit Batavia binnenvielen. Hij werd begraven in Imogiri.
sultan Amangkoerat I van Mataram (1646-1674)
soesoehoenan Amangkoerat II van Mataram (1677-1703)
soesoehoenan Amangkoerat III van Mataram (1702-1705)
soesoehoenan Pakoeboewono I van Soerakarta (1705-1719)
soesoehoenan Amangkoerat IV (1719-1726)
soesoehoenan Pakoeboewono II van Soerakarta (1726-1749)
Gedurende de 17e eeuw waren er voortdurend oorlogen met de VOC die het rijk Mataram verzwakten. De hoofdstad werd herhaaldelijk verplaatst, en wel nabij Plered in 1647, Kartosuro in 1680, naar de oever van de Solo-rivier in 1743, waarbij Surakarta werd gesticht. Door onderlinge twist en de intriges van de VOC werd het rijk gesplitst in het soenanaat Soerakarta en het sultanaat Jogjakarta.

Het sultanaat Soerakarta

soesoehoenan Pakoeboewono III van Soerakarta (1749-1788)
soesoehoenanPakoeboewono IV van Soerakarta (1788-1820)
soesoehoenan Pakoeboewono V van Soerakarta (1820-1823)
soesoehoenanPakoeboewono VI van Soerakarta (1823-1830)
soesoehoenan Pakoeboewono VII van Soerakarta (1830-1858)
soesoehoenan Pakoeboewono VIII van Soerakarta (1858-1861)
soesoehoenan Pakoeboewono IX van Soerakarta (1861-1893)
soesoehoenan Pakoeboewono X van Soerakarta (1893-1939)
soesoehoenan Pakoeboewono XI van Soerakarta (1939-1945)
soesoehoenan Pakoeboewono XII van Soerakarta (1945-2004)
soesoehoenan Pakoeboewono XIII van Soerakarta (2004-heden)

Het sultanaat Jogjakarta

sultan Hamengkoeboewono I (1749-1792)
sultan Hamengkoeboewono II (1792-1810)
sultan Hamengkoeboewono III (1810-1814)
sultan Hamengkoeboewono IV (1814-1822)
sultan Hamengkoeboewono V (1823-1855)
sultan Hamengkoeboewono VI (1855-1877)
sultan Hamengkoeboewono VII (1877-1921)
sultan Hamengkoeboewono VIII (1921-1939)
sultan Hamengkoeboewono IX (1940-1988)
sultan Hamengkoeboewono X (1988-heden)

De mangkoenegara van Mangkoenegaran

Mangkoenegara I (Raden Mas Said) 1757 - 1796
Mangkoenegara II 1796 - 1835
Mangkoenegara III 1835 - 1853
Mangkoenegara IV 1853 - 1881
Mangkoenegara V 1881 - 1896
Mangkoenegara VI 1896 - 1916
Mangkoenegara VII 1916 - 1944
Mangkoenegara VIII 1944 - 1987
Mangkoenegara IX is sinds 1987 de negende vorst van Mankoenegaran.
Het vorstendom Pakoealaman
Pakoe Alam I (1812-1829)
Pakoe Alam II (1829-1858)
Pakoe Alam III (1858-1864)
Pakoe Alam IV (1864-1878)
Pakoe Alam V (1878-1900)
Pakoe Alam VI (1901-1902)
Pakoe Alam VII (1903-1938)
Pakoe Alam VIII (1938-1998)
Pakoe Alam IX (1998-2015)

Van de geschiedenis van West-Java in de Hindoe-Indonesische tijd is weinig bekend. De daar opgekomen Soendanese vorstendommen wisten meestal hun onafhankelijkheid tegenover de Midden- en Oost-Javaanse heersers te bewaren. Wel vestigden Javanen zich in enkele West-Javaanse gebieden, in het bijzonder het gebied van Bantam. In de veertiende eeuw ontstond het Soendanese rijk Padjadjaran. Het had zijn hoofdstad aan de rivier de Tjiliwoeng nabij de plaats van het latere Buitenzorg en bezat een haven, Soenda Kalapa, aan de mond van die rivier. De bekendste vorst van Padjadjaran is de legendarische koning Siliwangi.
__________________________________

Fantastische verhalen uit het Volksverhalen Almanak, aangevuld met verhalen uit eigen bron

Kantjil en de tijger
De aap, de tijger, de kat en de geit
De legende van de Lawu, Semar
Garuda en de slangen
Kantjil, de krokodil en de tijger
Kantjil, de tijger en zijn spiegelbeeld
Van een koning en zijn dochter
Het levende beeld
Soe-oene
De boze weefster
De pelikaan en de vissen
Ratu Kidul
Kantjil en de krokodillen
Het ontstaan van de rijst
De kidang, de otter en de krab
De hemelnimf Dewi Nawang Wulan
Kiding Sunda - De valse raadsheer
De kidang, de otter en de krab - Een fabel uit Indonesië over schuld en vergelding
Lo Aget en Lo Latjut
Telaga Warna, het veelkleurige meer
De helpende dieren 
De strijd met de menseneters
Hoe de ziel van Tisna Wad in de bergrijst kwam
De eigenzinnige prins
De vrouw die rijkdom wilde
Woeloer
Het sprookje van de neushoornvogel
Hoe Hordja tot rijkdom kwam
De legende van Janggala en Dahawati (Kikker-Dans)
Ombaq en Oemboel
Raden Panji Kuda Wanengpati
Het offer van Kusomo
Raden Panji Kuda Wanengpati 
Koret Laboe
De geur van voedsel 
Hoe Rasoel bin Rachman werd gestraft
Kantjil en de schildpad
De list van de Parkietenkoning
Het buideldier en de wind
Het lied van Si Nandang
Het wilde zwijn
De zoon van de rechter
De streken van Djonaha
Hoe Kyai Blorong de hebzuchtige Sarijan strafte
Oemali's terugkeer uit het schimmenrijk
Pa Pandir
Nyai Loro Kidul, Prinses Dewi Kadita, Nji Blorong
Het verhaal van de maan godin Dewi Ratih en Kala Rau
________________________________________________________

Kantjil en de tijger - Een Indonesische fabel over een tijger die zijn verdiende loon krijgt
Eens had een tijger zich in een val laten vangen. Er kwam een man voorbij en de tijger vroeg hem om hem er uit te laten. "Ja," zei de man, "dat wil ik wel doen, maar dan moet je me beloven, dat je mij geen kwaad doet, als je vrij bent." - "Dat spreekt vanzelf," antwoordde de tijger.

Nauwelijks had de man hem losgelaten, of de tijger wou hem te lijf. De man smeekte hem toch met rust te laten en eerst eens te onderzoeken, hoe anderen over hun afspraak dachten! Dat vond de tijger goed en zij gingen samen verder.

Toen zij aan een straatweg kwamen, vroeg de man: "Beste straat, luister nu eens, is het nu in overeenstemming met recht en wet om goed met kwaad te vergelden, of mag goed slechts met goed vergolden worden?" De weg antwoordde: "Ik bewijs de mensheid slechts goede diensten, maar ik word met slechtheid beloond, want iedereen trapt mij maar op mijn rug."

Toen kwamen ze bij een boom en de man deed dezelfde vraag. De boom antwoordde: "Ik doe de mensen niets dan goed, maar zij vergelden het met kwaad, want ze slaan mijn takken af en houwen mij om."

"Zie je wel," zei de tijger en hij wou de man weer te lijf gaan, maar deze smeekte nog één levend wezen te vragen en zo kwamen zij bij het dwerghert. De man deed dezelfde vraag.

Het dwerghert antwoordde: "Die zaak moet ik grondig onderzoeken. Laat mij de val eens zien."

Toen zij bij de val kwamen, verzocht hij de tijger nog eens naar binnen te gaan en te laten zien, hoe hij gevangen werd. De tijger gehoorzaamde. Flap, sloot de deur zich. "Ziezo, booswicht," riep Kantjil, "vergeld nu maar goed met kwaad!" Meteen snelde hij met de man weg om hulp te halen. Het was gedaan met de tijger.

____________________

De aap, de tijger, de kat en de geit - Een volksverhaal uit Indonesië over dieren die een reus verslaan
Eens waren de tijger, de kat en de geit slaven van de aap. Hun huis stond dicht bij de kust. De aap bezat een werpnet, en wanneer ze gingen vissen dan wekten ze elkaar 's morgens vroeg om er op uit te gaan. Wat er na afloop van zo'n dag overbleef werd dan gerookt en bewaard.

Eens, toen ze weer gingen vissen, hadden ze het er met elkaar over wie zou achterblijven om op de voorraad te passen. De kat zei: "Laat mij dat maar doen. Ik zal er goed voor zorgen."

Onder het dak lag een grote omgevallen boomstam. De aap zei: "Probeer dan eens, kat, of je die boomstam op het erf kunt gooien."

De kat krabde aan de stam en hij haalde er zulke grote stukken uit dat de aap, overtuigd van haar kracht, zei: "Goed, blijf jij maar hier om het huis te bewaken."

De anderen gingen weg om te vissen. Maar nauwelijks waren ze vertrokken, of daar kwam iets uit het bos aanklossen; zodra het tegen een boom stootte brak die met een groot gekraak aan stukken, en kwam het tegen een steen dan vloog die meteen uit de grond. Dat was een reus. Toen hij de kat zag groette hij haar, liep regelrecht naar de rookzolder en begon de gerookte vissen op te eten. De kat probeerde hem ervandaan te trekken, maar het lukte haar niet; ze krabde stukken vlees uit de benen van de reus, hele brokken van boven de dij tot onderaan de kuit. "Ga jij je gang maar," zei de reus, "straks als ik klaar ben met eten zal ik wel met je afrekenen. Dan zullen we met elkaar worstelen."

En werkelijk, toen de reus klaar was met eten, draaide hij zich om en gaf de kat met zijn ene hand zo'n klap dat hij door de lucht vloog en midden in zee geworpen werd. De kat zwom zo snel mogelijk naar land, maar hoewel ze door de reus 's morgens vroeg was weggeslingerd, bereikte ze pas tegen de avond de kust. Ze ging stilletjes naar huis.

Nauwelijks was ze daar aangekomen of de vissers kwamen ook terug. De kat zei beschaamd: "Er is vandaag wat gebeurd hier. Er is een reus gekomen die onze rookzolder heeft geplunderd. Ik heb me zo goed mogelijk verdedigd, maar hij heeft me met één klap in zee geslingerd en ik ben net pas weer teruggekomen."

De geit zei toen: "Laat mij morgen maar eens oppassen." De volgende morgen zei de aap tegen de geit: "Ben jij wel sterk genoeg om tegen de reus te vechten? Probeer jij eens die boomstam op te tillen." De geit nam de hele stam op zijn horens en danste ermee rond.

Daarop lieten de anderen de geit achter om op het huis te passen en zij gingen naar het strand om te vissen. Na een tijdje kwam de reus weer en zonder zich aan de geit te storen, liep hij regelrecht naar de zolder en at alle vissen op. De geit stootte ondertussen met zijn horens zo hard hij kon; de stukken vlees vlogen in het rond. "Ga jij je gang maar," zei de reus, "straks, als ik klaar ben met eten zal ik wel met je afrekenen; dan zullen we met elkaar worstelen."

Toen de reus alles op had, gaf hij de geit zo'n dreun, dat hij met een grote boog in zee geslingerd werd. 's Morgens gebeurde dit en pas 's avonds bereikte de geit het strand. Nauwelijks was hij binnen of de anderen kwamen van de visvangst terug. De geit vertelde dat er van de vis niets meer over was: "De reus is vandaag weer gekomen en ik kon niet verhinderen, dat hij op zolder alles ging opeten."

"Laat mij maar eens thuisblijven," zei toen de tijger. De aap dacht, dat die het wel tegen de reus zou kunnen opnemen. Maar de anderen waren nauwelijks vertrokken, of daar kwam de reus. Hij stoorde zich helemaal niet aan de tijger en liep regelrecht naar de zolder. De tijger probeerde uit alle macht de reus op te tillen en weg te duwen, maar de reus hield niet op met eten. "Ga je gang maar," zei de reus, "straks, als ik klaar ben met eten zal ik wel met je afrekenen; dan zullen we met elkaar worstelen."

Toen alles op was, greep de reus de tijger beet en wierp hem ver weg in zee. 's Morgens vroeg gebeurde het en pas tegen de avond kwam de tijger aan het strand terug. Niet lang daarna kwamen de anderen thuis en ook de tijger moest bekennen dat hij niet had kunnen verhinderen dat de reus de voorraad op at.

Toen zei de aap: "Gaan jullie morgen maar vissen, dan zal ik zelf het huis wel bewaken."

De volgende morgen, toen de anderen weggegaan waren, stapelde de aap een grote hoop hout op en stak die aan. Hij ging erbij zitten om zich op te warmen. Meteen stond de reus al voor hem en zei: "Wel wel, wat ben jij van achteren rood! Hoe heb je dat zo mooi gekregen?"

"Heel gemakkelijk," zei de aap, "daar heb ik een rood stuk ijzer tegen gehouden."

"Dat moet je bij mij ook doen," zei de reus.

"Best," antwoordde de aap. "als je dat wilt, kan ik dat wel doen." Daarna maakte de aap een stuk ijzer heet op de kolen van de smidse en liet het goed rood worden. Hij zei: "Nu moet ik je eerst even goed vastzetten, want anders houdt het rood niet goed."

De reus ging daarop in de pers, de aap schroefde hem goed vast en hield het gloeiende ijzer tegen zijn vel aan. De reus rukte zich eindelijk met al zijn macht los en zette het op een lopen, tot hij bij de rand van de put kwam.

De aap was hem gevolgd en de reus riep hem toe: "Aap, je hebt me bedrogen. Het doet zo'n verschrikkelijke pijn, ik geloof dat ik dood ga. Wat doe jij nu weer hier?"

"Ik bewaak de put van mijn meesteres."

"Och, laat mij een bad nemen in de put."

"Nee, dat gaat niet," zie de aap, "want als mijn meesteres dat merkt, wordt ze boos op me."

Maar de reus had te veel pijn om naar hem te luisteren en sprong naar beneden in het water. Maar het gloeiende ijzer, dat nog altijd in zijn lichaam zat, siste en schuimde en de reus stierf eraan. Zo werd hij bedrogen door de aap.

_____________________________

De legende van de Lawu - Een Indonesische volkslegende over de hooghartige god Semar
In de tijd dat de bergen van Java nog door goden werden bewoond, zetelde op de Lawu de om zijn uiterlijk vermaarde Semar. Onbeschrijflijk schoon van lichaamsbouw en gelaatstrekken, overtrof hij alle andere goden. Semar voelde zich gevleid door de bewondering van zijn broers en door de eerbiedige hulde van de verbaasde mensen, die de ogen niet van hem konden afwenden als hij zich aan hen vertoonde. En de hoogmoed druppelde langzaam als een vergif in het gemoed van de god, zodat hij zich beter en wijzer waande dan al het geschapene. Met minachting zag hij heer op de schepselen der aarde en zelfs zijn medegoden waren hem nu te min. Voortaan wilde hij alleen nog omgang hebben met de sterren, die schitterden als gouden raadsels aan het luchtruim, zo hoog dat zelfs zijn machtige godenarm ze niet bereiken kon. Vonden de sterren hem ook mooi? Waarom lieten zij het hem niet zien? Als hij kon vliegen, zou hij zo dicht bij ze zijn, dat hij wellicht aan die sprakeloze nachtjuwelen een woord van bewondering voor hem zou kunnen ontlokken. Maar vliegen kon hij niet en er was dus maar één middel om dichterbij de sterren te komen, zodat hij ze kon vragen of zij hem mooi vonden. Hij zou de berg Lawu ophogen, totdat de top de sterren bereikte. Rusteloos zwoegde hij dag en nacht, aldoor stenen aandragend, en gedreven door het onbedwingbare verlangen om de geheimzinnige hemellichten aan het spreken te brengen. Eindelijk was zijn taak volbracht en de spits van de berg drong majestueus in de wolken, hoger dan de blik der mensen reiken kon.

Semar zette zich op de top heer en bleef de hele dag in vurig verlangen wachten, totdat de sterren eindelijk zouden verschijnen. En ja, de kinderen van de maan flonkerden eindelijk weer tegen de donkere achtergrond. Semar zag ze van zo dichtbij, dat hij zijn hand maar hoefde uit te strekken om ze aan te raken.

Iedere avond zat Semar nu op de top van de Lawu en keek naar de schitterlichtjes. Wanneer zouden ze tot hem spreken? Geen geluid verbrak de bijna hoorbare stilte in dit hoge, ijle oord. Het was tergend, het was wreed! Zagen zij dan niet, hoe verrukkelijk schoon hij was?

Op een avond stond een grote, heldere ster juist boven zijn hoofd. Semar kon het niet meer uithouden. Hij, die zich verbeeld had voortaan nog slechts met de sterren te verkeren! Eensklaps gilde hij het uit: "O, heb medelijden, ik ben toch zo ongelukkig!"

Dadelijk leek het of een vriendelijk oog op hem neerzag en belangstellend hoorde hij vragen: "Wat is het dat de machtige god Semar zo droevig stemt?" - "De mensen zijn zo klein, zo slecht en zo min. Ik ben hun gezelschap ontvlucht." - "En de goden, uw broers, dan?" - "Weet u dan niet, dat ik in schoonheid hen allen overtref? Ik ging weg uit hun midden omdat zij de mindere zijn van mij." - "En wat wilt u dan nu, Semar de hooghartige?" - "Voortaan wit ik slechts spreken met de sterren. Neem mij op onder de uwen." - "Dat is niet mogelijk! De sterren beschrijven zonder ophouden hun vaste banen om de zon. Zij verkeren met de sterren, die met hen door het luchtruim trekken. De kinderen der aarde zien ons slechts 's nachts, maar ook overdag zijn wij er. Dan slaat het oog van de Schepper aller dingen ons gade en onze zwijgende pracht is een onafgebroken loflied tot Hem." - "Wat zegt u? Niet mogelijk? U versmaadt een gesprek met Semar? Maar zeg mij dan tenminste, o ster, vindt u mij niet schoon boven allen en alles?" - "Wij sterren zien slechts de schoonheid in het hart en uw hart, hovaardige ijdele god, is boos en lelijk! En uw uiterlijk? Weet u dan niet dat niets de majestueuze schoonheid der sterren nabijkomt?"

Als door een giftige pijl getroffen sprong Semar op. Het bloed in zijn aderen begon te koken en dreigde met woedende kracht naar buiten te spatten. De sterren staken hem dus de loef af! Zijn veelgeprezen schoonheid zonk in het niet bij die der sterren! Met een vreselijke vloek rukte hij de schitterende ster van de hemelboog en slingerde die van zich af.

Toen de ster viel, veranderde zij plotsklaps in een Hanumanaap. Deze richtte zich op en liep op Semar toe, terwijl hij riep: "U hebt mij in een aap veranderd, toch zal men in mij steeds mijn hoge afkomst blijven eerbiedigen en vereren, maar u zult zich voortaan beschaamd voor het oog der mensen in grotten en spelonken verschuilen." Meteen gaf hij de Lawu zulk een geduchte schop, dat al de opgestapelde stenen naar beneden rolden. Het resultaat van Semars harde werken stortte jammerlijk ineen en de god werd meegesleept door de lawine.

Toen hij aan de voet van de berg weer tot bezinning kwam en het stof uit zijn ogen wreef, tastte hij met verbazing over zijn lichaam. Zijn ledematen leken hem korter dan tevoren. Daarop ging hij tegen een boomstam staan om zijn lengte te meten. En o wat een schrik, zijn rijzige gestalte, die voorheen boven alle anderen uittorende, was geslonken tot die van een dwerg! Hij rende naar een dichtbij stromende rivier en zag tot zijn ontzetting, dat hij geheel misvormd was. De wonderschone god van voorheen was een afschuwelijk gedrocht geworden. En zoals de aap het had voorspeld, gebeurde het. Hanuman werd vereerd en geprezen, maar Semar durfde zich niet meer te vertonen.

Sindsdien verborg Semar zich overdag in de rotskloven, verbitterd en vol schaamte om zijn uiterlijk. Alleen 's nachts kwam hij naar buiten om te werken, want hij wilde voor de andere goden niet weten dat Hanuman zijn berg had neergetrapt. Daarom droeg hij het puin in de duisternis naar de Indische Oceaan, waar de stenen als talloze eilandjes boven het wateroppervlak uitstaken.

Terwijl hij zo op een nacht bezig was, hoorde hij dat er in een dorp vlakbij op het rijstblok werd geslagen. Hij was bang dat de bewoners van het dorp zijn aanwezigheid hadden opgemerkt en alarm sloegen. Van louter schrik liet hij de grote steen, die hij in zijn handen had, vallen. Sindsdien staat op deze plaats de hoge berg Duwur.

Nu voelde Semar zich helemaal niet meer veilig tussen de mensen en vluchtte weg van de aarde. Hij zou zich nooit meer vertonen. Alleen 's nachts in het wayangspel verschijnt hij nog, maar steeds als de wanstaltige dwerg, die hij nu is. Dan maakt hij de mensen aan het lachen en verbaast hij hen met zijn wijsheid, want zijn lesje heeft hij nu wel geleerd.

______________________

Garuda en de slangen
Er was eens een wijze, genaamd Heer Kasyapa, die veertien vrouwen had: Aditi, Diti, Danu, Arisri, Anayusa, Kasa, Surabhi, Winata, Kadru, Ira, Parwa, Mrgi, Krodhawasya en Tamra. En alle vrouwen hadden kinderen, behalve Winata en Kadru. Zij waren de enigen die nog geen kinderen hadden en dat maakte hen diep bedroefd. Daarom gingen ze op een goede dag naar hun echtgenoot Heer Kasyapa om hem om hulp te vragen. Ze groetten hem eerbiedig en Heer Kasyapa vroeg waarom ze bij hem waren gekomen. Toen antwoordden Kadru en Winata: "O grote wijze, vertel ons toch, hoe komt het dat onze zusters reeds moeder zijn en wij nog niet? Als u onze wens zou kunnen vervullen, schenk ons dan het moederschap." En Kadru voegde eraan toe: "Ik zou duizend kinderen willen hebben, o grote wijze." Daarop gaf Heer Kasyapa haar duizend eieren, die ze goed moest verzorgen tot ze uit zouden komen. En Winata zei: "En ik, Heer, heb niet zo'n grote wens. Als u mij twee kinderen zou schenken, zou ik al heel gelukkig zijn. Maar, ik zou wel graag willen dat hun heilige kracht die van Kadru's kinderen zal overtreffen. Dat is wat ik wens." Heer Kasyapa gaf haar toen twee eieren en droeg haar op deze met zorg te omringen en te beschermen.

Vijfhonderd jaren waren verstreken toen de duizend eieren, die Kadru van haar echtgenoot had gekregen, eindelijk uitkwamen. Duizend slangen aanschouwden het levenslicht en de oudsten van hen kregen de namen Anantabboga, Basuki en Taksaka. Allen beschikten over bijzondere krachten. Kadru was verheugd, want zij had nu duizend kinderen. Maar Winata was bedroefd, want haar eieren waren nog altijd niet uitgekomen. Beschaamd boog ze het hoofd toen ze zag dat Kadru's kinderen al uit het ei gekropen waren, terwijl haar twee eieren er nog steeds zo bij lagen als tevoren. Daarom besloot ze om een van de eieren maar zelf open te maken. Toen ze het ei openbrak zag ze dat haar kind nog maar voor de helft af was. Het gelaat was volmaakt, de bovenkant was klaar, maar het had nog geen poten. "O moeder!" riep het kind. "Wat hebt u nu gedaan? Waarom hebt u mij voortijdig uit het ei gehaald, zodat ik nu mismaakt door het leven moet gaan? En dat terwijl u toch zelf wenste dat de heilige kracht van uw kinderen die van Kadru's kinderen zouden overtreffen! En nu hebt u dit gedaan! Daarom, moeder, zal mijn vloek u treffen: u zult de slavin van uw eigen zuster zijn en meer nog. Alleen mijn broeder, die zich nog in het ei bevindt, zal u kunnen verlossen. Waak daarom zorgvuldig over hem." Aldus sprak de oudste zoon van Winata, wiens naam Aruna was. Hij verliet zijn moeder en werd de wagenmenner van de god Aditya, die bij dageraad de rode gloed verspreidt. Winata bleef achter met het ene ei en omringde het met al haar zorg en bescherming. En ondertussen verstreek de tijd.

Op een dag zaten de goden en demonen bijeen op de top van de Mahameru om te beraadslagen over de wijze waarop ze het levenswater konden verkrijgen, want ze wensten onsterfelijk te worden. Ze besloten om de Melkzee te karnen en aldus geschiedde. De berg Mandara werd in de zee gelegd op de rug van de schildpad Akupa en om de berg heen wikkelden ze Basuki de slang. Aan de ene zijde stonden de demonen en aan de andere zijde stonden de goden, die beurtelings aan Basuki's langgerekte lichaam trokken. Het was zwaar werk en de goden en demonen werden moe, maar zij volhardden. Toen rezen er levende wezens en kostbare voorwerpen op uit de zee: de halve-maan-vormige pijl Ardhacandra, de god Sri, de godin Lakshmi, het paard Uccaihsrawa en ten slotte het toverjuweel Kastubhamani. Als laatste verscheen Dhanwantari, die het levenswater droeg in een kruik. Nu kregen de goden en demonen ruzie om het levenswater en door een list wisten de goden de begeerde kruik te bemachtigen. Dit lieten de demonen zich niet zomaar welgevallen en ze trokken ten strijde, maar algauw moesten ze zich gewonnen geven, want de goden bleken sterker. Terug in het godenverblijf dronken de goden van het levenswater en waren vanaf die dag onsterfelijk.

Het nieuws over het levenswater deed als een lopend vuurtje de ronde en algauw wisten ook Kadru en Winata ervan. Op een dag zaten ze met elkaar te praten. "Winata, mijn zuster," zei Kadru, "heb je het al gehoord? Er is bij het karnen van de Melkzee ook een paard te voorschijn gekomen, genaamd Uccaihsrawa. Het schijnt een erg mooi dier te zijn, met een witte vacht en een zwarte staart. Dat is wat ik heb gehoord."

"Ik heb anders gehoord dat het paard wit is. Helemaal wit," sprak Winata. "Nee hoor," zei Kadru. "Het dier heeft een zwarte staart. Ik weet het zeker." - "Nee," zei Winata, "het paard is helemaal wit, ook zijn staart." Zo ging het gesprek voort en ieder van hen hield voet bij stuk. Ze dachten het allebei zelfs zo zeker te weten, dat ze bereid waren er een weddenschap op af te sluiten. De verliezer zou de ander als slaaf moeten dienen. Ze spraken met elkaar af dat ze de volgende morgen zouden gaan kijken wie er gelijk had. Toen Kadru haar kinderen vertelde dat ze met Winata een weddenschap had gesloten over de kleur van het paard Uccaihsrawa, reageerden ze geschrokken. "Maar moeder, hoe hebt u dat nu kunnen doen? U zult deze weddenschap stellig verliezen, want het paard is wit, helemaal wit!" Kadru was even in de war; had ze verloren? Toen smeekte ze haar kinderen haar te helpen, want ze zag niets in een leven als slavin van Winata. "O, mijn lieve kinderen," sprak ze, "heb medelijden met mij, help me. Kunnen jullie de staart van Uccaihsrawa niet zwart verven met gif? Anders zal ik de slavin van Winata zijn." De slangen vonden dat oneerlijk en weigerden. Hoezeer ze hun moeder ook liefhadden, ze konden het niet over hun hart verkrijgen om zoiets te doen. Kadru was woedend, omdat haar kinderen haar niet gehoorzaamden. "Hoe kunnen jullie zo wreed zijn!" riep ze uit. "Hoe kunnen jullie je arme moeder zo in de steek laten! Ik vervloek jullie. Eens zullen jullie je verdiende loon krijgen; bij het slangenoffer van koning Janamejaya zullen jullie door het vuur verteerd worden!"

Daarvan schrokken de slangen zo hevig dat ze ten slotte toch bereid waren om te doen wat hun moeder van hen verlangde. En met hun gif verfden ze de staart van Uccaihsrawa zwart. De volgende morgen, toen Winata en Kadru zoals afgesproken naar het paard gingen kijken, zagen ze allebei dat de staart van het dier zwart was. Winata had de weddenschap verloren en moest van nu af aan Kadru dienen als haar slavin.

Juist op dat moment kwam de langverwachte zoon van Winata uit het ei. Garuda was zijn naam. Hij zag dat zijn moeder er niet was en ging naar haar op zoek. Met zijn gloed als vuur verlichtte hij de hemel tot in alle windrichtingen. Hoog steeg hij aan het firmament. De goden zagen de geweldige vuurgloed en waren in rep en roer. Het was alsof de wereld in brand stond. Maar de vuurgod Agni stelde hen gerust: "Wees niet bevreesd, het moment der vernietiging is nog niet aangebroken. De vuurgloed die jullie zien is afkomstig van de heilige vogel Garuda, de zoon van Heer Kasyapa en zijn vrouw Winata. Zijn gloed is gelijk aan de mijne."

Nu zwegen de goden en traden naar voren om Garuda te loven: "O wijze Garuda, u bent een groot priester, een godheid, de heer van al wat vliegt. U bent de koning, stralend als de zonnegod. Bescherm ons, want u bent de voornaamste onder de vogels." Garuda was verheugd toen hij dat hoorde en hij dempte zijn felle gloed, terwijl hij naarstig voort ging met het zoeken naar zijn moeder. Aan de oever van de Melkzee ontdekte hij haar in het gezelschap van Kadru. Vol vreugde kwam zij haar zoon tegemoet en begroette hem. Niet lang daarna wilde Kadru eens uitgaan naar de oever van de oceaan. Winata moest haar vergezellen en Garuda moest ondertussen op Kadru's kinderen passen. Hij nam ze al vliegend mee naar een plekje in de zon, maar de slangen kregen het vreselijk warm. Toen Kadru zag hoe haar kroost leed onder de hitte, wendde ze zich tot Indra. Uit alle richtingen kwamen de wolken aangesneld met bliksem en donder en het begon te regenen. De slangen voelden zich weer fris en kropen alle kanten op. Ieder zat op een andere plek, verspreid over het hele woud en Garuda moest ze allemaal weer bij elkaar zien te krijgen. Doodmoe werd hij van het zoeken en uitgeput ging hij zijn beklag doen bij zijn moeder.

"Ach moeder," zei hij, "ik weet niet hoe het komt, maar u draagt mij op alles te doen wat de slangen maar willen. Alles wat zij opdragen voert u uit. Ik moet op hen passen en ben nu doodmoe, moeder, want ze kruipen steeds alle kanten op. Ze willen niet eens bij elkaar blijven. Waarom toch, moeder, hebt u mij bevolen om op hen te passen?" - "Garuda, mijn zoon," zei Winata, "ik zal het je vertellen. Door een weddenschap met Kadru te verliezen ben ik tot haar slavin geworden en een slaaf mag niet tegen de wil van zijn meester ingaan. Daarom moet jij nu dit werk doen. Maar, als je medelijden met mij hebt en mij wilt helpen, ga dan naar de slangen en vraag waarmee je mij kunt loskopen. Dan zul je nooit meer zo moe hoeven zijn."

Toen Garuda dit hoorde werd hij zo boos, dat hij besloot om de slangen dan maar op te eten, wanneer ze zich er niet van zouden laten weerhouden om overal heen te kruipen waar ze maar wilden. Bovendien had hij inmiddels een flinke trek gekregen van het oppassen. Ten slotte vroeg hij de slangen: "Zeg, slangen, vertel mij eens. Waarmee zou ik mijn moeder kunnen loskopen?" - "Nu," zeiden de slangen, "wanneer je je moeder wilt loskopen moet je het volgende doen. De goden hebben door de Melkzee te karnen het levenswater verkregen, waarmee zij hun onsterfelijkheid verwierven. Vind dat en breng het ons, dan zal je moeder niet langer een slavin zijn."

Verheugd ging Garuda nu naar zijn moeder en vroeg haar om proviand voor zijn reis, want er lag een zware taak voor hem. "Mijn zoon," sprak Winata, "je hebt mijn zegen. Ga naar een eiland dat ik je zal wijzen, waar slechte mensen wonen, die elke dag ellende brengen. Laat hen jouw proviand zijn voor je tocht, maar onthoud dit: eet geen priesters, want dat is een zonde. Wanneer je een brandend gevoel in je keel krijgt, weet je dat je een priester hebt gegeten. Geef hem het leven weer, want een Brahmaan is als je eigen vader. Heer Kasyapa. Een geestelijke mag je niet minachten."

Toen Winata deze woorden had gesproken zegende ze haar zoon en Garuda begaf zich op weg naar het eiland dat zijn moeder hem wees. En hij verslond alle bewoners; mannen, vrouwen en kinderen, maar de priester en zijn vrouw liet hij ongemoeid. Toen vloog hij weer op, maar hij was nog niet geheel verzadigd en ging daarom naar zijn vader, die hij vroeg om al wat eetbaar was. "Mijn zoon," sprak Heer Kasyapa, "er zijn twee koningszonen, genaamd Wibhawasu en Supratika, die beiden zeer hebzuchtig zijn. Toen ze de erfenis van hun vader verdeelden wilde Wibhawasu geen genoegen nemen met de helft, want hij was bang dat zijn broer hem niet voldoende zou eren. In jaloezie vervloekte hij zijn broer: "Je zult een olifant zijn." En Supratika veranderde in een reusachtige olifant. Die sprak echter op zijn beurt een vloek uit over zijn broer en riep: "Jij bent wreed, Wibhawasu. Een schildpad zul je zijn!" En Wibhawasu veranderde in een reusachtige schildpad. Tot op de huidige dag vechten ze met elkaar en veroorzaken daarmee heftige opschudding tussen alle levende wezens. Eet deze dieren om je taak te kunnen volbrengen."

En Garuda begaf zich op weg naar de plaats die zijn vader hem had gewezen. Hij was nog niet bij het meer aangekomen of hij zag op het strand de olifant en de schildpad, die nog steeds met elkaar vochten dat het een aard had. In volle vlucht greep hij het tweetal en vloog naar een rustige plaats, waar hij de beide onverlaten verslond. Eindelijk was hij geheel verzadigd en kon hij op zoek gaan naar de plaats waar het levenswater verborgen was.

Toen Garuda naar de berg Somaka op het schelpeiland vloog, bleef ook in de hemel zijn tocht niet ongemerkt. In Indra's verblijf straalden en schitterden plots de wapens. Het bliksemde en een regen van bloed daalde neer. Bloemen verwelkten en de lotusbloemen in de vijver zaten vol stof, dat opgewaaid was door de harde wind. Adviseur Wrehaspati haastte zich naar de vorst om hem te waarschuwen: "Majesteit," sprak hij, "dit is een slecht voorteken; er is een strijd op komst." En hij vertelde over Garuda, die op zoek was naar het levenswater. Daarop bewapenden de goden zich en hielden de wacht op de berg Somaka om het levenswater te bewaken.

Voor Garuda uit gingen wind, bliksem en een oogverblindende gloed. Stofwolken werden opgejaagd door zijn vleugelslag en er was niets meer te zien. De goden, en zelfs Indra, raakten ontmoedigd. Ze droegen Bayu op om het stof dat hen hinderde weg te blazen en aldus geschiedde. Nu zagen ze Garuda, hoog in de lucht, op weg naar het levenswater. Ze bestookten hem met pijlen, werpschijven, alle wapens die ze hadden, maar niets kon de wondervogel deren. Al hun pogingen om Garuda tegen te houden waren vergeefs en ten slotte stond hij voor hen en vroeg waar het levenswater zich bevond. De goden weigerden het hem te vertellen en probeerden hem om te praten, maar Garuda was vastbesloten het levenswater te vinden en liet zich niet tegenhouden. In een keer pikte hij hen allen in de ogen, zodat ze niets meer konden zien en hij ongehinderd verder kon zoeken.

Rond de plaats waar het levenswater zich bevond, brandde een vuur als een muur zo hoog en het was zo heet dat geen levend wezen het zou durven naderen, uit angst om ogenblikkelijk te verschroeien. Garuda zag het vuur en keerde om. Niet uit angst, nee, hij vloog recht naar de oceaan. Hij landde op de oever en boog zich voorover. En hij dronk en dronk tot de oceaan leeg was en er geen druppel water meer in was. Toen vloog hij terug en boven het vuur spuwde hij al het water weer uit. Sissend en rokend was het vuur in een oogwenk geblust.

Toen de vlammen gedoofd waren zag Garuda de ingang van de grot, die werd versperd door een snel draaiend rad met vlijmscherpe messen. Een levend wezen dat het zou wagen om hier naar binnen te gaan, zou stellig tot duizenden stukken vermalen worden. Garuda dacht een ogenblik na. Toen toverde hij zich piepklein, zo klein dat hij bijna niet meer te zien was en bliksemsnel glipte hij precies tussen twee messen door. Toen hij veilig en wel binnen was, nam hij weer zijn gewone gedaante aan. In de grot waren twee slangen, die het levenswater moesten bewaken. Dag en nacht letten zij scherp op en sloten nooit de ogen, want deze taak was hun opgedragen door de goden. En alles waarop zij hun blik richtten vloog terstond in brand. Toen Garuda aankwam sloeg hij krachtig met zijn vleugels en daardoor woei er zoveel stof op, dat de slangen hun ogen wel moesten sluiten. Zodra ze hun ogen dicht hadden sloeg Garuda ze dood en verslond ze. Nu stond niets hem meer in de weg en kon hij de kruik met levenswater zo grijpen. Met zijn buit stevig tegen zich aangedrukt toverde hij zichzelf opnieuw piepklein en glipte door het rad naar buiten, waar hij zijn gewone gedaante weer aannam.

Toen de goden hem zagen, begrepen ze dat hij erin geslaagd was de hand te leggen op hun kostbare schat. Wisnu riep naar Garuda: "Garuda, als je het levenswater wilt, vraag dan eerst mijn toestemming." - "Ha," antwoordde Garuda, "wil jij mij een gunst verlenen, Wisnu, nu ik de buit al heb geroofd? Je hebt het tegen mijn magische krachten af moeten leggen. Door het levenswater heb jij de onsterfelijkheid verkregen, maar ik ben onsterfelijk zonder ervan gedronken te hebben. Vraag me daarom liever iets anders, zodat ik jou een gunst kan verlenen, want je bent de mindere van mij."

Daarop antwoordde Wisnu: "Dat is waar. Je hebt gelijk, Garuda, vergeef mij. Wil jij mij de gunst verlenen om mijn rijdier te worden?" Dat wilde Garuda eigenlijk liever niet, maar hij had Wisnu eenmaal beloofd om hem een gunst te verlenen, dus moest hij zich aan zijn woord houden. Daarom stemde hij erin toe en werd Wisnu's rijdier. Nu trad Indra naar voren om Garuda te eren, want zijn wapens hadden de vogel niet kunnen verwonden. "Vergeef mij, Indra," zei Garuda, "dat er zelfs geen veer gevallen is. Daarom zal ik u een van mijn vleugels schenken, als eerbewijs aan u, om de heilige kracht van uw wapens niet te beschamen." En dankbaar namen de goden de prachtige vleugel in ontvangst en gaven deze de naam Suparna. Toen drukte Indra hem op het hart het levenswater toch vooral niet aan de slangen te geven, omdat zij zich fel verzetten tegen de goden. Garuda zwoer een plechtige eed dat hij dat niet zou doen: "Indra, vrees niet, ik zal geen misbruik maken van het levenswater. Het dient enkel om mijn moeder te kunnen loskopen."

Na deze woorden te hebben gesproken begaf Garuda zich op weg naar de plaats waar de slangen zich bevonden. "Ziehier, o slangen, mijn buit uit het godenverblijf!" sprak hij. "Dit is de losprijs voor mijn moeder. Van nu af aan zal zij niet langer jullie slavin zijn. Echter, er is een ding dat ik jullie moet zeggen voor ik wegga. Voordat jullie het levenswater mogen drinken, moeten jullie je eerst reinigen." Daarop vertrok Garuda met zijn moeder en bracht haar terug naar het hemelrijk.

Ondertussen verheugden de slangen zich erop dat ze weldra onsterfelijk zouden zijn. Geen van hen wilde achterblijven bij de anderen en daarom gingen ze allen tegelijk weg om zich te reinigen in de rivier. Toen ze daarmee klaar waren en terugkeerden op de plaats waar ze het levenswater hadden achtergelaten, zagen ze tot hun grote schrik dat de kruik met levenswater was verdwenen. Indra had van hun afwezigheid gebruik gemaakt om de kruik terug te halen. Diep teleurgesteld keken ze om zich heen. Wat nu? Toen ontdekten ze enkele overgebleven druppels van het levenswater op het gras en ze likten het eraf. Omdat het gras zo scherp was sneden zij hun tong en sinds die dag hebben de slangen dan ook een gespleten tong. En het gras was heilig, want het was geraakt door het levenswater. En Garuda? Die was teruggekeerd naar de hemel en zijn heilige kracht was nu nog groter, want hij had zijn moeder verlost.

_____________________________

Kantjil, de krokodil en de tijger
Op een dag wilde Kantjil een rivier oversteken. Tevergeefs had hij al geruime tijd rondgelopen, zinnend op een middel om aan de overkant te komen, tot hij eindelijk in de verte een krokodil zag drijven. Hij ging erheen en zei: "Dag vriend krokodil! Zeg, ik geloof dat ons geslacht talrijker is dan het uwe." - "Hoe komt u daarbij?" antwoordde de krokodil, die zich verbaasde over zo'n brutaliteit. "Ik denk dat het onze veel talrijker is." - "Nee hoor," hield Kantjil vol. "Het onze!" 

Nu begon de krokodil zich boos te maken en hij dacht erover om het brutale dwerghert op te peuzelen. Dan was hij meteen van het gezeur af. "En toch is het onze talrijker, vriend!" riep de krokodil en hij liet zijn blinkende tanden zien, maar Kantjil was daar helemaal niet van onder de indruk. "Nu dan," sprak het dwerghert, "indien uw geslacht werkelijk veel talrijker is dan het mijne, kom dan met u allen hier bij elkaar, zodat ik het kan nagaan, want ik kan het nog steeds niet geloven. Volgens mij zijn er toch meer dwergherten." 

"Goed!" riep de krokodil. "Ik zal alle krokodillen bij elkaar roepen en dan zul je het zelf zien dat wij met meer zijn." Hij dook onder en na enige tijd kwam hij weer boven met al zijn makkers. "Zo," riep het dwerghert, "nu zal ik u eerst tellen. Ga maar in een rij liggen van hier tot aan de overkant!" En de krokodillen deden wat Kantjil zei. Toen ze zich zij aan zij hadden geschaard van de ene oever tot de andere, sprak Kantjil: "Nu zal ik u gaan tellen." - "Best," zeiden de krokodillen en ze bleven doodstil liggen terwijl hun hart heftig klopte van nieuwsgierigheid. 

"Eén... twee... drie... vier... vijf... zes... zeven!" zei Kantjil en hij was aan de overkant. "Ha, krokodillen!" riep hij. "Het was helemaal niet mijn bedoeling om jullie te tellen. Ik moest aan de overkant zijn! Bedankt voor jullie hulp!" En lachend huppelde hij weg, terwijl de krokodillen hem nariepen: "Pas jij maar op, vriendje! Zodra je bij de waterkant komt ben je er geweest!" 

Niet lang daarna gebeurde het dat Kantjil dorst kreeg en naar de waterkant afdaalde. Hij had nog geen slok genomen of een krokodil had zijn poot beet. "Nu heb ik je, Kantjil!" riep hij. "Zeg, vriend!" zei het dwerghert. "Je wordt bijziend, geloof ik, want je hebt mijn stok te pakken, niet mijn poot." Grommend liet de krokodil los en Kantjil sprong vrolijk weg. De krokodil bleef echter op een middel zinnen om het dwerghert te doden. Op een dag klom hij op de oever en bleef doodstil zitten, zodat het net leek of hij een boomstam was. Op een van zijn tochten kwam Kantjil in de nabijheid van de krokodil. Kantjil zag de boomstam liggen en omdat hij het niet helemaal vertrouwde zei hij: "Indien u een boomstam bent, keer u dan om; indien u een krokodil bent, blijf dan liggen!" 

En de boomstam keerde zich om. Toen Kantjil dat zag, maakte hij dat hij wegkwam, terwijl hij de krokodil toeriep: "Een boomstam kan zich niet omkeren, domme krokodil!" De krokodil zon weer op een list; hij ging op zijn achterpoten staan en verroerde geen vin, zodat hij net een dode boom leek. Kantjil, die aan het ronddwalen was, ontmoette hem en toen hij merkte dat de krokodil zich als een boomstam wilde voordoen, zei hij: "Hé, wat is dat? Een boom of een krokodil? Als u een boom bent, keer u dan om, als u een krokodil bent, blijf dan staan!" De boom draaide zich om en Kantjil sprong weg, terwijl hij riep: "Je bent geen boom, je bent een krokodil!" 

Nu was de krokodil wel heel erg boos op Kantjil en hij wilde niets liever dan de onverlaat verscheuren. Hij zocht een goede plek in het woud, waarvan hij wist dat Kantjil er graag kwam, en maakte daar een nest, dat eruit moest zien als een varkensleger. Toen Kantjil op een dag weer uit wandelen ging, kwam hij bij het nest en zag dat er een klein stukje van een krokodillenstaart uitstak. Hij begreep dat de krokodil hem in de val wilde lokken en verwijderde zich. Nadat hij een eind had afgelegd, kwam hij een tijger tegen, die op zoek was naar een lekker hapje. Om zich te redden zei Kantjil: "Hallo, vriend tijger! Ik weet waar u een heerlijke maaltijd kunt verschalken. Iets verder hier vandaan ligt een vet varken op u te wachten." - "Zeg mij waar, vriend," zei de tijger gretig. "Want dat lust ik zeker wel!" En Kantjil wees hem de weg naar het varkensleger. De tijger haastte zich ernaartoe, want hij had een geweldige trek gekregen, en besprong het. De krokodil schrok zich wild en sprong op om zich te verdedigen. Ze vochten zo hard dat de kluiten aarde ervan in het rond vlogen en toen ze er genoeg van hadden, staakten ze dodelijk vermoeid de strijd. 

Kantjil had er ondertussen wel voor gezorgd dat hij zich op een veilige afstand bevond; hij was ver het woud ingevlucht, maar de tijger was woedend en ging op zoek naar het dwerghert, want de schande dat hij zo was beetgenomen door Kantjil kon hij niet verdragen. Na lang en lang zoeken vond hij het dwerghert, dat bij een lesoeh-boom stond, die rijkelijk vrucht droeg. Toen de tijger genaderd was, sprak hij: "Je bent een kind des doods, vriendje! Je hebt mij bedrogen, door mij te vertellen dat er een vet varken op mij lag te wachten, maar het bleek een krokodil te zijn. Ik had het bijna tegen hem afgelegd!" Kantjil antwoordde: "Ach, vriend, spreek toch niet zo! Schenk mij alstublieft het leven, want de vorst heeft mij opgedragen zijn eieren, die hier liggen te wachten, te bewaken." - "Waar zijn die eieren dan, mijn vriend?" vroeg de tijger, terwijl het water hem in de mond liep. "Laat mij er wat van eten." - "Doe dat niet!" smeekte Kantjil. "Anders zal de vorst mij zeker doden!" De tijger bleef echter bij zijn verlangen. "Als je mij die eieren niet geeft, zal ik jou verslinden!" riep de tijger. "Nu," sprak Kantjil, "als je erop staat de eieren van de vorst, die ik moet bewaken, op te eten, geef ik je toestemming op de voorwaarde dat je mij laat leven." - "Goed Kantjil," zei de tijger, "ik zal je niet verslinden." - "Laat mij dan eerst weggaan," zei Kantjil. "Want de vorst zal mij zeker doden, wanneer hij erachter komt dat jij zijn eieren wilt opeten." - "Best," zei de tijger en Kantjil verwijderde zich zo snel als hij kon. 

De tijger nam nu een hele massa van de vruchten die op de grond lagen in zijn bek en at ze op, maar de vruchten waren zo vreselijk zuur, dat hij er beroerd van werd en hij spuwde ze uit. Woedend ging hij Kantjil achterna, vastbesloten om de lastpost voorgoed onschadelijk te maken. Na enige tijd ontdekte de tijger het dwerghert, dat nu onder een grote boom zat, tussen twee wortelhoutplanten. Dichterbij gekomen sprak hij: "Nu heb ik je, vriendje". Je hebt mij beetgenomen door te doen alsof je eieren van de vorst bewaakte en toen ik ervan at bleken het lesoeh-vruchten te zijn. Je bent er gloeiend bij!" 

"Ach, vriend, heb medelijden! Doe het niet, want ik moet wacht houden bij de gong van de koning!" riep Kantjil uit. "De gong van de koning?" vroeg de tijger. "Ach, laat mij er wat op slaan!" - "Doe het niet!" smeekte Kantjil. "Anders laat de vorst mij zeker ombrengen!" Maar de tijger hield voet bij stuk. "Als je mij niet op de gong van de koning laat slaan, zal ik jou doden!" riep hij. "Welnu," zei het dwerghert, "dan moet het maar zo zijn. Je kunt je gang gaan op voorwaarde dat je mij eerst laat weggaan." - "Best," zei de tijger en Kantjil liep weg. 

Nadat het dwerghert zich een eind verwijderd had, riep hij de tijger toe: "Ga je gang vriend! Sla er maar op!" De tijger sloeg op de wortelhoutplanten en alle wespennesten, die zich daar bevonden, vielen eruit. De tijger werd van alle kanten door de wespen gestoken; meer dood dan levend vluchtte hij zo snel hij kon, brullend van de pijn. Nadat hij een poos had gelopen, zag hij Kantjil weer, zittend bij een grote in elkaar gekronkelde sawah-slang. De tijger zei: "En nu zul je mij niet meer ontsnappen, vriendje, want ik zal voor eens en altijd korte metten met je maken! Je beweerde dat het de gong van de koning was, die je bewaakte, maar het waren wespennesten! Je verdient niet anders dan dat ik je verslind!" - "Ach vriend, doe het niet! Laat mij leven, want ik moet hier de gordel van de koning bewaken!" riep Kantjil. "De gordel van de koning?" zei de tijger. "Och, vriend, ik zou zo graag weten hoe die eruit ziet. Laat mij hem eens zien?" - "Hier is hij, vriend tijger!" zei Kantjil, terwijl hij naar de slang wees. "Och, wat mooi!" riep de tijger uit. "Mag ik hem eens omdoen, vriend?" - "Dat moet je niet doen, mijn beste," zei Kantjil, "anders laat de vorst mij zeker ombrengen, want het is zijn eigen gordel!" - "Wat!" riep de tijger. "Als je mij die gordel niet gauw geeft, dan zal ik je doden!" - "Als dat zo is, goed dan! Maar laat mij eerst weggaan, want anders zal de vorst mij doden!" zei Kantjil en maakte dat hij wegkwam. 

Toen hij zich op een veilige afstand bevond, riep hij de tijger toe: "Ga uw gang, vriend. Doe de gordel maar om!" De tijger pakte de prachtig glanzende gordel en deed haar om; ze sloot goed om het lichaam, vond hij. "Hij sluit nog niet voldoende!" riep het dwerghert. De slang kronkelde zich vaster om het lichaam van de tijger, en de tijger stierf.


____________

Kantjil, de tijger en zijn spiegelbeeld - Een Indonesische fabel over het beroemde dwerghert
In het moeras bevond zich een zoute plek, waar alle dieren van het woud graag kwamen om er te likken, want ze houden van zout. Maar eens vestigde er zich een oude tijger, die dagelijks enige dieren doodde en toen durfden zij er niet meer heen te gaan. Kantjil echter wist wel raad.

"Neef," zei hij eens tegen de tijger, "waarom sta je mij niet toe, je dagelijks een lekker boutje te brengen, dan hoef je zelf niet meer op jacht te gaan?"

Nu, dat stond de tijger wel aan en Kantjil begaf zich op weg, om een van de dieren over te halen met hem mee te gaan. Niemand had daar echter zin in, en zo keerde hij na drie dagen terug, alleen vergezeld van Koewis, een klein vliegend eekhoorntje.

Toen ze bij de tijger kwamen, zei de kantjil: "Ik kon geen ander dier meebrengen, want een oude, dikke, vette tijger verspert de weg. Op zijn kop zit Koewis, de vliegende eekhoorn."

Woedend sprong de tijger op. "Vooruit, die zullen we wel eens eventjes wegjagen!"

Met zijn drieën gingen ze op stap. Koewis ging op de kop van de tijger zitten en Kantjil op zijn rug. Toen ze bij een rivier kwamen, wees Kantjil de tijger zijn spiegelbeeld in het water en riep: "Kijk es, kijk es! Daar is die oude, dikke, vette tijger!"

Plomp, sprong de tijger in het water om zijn eigen spiegelbeeld aan te vallen. En hij is er nooit weer uitgekomen.


________________________

Van een koning en zijn dochter - Een sprookje uit Indonesië over een verdronken prinses
En zo verhaalt de geschiedenis! Er was eens een koning en hij had een vrouw, die Watwarin heette. Eens ging de koning op reis. Hij gaf zijn hele volk het bevel, dat zij zijn vrouw in zijn afwezigheid goed moesten verzorgen. Voor het geval er in die tijd een kind geboren mocht worden, gaf hij de volgende aanwijzingen: wanneer het een meisje was, dan moest het gedood worden, zelfs als het zo mooi was dat het een zon op de rug en een maan op de borst had; maar was het een jongen, dan moest hij worden opgevoed, zelfs als hij mismaakt was.

Na lange tijd. toen de westmoesson al naderde, werd er een zeer mooi meisje geboren. De moeder was zeer bedroefd, dat het kind moest worden gedood. Vol medelijden met haar arme wicht vluchtte zij naar de vrouwen, die zaten te vlechten bij de poort Gods.

Zij vermaande alle mensen in het dorp, en zij zei hetzelfde tegen de katten, de honden en de kippen: "Zorg ervoor, dat je niet aan de koning vertelt, dat ik ben heengegaan naar de vrouwen, die bij de poort Gods zitten te vlechten! Ik ga daar mijn dochtertje verstoppen."

Zo had ze alle mensen, katten, honden en kippen gewaarschuwd, maar zij had de zandvlooien vergeten. En zo verhaalt de geschiedenis! Ze had de zandvlooien vergeten en toen de koning terugkeerde en zijn schip nog op de rede lag, kwamen alle zandvlooien naar hem toe om te vertellen: "Heer koning, u is een dochter geboren, maar ze is niet volgens uw bevel gedood, maar wordt daarginds verborgen gehouden."

Dadelijk beval de koning zijn mannen: "Ga naar mijn vrouw en zeg haar, dat zij het kind hier bij mij brengt. Ik zal het daarginds in de diepe zee verdrinken. Als zij weigert, keer ik weer terug en kom ik nooit weerom."

Watwarin kwam onder dit bevel naar de koning en nam een kat met een schotel eten en twee slaven mee, Skiwi en Skawil. Onderweg vermaande zij hen: "Wat er ook gebeuren mag, blijf op mijn dochter Boetri passen en verlaat haar nooit."

Van een afstandje riep de vrouw de koning toe: "Kom hier om uw kind te zien. Ik zal het volgens bevel wegwerpen, maar kom het eerst zien."

De koning kwam kijken en toen hij zag, hoe mooi het meisje was, werd hij door liefde en medelijden bewogen en hij wilde het kind niet meer doden. Zijn vrouw was woedend en vroeg: "Waarom hebt u het mij dan eerst zo moeilijk gemaakt? Waarom hebt u het bevel gegeven, het kind te doden, wanneer het een meisje zou zijn en het op te voeden, als het een jongen was? Maar nu zal uw bevel worden uitgevoerd; ik zal weggaan en het kind doden!"

De koning probeerde haar van dat voornemen af te houden, maar toen dat niet lukte, hield hij de beide slaven tegen; Skiwi en Skawil waren toen niet meer in staat voor Boetri te waken.

En zo verhaalt de geschiedenis! Watwarin maakte een kist en stopte daarin haar kind met de kat en de schotel met het eten. Zij was van plan hen te laten zinken in de diepe zee.

Terwijl ze dat deed, sprak zij de bezwering uit: "Boetri, als uw beide ouders nakomelingen zijn van slaven, dienstbaren en laag volk, moge dan wat ik hier in zee werp, wegdrijven als puimsteen of een stuk hout; maar als wij beiden nakomelingen zijn van grote koningen, van een voornaam geslacht en hoge adel, dat dan hetgeen ik in zee werp in de diepte verzinke als een zwarte steen."

Daarop viel de kist in het water en zonk dadelijk weg in de diepte. Op deze manier werd ook bevestigd, dat haar vader, de koning, van een edel geslacht was.

En zo verhaalt de geschiedenis! De koning was zeer bedroefd, dat zijn vrouw zo'n mooi meisje gedood had en hij voer wederom weg. Hij voer wederom weg en toen hij in de diepe zee boven de plek gekomen was, waar Boetri lag, was er plotseling geen wind meer; het was bladstil en van verder zeilen was geen sprake: de boot bleef op dezelfde plaats ronddobberen.

Alle opvarenden werden er slaperig van en het duurde niet lang of iedereen was in slaap gevallen, behalve de slaven Skiwi en Skawil, die voor en achter op de boot zaten en wakker gebleven waren.

De boot lag onbeweeglijk in het stille water, dat tot heel diep helder en doorschijnend was. En opeens zagen zij Boetri uit de diepte naar boven komen.

Beiden riepen: "Kijk! Kijk! Wie zou dat zijn? Wel dat is onze meesteres!"

En deze antwoordde: "Ja, ik ben het, wie zou het anders kunnen zijn? Ik ben gekomen omdat ik wist dat jullie hier waren."

Ze had voor de knapen een toegedekte schotel vol eten meegebracht. Toen ze gegeten hadden, keerde zij terug en bracht nog een schotel met eten, die de knapen moesten meenemen, om er in den vreemden een gouden ketting voor te kopen.

Toen de jongens gegeten hadden, wilde ze terugkeren naar haar verblijf, maar de knapen vroegen haar: "Meesteres, gaat u nu al weer weg? Vertel ons wat wij moeten doen om wind te krijgen."

En zij antwoordde: "Laat de een voor op de boot gaan staan en de ander achterop en roep dan de Noordenwind en de Zuidenwind aan."

De jongens deden dat, maar toen Boetri wegging, vermaande zij ze nog: "Als jullie deze schotel met eten willen verkopen, verkoop hem dan niet midden in een vreemd land, maar aan de grens. Biedt hem op de grens van het vreemde land een man te koop aan, die in een deuropening zit en dan denk ik wel, dat hij jullie er een gouden ketting voor geven zal."

Toen dook Boetri onder en keerde terug naar haar onderzees verblijf. De beide jongens riepen de Noorden- en de Zuidenwind aan en meteen stak een gunstige wind op, zodat zij konden wegzeilen.

Toen ze waren aangekomen, gebeurde het, zoals Boetri voorspeld had. Ze boden hun schotel te koop aan door heel het vreemde land, maar zij vonden niemand, die er een gouden ketting voor wilde geven. Maar aan de grens gekomen lukte het. Zij zagen twee mannen, die in hun deuropening zaten en deze kochten de schotel voor een gouden ketting. Daarna zeilden ze weg naar hun land, maar weer werden ze midden op zee opgehouden door een windstilte.

Ze kwamen boven op de plek, waar Boetri verbleef en heel de bemanning van de boot was weer ingeslapen; alleen de beide jongens, die voor en achter op de boot stonden, waren wakker.

Terwijl ze daar lagen, kwam hun meesteres weer boven, met eten voor hen beiden. De twee knapen riepen weer: "Kijk! Kijk! Wie zou dat zijn? Wel, dat is onze meesteres!"

En Boetri antwoordde: "Ja, ik ben het, wie zou het anders kunnen zijn? Wie anders weet dat jullie hier zijn?"

Ze gaf hun eten en ze aten het allemaal op. Daarna zeiden ze: "Meesteres, in het hele land konden we uw schotel niet verkopen, maar aan de grens zaten twee mannen in de deuropening en die hebben hem gekocht."

Toen gaven ze haar het goud en Boetri dook weer onder. De knapen riepen nog; "Meesteres, u gaat heen, maar wat moeten wij doen om wind te krijgen om naar Kei terug te varen?"

De meesteres antwoordde: "Ga voor en achter in de boot staan en roep de winden van Noord en Zuid!"

Toen ze weer weggedoken was, riepen de knapen de winden van Noord en Zuid en er stak een flinke bries op, zodat ze verder konden zeilen. De hele bemanning werd wakker en ze zetten hun reis voort... Maar Boetri bleef alleen achter ver in de diepte der zee.

En zo verhaalt de geschiedenis! De man, die voor goud de schotel van de beide jongens had gekocht, kwam op de scheiding van eb en vloed te staan en bezwoer: "Indien Boetri kind en nakomelinge is van slaven en dienstbaren, laag volk en tovenaars, dat dan het zeewater diep blijve zoals nu; maar als Boetri kind en nakomelinge is van grote koningen, hoge adel en rijk volk, dat dan de eb voor mij uitga en de vloed mij volge!"

Zo bezwoer hij en de eb strekte zich uit rechtdoor van het vreemde land tot aan de Kei-eilanden.

Hij ging over het drooggevallen strand en kwam eindelijk op het erf van Boetri. Een muur omgaf aan vier kanten het verblijf van Boetri. Op het erf riep hij: "Hela!" Hij zag een kat liggen en zei: "Poes, geef mij wat water om te drinken!"

De kat liep het huis binnen en zei: "Meesteres, daar is iemand, die water te drinken vraagt."

Haar meesteres zei: "Wel poes, hoe is het mogelijk, wij wonen immers helemaal alleen. Hoe kan hier iemand water komen vragen? Doe wat water in een kokosschelp."

De kat goot water in een kokosschelp. De man zei toen: "Poes, wat heb je tegen mij, dat je mij buiten laat staan en dat ik hier op het erf water uit een kokosschelp moet drinken?"

De kat bracht het terug en zei: "Meesteres, hij vraagt, of wij wat tegen hem hebben, dat wij hem buiten laten staan en dat hij daar uit een schelp water moet drinken."

De meesteres sprak: "Doe dan het water in een kommetje!"

Ze bracht dit nu naar buiten en de man, die eerst midden op het erf gestaan had, kwam nu bij de trap staan. Toen hij daar stond en de kat hem het water in het kommetje aanreikte, wilde hij weer niet drinken en zei op een verwijtende toon: "Maar poes, wat heb je tegen mij, dat je me buiten op het erf wilt laten drinken?"

Dat kat nam het kommetje weer naar binnen en zei: "Meesteres, de man vraagt wat wij tegen hem hebben, dat we hem uit dit kommetje willen laten drinken."

Haar meesteres antwoordde: "Giet het dan in een mooi bewerkte klapperdop!"

De man kwam de trap op en wilde weer niet drinken. Hij zei: "Poes. wat heb je tegen mij, dat je mij hier uit een klapperdop wilt laten drinken?" Weer goot de kat het water weg en vertelde aan de meesteres wat de man gesproken had. Deze antwoordde: "Schenk het dan in een glas!"

De kat bracht het glas en meteen trad de man het huis binnen en dronk het water op. En zo verhaalt de geschiedenis! Toen gebood Boetri de kat een blad gewone sirih te gaan plukken en een wilde betelnoot en ook een blad fijne sirih en een veredelde betelnoot.

Onder in de sirihdoos legde Boetri de veredelde betelnoot en het fijne sirihblad en daar bovenop het gewone sirihblad met de wilde betelnoot. Daarop sprak zij de bezwering: "Als deze de zoon en nakomeling is van slaven en dienstbaren, dat hij dan deze gewone sirih met de wilde betelnoot pruime; maar als hij de zoon en nakomeling is van grote koningen, hoge adel en voornaam geslacht, dat hij dan de veredelde betel met het fijne sirihblad neme!"

En toen hij een pruim nam, legde hij de wilde betel opzij en nam de veredelde. Toen was Boetri in haar mening bevestigd, dat hij een edel en voornaam mens was.

Hij vroeg: "Kent u mij niet?"

Boetri antwoordde: "Nee, ik ken u niet!"

Hij hernam: "Als u mij niet kent, weet dan dat het kostbare goud, dat de twee jongens voor een schotel kostbaar voedsel gekocht hebben, door mij gegeven is. En daarom kom ik u tot vrouw vragen."

Daarop veranderde hij het hele verblijf, met al het huisraad van Boetri, de kat en de vier muren en al in een ei. Toen bezwoer hij: "Als deze Boetri dochter en nakomelinge is van slaven en dienstbaren, dat dan de zee voor onze tocht gevuld blijve; maar als zij de dochter en nakomelinge is van grote koningen en hoge adel, dat dan de eb voor ons uitga en de vloed ons volge aan ons land."

En de eb strekte zich uit tot het verre vreemde land. Hij ging erover met Boetri. Toen de man in zijn dorp aangekomen was, gooide hij het ei stuk en de kat, het huisraad en alles kwam weer te voorschijn en ze huwden samen. En zo verhaalt de geschiedenis! En dit is het einde.

_________________________

Het levende beeld - Een volkssprookje uit Indonesië over mannen die strijden om één vrouw
Er waren eens een asceet, een timmerman, een goudsmid en een wever, die met z'n vieren naar een stad gingen. Het werd avond en zij hielden ergens halt. Een van de vier zei: "Welaan, laten wij elk om de beurt twee uur waken, want er is hier veel slecht volk."

Die het eerst de wacht hield was de timmerman; hij zag een stuk hout liggen, zo groot als een mens. Hij maakte er het beeld, van een bijzonder mooie vrouw van en toen de twee uur om waren, was het beeld klaar.

Hij wekte de wever, en deze ontwaakte uit zijn slaap. De wever zag het beeld van een mooie vrouw, maar het had geen kleren aan. De wever dacht: "Draad heb ik, welaan, laat ik een kleed voor dat beeld maken," en hij weelde er een kleed voor. Toen hij er twee uur mee bezig was geweest, was het af. Hij kleedde het beeld aan en daarna wekte hij de goudsmid. Deze zag het beeld van een vrouw staan, voorzien van kleren, en van een bijzonder mooi voorkomen. Hij dacht bij zichzelf: "Jammer, dat ze geen sieraden draagt; het zou dus goed zijn als ik een sieraad voor haar maakte." Dit deed hij, en toen het klaar was deed hij het het beeld aan, waardoor haar gezicht nog mooier werd.

De twee uur waren om, en hij wekte de asceet. Toen die zag dat er een bijzonder mooi beeld was, voorzien van kleren en waaraan alleen de adem ontbrak, dacht hij "Voorwaar, dit beeld is door mijn drie makkers gemaakt; in dit geval wil ik het door een of ander werk vervolmaken; welaan, ik zal tot de Verheven Allah smeken om het leven voor dit beeld; misschien verhoort Allah zijn dienaar."

Toen nam hij bidwater, en hij bad twee rakat's terwijl hij om de adem voor dat beeld smeekte. Door de genade van de Verheven Allah werd het beeld volkomen levend.

De dag brak aan en de andere drie werden wakker. De timmerman zei: "Mij komt ze toe, want ik heb haar gemaakt." Maar de wever zei: "Ik heb recht op haar, want ik ben het die haar kleren heeft gegeven."En de goudsmid zei: "Ik ben haar eigenaar, want ik heb haar een gouden sieraad gegeven." En de asceet zei: "Wie het ook zij, niemand heeft zeker meer recht op haar dan ik, omdat ik voor haar om het leven heb gesmeekt tot de Verheven Allah." Ze begonnen ruzie te maken. De monnik sprak: "Wat heeft het voor zin dat wij hier zo twisten? Laten we de stad in gaan, naar de rechter." Zo gingen ze op weg, en ze namen de vrouw mee.

Onderweg ontmoetten ze een jongeman en ze vertelden hem wat er gebeurd was. "Wacht even, deze vrouw is mijn echtgenote," zei de jongeman. "Een tijd geleden is ze uit mijn huis verdwenen en heeft veel van mijn goederen meegenomen."

Op dat ogenblik kwam de hoofdman van de wacht voorbij, en ze vertelden hem de hele geschiedenis. Toen de hoofdman van de wacht gezien had, dat die vrouw bijzonder mooi was, zei hij: "Ik zweer je, deze vrouw is de echtgenote van een koopman die gestorven is. Ze komt mij toe, want die koopman was mijn broer. Deze vrouw is lang geleden uit mijn huis weggegaan, en nu zal ik haar van u terug nemen. Komaan, laten we naar de rechter gaan."

Ze gingen met z'n allen de rechtbank binnen, en elk droeg zijn eigen zaak aan de rechter voor. Nadat de rechter gezien had, dat die vrouw een bijzonder mooi gezicht had. zei hij: "Deze vrouw is een van mijn bijzitten; geruime tijd geleden is ze uit mijn huis verdwenen." Daarop wilde hij haar meenemen, zodat er een enorme ruzie uitbrak, omdat zij allemaal die vrouw begeerden.

En door de beschikking van Allah de Allerhoogste kwam er plotseling iemand, die niemand kende, en van wie men niet wist, waar hij vandaan kwam. Deze zei: "Ruzie niet langer, maar ga naar de grote boom, die midden op het veld staat, en daar zal jullie zaak zeker beslist worden."

Daarop gingen ze naar die boom en namen de vrouw mee.

Nadat ze bij die boom gekomen waren, vertelde elk daar hoe het volgens hem zat. Daarna spleet de boom in tweeën en de vrouw ging er in. Vanuit die boom kwam de stem van de vrouw, en ze sprak: "Alles keert terug naar zijn oorsprong."

Daarop sloot de boom zich en was weer als vroeger.

Alle zeven waren zij wanhopig en elk van hen keerde naar zijn eigen plaats terug.

____________________________

Soe-oene - Een volkssprookje uit Indonesië over een broertje en een zusje
Op een keer zou een echtpaar voor een hele dag weggaan. Het jongste kind, dat nog nauwelijks kon kruipen en Soe-oene (d.i. broodvrucht) heette, werd aan de oudste twee toevertrouwd, dat waren een meisje, Dapië, en een jongen, Toewale. De moeder zei toen ze afscheid van ze nam: "Als jullie honger hebben, dan mag je die soe-oene opeten." En daarmee bedoelde ze de broodvrucht die ze voor hen op het dak klaargelegd had.

Toen Dapië en Toewale moe waren van het spelen kregen ze honger. "Moeder zei dat we Soe-oene mochten opeten," zei de een tegen de ander. Het waren nog jonge onverstandige kinderen en daarom dachten ze dat hun moeder hun kleine broertje bedoeld had. Gretig begonnen ze dan ook aan hem te knabbelen. Maar terwijl ze daarmee bezig waren, ontdekte Dapië de broodvrucht op het dak. Toen ging hun een licht op en ze begrepen dat ze deze vrucht hadden moeten opeten in plaats van hun broertje. Helaas, het was te laat: Soe-oene lag al grotendeels afgekloven. Wat zouden hun ouders er wel van zeggen?

Radeloos van angst liepen ze achtereenvolgens naar de mattenvlechter, de fuikenmaker en de tjidako-klopper toe en spraken met deze mensen af, dat ze hun ouders naar elkaar zouden verwijzen als die naar Soe-oene vroegen. Bij haar thuiskomst miste de moeder meteen haar jongste en ondervroeg Toewale en Dapië. Deze gaven allerlei ontwijkende antwoorden en verwezen tenslotte naar de mattenvlechter. "Daar zijn we het laatst geweest met Soe-oene."

De moeder ging meteen naar hem toe en vroeg: "Heb je Soe-oene, mijn kind, soms gezien?"

"Nee," antwoordde de man, "maar ga eens informeren bij de fuikenmaker."

"Heb je Soe-oene, mijn kind, soms gezien?" vroeg ze aan de fuikenmaker.

"Mijn lieve mens," antwoordde deze, "die ken ik niet eens, maar vraag het eens aan de tjidako-klopper."

Huilend vroeg ze aan hem: "Heb je Soe-oene, mijn kind. soms gezien?" De man kreeg medelijden met de arme moeder en antwoordde: "Nee, die heb ik niet gezien, maar wel zag ik Toewale aan iets kluiven, dat veel leek op een kinderhand."

Toen ging de moeder snel naar huis terug en na een scherp verhoor bekenden de kinderen hun vergissing en huilend zeiden ze dat ze er spijt van hadden. Bovendien wezen ze nog de plaats aan waar ze Soe-oene's hoofdje hadden begraven. Waanzinnig van verdriet en woede stopte de vader het hoofd in een grote korf en duwde ook de kinderen erin, waarna hij die korf dichtbond en in een rivier liet wegdrijven.

Het lot wilde dat de korf aan een overhangende bamboestengel bleef haken. Toewale had nog een mesje kunnen meenemen, en daarmee sneed hij een opening in de korf. Langs de bamboestengel kropen de twee kinderen naar de oever; Soe-oene's hoofdje namen ze mee. Nadat ze zich van de modder - waarmee ze van top tot teen vol zaten - hadden ontdaan, gingen ze voedsel zoeken, want ze rammelden van de honger.

Onder een boom vonden ze de grond bezaaid met vruchten die gretig door wilde zwijnen worden gegeten. In de grootste en rijpste van die vruchten stopten ze het mesje en wachtten in de boom af totdat er een zwijn zou komen opdagen. Een tijdje later kwam er een grote ever op de sterke vruchtengeur af en een van de eerste vruchten die hij opslokte was die waarin het mes verborgen was. Niet lang daarna gaf het beest de geest. Omdat de beide kinderen er nog niet zeker van waren dat het dier dood was, durfden ze nog niet uit de boom te klimmen. Ze vroegen aan een rode mier of die eens voor ze wilde gaan kijken. De mier kroop door het lichaam van het varken, van de kop tot de staart, en sprak: "Wees ervan overtuigd, ik heb hem overal gestoken en hij verroerde geen vin."

Toen stuurden ze een muis op hem af. De muis kroop door zijn lichaam, van de kop tot de staart, en sprak: "Hij is morsdood, ik heb zijn darmen doorgeknaagd."

Daarna vroegen ze de salamander om hulp. De salamander kroop door het lichaam, van de kop tot de staart en verzekerde dat het zwijn niet meer leefde. "Want ik heb een stukje van zijn hart gegeten."

Toen geloofden de beide kinderen het en kwamen naar beneden om een maaltijd te bereiden. Maar hoe moesten ze het vlees roosteren, want ze hadden geen vuur. Ha, in de verte steeg een rookzuil omhoog! Ze liepen er regelrecht op af en kwamen terecht bij een bosgeest die een vuurtje aan het stoken was.

"Wat komen jullie hier doen?" vroeg hij bars. Als ze zouden vertellen dat ze wild hadden, zou hij hun alles afnemen, daarom bedachten ze een uitvlucht: "Wij zijn bezig een ladang aan te leggen, en komen wat vuur vragen."

"Goed," antwoordde de bosgeest, "dat kun je krijgen. Ik zal meegaan om jullie een handje te helpen."

"Nee, we vergissen ons. we willen een hoop droge bladeren verbranden."

"Goed, ik zal meegaan om erop te letten dat jullie mijn bos niet in brand steken."

"Nee, o nee, we wilden alleen maar 'etentje koken' spelen."

"O goed, dat is een leuk spel, laat 't mij maar eens zien."

Niets hielp, de boze geest ging met ze mee.

"Hé, hebben jullie een varken gedood? Dat komt mooi uit, ik kan net een stukje gebruiken. Ik zal het beest wel even verdelen." Hij hakte het in brokken, hield de vlezige delen voor zichzelf en gaf de beenderen aan de kinderen: "Jullie zullen daar wel genoeg aan hebben, want jullie zijn nog klein."

Nadat het vlees geroosterd, was, verzamelde hij zijn aandeel in twee manden, sneed een draagstok en hing aan elk eind een mand. Zo gingen ze op weg. "Kom maar mee," zei de reus, "dan zal ik jullie de weg wijzen." De kinderen besloten tijdens de tocht van hem af te komen door een list. Steeds lieten ze hem een poos stilstaan, roepende: "Vadertje, sta eens even stil, er valt bijna een stuk vlees uit uw mand." Dan deden ze alsof ze het vlees goed legden, maar in werkelijkheid, verwisselden ze een stuk vlees met een stuk been uit hun eigen mand. Toen de bosgeest ter afwisseling zijn draagstok achterstevoren had gedraaid, begonnen ze hetzelfde spelletje met de inhoud van de andere mand.

Nadat ze hem zodoende van al zijn vlees beroofd hadden, slopen ze geruisloos weg en smeekten een hoge woudboom of hij ze wilde helpen. Deze werd plotseling zo laag als een heester, zodat de kinderen heel gemakkelijk in zijn kruin konden klimmen, waarna hij weer tot zijn oorspronkelijke lengte terugkeerde.

Toen hij thuiskwam maakte de bosgeest zijn vrouw blij met de mededeling dat hij mooie, vette stukken geroosterd wild had meegebracht. Haastig opende zij de manden, maar ze vond alleen maar beenderen en schold hem de huid vol. Stampvoetend en brullend van teleurstelling stoof de bosgeest het huis uit, gewapend met een lans, om de kinderen die hem een poets gebakken hadden eraan te rijgen.

Hij volgde hun spoor tot aan de hoge boom waarin ze gevlucht waren. Ze bedachten nu weer een list en riepen hem toe. waar hij zo lang bleef en om vlug langs een liaan naar boven te klimmen en te helpen een koesoe te vangen. "Steek je lans maar even in de grond, met de punt omhoog, anders wordt hij bot." Dom als hij was volgde de bosgeest deze aanwijzingen en toen hij vlak onder de kinderen was, zeiden ze tegen hem: "We zullen u een handje helpen vadertje, reik uw parang maar even over." Ook dit deed hij. Maar nu kapten ze de liaan daarmee door, waar hij puffend en hijgend aan hing. Hij plofte op de grond, met de lans dwars door zijn lichaam. Omdat de kinderen echter vreesden dat hij nog niet dood zou zijn, riepen ze de hulp in van een wesp om de zaak goed te onderzoeken. De wesp kroop door het lichaam van de bosgeest, van het hoofd tot de benen, en zei: "Jullie kunnen erop vertrouwen dat hij echt dood is, ik heb hem in de strot gestoken."

Toen vroegen ze de duizendpoot te hulp. De duizendpoot kroop door het lichaam, van het hoofd tot de benen en zei: "Geen twijfel aan hoor, ik heb hem hier en daar een flinke knauw gegeven."

Daarna vroegen zij een giftige slang, of zij eens op verkenning wilde uitgaan. De slang kroop door het lichaam, van het hoofd tot de benen en stelde de kinderen gerust met de woorden: "Het is in orde, ik heb hem in zijn lever gebeten."

Verheugd dat zij van de kwade geest verlost waren, lieten de kinderen zich nu langs een liaan naar beneden zakken. Omdat ze door het doden van deze bosgeest veel bovenmenselijke kracht gekregen hadden, lukte het ze om Soe-oene, hun broertje, wiens hoofd zij de hele tijd hadden meegenomen, weer tot leven te roepen.

Met z'n drieën keerden ze toen naar hun dorp terug. Ze kondigden hun komst aan met het geluid van de trom. De ouders, die het verlies van hun kinderen betreurden, hadden hun ogen en oren met getah dichtgestopt, want ze wilden niets meer zien en niets meer horen, ze leidden een ellendig bestaan en klaagden: "Ach, hadden we nu maar onze oudste twee kinderen behouden!" Toen men ze echter vertelde dat hun kinderen eraan kwamen, wisten ze niet hoe snel zij zich van de getah moesten ontdoen, en ze ontvingen hen met open armen. Hun vreugde steeg ten top toen ze meteen Soe-oene, hun jongste kindje, in levende lijve voor zich zagen, staan.

_________________

De boze weefster - Een Indonesisch sprookje over hoe een lief meisje verbitterd raakt
Radja Baka, de vorst van Mendang Kemoelan, was boos op zijn dochter Sakira, omdat ze geen ander wilde trouwen dan Djaka Bandoeng, de zoon van een oude heks, die zich uitgaf voor een vrome kluizenaarster. Hij was zo boos, dat hij haar naar een verafgelegen oord verbande. De prinses ging erheen, vergezeld door twee vrouwelijke bedienden, die de weefstoel droegen, terwijl de prinses zelf de weefspoel droeg. Want ze moest weven tijdens haar verblijf in het afgelegen oord, weven moest ze al het linnen, dat voor haar ouders en de rijksgenoten was bestemd. Als al dat linnen zou zijn geweven, dan pas mocht zij weer naar het rijk van haar vader terugkeren. Maar prinses Sakira, boos over de verbanning, wilde niet weven; zij keek de hele dag naar buiten, want ze dacht dat Djaka Bandoeng wel zou komen om haar van hier weg te halen en mee te nemen naar het betelwoud, waar hij met zijn moeder woonde.

Als de prinses zo in gedachten verdiept zat te turen, schudden de twee bedienden hun hoofd en spoorden hun gebiedster tot weven aan: "Weef toch, o weef toch, prinses," smeekten zij, "uw vader, onze vorst, heeft het toch bevolen. O, als u niet weeft zult u nog zwaarder gestraft worden."

Maar de prinses luisterde niet naar hun woorden en keek niet om naar de weefstoel, of de spoel, ze keek alleen naar de kant waar Djaka Bandoeng vandaan moest komen.

Eens, toen de vrouwen haar weer tot weven aanspoorden, werd prinses Sakira zo woedend, dat ze haar weefspoel nam en daarmee de trouwe bedienden zo hard ze kon om de oren sloeg. Sinds die dag scheen het prinsesje nog bozer te worden en weldra was ze zo wreed, dat ze de twee vrouwen het onmogelijkste werk op de onmogelijkste uren liet verrichten. Soms zond zij ze zelfs in het holst van de nacht naar het nabijgelegen kerkhof om kruiden te zoeken. Zo kreeg zij dan ook weldra de naam van 'de boze weefster'. Iedereen die in de omtrek van Tjelaga, zo heette het verbanningsoord, woonde noemde haar zo.

Djaka Bandoeng, die van zijn moeder had gehoord dat prinses Sakira door haar vader naar Tjelaga was verbannen en dat men haar daar 'de boze weefster' noemde, kon niet geloven dat het prinsesje, dat voorheen zo lief was, zo veranderd kon zijn. "De verbanning heeft haar hart verbitterd," dacht hij, en met deze gedachte vroeg hij gehoor bij de vorst en probeerde, toen hem dit was toegestaan, de vertoornde vader te bewegen zijn kind weer in genade aan te nemen. Hij, Djaka Bandoeng, wilde dan in haar plaats verbannen worden en zou gaan waar de vorst hem zou sturen hoe woest en onherbergzaam dat oord ook was.

De vorst, getroffen door zoveel opoffering, zei: "Verbannen zal je niet worden, omdat alleen vorstenkinderen met verbanning worden gestraft, maar je mag naar Tjelaga gaan en daar met de prinses trouwen als je in één nacht een volledige graftempel kunt bouwen met beelden en al erin. Kan je dit echter niet, dan zal je prinses Sakira nooit terugzien."

De jongeman, die wel inzag dat het onmogelijk was om in één nacht een tempel te bouwen, al was het ook maar een graftempel, ging terneergeslagen naar het betelwoud terug en klaagde zijn nood bij zijn moeder. Maar de oude heks wist raad; ze vertelde hem, hoe hij in één nacht een graftempel zou kunnen bouwen en gaf hem toen nog de volgende goede raad: "Ga meteen na zonsondergang aan het werk, luister naar niets en kijk niet op of om, want als je dat doet terwijl je aan het bouwen bent, zal dit je ongeluk zijn."

Djaka Bandoeng bedankte zijn moeder voor haar wijze raadgeving, en nog diezelfde dag na zonsondergang begon hij aan de graftempel. En hij deed juist zoals zijn moeder hem had gezegd, hij luisterde naar niets, keek niet op of om, en werkte vlijtig door. Maar toen de tempel op een tiental beelden na gereed was, begonnen de meisjes uit de omliggende desa's op hun rijstblokken te stampen, als teken dat de dag weldra zou aanbreken, en Djaka Bandoeng keek op, door dat onverwacht geluid verschrikt. En toen hij had opgekeken stortte plotseling de tempel met donderend geraas ineen.

Bij het aanbreken van de dag kwam de vorst kijken, of de graftempel werkelijk in één nacht was opgebouwd, en de arme jongeman wees hem met een treurig gebaar op de ruïne. Hij sprak met zachte stem: "U ziet het, o vorst, hij ligt in puin, en toch had ik hem bijna klaar... Nu zal ik de lieve prinses Sakira wel nooit meer terugzien..." Toen boog hij diep voor de vorst en wilde weggaan. Maar met een bevelend: "Blijf," hield de vorst hem tegen: "Je wil was goed en daarom zal ik je nog één kans geven. Vertrek morgen voor zonsopgang, als bedelaar vermomd, naar Tjelaga. Zodra je daar bent ga je naar het verblijf van de prinses, je vraagt er een onderkomen en bespied haar dan zeven dagen en zeven nachten, en als je haar daarna nog tot vrouw wilt, dan kan je haar hier terugbrengen..."

Verheugd dat hij prinses Sakira zo spoedig zou terugzien, kon Djaka Bandoeng nauwelijks wachten tot de dag was aangebroken; nog lang voor zonsopgang steeg hij te paard en begaf zich op weg naar het verbanningsoord. Maar toen hij daar was aangekomen en prinses Sakira de bedelaar zag, die heel nederig een onderkomen vroeg, joeg ze hem met boze woorden weg. Toen de bedelaar zei, dat hij een lange weg had afgelegd en sinds de vorige dag niet gegeten had, wierp ze hem de weefspoel naar het hoofd en schold hem uit voor 'onreine hond'. Hierdoor zag Djaka Bandoeng hoe kwaadaardig het prinsesje was geworden, en toen hij haar daarna nog twee dagen en nachten in het geheim had bespied, begreep hij dat zo'n boze heks nooit zijn vrouw kon worden. Maar nog gaf Djaka Bandoeng de moed niet op; hij wilde haar nog eenmaal bespieden. Daarom klom hij de volgende dag, terwijl prinses Sakira in de tuin van haar verblijf wandelde, in een hoge boom, juist tegenover het vertrek waar Sakira's bedienden zaten te weven. Toen een poosje later de prinses dit vertrek binnentrad, zag Djaka Bandoeng door de openstaande deur juist haar gezicht, dat nog bozer en wreder leek dan de twee vorige dagen. Dit gelaat was als dat van een afschuwelijke, oude heks met van boosheid uitpuilende ogen, terwijl haar vingers, die zij gekromd hield, op de klauwen van een roofdier leken. Met deze klauwen greep ze nu ook de weefspoel uit de hand van een van de vrouwen en sloeg haar daarmee zo hard, dat de arme vrouw het uitschreeuwde van pijn.

"Nee, haar wil ik niet trouwen," dacht Djaka Bandoeng en hij keerde nog diezelfde dag terug naar het betelwoud. Hij vertelde aan zijn moeder, hoe wreed prinses Sakira was geworden. Hij durfde niet meer naar de vorst te gaan, die hem misschien zou doden, als hij wist dat hij al op de derde dag was teruggekomen.

Maar de vorst, die twee dagen later van Djaka Bandoeng's terugkeer hoorde, liet hem bij zich komen. Bevend van angst was toen de jongeman naar het paleis gegaan, maar toen hij voor de vorst was neergehurkt en deze hem vroeg: "Wel, waarom ben je nu al teruggekomen?" durfde hij, hoewel met bevende stem, te antwoorden: "Ik kon de prinses niet bij u brengen, o vorst, want uw voorheen zo schone, lieve dochter is nu een afschuwelijke, wrede heks geworden. U, mijn vorst, zou uw eigen dochter niet meer herkennen, en ik... ik kan niet met een heks trouwen! Dood mij, mijn vorst, want prinses Sakira zal nooit mijn vrouw worden..."

De vorst had zijn woorden zonder enige boosheid aangehoord. Heel kalm vroeg hij de jongeman: "Welzo, is mijn dochter een heks geworden? Nou, dan zal ze niet alleen bij haar leven, maar ook nog na haar dood heksenwerk verrichten. Zelfs in haar graf zal ze spinrag weven, niets dan spinrag en daarna een kleed van alang-alang."

En zo gebeurde het werkelijk. De prinses stierf aan een vreselijke ziekte - melaatsheid - en juist toen ze, even voor haar dood, een van haar trouwe bedienden met de weefspoel wilde slaan, drong die spoel in de wonden van haar hand en zo stierf ze. Met de weefspoel werd ze toen begraven, maar toen kon ze zelfs nog geen rust in het graf vinden; bij dag moet ze nu de spinrag weven, en 's nachts het kleed van alang-alang, dat nimmer gereed kan komen, omdat het alang-alang scherp is en weer afsnijdt, wat eens geweven is. En daarom zal de prinses eeuwig blijven weven...


_____________________________

De pelikaan en de vissen - Een fabel uit Indonesië over bedrog
Er was eens een vogel, die aan de oever van een vijver leefde. In die vijver bevonden zich vele vissen, zowel kleine als grote. En zo vond die vogel daar elke dag genoeg om van te leven. Wanneer de vissen met elkaar aan het spelen en het stoeien waren, dan vielen er een, twee of zelfs wel meer op de oever, en die werden dan door de pelikaan opgegeten. Zo gebeurde het elke dag.

Maar eens dacht de vogel bij zichzelf: Hoe zou ik heel veel eten kunnen krijgen en het best al die vissen die hier zijn, verschalken? En aan het eind van zijn overpeinzingen bedacht hij een list. Op zekere dag vloog de pelikaan een eindje weg en vloog vier uur lang uit. Daarna keerde hij naar de oever van de vijver terug en terwijl hij aan de kant van het water ging staan, riep hij luid wenend en snikkend, niets anders dan: "O God, o, mijn Gebieder God!" en daarbij sloeg hij zich op de borst. De vissen die dit hoorden, kwamen dichterbij om te zien wat er aan de hand was. Ze zagen, dat de pelikaan zichzelf stond te slaan, alsof hij diep bedroefd was. En de vissen keerden terug om dit vreemde voorval aan hun oudste te gaan vertellen. Aanstonds vaardigde deze oudste vis een bevel uit, dat een hunner, die de gaven van de taal bezat, naar de vogel zou toegaan, hem zijn leedwezen zou betuigen en vragen zou, wat hem overkomen was, dat hij zo bedroefd was. Toen gingen er een paar vissen op uit en aan de oever gekomen, hielden zij stil en vroegen: "Waarom weent u zo zeer?"

De pelikaan antwoordde: "O vissen, kom dichter bij mij, dan zal ik het u vertellen. Mijn dood is aanstaande!" De vissen kwamen dichterbij en hoorden nu de reden van de droefheid van de pelikaan, die zei: "O God, mijn dood is aanstaande, want toen ik vanmorgen bij het eerste licht van de dageraad uitvloog om mij naar gewoonte te gaan verlustigen, zag ik mensen, groot van lichaam, die bezig waren, grote scheppen van leer te naaien. Ik hoorde een van hen zeggen, dat zij van plan waren, deze vijver leeg te scheppen. En u weet, dat ik van jongs af tot op dit ogenblik gewoon was hier mijn levensonderhoud te vinden. Als u aan het spelen en stoeien bent, vallen er altijd een paar op de kant en die kan ik dan opeten. Daarom moet ik wenen, want als zij de vijver leeggeschept zullen hebben, waar moet ik dan mijn levensonderhoud zoeken? Om te vliegen ben ik niet sterk genoeg meer; bent u dus niet meer in deze vijver, dan moet ik van honger omkomen." En voor de schone schijn begon de pelikaan weer te wenen en sloeg zich hevig op de borst.

Toen de vissen dit gehoord hadden, keerden zij naar hun oudste terug. Daar aangekomen, konden zij haast geen woord uitbrengen, omdat zij zo geschrokken waren. Maar toen zij weer op verhaal waren gekomen, berichtten zij als volgt: "O, heer! Ons overkomt een groot ongeluk!" En daarop vertelden zij de toedracht van de zaak, zoals zij die van de vogel gehoord hadden. Toen de andere vissen dit bericht gehoord hadden, werden zij ook bang. Er ontstond een groot rumoer onder de vissen en allen vroegen zich af, hoe ze in deze nood moesten handelen. Tenslotte overlegden zij bij zichzelf, wat hun te doen stond en toen zei een vis, die zeer verstandig was, dat het zeker het beste zou zijn om met de pelikaan te bespreken, wat er nu gedaan moest worden.

De oudsten onder de vissen keurden dit plan goed en begaven zich naar de plaats waar de pelikaan stond. Zij zeiden: "Wij leven hier in deze vijver heel gelukkig. Maar nu komt u ons vertellen, dat de mensen hem willen leegscheppen. Wanneer hebt u dit vernomen?" De vogel antwoordde wenende: "Ik heb het deze maand gehoord, maar ik heb het u niet willen zeggen, omdat u zo bevreesd voor mij bent. Maar nu u gekomen bent, kunnen wij de zaak rustig bespreken. Indien u vertrouwen in mij kunt stellen, kan ik u overbrengen naar een rustige plaats, die door de mensen niet kan worden leeggeschept."

Toen de vissen dit voorstel vernomen hadden, overlegden zij gezamenlijk of zij deze vogel vertrouwen zouden of niet. En een oude vis zei: "Laten twee of drie van ons met de pelikaan meegaan om de plaats te bekijken, waar de pelikaan ons heen wil brengen." Al de vissen antwoordden daarop: "Dat is een goed voorstel. Die vogel moet ons wel helpen, want als wij er niet meer waren, hoe zou hij dan zijn levensonderhoud kunnen vinden?"

Er werd nu besloten, dat een paar kleine visjes deze tocht zouden ondernemen. Zij naderden de plaats, waar de vogel stond en zeiden: "Hé, oudere broeder pelikaan, laat ons de rustige plaats zien, waar u ons heen wilt brengen." De vogel antwoordde onmiddellijk: "Kom gerust hier en ik zal u erheen brengen. Ik heb geen verstand van plaatsen waar vissen moeten leven, maar u kunt dan zelf oordelen." Maar bij zichzelf dacht de vogel: Nu zal ik ze bedriegen en veel en lekker voedsel krijgen.

Hij nam de vissen op en bracht ze vliegend naar een grote vijver midden in het bos. Hij plaatste de vissen op zijn vleugels en aan de oever van die vijver gekomen, daalde hij langzaam neer, om hen de plaats goed te laten zien. "Als het niet goed is, weet ik nog wel een andere plaats!" De vissen vonden in die vijver andere vissen en vertelden hun, in welke verschrikkelijke toestand zij zich bevonden. Zij zagen, dat die vijver zeer goed was, door middel van stenen in vakken verdeeld en rondom stonden grote bomen. De vissen zeiden tegen de vogel: "Wat ons betreft, wij willen niet meer terugkeren! Ga de anderen maar halen." Daarop antwoordde de pelikaan: "Dat gaat zomaar niet. Eerst moet u terugkeren, om uw erfgenamen en bloedverwanten bericht te geven, opdat zij niet kunnen zeggen, dat ik de onwaarheid gesproken heb."

De vissen bestegen weer de pelikaan, die verheugd was en terugvloog naar de vijver, die leeggeschept zou worden. Daar aangekomen, ging hij aan de oever staan en liet de vissen van zijn vleugels afzakken. Daarop zeiden de vissen: "Hoe heerlijk is de plaats, die wij daar gezien hebben!" En zij beschreven de vijver. "En wat die vogel betreft," voegden zij eraan toe, "hij is zeer verstandig; hij heeft ons zachtjes aangepakt; die pelikaan is wijs." Toen werd het rumoerig in de vijver, omdat de vissen nu vastbesloten waren, naar de andere vijver te verhuizen. De oudsten naderden weer de pelikaan. Zij zeiden: "Hé, oudere broeder pelikaan! Indien inderdaad waar is, wat u zegt en u werkelijk medelijden met ons voelt, breng ons dan allemaal daarheen!" De vogel dacht bij zichzelf: Als ik ze allemaal tegelijk zou opeten, zou mijn buik stellig barsten, en daarom zei hij: "Hoe zou ik u allen tegelijk daarheen kunnen overbrengen? Ik ben immers al oud en zeker niet zo sterk, dat ik met u allen tegelijk zou kunnen wegvliegen. Ik zal u driemaal per dag wegbrengen, 's morgens om zes uur voor de eerste maal, dan weer om twaalf uur en om zes uur bij het invallen van de duisternis nog eens. Weest daarom niet bezorgd, ik zal u allen tot de laatste toe halen."

Toen de volgende morgen was aangebroken, begon de pelikaan de vissen over te brengen en hij vloog heen en weer zoals een veerboot geregeld van de ene naar de andere oever vaart. In de vijver was veel rumoer over de vraag, wie van de vissen het eerst zouden worden overgebracht, maar de pelikaan koos daartoe die vissen uit, die hij het lekkerst vond. Hij vloog met deze tot hij halverwege gekomen was, waar zich een breedgetakte boom bevond, waar hij zich neerzette. En na enige dagen hoopten de graten van de opgegeten vissen zich onder die boom tot een grote berg op. De pelikaan werd vet en zijn lichaam zag er glanzend uit. Zo had het reeds een hele tijd geduurd, toen een kreeft, die er groot en vet uit zag, door de pelikaan werd opgemerkt. Deze dacht bij zichzelf: Deze kreeft ziet er buitengewoon lekker uit, ik heb nog nooit zoiets geproefd. En hardop riep hij: "Hé, broeder kreeft! Waarom ligt u daar zo? Kom hier, ik zal u meteen overbrengen naar een rustige plaats, waar u het zeer goed zult hebben."

De kreeft antwoordde: "Is het waar, wat u daar zegt?" En in zichzelf dacht hij: Best mogelijk, dat hij mij wil bedriegen; ik zal goed opletten. Toen maakte hij zich gereed en kwam dichter bij de pelikaan, terwijl hij zei: "Breng mij behoorlijk over, want ik heb veel scharen." De pelikaan zei: "Kom gauw hier! Ik zal gaan zitten zodat u op mijn rug kunt klimmen." Dat deed de kreeft. Maar hij keek scherp toe, omdat hij voortdurend de vogel wantrouwde. Hij legde zijn grote scharen om de hals van de pelikaan en zijn kleine scharen aan de bovenkant van de vleugels en vermaande de vogel nog eens: "Let goed op en schud niet te veel!"

Dicht bij de boom gekomen, waar de pelikaan gewoon was de vissen te verslinden, zag de kreeft de hopen visgraten en nu begreep hij wat de bedoeling van de pelikaan was. Nog steviger hield hij zijn scharen gereed. De pelikaan zei: "Nu zullen wij een ogenblik stilhouden. Laat mijn hals los en wacht tot ik een beetje van mijn vermoeienissen bekomen ben, want u bent zeer zwaar om te dragen." Maar daar wilde de kreeft niets van weten, integendeel, hij klemde zijn scharen nog steviger om de hals van de vogel. De pelikaan, die was neergestreken op de tak van de boom, dacht: Als hij maar even loslaat, dan zal ik hem te pletter werpen en opeten. Maar de kreeft zei in zichzelf: "Indien hij een ogenblik verdacht handelt, dan zal ik zijn nek dichtknijpen, totdat die gebroken is." Zo hielden zij elkaar voortdurend in het oog, loerend op een ogenblik, dat de ander minder scherp zou opletten. Eindelijk zei de kreeft: "Het is toch maar beter, dat u mij naar de vijver terugbrengt, al zal die weldra leeggeschept worden; ik moest maar niet verhuizen. Laat mij maar sterven in de vijver, waar ik altijd geleefd heb."

De pelikaan zei: "Goed! Laat dan maar uw scharen los, dan zal ik u gemakkelijk naar de vijver terugbrengen." Maar toen antwoordde de kreeft: "Praat nu maar niet langer, en breng mij dadelijk terug!" En hij zette zijn woorden kracht bij, door zijn scharen vaster toe te knijpen. De vogel werd bang, dat hij zou stikken en besloot dan maar aan de wens van de kreeft gevolg te geven. Na een korte tijd vliegen was hij weer boven de vijver aangekomen. Toen zei hij tegen de kreeft: "Vertel alsjeblieft niets van wat je ginds bij die boom hebt gezien, aan de vissen." De kreeft zei alleen: "Breng mij nog wat verder, tot aan de kant van het water!" Dat deed de pelikaan en toen zei de kreeft zo hard als hij kon: "Hé, ongeluksvogel! Bedriegers verdienen niet te blijven leven!" en tegelijk kneep hij de vogel de hals af. Toen de pelikaan dood was, keerde de kreeft gauw terug naar zijn gewone verblijfplaats en vertelde aan alle vissen wat er voorgevallen was.

Zo gaat het in de wereld! Hij die bedrog pleegt, zal zeker onheil overkomen. Hij die oprecht is, zal het goed gaan. Hij die liegt, zal een ongeluk treffen.


__________________________

Ratu Kidul - De West-Javaanse legende over de koningin van de Zuidzee
Ergens aan de zuidkust van het eiland Java ligt, diep in het zand begraven, de getuigenis van het verraad dat een koninkrijk naar de ondergang sleurde en een onschuldige prinses in het ongeluk stortte. Maar het stof van eeuwen en het voortwoekerende groen kunnen de waarheid niet verbergen en ieder oor dat luisteren wil kan het horen in het ruisen van de branding en van de wind die door de bomen fluistert: "Hoort, hoort het verhaal van Ratu Kidul."

Lang geleden leefde in het rijk Jaya Kulon eens een meisje dat Banyu Bening, Helder Water, heette. Haar ouders hadden haar die naam gegeven omdat ze aan het begin van de natte moesson was geboren, terwijl de regen in stromen neerviel en aarde en planten van de hellingen meesleurde. De rivieren stroomden over en het water steeg tot aan het bamboe hutje waar het kindje bij haar moeder lag. Het troebele water, dat tussen de palen door stroomde, spoelde het lichaam van het meisje schoon en als bij toverslag werd het helder. En de ouders waren vervuld van vreugde, want het was alsof het water en hun kindje een bijzondere band hadden met elkaar. De moeder wiegde Banyu Bening en luisterde naar het onweer, dat tegen de bergwanden roffelde en naar de regen, die het dak geselde. Maar plots werd haar droom verstoord door een angstig voorgevoel... Welk lot was dit kind beschoren? Hoe zwaar zou de last van het leven op haar schouders drukken? Met al haar krachten bande de vrouw de zorgen uit haar hart en toen het noodweer voorbij was en de zon begon te schijnen, speelde er weer een glimlach om haar mond.

Banyu Bening groeide voorspoedig op en haar ouders hielden veel van haar. En zelfs de schuwe dieren uit het woud vertrouwden Banyu. Zo kwam het dat ze nooit alleen was, wanneer ze onder het groene bladerdak dwaalde, langs de rivier, waar ze luisterde naar het zingen van de vogels en het ruisen van het water en de boomtoppen.

Zo ging de tijd voorbij. De afmattende hitte maakte plaats voor verkoelende regens, er werd gezaaid en er werd geoogst, tot er veertien jaren verstreken waren. Banyu Bening was nu een beeldschoon meisje geworden met schitterende ogen en een zacht, goudglanzend gelaat, omlijst door diepzwarte lokken. Ja, ze was zelfs zo mooi dat eenieder die haar zag dacht dat hij droomde of gestorven was.

Nu regeerde in het rijk Jaya Kulon een vorst, die een zoon had, genaamd prins Sucito. En deze baarde de koning grote zorgen, want sinds de dood van zijn moeder, de koningin, lachte de jonge prins niet meer. Tijdens de grote feesten was hij altijd alleen en vermaakte hij zich niet met de andere gasten. Maar het ergste van alles was dat hij zich niet voor vrouwen leek te interesseren, zoals de andere jongemannen van zijn leeftijd. De koning vreesde dat zijn rijk verloren zou gaan als zijn zoon niet in het huwelijk zou treden. Hij wilde de jongen wat afleiding geven door hem mee te zenden op de jaarlijkse jachtpartij. Hij hoopte vurig dat de prins daardoor zijn levenslust zou hervinden. De wijze patih Sujafar, die de koning altijd met raad en daad bijstond, zou de jongen vergezellen.

Sujafar nu was jaren geleden in dienst van de koning van Jaya Kulon gekomen en binnen korte tijd diens vertrouweling geworden, maar niemand wist precies wie hij was. Hij bewaarde zijn geheim angstvallig, want hij wilde voor geen goud ter wereld zijn huidige positie verliezen. Hij had immers al eens een vernedering moeten ondergaan...

Sujafar had als jongen al bijzondere gaven en was daarom bij een wijze in de leer gegaan. Maar de man doorzag de kwade aard van zijn leerling en Sujafar was beledigd vertrokken. Hij raakte verbitterd en de haat in zijn hart groeide met de tijd. Tot zijn grote spijt merkte hij dat hij zijn gaven langzamerhand verloor en hij nam een baantje als wachter in het vrouwenverblijf van een koning. Op een nacht had hij daar een van de vrouwen betrapt in het gezelschap van een man en onverwijld had hij het tweetal aan de vorst uitgeleverd. De man en de vrouw werden verbannen en ze waren al ver weg, toen de koning van het naburige koninkrijk Mataram liet vragen waar zijn koerier toch bleef. Het bleek dat de man een broer van de vrouw was geweest, maar het was nu al te laat om de twee nog te kunnen achterhalen. Het ergste van alles was dat de echtgenoot van de vrouw niet alleen zijn geliefde had verloren, maar ook het kind dat zij in haar schoot droeg en hij was dan ook diep bedroefd. Sujafar had zich al uit de voeten gemaakt nog voordat ze hem hadden kunnen ondervragen. Nee, niemand zou ooit een woord over zijn verleden horen...

De koning keek zijn zoon na, terwijl de stoet van dienaren en edelen zich met veel lawaai verwijderde en hij verzuchtte: "Och, als er toch een wonder kon geschieden. Trouwde mijn zoon maar, dan zouden al mijn zorgen voorbij zijn..." Hoofdschuddend trok hij zich terug in de kraton, waar hij op zijn troon ging zitten piekeren, maar dat hielp niet veel. De jacht verliep voorspoedig en de buit was groot. De mannen waren vermoeid en voldaan toen de buit was verzameld en gebonden. Een van hen riep: "Daar, laten we ons opfrissen in die rivier!" Dat was niet tegen dovemansoren gezegd en al spoedig was het een gespetter en geschater van jewelste.

Maar prins Sucito deed niet mee. Hij had zich teruggetrokken op een rustige plaats aan de oever van de rivier. Terwijl hij zijn kris schoonspoelde staarde hij gedachteloos naar het wateroppervlak. Plots gleed het wapen uit zijn hand en met een glinstering verdween het naar de bodem. De prins schrok en wanhopig zochten zijn ogen de bodem af. Toen hoorde hij een plons vlakbij en voordat hij besefte wat er gebeurde, rees er voor hem een beeldschoon meisje op uit het water. Met een sierlijk gebaar overhandigde zij hem het teken van zijn waardigheid, terwijl ze zei: "Ziehier, Heer, het wapen dat u zojuist verloor." En voordat hij het wist had de prins zijn hart al verloren. Hij haastte zich om haar te bedanken: "Zeg me wie je bent, zodat ik je kan belonen."

Maar plots weerklonk er een geweldig tumult en de prins draaide zich om. Sujafar had een dwerghert ontdekt, dat zich te dicht bij de rivier had gewaagd en hij joeg het dier achterna. Het meisje slaakte een kreet en wilde haar kameraadje te hulp schieten, maar voordat ze een stap had gezet, was het dier geveld door een van Sujafars pijlen. Buiten zichzelf van verdriet viel het meisje de wrede jager aan en als een wild dier beet ze hem in de hand. Een van de jagers schoot Sujafar te hulp en sloeg het meisje met een klap bewusteloos. Sujafar richtte zijn speer op de borst van het meisje, gereed om haar te doden, maar prins Sucito sprong voor hem en sloeg hem neer. "Sujafar, patih van de koning, ik waarschuw je! Waag het niet om haar ook maar een haar te krenken, want zij heeft zojuist mijn eer gered en ik zal haar daarvoor belonen."

Sujafar schrok, want hij had de prins nog nooit zo woedend gezien. Hij krabbelde overeind en streek met een hand zijn kleding recht. Zijn andere hand bekeek hij met een pijnlijk gezicht, terwijl hij zei: "Hoe kunt u zoiets van mij vragen? Ik eis genoegdoening! Dit is geen onschuldig meisje, dit is een wild beest. Ik zeg u, zij wilde mij doden!"

"Sujafar!" riep de prins uit. "Wie geeft jou het recht om haar van zoiets te beschuldigen? Jij bent een moordenaar, niet zij. Of weet jij soms niet hoe het kwam, dat mijn moeder stierf aan een kleine snede in haar linkerbeen? Alleen jij Sujafar, jij met je toverkunsten, weet hoe het kwam dat haar knie zo vervormd werd! Naar huis nu, maar weet dat ik je in de gaten houd!"

Sujafar zweeg, maar hij was woedend. De prins had het gewaagd hem in het bijzijn van anderen te beledigen en te beschuldigen van moord. Hoe was het toch mogelijk, dat hij door zijn listen en toverkunsten iedereen in zijn macht kon krijgen, behalve de prins. Zwijgend raapte hij zijn speer op, wetend dat hij zich zou wreken en hij maakte zich op voor de terugkeer naar het paleis.

Terwijl de jagers de terugtocht voorbereidden, hield prins Sucito zich afzijdig. Hij wilde het meisje immers nog naar haar naam vragen, maar toen hij zich omdraaide was zij er niet meer. De stoet had zich al in beweging gezet en de prins sprong op zijn paard. In volle galop reed hij naar het paleis, zodat hij ver voor de jachtstoet de kraton bereikte. Hij sprong van zijn paard en haastte zich naar de audiëntiezaal, waar de koning juist voor zijn onderdanen zat. Er heerste een plechtige stilte, die wreed verstoord werd toen Sucito binnenstormde.

"Vader!" riep hij. "Vader, ik wil trouwen!" Nu werd het nog stiller. De koning wist niet goed wat hij moest zeggen. Hij had niet verwacht dat de goden zijn wens zo snel en zo onverwacht zouden vervullen. "Mijn zoon toch, beheers je!" zei hij zo streng als hij kon. "Vergeef mij, vader," zei prins Sucito met zachte stem. "Vergeef mij mijn onbezonnenheid, maar ik smeek u om mijn verhaal aan te horen. Er is iets gebeurd, vader, wat mijn leven voorgoed heeft veranderd."

"Wel mijn zoon," sprak de koning, die nu wel zeer benieuwd was naar wat zijn zoon te vertellen had. "Ga je gang, ik luister."

En de prins vertelde het hele verhaal, hoe een meisje zijn kris had gered, hoe Sujafar haar had willen doden, nadat ze een weerloos dwerghert verdedigde en vooral, ja vooral, hoe mooi ze was. "Vergeef mij, vader. Ik kan het niet helpen, ik zie haar steeds weer voor me. Wat is er aan de hand, vader? Ik weet niet wat ik moet doen. O, ik wil trouwen, vader. Ik wil niets liever dan trouwen!"

"Genoeg nu, mijn zoon," sprak de vorst, die zijn best moest doen om nors te blijven klinken. "Ga nu. Ik zal erover nadenken." Maar zijn hart danste en jubelde van vreugde. Eindelijk wilde zijn zoon in het huwelijk treden. Sucito groette zijn vader eerbiedig en deed zonder morren wat er van hem werd verlangd, want hij wilde zijn vader niet kwaad maken. De prins was nog maar net vertrokken of Sujafar betrad de audiëntiezaal, trillend van woede. De vorst luisterde geduldig naar hetgeen zijn patih te vertellen had, maar het was een heel ander verhaal dan dat van zijn zoon. De prins had Sujafar beledigd, zelfs beschuldigd van moord, ten overstaan van alle aanwezigen en dat alles omwille van een wild dier. Een wild dier dat hem even tevoren levensgevaarlijk had verwond! En hij liet zijn gewonde hand zien, terwijl hij jammerde: "Die kan ik nu nóóit meer gebruiken!"

De vorst zweeg. Prins Sucito was wel zeer ver gegaan in zijn beschuldigingen. Maar de koning was een wijs man en liet zich niet verleiden tot een overhaaste beslissing. "Ga nu heen, Sujafar, ik heb je verhaal gehoord. Vooraleer ik mijn oordeel vel, wil ik het meisje zelf zien, want ik wil afwegen wat het zwaarst weegt: jouw gewonde hand of de toekomstige vorst van dit land!"

Sujafar trok wit weg van woede, maar gaf niettemin gehoor aan het bevel van de vorst. Hij liep terug naar zijn verblijf, terwijl de edelsteen in de kris, die hij in zijn gordel had gestoken, een gifgroen licht uitstraalde.

Een boze raadsman is een gevaarlijke raadsman, wist de vorst en daarom bedacht hij een plan. Zijn zoon wilde trouwen. Nu, aan die wens wilde hij graag gehoor geven, maar er waren twee problemen. Ten eerste Sujafar, die het meisje liever dood dan levend zag en ten tweede het feit dat zij van lage komaf was. Dat laatste stond een huwelijk in de weg, want de wet in Jaya Kulon bepaalde dat een man die beneden zijn stand huwt, voorgoed tot die stand zal behoren. Dat mocht met zijn zoon niet gebeuren en daarom besloot de vorst dat zijn zoon eerst maar eens met een prinses moest trouwen. Een groot probleem was dat niet, want de vorst van Mataram had twee huwbare dochters, genaamd prinses Nurid en prinses Andiah, maar hij had geen troonopvolger. De enige voorwaarde die aan een huwelijk werd verbonden, was dat de eerste zoon uit dit huwelijk in Mataram zijn opvoeding zou krijgen.

De zaak was dus snel beklonken en de prins kon zijn keuze maken uit de twee prinsessen. Prinses Nurid, de oudste van de twee, was hem het liefst en het huwelijk werd voltrokken. Daarop vertrokken zij naar Jaya Kulon, gevolgd door Nung, de helderziende voedster van de prinses. Het jonge paar werd met afgunst gadegeslagen door de jongste zuster, prinses Andiah, wier vurige wens het was geweest om koningin te worden. Ze nam zich voor zelf ooit die plaats in te nemen, die haar zuster nu had ingenomen.

Nu de prins een adellijke echtgenote had, stond niets meer een huwelijk met het mooie meisje uit het bos in de weg. Hij zocht haar op en vroeg haar ouders om haar hand. Zij stemden toe in een huwelijk, maar niet zonder hem eerst te waarschuwen. Sinds de dag van de jachtpartij leed hun dochter Banyu Bening aan een geheimzinnige ziekte, die haar om twaalf uur 's middags en twaalf uur 's nachts bulten en zweren bezorgde, die haar hele lichaam overdekten. Er was dan maar één middel dat haar kon genezen en dat was water. Maar de prins was te verliefd om daaraan aandacht te besteden en hij vertrok spoorslags naar de kraton om alles op de komst van Banyu te laten voorbereiden.

Enkele dagen later kwam hij haar ophalen, maar tot zijn schrik vond hij twee vrouwen in tranen. De vader van Banyu was vermoord. Door wie, dat wisten ze niet, maar naast het lichaam hadden ze een groene steen gevonden. Prins Sucito voelde een siddering door zijn lichaam gaan, toen hij de steen zag. Hij schitterde zo felgroen, alsof alle haat ter wereld zich erin had samengebald. En toch had hij het gevoel dat hij de steen eerder had gezien. Haastig liet hij Banyu plaatsnemen in de draagstoel en de stoet begaf zich op weg naar de kraton. In de paleistuin had zich een grote menigte verzameld, die de komst van de tweede bruid van prins Sucito reikhalzend afwachtte. De mensen slaakten een zucht van verbazing toen ze het meisje uit de draagstoel zagen stappen. Alle goden, hoe kon een menselijk schepsel zo mooi zijn. En dit was maar een meisje van lage komaf? Naast de prins liep Banyu de trap op om haar opwachting te maken bij de vorst. De edelen, die voor de vorst zaten, sloegen het meisje met enige afkeuring gade. Het had geen pas voor een meisje uit het gewone volk om naast een prins te lopen. Geschokt keken zij naar de vorst om te zien of deze in toorn zou ontsteken, maar de vorst glimlachte alleen maar. Hij was diep onder de indruk van de schoonheid van dit meisje. O, zijn zoon had geen woord te veel gezegd. Waakte hij of droomde hij? Deze gratie, deze edele gelaatstrekken... Hoe was het mogelijk dat dit maar een gewoon meisje was? Banyu liep naar voren en knielde eerbiedig voor de vorst. "Sta op, mijn dochter," sprak deze met een trilling in zijn stem. "Jij zult de tweede vrouw van mijn zoon zijn, zoals hij dat wenste." Daarop wendde hij zich tot de aanwezigen en zei: "Ziehier de tweede vrouw van mijn zoon Sucito en wees haar altijd trouw!" Opgelucht haalden de edelen adem en zij bogen diep voor hun wijze vorst, terwijl het volk in een luid gejuich losbarstte.

Maar er was een man, die niet wilde delen in de vreugde over het huwelijk: heimelijk verliet Sujafar de zaal. Hij haastte zich naar zijn vertrekken, maar in de tuin werd hij tegengehouden door een vrouw. Het was de moeder van Banyu Bening, die op zoek was naar de bezitter van de groene steen. Ze liet Sujafar de steen zien en vroeg of hij de bezitter ervan kende. Sujafar keek haar minachtend aan en griste de steen uit haar hand, terwijl hij zei: "Ik weet niet waar je deze steen gestolen hebt, vrouw, maar ik zal wel zorgen dat de bezitter terugkrijgt wat hem toebehoort."

Prinses Nurid, die alles had gezien, schoot de vrouw te hulp. "Je hebt het recht niet deze vrouw te beschuldigen, Sujafar," sprak zij. Sujafar siste en maakte zich uit de voeten, terwijl de beide vrouwen hem nakeken.

De tijd verstreek en er heerste welvaart en overvloed in Jaya Kulon. De oogsten waren nooit tevoren zo rijk geweest als nu en iedereen was gelukkig. Ja, het was alsof de twee vrouwen van de prins het hele rijk verlichtten met hun schoonheid en hun goede hart. Spoedig werd het geluk bekroond, toen prinses Nurid een zoontje kreeg. Maar na een jaar werden moeder en kind gescheiden, want het was afgesproken dat de jongen in Mataram zou worden opgevoed. Prinses Nurid vond troost bij Banyu Bening, die als een zuster voor haar was. Haar eigen zuster prinses Andiah echter werd verteerd door jaloezie, omdat prinses Nurid nu niet alleen met een prins getrouwd was, maar ook nog eens een troonopvolger ter wereld had gebracht.

Ondertussen werd Banyu Bening steeds stiller en ze trok zich rond het middaguur steeds vaker en langer terug. De ziekte waaraan zij leed sinds de dag van de jacht werd met de dag heviger. Prinses Nurid maakte zich zorgen om haar en ging te rade bij haar helderziende voedster Nung, die haar vertelde dat het mogelijk was dat de ziekte werd veroorzaakt door tovenarij.

Omdat zij ten zeerste gesteld was op Banyu Bening, besloot prinses Nurid om op onderzoek uit te gaan. Tezamen met Nung bespiedde zij Sujafar overdag bij zijn wandelingen in de paleistuinen. Tot hun grote schrik ontdekten zij dat hij daar met een onzichtbaar wezen sprak. Het was een djinn, geboren uit Sujafars boze hart en een schepsel van zijn haat. En 's nachts in zijn vertrek prevelde hij geheimzinnige spreuken en Banyu's naam, terwijl hij poeder over een groene steen strooide. Prinses Nurid keek sprakeloos toe; het was dus Sujafar, die Banyu Bening betoverde. Maar toen zag zij dat Sujafar niet alleen was en de schok van herkenning was zo hevig, dat ze onwillekeurig een kreet slaakte. Sujafar snelde naar de deur, maar de vrouwen waren er al vandoor. Hij bukte zich, want er lag iets op de grond. Het was een sjaal, die hij feilloos herkende. Hij draaide zich om en sprak: "Het was je zuster, prinses Andiah."

De volgende dag was het paleis in rep en roer, omdat de koning was omgekomen tijdens oefeningen in het veld. Hij was getroffen door zijn eigen pijl, die zich in de lucht had gekeerd, alsof er een onzichtbaar wezen in het spel was. Maar niet alleen de koning was nu dood, ook prinses Nurid was op geheimzinnige wijze gestorven. Nung had haar gevonden. Het drinkwater van de prinses was vergiftigd en Nung begreep wie dit op zijn geweten had. De prins, die juist op reis was toen dit alles gebeurde, keerde spoorslags terug naar de kraton, toen hij vernam dat zijn vader en zijn eerste vrouw op dezelfde dag waren gestorven. Prins Sucito moest nu zijn vader opvolgen, maar wie zou de koningin aan zijn zijde worden? Banyu Bening was immers van lage komaf? Maar o wonder, het volk uitte eensgezind de wens dat zij tot vorstin verheven zou worden en aldus geschiedde. Zij moest een nieuwe naam krijgen, die zou passen bij haar status. Omdat zij uit het zuiden was gekomen, noemde men haar nu Ratu Kidul, de vorstin uit het zuiden. Er werd een groots feest aangericht voor de inwijding van het nieuwe koningspaar. De gasten waren van heinde en verre naar Jaya Kulon gekomen met de kostbaarste geschenken en de wijn vloeide rijkelijk, maar de wijn die de vorst dronk was Sujafars wijn.

Magiërs en astrologen uit alle windstreken hulden zich in wierook en raadpleegden de geesten, goden en de sterren. Tot hun schrik voorzagen zij een groot onheil: de nieuwe vorstin was in groot gevaar. Een boze betovering zou haar lot bestemmen en zij zou wederom een nieuwe naam krijgen: Nyai Lara Kidul. Nyai was: de verhevene. Maar Lara, wat moest dat betekenen? Lara was immers: ziek of geest? Niemand wist het. Daarop sprak een der wijzen: "Er zullen er twee zijn, die u willen helpen, maar falen zullen zij. De derde, die zal slagen, uit een vreemd land komt hij. Wij weten dat de Hogere Macht het zo wil. Uiteindelijk zult u worden: de Ratu Adil!"

Ratu Kidul was verbijsterd. Zij, de Ratu Adil, de vorstin die kwaad en onrecht zou uitbannen? Ze kon geen woord uitbrengen, maar Nung was helder van geest en legde deze woorden vast. Het feest ging voort, maar het gemoed van de nieuwe vorstin was bezwaard. De tijd verstreek en het volk kreeg nieuwe zorgen, want na de lange tijd van voorspoed leek nu het tij gekeerd te zijn. De vissen dreven in groten getale dood in de vijvers en felle branden vernietigden de oogst. De honger begon te knagen en de regens bleven uit. Het land scheurde open en de planten verdorden. Nu wist men: dit moest het werk van het kwaad zijn.

Ook Ratu Kidul kreeg het moeilijk. De waterschacht waarin zij zich gewoonlijk waste viel droog en zij moest nu telkens als de ziekte weer toesloeg met afschuwelijke vervormingen, haar toevlucht zoeken tot de rivier. Maar hoe voorzichtig ze ook was, het lukte haar niet om daar ongezien te blijven, omdat de vrouwen er hun was deden en de kinderen er zwommen. "Daar!" riep iemand. "Daar is de boze geest, die onze oogsten vernietigt en ons water vergiftigt!" Een regen van stenen daalde op Ratu Kidul neer en verblind door angst en tranen vluchtte zij terug naar het paleis. Maar in het land deed al gauw het gerucht de ronde, dat de boze geest die het hele land kwelde uit het paleis afkomstig was. En die geest droeg dezelfde kleding als Ratu Kidul.

Ondertussen bereikte een droevige tijding de kraton: de vorst van Mataram was overleden en omdat de zoon van prinses Nurid nog te jong was, zou Sucito de troon moeten bestijgen. De Raad van Mataram had echter een bezwaar: Ratu Kidul was van lage komaf en in Mataram gold de wet 'Hoog blijft Hoog en Laag blijft Laag'. Koning Sucito zou een vrouw van zijn stand moeten kiezen, in het belang van zijn zoon. De koning wilde zijn vrouw en zoon niet in verlegenheid brengen en vroeg daarom Sujafar om raad. Sujafar glimlachte. De oplossing was immers zo eenvoudig. Was de koning dan vergeten dat prinses Andiah er ook nog was? Zij was toch ook mooi en bovenal: van koninklijke bloede.

Sucito kon niet meer helder denken. Dat gebeurde hem wel vaker de laatste tijd. En steeds vaker liet hij belangrijke beslissingen liggen, omdat hij zo onzeker was. Het klonk toch verstandig, wat Sujafar zei? Hij vroeg Nung om raad en zij stelde voor om toch eerst Ratu Kidul voor de Raad van Mataram te laten verschijnen. Hiermee kon Sucito instemmen, want hij hield zielsveel van zijn vrouw.

Prinses Andiah sprong op van vreugde, toen zij vernam dat ze de vrouw van de koning zou worden. Ze liet zich dadelijk door haar bedienden mooi maken en in de prachtigste kledij steken.

Ondertussen moest Ratu Kidul in Mataram voor de Raad verschijnen, maar deze onderneming bleek niet geheel van gevaar ontbloot te zijn. In het holst van de nacht was een onbekende haar verblijf binnengedrongen met de bedoeling zich aan haar te vergrijpen. Goddank had een edelman haar eer kunnen redden door de indringer te overmeesteren. Het was de leraar van de jonge prins. Hij had ooit op tragische wijze zijn vrouw en kind verloren, toen zijn vrouw verbannen werd. Hij meende haar te herkennen, maar hij bedacht dat hij een dwaas moest zijn als hij na al die jaren nog hoopte op de terugkeer van zijn vrouw en het kind dat hij nog nooit gezien had.

Toen Ratu Kidul voor de Raad verscheen, waren allen het erover eens dat zij als vorstin erkend zou moeten worden. Er was toch een edelman in hun midden, die eens zijn vrouw en ongeboren kind had verloren? Er zou een verklaring afgelegd kunnen worden dat Ratu Kidul zijn dochter was. Daarop keerde Ratu Kidul terug naar Jaya Kulon. Sucito had zijn bedenkingen. Hoe zou hij ooit met een leugen kunnen leven? Nung zei hem de moeder te vragen wie toch de vader van Ratu Kidul was, maar zodra Sucito haar de vraag stelde, begon de vrouw zo hevig te wenen, dat zij geen woord meer kon uitbrengen. En daarom vond het huwelijk met prinses Andiah toch plaats, in Mataram, al had Sucito laten bepalen dat zij altijd op de tweede plaats, na Ratu Kidul zou komen.

Prinses Andiah was diep beledigd, maar het was al te laat. Trillend van woede liep zij naar haar vertrek, waar zij tot haar verrassing de groene steen van Sujafar vond. Nu zou ze zelf kunnen toezien op de vernietiging van Ratu Kidul. Maar ze wist niet dat Sujafar de steen had betoverd: als de steen brak, zou zijn djinn prinses Andiah vermoorden. Ondertussen bracht Ratu Kidul haar eenzame uren door in Jaya Kulon. Ze was alleen, want haar bediende was er niet en toen tegen middernacht de pijnlijke vervormingen haar weer kwelden, moest zij alleen naar de waterschacht. Angstig begaf zij zich in het duister, terwijl haar adem stokte bij elk onheilspellend geluid. Ze was er bijna, toen zij onverwachts werd vastgegrepen en meegesleurd. Twee krachtige armen wierpen haar in een koude grot, terwijl een stem siste: "Wanneer je morgen voor het volk verschijnt, zal je geheim onthuld zijn en men zal je Lara noemen, zelfs na je dood. Alleen aan je haarwrong zullen de mensen je kunnen herkennen, tenminste, als je aan ze kunt verschijnen. Want mijn djinn zal je voor eeuwig vervolgen."

Daarop spoog Sujafar in zijn handen en sloeg hij Ratu in het gezicht. En de grot sloot zich met een dreun. Ratu Kidul weende zachtjes, maar plotseling hoorde zij de stem van haar moeder. Zij was met haar opgesloten en probeerde haar te troosten in deze afschuwelijke nacht.

Als een lopend vuurtje had het nieuws over de verdwijning van Ratu Kidul de ronde gedaan en het volk, geroepen door de tong-tong, dromde samen voor het paleis. Sujafar gaf de soldaten het bevel Ratu Kidul en haar moeder aan het volk te tonen. Ze sleurden de vrouwen naar buiten.

"Ziehier uw vorstin: Lara Kidul!" riep Sujafar. Het volk verkilde van ontzetting. Dit was de demon, die het land zoveel onheil bracht. Een vrouw trad naar voren, met tranen in haar ogen, terwijl ze sprak: "Dit is uw werk, nietwaar?" Daarop richtte zij zich tot de menigte en vervolgde met de woorden: "Volk van Jaya Kulon, hoor mij aan. Als u Ratu vervangt door Lara, zeg dan Nyai Lara Kidul, want u hebt haar zelf tot vorstin verheven."

Sujafar gaf zijn soldaten het bevel om de vrouw het zwijgen op te leggen, maar daartoe kreeg hij de kans niet. De koning was onverwachts teruggekeerd uit Mataram en trad naar voren. "Laat deze vrouw uitspreken," zei hij en de vrouw vertelde hoe Sujafar de vorstin bewerkte. "Breng mij water en zie toe hoe zij geneest!" zei de vrouw.

De koning wenkte en een dienaar haastte zich om het bevel uit te voeren. Zodra de vrouw het water had, bette zij het gelaat van Ratu Kidul en de bulten en zweren verdwenen als bij toverslag. Stralend als nooit tevoren stond zij voor de menigte. Nu was de vorst buiten zichzelf van woede en voordat iemand kon ingrijpen dreef hij zijn kris in het lichaam van de valse patih, die levenloos neerzeeg. "Dit is je vonnis," sprak hij en hij bukte zich om Sujafars kris uit de gordel te nemen. "Nung, waak over dit wapen, opdat geen kwaad meer zal geschieden," zei hij, terwijl hij haar de kris aanreikte. Nung zag dat er uit de zetting een steen ontbrak.

In Mataram vernam prinses Andiah wat er was gebeurd. Ze voelde zich verslagen nu Sujafar dood was, want al had zij veel van hem geleerd, zonder zijn hulp zou het nog lang kunnen duren voordat Ratu Kidul haar niet meer zou hinderen. Het enige wat haar restte was zich zo te kleden als haar rivale, maar hoezeer ze zich ook inspande, ze slaagde er niet in Ratu Kidul te evenaren. En die haarwrong kreeg ze al helemaal niet gedaan. Het ergerde haar als zij zag dat Ratu Kidul nog steeds de lieveling was van het volk en dat maakte haar er niet mooier op.

Ondertussen was de leraar van de kroonprins, die Ratu Kidul destijds had gered, blijven piekeren. De jonge prins merkte dat en vroeg zijn leraar wat er scheelde. Toen deze hem zijn verhaal had toevertrouwd, adviseerde de prins hem om zelf op onderzoek te gaan. De leraar begaf zich naar Jaya Kulon en zocht de moeder van Ratu Kidul op. Hoe groot was zijn vreugde, toen hij zijn verloren gewaande vrouw herkende, maar hoe groot was ook zijn verdriet toen hij hoorde dat zijn dochter, Ratu Kidul, aan een geheimzinnige kwaal leed. Spoorslags keerde hij terug naar Mataram, waar hij de prins van zijn bevindingen vertelde. Er was tovenarij in het spel. Dat verklaarde ook waarom koning Sucito zich zo vreemd en besluiteloos gedroeg.

De prins maakte zich grote zorgen, want het werd met de dag erger. En op een nacht, toen hij de slaap niet kon vatten, besloot hij om in de tuin te gaan wandelen. Toen hij bij het verblijf van prinses Andiah was gekomen en haar hoorde praten, wilde hij even kijken of alles in orde was. Ze merkte niet dat hij keek, omdat ze te zeer verdiept was in haar bezigheden. Op de tafel voor haar lag een groene steen en terwijl ze een poeder over het voorwerp strooide prevelde zij de woorden: "Vermink en verlam de geest van Ratu Kidul..."

De prins vroeg zich af of prinses Andiah ook de hand had gehad in de dood van Sucito's vader en prinses Nurid. Hij vreesde dat prinses Andiah nog meer van plan was. Wellicht wilde zij het hele koninkrijk in handen krijgen. Zo kwam het dat de prins en zijn leraar besloten om de zaak nader te onderzoeken en prinses Andiah in de val te lokken.

De dag brak aan, waarop de ceremonie voor het feest van de rijstgodin Dewi Sri zou plaatsvinden. Ratu Kidul moest haar opwachting maken bij de plechtigheid in Mataram en Nung ging met haar mee, vermomd als man, want koning Sucito had haar verboden om Ratu Kidul te begeleiden. Ratu Kidul werd waardig ontvangen aan het hof van Mataram. Op de eerste dag van het feest vond de eredienst voor Dewi Sri plaats in de tempel. De kroonprins bestudeerde alle aanwezigen, maar wacht, er ontbrak iemand: prinses Andiah was niet gekomen. Wat was zij van plan?

Hij kreeg al snel antwoord op zijn vraag. Nauwelijks was het gebed begonnen of Ratu Kidul voelde de koorts opkomen. En ze kon onmogelijk ongezien wegglippen. Terwijl ze zich tot het uiterste inspande om haar tranen van machteloosheid te bedwingen, trok ze haar sluier nog iets lager. Ze keek voorzichtig op en zag tot haar grote opluchting dat niemand iets had gemerkt. Daarop viel haar oog op de prins, die haar blik met een glimlach beantwoordde, terwijl hij opstond en geruisloos verdween. Ze schrok toen ze de kris in zijn gordel zag. Waarom droeg hij een wapen in de tempel?

Plotseling verstoorde een luide schreeuw haar overpeinzingen en ze keek verschrikt op. "Daar zit zij, de valse vrouw, die mij tot waanzin wil drijven!" Koning Sucito was opgestaan en wees naar Ratu Kidul. "Doe weg die sluier en laat iedereen zien wie je bent, jij boze geest! Vervloekt ben je! Een dag krijg je om dit land te verlaten voordat ik je ter dood zal laten brengen. Verdwijn! Uit mijn ogen, nu!"

Ratu Kidul stond langzaam op en trok de sjaal weg. Sprakeloos keken de aanwezigen naar het misvormde gelaat van de vorstin, die kalm en schijnbaar onbewogen sprak: "U weet dat ik deze kwaal te danken heb aan tovenarij. Eens was u er zelf getuige van en de schuldige, uw patih, hebt u zelf gekrist. Breng mij een kruik met water en zie dat ik zal genezen!" In een oogwenk was er een bediende, die voor de vorstin knielde en haar de gevraagde kruik aanreikte. Ratu bette haar gelaat met het vocht, maar plots kromp ze ineen van de pijn. Het was geen water, het was een bijtend zuur!

"Zie!" riep de koning. "Het bewijs is geleverd. Zij is de demon die dit land in het verderf wil storten. Verdwijn, en waag het niet ooit nog terug te keren!"

Ratu Kidul trilde over heel haar lichaam. Het zuur sneed in haar huid en Sucito's woorden sneden door haar ziel. Een uitzinnige menigte joeg haar op: "Verdwijn, demon! Verdwijn!" Zij rende voor haar leven, ze struikelde en krabbelde weer overeind, totdat ze uitgeput neerzeeg.

"Het is ongelooflijk, Nung, hoe snel het water haar geneest," sprak een stem dichtbij. Ze voelde hoe met zachte hand haar gelaat werd gebet en hoe de brandende pijn langzaam wegtrok. "Ik zal nu mijn leraar waarschuwen, we moeten Andiah stoppen en mijn vader moet wijken voordat dit uit de hand loopt. Vlucht voor jullie leven, want het volk is uitzinnig van woede. Neem dit goud, voor onderweg." Ratu Kidul richtte zich moeizaam op.

Voor haar zat de kroonprins. "Aanvaard mijn eerbied, vorstin. Misschien zal ik u nooit meer zien." En met een eerbiedige sembah nam de kroonprins afscheid van haar. Nu begon de vlucht van Ratu Kidul, tezamen met Nung en haar moeder. Dag na dag liepen zij voort in zuidelijke richting, zonder ook maar een moment te rusten.

Twee, drie dagen waren verstreken, toen de moeder van Ratu Kidul van uitputting overleed. Nung begroef de vrouw vol eerbied en verder ging de tocht, totdat ze op de vierde dag het strand bereikten en Ratu Kidul dodelijk vermoeid neerzeeg en in slaap viel. Ze had een visioen, waarin een in het wit geklede man aan haar verscheen. Hij was gezonden door de gebieder van de oceaan. In het rijk onder de golven zou zij bescherming vinden tegen de boze geest die haar achtervolgde, tot de dag aanbrak, waarop zij als de Ratu Adil wederom het land zou betreden.

De volgende morgen vertelde zij aan Nung wat zij had gezien. Nung raadde haar aan nog niet meteen te besluiten, maar te wachten tot de zee de boodschap zou herhalen.

Ondertussen was na hevige gevechten aan het hof de rust weergekeerd en koning Sucito zat verdwaasd op zijn troon. Langzaam drong tot hem door wat er was gebeurd en hij betreurde het tot in het diepst van zijn hart. Wat had hem bezield?

Zo verstreken vele dagen in een roes van verdriet en verbijstering en vijf dagen waren voorbij toen koning Sucito in de morgen van de zesde dag leek te ontwaken uit zijn droomloze slaap. Juist op dat moment trad de kroonprins binnen en verzocht zijn vader om naar hem te luisteren. Hij wenkte zijn leraar en zei: "U zult mijn getuige zijn." Daarop stak hij zijn hand naar voren en liet een haarlok zien. "Met deze haarlok van u kon de boosaardige vrouw uw geest verduisteren en u haar wil opleggen. En dit is het voorwerp, waarmee zij Ratu Kidul betoverde." Met verbazing bekeek de vorst het voorwerp dat zijn zoon hem toonde. Dit was de steen, die hij al eens had gezien! "Toon mij de vrouw, die dit op haar geweten heeft. Zij zal haar gerechte straf niet ontlopen!" riep de koning nu vastberaden.

Onder hevig verzet werd prinses Andiah voorgeleid en Sucito was buiten zichzelf van woede toen hij haar zag. "Hiervoor zal ik je eigenhandig krissen, Andiah!" zei hij. Maar Andiah hief haar hoofd trots op en zei: "Dat zul je niet, want ik ben een vorstin en alleen de Raad van Mataram mag hierover beslissen."

"Zwijg!" brulde Sucito en hij greep naar zijn kris, maar nog voordat hij het vonnis kon voltrekken had de leraar, die buiten zichzelf was van verdriet, de steen uit de hand van de prins gegrist. Nooit meer mag iemand mijn dochter kwaad doen, dacht hij en met al zijn krachten wierp hij de steen op de grond, waarop het voorwerp in duizenden stukken uiteen spatte. En uit het niets verschenen nu plots twee handen, die zich om de hals van prinses Andiah sloten en het leven uit haar persten. De mannen keken verbijsterd toe, terwijl het levenloze lichaam met een dof geluid op de vloer viel. Nu begon de aarde te beven, heviger en heviger zodat de muren scheurden.

Ondertussen zat aan de zuidkust Ratu Kidul op een rotspunt roerloos te wachten op een roep uit de zee. "Ratu Kidul... Ratu Kidul," fluisterde een stem op de wind. Ze hief het hoofd op en luisterde. "Ratu Kidul, op het land kunt u niet meer leven. Kom, Ratu Kidul, alleen ik kan u beschermen!"

Het was zoals Nung had gezegd, de boodschap herhaalde zich. Ze boog haar hoofd en fluisterde: "Ik ben gereed, o Geest der Zee. Ik wil leven in uw rijk, kom en neem mij mee." De aarde beefde, het land scheurde en de oceaan kolkte als nooit tevoren. Een golf zo hoog als een bergwand snelde naderbij. Met donderend geraas verdwenen bomen, rotsen en land onder de watermassa. Het water beukte tegen de kust tot aan het kleine strand en Nung keek verbijsterd toe. Een golf rees op, als een reusachtige schelp en snelde toe op de rots, waar Ratu Kidul zat. Te midden van het geraas van de golven en de lawines leek Nung een stem te horen: "Vaarwel lieve Nung!" En toen zag zij hoe de golf Ratu Kidul voorzichtig opnam en meedroeg naar de zee. Als een laatste groet hief de vorstin haar hand op en daarop verdween zij uit het zicht.

Snikkend liet Nung zich op de grond zakken en zelfs toen de beving was opgehouden, merkte zij het niet. Hoe lang ze zo had gelegen wist ze niet, maar plots kriebelde er iets aan haar voet. Toen zij opkeek zag zij dat het een krab was, die zich licht over het zand bewoog. Het dier schreef een boodschap voor haar: "Ga heen en teken op wat is geschied. Begraaf het dan diep in de grond, opdat het eens gevonden zal worden en de waarheid bekend moge worden. Men zal weten dat het geen zelfmoord was." Nung vervulde deze opdracht, die de laatste van haar leven zou zijn.

De rust is nu weergekeerd en het rijk Jaya Kulon is voor immer verdwenen onder de golven van de oceaan. Diep in de duistere wateren wacht Ratu Kidul op de dag dat zij Java weer zal mogen betreden als de Ratu Adil. Maar nog altijd waart de boze schepping van Sujafar rond om dood en verderf te zaaien, opdat niemand in de onschuld van de vorstin zal geloven. De Geest der Zee, die haar bewaart, straft eenieder die niet oprecht is en zich durft te kleden in haar kleuren, blauw en groen. Maar wie luistert naar de wind, die zucht en weeklaagt, en de golven, die zich op de zwarte rotsen storten, treurend om het leed dat een onschuldige prinses moest verdragen, die zal veilig zijn.

_______________________________

Kantjil en de krokodillen - Een Indonesisch volksverhaal over het bekende dwerghert
Op een morgen stond Kantjil aan de oever van een rivier en riep met luide stem stroomop en stroomaf: "Krokodillen, hé krokodillen, kom eens gauw hier! Hier is een lekker hapje voor jullie!" Meteen ging hij er vandoor.

De krokodillen kwamen naar de oever en toen ze merkten, dat de kleine deugniet hen gefopt had, waren ze woedend. "Wacht maar," riepen ze hem achterna, "als je wilt drinken, zullen we je wel krijgen!"

Een dag of wat bleef Kantjil uit de buurt van de rivier, maar toen kreeg hij zo'n brandende dorst, dat hij het niet langer kon uithouden. Langzaam sloop hij naar de oever. Al spiedend, meende hij op een ondiepe plaats een krokodil te zien, die zo stil als een muis op de loer lag. 't Leek net een boomstam.

"Wat ben je," riep hij, "een krokodil of een boomstam?" Geen antwoord, geen teken van leven. "Wanneer je een krokodil bent, drijf dan stroomaf; ben je een boomstam, ga dan stroomop!" Langzaam kwam er beweging in de domme krokodil, stroomopwaarts ging hij, om te laten zien, dat hij een boomstam was! "O, jou schaapskop," riep het dwerghert, "heb je ooit van een boomstam gehoord, die stroomopwaarts dreef?" Van woede en schaamte dook de krokodil snel onder.

Maar daarmee was de dorst van Kantjil niet gestild. Nu zocht hij een stokje, net zo lang en zo dik als zijn pootje en nam dat mee naar de oever. Terwijl hij dronk, greep een krokodil hem plotseling bij een van zijn poten. "Mis," riep de schelm, "dat is mijn poot niet! Dit is hem!" Meteen hield hij het stokje in het water. Woedend hapte de krokodil er naar! Vrij was de poot en weg snelde Kantjil, terwijl hij uitriep: "Nu zoek ik net zo lang, tot ik een andere drinkplaats vind, vervelende vent!"

De krokodillen zetten hem ook over land na en verstopten zich tussen de omgehouwen boomstammen van een ladang*, die daar juist werd aangelegd. Nauwelijks zag Kantjil dit, of hij liep naar de eigenaar van de ladang. "De Radja beveelt," berichtte hij hem, "dat alle ladangs vandaag afgebrand moeten worden." De boer gehoorzaamde, ging met zijn kinderen naar de ladang, die ze aan alle kanten met dor hout aanstaken. Van de krokodillen bleef niet veel over.

Op een andere dag zag Kantjil aan de overkant van de rivier een massa afgevallen bloesems. Daar hield hij juist zo van! Hoe moest hij echter aan de andere oever komen? Er stond een sterke stroom en dan al die krokodillen. Maar hij vond er wel weer wat op. Luid schreeuwend riep hij de krokodillen bij elkaar en vertelde hun, dat de Radja de stroom vergiftigen wou en dat hij gezonden was om hun dit mee te delen. O, wat smeekten de krokodillen hem nu, dat hij toch een goed woordje voor hen doen zou bij de Radja. Maar het scheen, dat Kantjil daar in den beginne weinig heil van verwachtte.

Eindelijk zei hij: "Ik zou het kunnen proberen. Gaat eens allemaal naast elkaar liggen, dan kan ik de stemmen tellen!" Goed, ze gingen allemaal naast elkaar liggen, dwars de rivier over. Toen ze daarmee gereed waren, hupte Kantjil van de ene rug op de andere, naar de overkant, al tellende: een... twee... drie... "Dank je wel," zei hij toen vriendelijk, "ik ben nu, waar ik wezen wilde."

* Droog rijstveld, de bomen van het woud worden omgehakt en verbrand, de as dient als mest. Tussen de overgebleven resten wordt gezaaid.

___________________________

Het ontstaan van de rijst - Een Balinese mythe over Sanghiang Sri en Batara Guru
Heel lang geleden riep de oppergod Batara Guru alle goden in de hemel bij elkaar om ze mede te delen dat hij van plan was een nieuw vergaderpaleis te bouwen. Hij verzocht de goden om hun steun en hulp en gaf elke god een bepaalde opdracht. De ene moest voor zand zorgen, de andere voor stenen, een derde voor dakpannen, een vierde voor hout, enzovoorts. De goden waren enthousiast over het idee en iedereen deed zijn uiterste best om zijn opdracht zo goed mogelijk te vervullen. Maar één god had het nieuws met gemengde gevoelens ontvangen. Niet dat hij onwillig was om aan het plan mee te werken, maar hij voelde zich er niet toe in staat. Het was de slangengod Anta.

Het ontstaan van de rijstToen de tijd naderde dat al het bouwmateriaal moest worden ingeleverd, werd Anta hoe langer hoe somberder, omdat hij door het gemis van armen en benen niet in staat was iets aan het bouwwerk te kunnen bijdragen. Nu had een van de goden, Narada, gemerkt dat Anta in geen enkel opzicht meehielp, en hij besloot hem hierover aan de tand te voelen.

"Zeg eens Anta, waarom help jij niet mee bij de bouw van het nieuwe vergaderpaleis?"

"Je weet toch Narada, dat ik geen armen en benen heb. Hoe kan ik dan bouwmaterialen aandragen? Dat is toch niet mogelijk."

"Dat weet ik natuurlijk ook wel, maar ieder van ons heeft de plicht om mee te doen."

"Wat mij juist zo treurig stemt," ging Anta verder, "is dat ik graag mijn aandeel zou inleveren, maar dat ik het eenvoudig niet kan."

Terwijl hij dit zei, rolden er drie dikke tranen over zijn kaken en vielen toen op de grond.

Toen veranderde iedere traan in een ei. Narada en Anta keken er met verwondering naar en eindelijk zei Narada: "Dit lijkt mij een goed voorteken! Ik zou je aanraden naar onze meester Guru te gaan en hem te vertellen waar je zo triest over bent. Hij zal er zeker begrip voor hebben. En om hem gunstig te stemmen zou ik deze wondereieren meenemen en ze hem als geschenk aanbieden."

"Dat is een goed idee," riep Anta verheugd, "ik zal je raad zeker opvolgen."

De twee goden namen hartelijk afscheid van elkaar. Anta nam de eieren voorzichtig in zijn bek en schuifelde langzaam maar zeker op het paleis van Guru af. Onderweg kwam hij zijn oude vriend Garuda tegen.

"Hé, Anta waar ga jij heen?" vroeg de vogel. Omdat zijn bek met de eieren gevuld was, kon Anta natuurlijk niet antwoorden; hij was veel te bang er een te laten vallen. Garuda dacht dat zijn vriend hem niet gehoord had en herhaalde zijn vraag. Maar Anta bleef zwijgen. Garuda werd toen kwaad en vroeg: "Sinds wanneer ben je zo verwaand geworden dat je mij geen antwoord meer geeft. Ik hoorde trouwens dat je je bij de bouw van het vergaderpaleis ook gedrukt hebt."

Anta deed alsof hij doof was en zei geen stom woord. Garuda herhaalde zijn vraag nog eens en toen hij weer geen antwoord kreeg, werd hij zo woedend dat hij op Anta afvloog en hem met zijn scherpe klauwen een paar halen over zijn kop gaf. Van angst en pijn opende de slangengod zijn bek en vielen er twee eieren uit. Zij tuimelden naar beneden en vielen op een rots te pletter. Uit de kapotte schalen kwamen twee biggetjes tevoorschijn.

Toen Garuda dat zag, gaf hij een luide gil en vloog ijlings weg. Anta kroop met zijn bebloede kop verder tot hij het paleis van de Guru bereikte. Hij vertelde zijn meester wat er gebeurd was en bood hem het enige ei aan dat hij had nog kunnen redden. De hemelvorst luisterde aandachtig naar het hele verhaal en zei toen: "Ik ben zeer met je lot begaan, Anta. Ik had er natuurlijk aan moeten denken dat jij niet in staat bent om aan de bouw van het vergaderpaleis mee te helpen, maar ik ben erg blij met het ei. Neem het maar weer mee en let goed op wanneer het ei uitkomt. Wanneer dat gebeurd is, breng mij dan de inhoud."

Anta schuifelde naar huis terug en hield het ei goed in de gaten. Na een paar dagen brak het open, maar in plaats van een biggetje kwam er nu een lief jong meisje tevoorschijn. Anta nam het wichtje meteen in zijn bek en bracht het bij Guru, die bijzonder verrast was met dit geschenk. De hemelvorst vertrouwde het kind toe aan de zorgen van zijn vrouw, de godin Uma, die het zoogde en verzorgde alsof het haar eigen kind was. Zij en haar man werden het er over eens dat het kind Nyi Pohaci Sanghiang Sri Dangdayang Tisnawati zou heten. Maar, omdat ook goden een hekel hebben aan lange namen noemden zij het meisje meestal Sanghiang Sri of kortweg Sri. Toen het kind opgroeide, was er in de hele hemel geen mooier, lieftalliger, intelligenter en vriendelijker wezen. Iedereen die het meisje ontmoette, werd terstond ingenomen door haar charme en door haar buitengewoon helder verstand.

Maar toen gebeurde er iets wat niemand had kunnen voorzien. Guru werd smoorverliefd op haar en hij had nog maar één wens: met haar te trouwen. Alle goden waren geschokt toen zij dit hoorden en konden hun afschuw nauwelijks verbergen, omdat Guru van plan was een van de voornaamste geboden van de hemel te overtreden, namelijk te trouwen met een eigen kind. Guru argumenteerde dat Sri zijn eigen dochter niet was. Zij was immers op een of andere mysterieuze wijze uit een ei gekropen. Maar andere goden hielden vol dat Sri wel zijn eigen dochter was, omdat zij moedermelk van Uma had gedronken en vanaf haar geboorte in het paleis was grootgebracht.

Guru trok zich niets aan van de andere goden en hij maakte duidelijk dat het huwelijk in ieder geval zou plaatsvinden. En om zijn woorden nog meer kracht bij te zetten stelde hij meteen de datum van de huwelijksvoltrekking vast.

De goden kwamen bijeen, zonder dat Guru er iets van wist en zij besloten unaniem om Sri te doden. Twee goden bereidden een snel werkend vergif en gingen haar dit onder een of ander voorwendsel aanbieden. "Voordat gij in het huwelijk treedt, bieden wij u deze drank aan, waardoor gij uw schoonheid zult behouden," zeiden zij. Sri, die altijd goed van vertrouwen was en ook nu niets kwaads vermoedde, dronk de inhoud van de beker in één teug leeg en stierf onmiddellijk daarna.

Het verdriet van de Guru kende geen grenzen. Maar hij was niet in staat zijn geliefde weer tot leven te wekken; hij moest zich in het onverbiddelijke noodlot schikken. Met grote plechtigheid liet hij Sri begraven en kondigde een algemene rouw af van zeven maanden.

Toen de rouwtijd voorbij was, gebeurde de meest wonderlijke dingen. Boven het graf van Sri ontsproten planten die nog nooit iemand had gezien. Op de plaats waar haar hoofd in de aarde rustte, groeide een palmboom waaraan grote kokosnoten hingen. Op de plek ervoor ontsproten rijst- en sagoplanten en vele andere gewassen.

"De boom en de planten die op het graf van Sanghiang Sri zijn ontstaan, zullen zeer nuttig voor de mensen zijn," verklaarde Guru tegen andere goden. "Bericht de vorst van Pajajaran dat hij deze nieuwe planten moet cultiveren, dan zal er geen armoede en gebrek meer onder zijn volk heersen."

De goden brachten de palmboom en de planten naar de aarde en daar vermenigvuldigden zij zich snel. Het volk dankte de goden voor deze hemelse geschenken en brachten hun reuk- en brandoffers.

De grootste weldaad bleek de rijstplant te zijn. Omdat deze uit het lichaam van Sri was voortgekomen, wordt zij daarom ook wel Sanghiang Sri genoemd.

_____________________

De kidang, de otter en de krab - Een fabel uit Indonesië over schuld en vergelding
Op zekere dag ging de kidang eens wandelen in het bos. Hij was bijzonder in zijn schik: hij draafde, huppelde en rende voortdurend, en hij had een enorm goed humeur. Maar terwijl hij daar zo onbesuisd voortliep, kwam hij onverwacht bij het nest van een otter en trapte op een jong, dat daardoor stierf. De kidang was nu zeer bedroefd; onbeweeglijk bleef hij staan, zonder een woord te spreken.

De moeder van het jong, de oude otter, was buiten zichzelf van woede. Ze barstte in een tirade uit: "O, o, jij kidang, hoe kon je zo iets doen? Zo woest komen aanlopen dat je op mijn kind trapte, waardoor het nu gestorven is. Ben je gek geworden? Je gezicht moest verscheurd worden. Hoe kom je erbij om je zo aan te stellen als een waanzinnige. Maar je zult gestraft worden: ik zal recht vragen aan de profeet Salomo voor de dood van mijn kind en jou zal ik doden. Want ik kan niet berusten in de dood van mijn kind, als jij daarvan de oorzaak bent!"

Smekend sprak de kidang: "Ach otter, doe nou even rustig, geef me eerst de gelegenheid om wat terug te zeggen. Als ik uitgesproken ben, doe dan wat je wilt, ik zal erin berusten; als ik gestraft moet worden, zal ik geen vergeving vragen, tenminste, als het rechtvaardig is."

De otter zei: "Nu kidang, spreek op dan, nu meteen!"

De kidang antwoordde: "De aanleiding dat ik zo rende, otter, was dat er iemand bezig was een net uit te spannen, namelijk de grote spin. Ik werd helemaal zenuwachtig van die spin: dag aan dag zat ze maar heen en weer te schudden bij het spinnen van haar net. Omdat ik ervan gruwde het langer aan te zien, zette ik het op een lopen, en dat is de reden, otter, dat ik op je kind trapte, waardoor dit de dood vond; ik deed het niet met opzet. Overweeg nu zelf wat rechtvaardig is."

De woede van de otter werd nu minder, en keerde zich tegen de spin. Luid sprak zij: "Ja, kidang, je hebt gelijk. De spin was de onruststoker. Blijf jij nu hier, kidang, en pas op mijn andere kinderen, terwijl ik de spin op ga eten."

De kidang zei: "Maak je niet ongerust, en laat je kinderen maar hier. Ik zal op ze passen. Vertrouw maar op mij."

De otter ging op weg om de spin te zoeken. Bij haar woonplaats gekomen, sprak ze: "Wat doe je toch iedere dag met dat uitspannen van dat net, dat je daarbij zo'n drukte en zoveel beweging moet maken. Je maakt je medeschepselen boos en in de war, zodat degenen die het zien er een verkeerd denkbeeld van krijgen. Zo is bijvoorbeeld de kidang, toen hij het zag, als een razende aan het lopen gegaan, heeft op mijn kind getrapt, waardoor dit is gestorven. Maar daarmee neem ik geen genoegen; voor de dood van mijn kind stel ik jou aansprakelijk, en als je mijn gestorven kind niet weer levend kunt maken, zal ik je hoofd tussen mijn kiezen kraken."

Langzaam sprak de spin en antwoordde: "Een beetje kalm, otter. De reden dat ik mijn net uitspande was dat ik zo geïrriteerd werd door de slak, die dag en nacht haar huis overal heen sleepte. Of ze ver ging, of dichtbij, haar huis bleef nooit achter, zelfs nam ze het mee om bezoeken af te leggen."

De otter sprak: "Als het zo in elkaar steekt, is de eigenlijke aanleiding tot de dood van mijn kind de slak, die er zulke vreemde manieren op na houdt, namelijk de liefhebberij om overal met haar huis rond te slepen. Ik ga meteen op de slak af."

De spin antwoordde langzaam: "Mijn heilbeden voor een voorspoedige reis vergezellen u, en dat u maar alles bereiken moge, wat u beoogt. Vaarwel."

De otter spoedde zich heen om de slak op te zoeken; eindelijk had ze de slak gevonden en ze schreeuwde: "O, jij slak, jij stuk verdriet, waar vindt men iemand als jij, die dag en nacht, zonder ooit vrijaf te nemen, zijn huis met zich meezeult! Weliswaar is het je eigen huis, maar toch maakt het op anderen een verkeerde indruk. De spin schrok zo dat ze haar net uitspande, waardoor de kidang op de vlucht sloeg en op mijn kind stapte, dat nu dood is. Jij bent de oorzaak van alle ellende, maar ik heb daar geen vrede mee; voor de dood van mijn kind stel ik jou aansprakelijk, en nu zal ik je in het ongeluk storten; ik zal je kop tussen mijn kiezen kraken en fijn kauwen."

De slak sprak: "Dat ik overal mijn huis meeneem is slechts om de eenvoudige reden, dat ik één nietig verblijf heb, en daarom erg op mijn hoede ben dat het niet in brand vliegt, want de vuurvlieg neemt haar vuur overal mee, dag en nacht. Dit. o otter, is er de oorzaak van."

Nauwelijks hoorde de otter dit, of zij werd zeer boos op de vuurvlieg, en sprak: "Die vuurvlieg is zeker gek, dat ze steeds vuur meeneemt." Nadat de slak haar vaarwel had gezegd, spoedde de otter zich naar de vuurvlieg. Weldra kwam ze daar aan en schreeuwde: "O, jij vuurvlieg, wat heb je op je geweten. Iedere dag neem je je vuur mee en beschrijft vurige strepen in de lucht. De slak, die dit verkeerd opvatte, is haar huis gaan versjouwen, en dit bracht de spin aan het spannen van haar net; hierdoor zette de kidang het op een lopen en trapte mijn jong dood; maar daarmee neem ik geen genoegen."

De vuurvlieg sprak langzaam: "Een ogenblikje, otter, niet te haastig! Laat mij u de eigenlijke aanleiding vertellen. De krab is het, die alles veroorzaakt heeft. Telkens vernielde zij de dijkjes van de waterleidingen van de sawa's, en omdat mijn vuur slechts gering is, was ik bang dat het eens overstroomd zou worden door het water van de dijkjes. Daarom nam ik dag en nacht mijn vuur mee."

De otter, wiens woede zich nu tegen de krab richtte, riep: "Nu, ik groet je, vuurvlieg. Vaarwel."

De vuurvlieg beantwoordde de groet, en de otter ging meteen de krab opzoeken. Het duurde niet lang of ze had hem gevonden. Toen sprak ze grommend: "O, krab, o gekke krab. Jij ook met je ongewone verzinsels. De dijkjes van de mensen stukmaken zodat ze breken. Eigenlijk zou je kop verbrijzeld moeten worden door de eigenaars van de dijkjes! Doordat jij telkens die dijkjes vernielt is de vuurvlieg gaan vluchten, en ze nam haar vuur mee. Dit maakte de slak bang, waardoor ze haar huis ging vervoeren. De spin spande daardoor haar net, dit deed de kidang op de vlucht slaan en die trapte op mijn kind. waardoor dat stierf. Dus ik zal jou, krab, meteen verzwelgen. Er is niks tegen te doen, je verdwijnt in mijn buik, en morgenochtend ben je drek geworden."

De krab sprak: "Ik vernielde de dijkjes, omdat ik driftig werd bij het zien van de garnaal, die onophoudelijk haar eigen vuil op haar nek draagt. Hoe is het mogelijk dat iemand de gewoonte heeft, zijn eigen vuil te bewaren en op zijn nek mee te dragen!"

Woedend riep de otter: "Dus is het de garnaal, die dit onheil heeft aangericht. Doe verder geen moeite, ik zal haar direct tussen mijn poten verbrijzelen. Tenminste, als het waar is wat je zegt. Maar als je ongelijk hebt, zal ik jou komen oppeuzelen."

Haastig ging de otter weg om de garnaal te zoeken. Toen zij haar gevonden had, sprak zij luid en boos: "Hoe komt het, garnaal, dat jij je vuil op je rug draagt? Dat heeft mijn kind de dood in gejaagd. De krab, die zag dat jij het vuil droeg, werd driftig en vernielde de dijkjes; daardoor nam de vuurvlieg elke dag haar vuur mee; daardoor vervoerde de slak haar huis, bevreesd dat het in brand zou vliegen; daardoor maakte de spin haastig haar net; daardoor sloeg de kidang op de vlucht en trapte op mijn kind; daardoor stierf mijn kind, vertrapt door de kidang. Dus jij bent de eigenlijke oorzaak, en je kunt je ongeluk niet meer ontlopen: ik ga je doden, want jij bent degene die de oorzaak is van de dood van mijn kind."

De garnaal antwoordde: "Nee maar, dat is geen redenering! Je geeft gehoor aan driftige woorden, otter! Integendeel, de krab maakt mij driftig; ik heb geen schuld tegenover haar. Al draag ik mijn vuil op mijn rug, het is toch mijn eigen vuil? Ik stuur niet iemand naar de krab of ik vraag niet om hulp! Dit vuil is mijn vuil, mijn eigen vuil, en ik draag het zelf, dat wil ik zo. Wat heeft het dan voor zin om je daarover driftig te maken? Ik heb van niemand geld of goed geleend. De krab maakt zich zonder reden boos. Welaan dan, otter, bedenk zelf wie er gelijk heeft. Laten we er niet veel over praten, veel woorden maken alleen maar problemen. Wie moet terecht uw toorn treffen, de krab of mij? Ik zal van mijn bewering niet afwijken, al brengt men mij ook met de krab tezamen, al zet je de zaak nog zo ver door, al moeten we ervoor naar de rechtbank gaan, al moeten we ermee naar de koning gaan, ja voor de koning der koningen, de profeet Salomo, ik blijf erbij, en ik waag het tegen de krab voor welke rechtbank ook."

Zonder te spreken en inwendig in strijd stond de otter met de kop voorover gebogen; tenslotte sprak zij: "Als ik het wel beschouw, heeft de krab ongelijk, omdat jij, garnaal, het tegen haar durft op te nemen."

Dus keerde de woede van de otter zich weer tegen de krab en nadat zij en de garnaal elkaar vaarwel gezegd hadden, ging zij meteen weer terug naar de plaats van de krab. Brommend sprak ze: "Op de garnaal is niets aan te merken, ze heeft helemaal nergens schuld aan. Onderweg heb ik haar woorden ernstig overwogen en ze heeft gelijk! Zelfs durft ze de zaak voor de rechter te brengen en is niet bevreesd voor de uitslag. Wat heeft ze je eigenlijk gedaan? Als het door het dragen van haar vuil komt, dan is dat toch geen misdaad? Bovendien is het haar eigen vuil en al wou ze het op haar kop dragen, wie zou het haar beletten? Ze heeft jou niet om hulp gevraagd, ze draagt het zelf. Bovendien is het de gewoonte van alle garnalen, klein en groot, om hun vuil op hun nek mee te dragen, ik heb het zelf gezien. Kom krab, spreek op, wil je tegenover de garnaal gesteld worden, dan zal ik haar roepen - zij durft het aan, al moest ze voor de rechtbank komen."

De krab, zonder te spreken, vergoot voortdurend hete tranen; geen lettergreep kon ze antwoorden, de otter grauwde haar toe: "Komaan, gauw wat, welke misslag heeft de garnaal eigenlijk tegenover je begaan? Ik kan het niet begrijpen: zij heeft jou niks misdaan, behalve die kwestie van het vuil. Vooruit, zeg het dan..."

Maar steeds zweeg de krab; voortdurend vloeiden haar tranen. Ten eerste en ten tweede male gevraagd kon ze niet antwoorden, ze kon niets tegenspreken. De otter werd wrevelig, en hield niet op haar aan te sporen. De krab snikte maar, zonder op de aansporingen van de otter te antwoorden. Woedend sprong de otter op haar toe, en kraakte haar tussen de kiezen, de krab werd geheel opgegeten, zonder dat er iets van haar achterbleef.

___________________

De hemelnimf Dewi Nawang Wulan
Er was eens een beeldschone jonge vrouw, Dewi Nawang Wulan genaamd. Zij was de vrouw van Kyai Ageng van Tarub en kwam oorspronkelijk niet uit de omgeving. Waar ze dan wel vandaan kwam wist niemand. Kyai Ageng was gewoon op een dag zomaar met haar thuisgekomen en had verklaard dat dit zijn toekomstige vrouw zou zijn en niemand anders. Zijn moeder, Mah Ageng, opende terstond haar hart en armen voor de lieflijke verschijning. Zo spoedig mogelijk werd de bruiloft gevierd. Kyai Ageng vereerde zijn gade zozeer, dat hij de gedachte dat zijn vrouw ook maar het minste zware werk deed op de sawahs niet kon verdragen. Het was immers ook niet nodig, want hij was een van de rijkste mannen van het dorp. Hij bezat uitgestrekte rijstvelden en krachtige karbouwen. 

Dewi Nawang Wulan hield dus het huis schoon en kookte het eten. En als zij klaar was met haar werk, deed ze niets liever dan dromend in de deuropening staan, turend naar de wolken, die aan de hemel dreven. Dan vlogen haar gedachten ver weg naar haar thuis, want Dewi Nawang Wulan was in werkelijkheid een hemelnimf, die gevangen was in het aardse bestaan. Eenmaal had zij blij en onbezorgd met de andere nimfen gespeeld in de zonbeschenen plekken in het bos, had zij licht en vlindervlug met haar nimfenvleugels door de lucht gedarteld en in vrolijke trillers de zang van de vogels getart. Welk onheil had haar van haar feeënwieken beroofd en haar tot een gevangene van de aarde gemaakt? 

Op de dag Kliwon, dinsdag, daalden de hemelnimfen altijd neer om zich te baden in de nimfenbron in het bos. Kyai Ageng was op die dag juist met zijn blaasroer het woud ingetrokken om op vogels te jagen. Een vogel met schitterende, bonte veren vloog voor hem uit en lokte hem naar de plek, die nooit tevoren door een sterveling was betreden. De vogel was verdwenen, maar toen hoorde hij een zacht geruis. Ageng verborg zich in het struikgewas en daar zag hij hoe er zeven hemelnimfen neerdaalden, die elk hun nimfenkleed aflegden. Nu hadden zij een menselijke gedaante en als gewone vrouwen baadden zij zich in hun lange sarongs. De jeugdige jager stond als betoverd, maar zodra hij weer tot bezinning kwam, sloop hij ongezien naar een rots en greep een van de nimfengewaden. 

Fris en vrolijk stapten de nimfen uit het water, terwijl de druppels op hun schouders schitterden als edelstenen. Kwiek schudden zij de druppels van zich af en hulden zich in hun nimfenkleed, waarop ze zingend in de lucht verdwenen. Een van de nimfen, de zevende, was blijven staan, omdat ze haar kleed niet kon vinden. Wanhopig keek zij om zich heen, want zonder haar kleed kon zij haar zusters niet volgen. 

Nu sprong Kyai Ageng tevoorschijn. De onverlaat had zich meester gemaakt van haar kleed. Nu was zij in zijn macht! Ze moest haar toom bedwingen. "Ach," smeekte zij, "geef mij mijn kleed terug. Is het edelmoedig van u om een vrouw in zulk een vernederende toestand voor u te laten staan?" - "Schone hemelnimf," antwoordde Ageng deemoedig, "zodra ik uw bekoorlijkheid aanschouwde, is mijn hart voor u in liefde ontbrand. Ik kan niet meer van u scheiden. Blijf bij mij als mijn vrouw." - "Maar mijn plaats is niet op deze aarde, mensenkind. Hoe wilt u mij binden aan een plaats, terwijl het mijn bestemming is om het hele luchtruim te doorkruisen?" 

"Blijf zolang u kunt, probeer het. O, ik zal u met liefde omringen en het zal u aan niets ontbreken. Maar als het verlangen naar uw zusters u te machtig wordt zal ik u terstond uw nimfengewaad teruggeven." 

Dewi Nawang Wulan keek de jongeling aan. Hij had zo'n eerlijk en open gelaat, dat zij besloot hem te vertrouwen. Zo werd Dewi Nawang Wulan de echtgenote van Kyai Ageng. Geen enkel verwijt kwam meer over haar lippen en stil en bescheiden deed zij haar werk. Ze was als een zonnetje voor haar omgeving en haar man vervulde al haar wensen. En het was alsof de oude moeder van Kyai Ageng opleefde en haar gerimpelde gelaat een jeugdige glans kreeg in de nabijheid van haar schoondochter.

Zo verstreek er een jaar. Toen kwam er een weemoedige trek over het gezicht van Dewi Nawang Wulan en ontsnapte er een stille zucht aan haar hart. De heimwee werd haar nu te machtig. "Kyai Ageng," vroeg zij, "ben ik geen goede vrouw voor je geweest?" - "Mijn liefste, hoe kun je zoiets vragen! Je bent het licht van mijn ogen, de godin van mijn hart."- "Als je me waarlijk liefhebt, geef mij dan mijn gewaad terug, want ik kan hier niet langer blijven." Maar Kyai Ageng wilde haar nog niet kwijt. "lk kan je niet afstaan!" steunde hij. "Probeer het nog eens, vraag me alles wat je wilt, maar ik kan je je kleed niet teruggeven." 

En zo bleef Dewi Nawang Wulan bij Kyai Ageng. In het tweede jaar van hun huwelijk werd zij moeder van een allerliefst kindje en Kyai Ageng hoopte dat Dewi Nawang Wulan zich door deze gave van Allah met haar verblijf op aarde had verzoend. Inderdaad verstreken er dagen, soms weken, waarin de moeder verdiept was in de zorg voor haar dochtertje Nawang Seli, maar er waren ook tijden dat het verlangen naar haar thuis zo sterk werd, dat zij haar kindje geheel vergat. Dan lag het meisje vergeten in de slendang op de rustbank tot zij van honger zo luid huilde, dat haar moeder ruw uit haar droom werd weggerukt. 

Maar dit was nog niet alles. "Toe, Kyai Ageng," zei ze op een morgen tot haar man. "Let eens op de rijst, die daar op het vuur staat. Ik moet vandaag echt naar de markt. Maar pas op dat je het deksel niet oplicht. Wat er ook gebeuren mag, weersta je nieuwsgierigheid." - "Dat beloof ik je, vrouw. Ga gerust," zei Kyai Ageng en zijn vrouw vertrok. Kyai Ageng zette zich aan het werk en wierp van tijd tot tijd een blik op de kokende rijst. Langzamerhand nam zijn belangstelling toe. Hé, hij had al sedert geruime tijd geen nieuwe voorraad meer in de schuur gebracht, die moest nu wel haast leeg zijn. Hij begaf zich naar de schuur en daar zag hij tot zijn verbazing dat de schuur zelfs nog bijna vol was. Hoe was dit mogelijk? Zonder zich te bedenken liep hij naar de hem toevertrouwde rijstpan en lichtte het deksel op. Er lag slechts één rijstaar in het borrelende water. Nu begreep bij de hele toedracht: met de kracht van een hemelnimf had zij, door dagelijks een aar te nemen, genoeg rijst weten te verkrijgen voor het middag en avondmaal. 

In een wip had hij de deksel weer op de rijst geworpen en nu vervolgde hij zijn werk, alsof er niets gebeurd was. Niets gebeurd! De kortzichtige man begreep niet, dat nu deze bovennatuurlijke verrichting door een mens gezien was, zij niet meer kon worden herhaald. 

Thuisgekomen lichtte Dewi Nawang Wulan het deksel van de pan. Dezelfde aar van die morgen lag erin, geen korreltje was erbij gekomen. Haar man had dus voor de tweede maal zijn woord gebroken. Maar hij zou geen klacht van haar horen. 

Sedert die dag stond zij als een gewone vrouw bij het rijstblok om de rijst te stampen. Haar tere ledematen, niet gewend aan deze menselijke inspanning, trilden van vermoeidheid. Als Kyai Ageng niet thuis was, doorzocht zij het hele huis in de hoop haar gewaad terug te vinden, maar elke keer werd zij teleurgesteld. De tijd naderde waarop de voorraad rijst verbruikt zou zijn. Reeds was op vele plaatsen de vloer te zien. 

En op een morgen gebeurde dat waarop zij al zolang hoopte: toen ze rijst had geschept, zag zij ineengefrommeld haar nimfenkleed liggen. Met een kreet van verrukking greep zij het, streek liefkozend de vouwen glad en trok het toen haastig aan. Op dat moment stroomde de lang ontbeerde kracht weer door haar aderen. Ze snelde naar het huis, nam als een waanzinnige haar kind in de armen en drukte het aan haar hart. Ze moest nu scheiden van haar dochtertje, omdat het mensenkindje haar niet kon volgen. Voor de laatste maal voedde zij het kind, daarop legde zij het in haar slendang te slapen op de rustbank. 

Vastberaden trad zij toen op haar man af: "Kyai Ageng, de tijd is gekomen dat ik moet gaan. Ik heb je trouw gediend, zonder verwijt heb ik het verdragen dat je tot twee maal toe je belofte schond. De goden hebben het zo beschikt, dat ik vandaag mijn gewaad en daarmee mijn vroegere macht terug zou krijgen. Ik kan niet langer blijven. Een hemelnimf kan niet op aarde leven en gelukkig zijn. Zorg goed voor ons kind en onthoud nu goed wat ik ga zeggen: als het kleintje huilt, leg het dan op de bamboe stellage daar, brand daaronder een halm zwarte kleefrijst, dan zal ik komen om het kind te voeden." 

De arme Kyai Ageng was verpletterd. Hij begreep dat geen enkele smeekbede of belofte aan zijn geliefde hem nu nog zou baten. Hij zag toe hoe Dewi Nawang Wulan een halm zwarte kleefrijst nam, die in brand stak en met de rook opwaarts zweefde. Op haar gelaat stond nu de onbezorgde, bovenaardse vreugde te lezen. Ze wenkte hem nog eenmaal lachend ten afscheid en verdween voorgoed uit het gezicht. 

Zijn hele verdere leven wijdde Kyai Ageng aan zijn enig kind. Geen andere vrouw nam ooit de plaats van zijn eerste in. Zolang het kindje de zorg van haar moeder nog nodig had volgde Kyai Ageng getrouw haar raad. Als het kindje huilde van de honger, droeg hij het naar de bamboe stellage, brandde een halm zwarte kleefrijst en ging dan naar beneden, overtuigd dat zijn geliefde Dewi Nawang Wulan zou neerdalen om haar kind te voeden. 

Sinds die tijd neemt altijd de vrouw en nooit de man de deksel van de rijstpan.


____________________________

Kiding Sunda - De valse raadsheer
Heel lang geleden was er op het eiland Java een koninkrijk, Majapahit, waarvan de roem de verste uithoeken van de Archipel had bereikt. De vorst van dat machtige rijk was de jonge Hayam Wuruk, die zijn vader was opgevolgd, en zijn raadgever was de invloedrijke patih Gajah Madah. 

Koning Hayam Wuruk was een goed vorst en hij was geliefd bij al zijn onderdanen. Alle vorsten die onderworpen waren aan het machtige Majapahit kwamen telkens weer om hun eerbied te betonen aan de jonge opperkoning, zelfs degenen die ver van de kraton (het paleis) woonden. Er was niemand in het rijk, die zich er niet in verheugde een onderdaan te zijn van koning Hayam Wuruk. De jonge koning nu was niet alleen een goed vorst, hij was ook nog knap en innemend. Hij was als de god Rama, de god van de liefde; sierlijk en bevallig, en tegelijkertijd krachtig en moedig. Zijn deugden waren talrijk en er viel vrijwel niets op hem aan te merken. Vrijwel niets, want er ontbrak nog één ding aan zijn bestaan... 

Het weefgetouw stond gereed, maar zweeg... De bloemen bloeiden en geurden lieflijk, maar de tuinen waren verlaten. De jonge koning had nog steeds geen vrouw. 
Iedereen maakte zich zorgen over Hayam Wuruk. Hoe moest dat nu, een koning moest toch immers een troonopvolger hebben? Men spande zich tot het uiterste om een bruid te vinden voor de jonge koning, maar geen vrouw was hem goed genoeg. Hij was de machtigste vorst van de Archipel en alleen de schoonste en lieftalligste vrouw ter wereld zou aan zijn zijde kunnen staan. 

Men had de beste schilders opgedragen de prinsessen uit alle omringende landen te portretteren en men had hele reeksen portretten van de schoonst denkbare vrouwen aan de jonge koning getoond, maar het mocht niet baten. Zelfs de beeltenis van de bevallige prinses van Madura en de schone prinses van Palembang lieten het hart van Hayam Wuruk onberoerd. Geen van de vrouwen vond hij geschikt om vorstin te worden van het machtige Majapahit. 
Langzamerhand begon men de moed te verliezen, want het zag er slecht uit. Alle rijken waren bezocht, er was geen plaats die men had overgeslagen. Of toch? Op een goede dag kwam de vorst het gerucht ter ore, dat ergens, heel ver weg, in een onmetelijk rijk en welvarend land een vorst woonde, wiens dochter de schoonste ter wereld moest zijn. De prinses heette Galuh en zij woonde in het rijk Sunda. Niemand had ooit van dat koninkrijk gehoord en niemand wist of het wel bestond, maar de nieuwsgierigheid van de jonge koning was gewekt en de allerbeste schilder werd erop uitgestuurd om een portret van de prinses te maken. De man scheepte in voor een reis overzee en de wind blies in de zeilen tot hij na dagen en dagen het koninkrijk Sunda bereikte. En daar schilderde hij met vaardige hand de koningsdochter, zo goed dat het was alsof zij leefde en zo uit het portret kon stappen. Haar ogen straalden als de gloed van de maan en de sterren aan de nachtzwarte hemel en de diamanten om haar hals schitterden en flonkerden, zodat het leek of ze bewogen bij elke ademhaling van de prinses. Toen zijn werk gereed was keerde hij terug naar Majapahit. Terwijl men in Majapahit gespannen de terugkeer van de schilder afwachtte, arriveerden twee bezoekers bij de kraton. Het waren twee ooms van Hayam Wuruk, de koning van Daha en de koning van Kuripan, die naar Majapahit waren gekomen omdat zij zich zorgen maakten over het almaar uitblijvende huwelijk van hun neef. Hayam Wuruk groette zijn ooms eerbiedig en ontving hen in de kraton, waar zij gingen zitten om de zaak te bespreken. "We maken ons zorgen om je, jongen. 
Waarom ben je toch zo mager? Ben je ziek? Waarom dwaal je door de tuin en ruik je slechts aan de bloemenpracht, zonder van de honing te genieten? Doe je soms ascese?" sprak de vorst van Kuripan. Hayam Wuruk glimlachte: "Nee, oom. De zaak ligt anders. Ik zoek, maar tot op heden heb ik nog geen geschikte bruid gevonden. Ik heb portretten gezien van de schoonste vrouwen, maar geen van hen, hoe bevallig ook, heeft de waardigheid om als vorstin van dit machtige rijk aan mijn zijde plaats te nemen." De beide ooms knikten. "Als je een geschikte bruid vindt, en moge dat spoedig geschieden, dan heb je mijn zegen," sprak de een, terwijl de ander instemmend knikte. 

En Hayam Wuruk begon te vertellen over het portret dat hij nu liet maken van de prinses van Sunda, die naar men zei, de schoonste ter wereld moest zijn. "Nu," sprak de koning van Daha verheugd, "laten we hopen dat het ditmaal zal lukken." De volgende morgen, toen de vorst audiëntie hield, kwam het bericht dat de schilder was teruggekeerd uit Sunda met het portret van de prinses. Men haastte zich om de man voor de vorst te brengen. Hij verscheen met een pakket gewikkeld in gele zijde, de vorstelijke kleur. Toen hij het portret onthulde, riep de koning van Daha onmiddellijk verrukt uit: "Maar jongen, zij is beeldschoon. Je hoeft niet meer te zoeken, dit is je bruid!" Hayam Wuruk keek naar de beeltenis van de prinses en opslag was hij de wereld om hem heen vergeten. Haar ogen waren als de sterren aan de nachtzwarte hemel. Hij dwaalde rond, bedwelmd door zoet geurende bloemen. 

De koning van Daha en de koning van Kuripan keken elkaar aan en glimlachten. Niet lang daarna zond de koning een van zijn patih`s, genaamd patih Madu, met een brief naar Sunda, waarin hij vroeg om de hand van de mooie prinses. Met een escorte en talloze kostbare geschenken, waaronder goud, juwelen en kostbare kledij, scheepte de patih in en vertrok met de wind in de zeilen. Zes dagen waren verstreken, toen hij in de haven van Sunda aanlegde en om audiëntie vroeg bij de vorst. De volgende morgen werd de afvaardiging uit Majapahit waardig ontvangen in de kraton van Sunda. Patih Madu overhandigde de brief van koning Hayam Wuruk aan de vorst, die begon te lezen: "Vorst van Sunda, ik vraag u om mijn verzoek te willen aanhoren. De laatste tijd word ik overmand door een gevoel van verlangen. Ja, als een nachtvogel verhing ik naar het schijnsel van de maan. Als een sperwer zweef ik tegen de blauwe hemel en vul de lucht met kreten van verlangen naar de zoete regendruppels aan het einde van de droge tijd. Zo vraag ik u mij uw zegen te geven en mij het juweel van uw kraton te schenken. Ik vraag u om de hand van uw dochter, want ik wil haar tot de koningin aan mijn zijde maken." 
De koning zweeg en dacht een moment na. Koning Hayam Wuruk, de vorst van het machtige rijk Majapahit, vroeg om de hand van zijn dochter. Hun rijken zouden aan elkaar verbonden worden en hun nageslacht zou machtig en roemrijk zijn. Welk een geluk was hem ten deel gevallen. 

Hij sprak: "Is het werkelijk zo dat uw vorst er zozeer naar verlangt mijn dochter tot vrouw te hebben, terwijl hij haar toch nooit heeft ontmoet? Is het niet slechts een gerucht, een vluchtige schim, waaraan hij zijn hart verloren heeft?" - "Nee, Heer," sprak de patih, "het is werkelijk zo dat mijn vorst kwijnend van verlangen zijn dagen doorbrengt en niets kan hem genezen, behalve een huwelijk met uw dochter." 

Hiermee werd de audiëntie besloten en de vorst trok zich terug om te overleggen met zijn vrouw. Zij gingen naar het vrouwen verblijf, waar de prinses zich bevond en vertelden haar van het aanzoek van de machtigste koning van Java. De koningin was enthousiast en de koning zei: "Lieve kind, we zullen altijd van je blijven houden, al ben je nog zo ver bij ons vandaan. Want een vorst uit een ver land heeft om jouw hand gevraagd. Hij is jong, rijk en machtig en jij zult zijn eerste vrouw worden. Jullie nageslacht zal machtig en roemrijk zijn!" En in geuren en kleuren beschreven de beide ouders de luister van het rijk Majapahit en de knappe, jonge koning, die er regeerde. De prinses luisterde en zweeg, terwijl de glans van haar gelaat verdween, als de gloed van de maan, die verdwijnt achter een wolkensluier. Moest ze nu haar ouders gaan verlaten? Als een bloem, geknakt door een hand die haar plukt, zat ze roerloos te luisteren, terwijl de juwelen om haar hals schitterden bij elke ademtocht. 

Toen haar ouders ten slotte waren uitgesproken, vouwde zij haar handen tot een eerbiedige sembah en sprak met zachte stem; "Mijn geëerde vader en moeder, als u het zo wilt, dan zal het zo geschieden." En verheugd liet de koning alles in gereedheid brengen. 

De volgende morgen werd het schip van patih Madu rijkelijk voorzien van proviand voor de terugreis. De koning van Sunda ontbood hem en deelde hem mee, dat hij zeer vereerd was en dat hij het verzoek van koning Hayam Wuruk aanvaardde. Hij zou met zijn vrouw en dochter naar Majapahit reizen, alwaar koning Hayam Wuruk de bruidsstoet zou moeten verwelkomen. Hij gaf geen brief mee, want hij zou direct alles in gereedheid laten brengen voor het vertrek. Patih Madu groette de vorst eerbiedig en haastte zich naar zijn schip. De wind blies in de zeilen en Patih Madu spoedde zich met zijn gevolg naar de kraton van Majapahit om het heuglijke nieuws over te brengen. 

Ondertussen liet de koning van Sunda alle voorbereidingen treffen voor het vertrek van de bruidsstoet. Dat nam enige tijd in beslag, maar toen dan eindelijk alles gereed was, begaf de vorst zich met zijn vrouw en dochter naar de haven. Bedienden, soldaten en hovelingen begeleidden hen. 

Het was overweldigend; er lagen meer dan tweehonderd schepen en elk schip was schitterend versierd met goud en zijde. Tweeduizend prauwen lagen op het strand keurig naast elkaar en het mooist van alle schepen was het schip van de koning. Het was een prachtige jonk, versierd met zijden vaandels en masten van goud. Het was het grootste en mooiste van alle schepen, maar de mensen waren niet blij toen ze het zagen. Waarom had de koning voor een jonk gekozen, terwijl toch iedereen wist dat met zo`n schip een oorlog begonnen was die heel slecht afgelopen was. Maar niemand sprak, uit angst om de koning te beledigen en bovendien was het een heel mooi schip, dat vast veel indruk zou maken. De koning bekeek tevreden zijn vloot, maar toen hij de haven naderde zag hij iets wat hij nog nooit had gezien en wat hem plotseling stil deed staan. De golven waren donkerrood van het bloed. Tientallen kraaien cirkelden krassend boven het water, terwijl ze onophoudelijk bloed spuwden.

De koning was verbijsterd. Was dit echt of slechts zinsbegoocheling? Wat betekende dit? Plots herinnerde hij zich een oude voorspelling; een lid van het Sundaase koningshuis zou een verschrikkelijk lot beschoren zijn. Met angst in zijn hart keek hij naar zijn dochter. Ze zou trouwen met de machtigste vorst van Java. Was dit een slecht teken? Maar hij had zijn woord reeds gegeven, hij kon er niet meer op terugkomen. Maar ach, wie weet, de voorspelling was al zo lang geleden gedaan, misschien had hij iets van zijn kracht verloren. Dus begaf de koning zich naar zijn schip en de koningin en de prinses volgden hem. Kalm zeilde de vloot uit; tweehonderd grote schepen voorde koning en zijn hofhouding voorop, gevolgd door tweeduizend prauwen. En terwijl de gamelan speelde, wierp iedereen, hovelingen, militairen en de hooggeplaatste, rijke burgers, een laatste blik op de kust. Het was alsof zij afscheid namen van hun geliefde land, terwijl de wind blies en de schepen naar het machtige rijk Majapahit voerde. 

Ondertussen was patih Madu reeds in Majapahit gearriveerd en hij spoedde zich naar de kraton om de boodschap van de koning van Sunda over te brengen. Koning Hayam Wuruk was juist in gesprek met zijn ooms, de koning van Daha en de koning van Kuripan, toen de komst van patih Madu gemeld werd. "Laat hem binnentreden," sprak Hayam Wuruk en de patih verscheen. Eerbiedig groette hij de vorst en begon te spreken. 
De jonge koning was verheugd toen hij vernam dat de vorst van Sunda zijn toestemming tot een huwelijk met de prinses had gegeven. 

"De vorst van Sunda is op weg hierheen. Hij verwacht u na zijn aankomst in het gastenverblijf. Hij komt persoonlijk zijn dochter brengen, hij is zeer verheugd dat het oude koningshuis van Sunda verbonden zal worden aan het koningshuis van Majapahit," zei patih Madu. Onmiddellijk liet de jonge koning alles in gereedheid brengen voor het grootse bruiloftsfeest. De kraton werd versierd, karbouwen en runderen werden geslacht voor het feestmaal. Afgezanten uit omringende landen brachten geschenken en de havenmeester had het er druk mee, want er leek geen einde te komen aan de stroom met schepen die passagiers en geschenken brachten. Hayam Wuruk en zijn ooms zochten met zorg hun mooiste kaïns (gebatikte doeken) en hun kostbaarste krissen van goud ingelegd met edelstenen. 

Tien dagen nadat de vorst Sunda had verlaten arriveerde de vloot in de haven van Bubat, aan de monding van de Brantas-rivier. Het volk bewonderde het grote aantal schitterend versierde schepen uit het verre land Sunda. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Ze raakten niet uitgekeken. 

Het hoofd van Bubat haastte zich naar de kraton om de aankomst van de bruiloftsstoet te melden. Nadat hij de vorst eerbiedig had begroet begon hij te vertellen. Het was een enorme vloot, schepen en nog eens schepen, zover het oog reikte en elk schip was prachtig versierd, maar het mooist was de jonk van de koning met masten van goud en vaandels van zijde. De stoet was verder stroomopwaarts aan land gegaan en verbleef in het gastenverblijf van de koning. Onder de bomen wapperden de vaandels in lange rijen. De koning van Sunda werd begeleid door heldhaftige soldaten en beeldschone vrouwen, maar de prinses was de mooiste van allen. Hayam Wuruk was buitengewoon verheugd en liet zich in zijn kostbaarste kledij steken, evenals zijn ooms. Ze zouden zo snel mogelijk de vorstelijke familie uit Sunda tegemoet gaan. Maar er was een man, die zich afzijdig leek te houden en met een verstoord gelaat de bedrijvigheid gadesloeg: Gajah Madah, de rechterhand van de koning. 

De mantri`s en bupati`s in de zaal keken naar hem en vroegen zich verwonderd af, waarom patih Gajah Madah niet ingenomen leek te zijn met wat er te gebeuren stond. Was hij het niet eens met dit huwelijk? Niemand sprak een woord, toen Gajah Madah statig naar voren schreed, want de patih was een zeer machtig man. Gajah Madah maakte een sembah voor de vorst en sprak:"Vergeef mij. Majesteit, sta mij toe nu het woord te nemen. Het is niet dat ik tegen uw bevel zal handelen of omdat ik mij niet met u verheug op dit huwelijk, maar ik kan niet langer zwijgen. 

Vergeef mij duizendmaal, mijn vorst, maar denk na voordat u vertrekt naar het gastenverblijf om de koning van Sunda te verwelkomen. De wens van deze vorst is niet in overeenstemming met de normale gang van zaken in uw land." - "Wat bedoel je daarmee, Gajah Madah?" vroeg Hayam Wuruk. "Vergeef mij. Majesteit, ik begrijp dat uw vreugde groot is, maar ik vraag nog vier of vijf dagen te wachten zodat u er nog eens goed over kunt nadenken. Uw macht en het aanzien van uw koninkrijk zijn hier in het geding. De grootsheid van Majapahit mag niet verbleken. Nu eren alle vorsten u, maar straks. Maar vergeef mij, Majesteit, het zij uw wil." Hayam Wuruk boog het hoofd en zweeg, terwijl hij de woorden van zijn patih overdacht. Misschien had Gajah Madah wel gelijk. Hij was immers de machtigste vorst van Java en die kon niet zomaar afdalen naar een mindere vorst. Maar ja, hij wilde toch zo graag trouwen met de prinses. Och, de prinses, ze was zo mooi en zo geschikt om zijn vrouw te worden. "Zeg mij dan, Gajah Madah, wat is het dat je vreest?" vroeg hij. 

"Een vorst zo machtig als u met een rijk zo machtig als Majapahit heeft niets te vrezen, maar voorzichtigheid is geboden in deze kwestie. U kunt onmogelijk zoveel eer bewijzen aan een mindere vorst als de koning van Sunda, die in de verste verte uw gelijke niet is. Vertrouwt u hem echt? Weet u zeker dat hij zichzelf niet zal zien als uw gelijke?" antwoordde Gajah Madah. 

Dat was waar, besefte Hayam Wuruk, zijn macht en aanzien mochten niet verbleken. Misschien was het wel verstandiger om het nog even uit te stellen, dan kon hij er nog wat over nadenken. Wie weet wat de koning van Sunda van plan was. Wie dacht hij wel dat hij was, dat hij hem, de vorst van Majapahit, dacht te kunnen ontbieden! 

Hayam Wuruk zag af van zijn voornemen om naar het gastenverblijf te gaan en verbood iedereen om ook maar een stap in die richting te doen. De vreugde was verdwenen, men was teleurgesteld, maar niemand sprak een woord, want de wil van de vorst is wet. Al zou dit een dodelijke belediging zijn voor de koning van Sunda. 

Ondertussen wachtte de koning van Sunda in het gastenverblijf op de komst van zijn aanstaande schoonzoon. Dag na dag verstreek, maar niemand kwam. Toen vernam hij het gerucht dat de patih Gajah Madah de jonge koning van gedachten had doen veranderen. De vorst zou niet van plan zijn om naar het gastenverblijf te komen. 
De vorst vond dit een grove belediging en hij stuurde onmiddellijk enkele afgezanten naar het verblijf van Gajah Madah om uit te vinden wat er waar was van dit gerucht. 
Aangekomen bij het verblijf van de patih traden de afgezanten van de koning ongevraagd naderbij en wachtten enige tijd, want Gajah Madah negeerde zijn gasten, omdat hij onaangenaam verrast was door dit onaangekondigde bezoek. Toen men ten slotte ook tevergeefs toestemming had gevraagd om binnen te treden, liepen de afgezanten ongevraagd naar binnen. Gajah Madah was juist in gesprek met enkele gasten en zijn leraar, toen de vreemdelingen plots voor hem stonden. 

Hij keek op en zei: "Aha, daar zijn enkele van onze langverwachte gasten, als ik mij niet vergis. Waarom komt u nu pas? En wat is uw rang, u hebt zich immers nog niet aan mij voorgesteld." Een man uit het Sundase gezelschap nam het woord: "Ik ben patih Anepaken, deze mannen hier zijn de demang van Caho, Tumengung Penghulu Borang en patih Pitar, de patih van prinses Galuh." Gajah Madah glimlachte en zei: Nu, dus u bent allen edellieden en toch kent u geen manieren. U komt hier zomaar onaangekondigd en zonder toestemming binnenlopen. Is dat uw gewoonte?" - "U hoeft ons niets te verwijten," sprak patih Anepaken. "Integendeel, ik denk dat u niet weet hoe het hoort, wij hebben lang gewacht op een afvaardiging uit Majapahit, maar vergeefs en daarom ben ik nu gekomen want wij hebben een gerucht vernomen omtrent u." En hij voegde eraan toe dat er nu wel spoedig een stoet uit Majapahit moest komen, want de vorst van Sunda wilde de zaak zo spoedig mogelijk regelen. Patih Gajah Madah glimlachte fijntjes en zei: "Nu is het mij duidelijk dat u in het geheel niet weet hoe het hoort. Of wist u nog niet dat alle vorsten hun eer komen bewijzen aan koning Hayam Wuruk? En wist u niet dat zij hem de kostbaarste geschenken aanbieden om gunsten te verwerven? Ik raad u aan net zo te handelen en het kostbaarste wat uw koning bezit, de schone prinses, aan mijn vorst aan te bieden." 
De afgezanten waren woedend, hun koning was nog nooit zo beledigd. De koning van Sunda was de afstammeling van een lange reeks vorsten en het koninkrijk Sunda was niet onderworpen aan Majapahit, want er was nooit een oorlog tegen dat rijk verloren. 
"Gajah Madah, u bent hoogmoedig en slecht, want u vergeldt goed met kwaad! Onze vorst is hier gekomen met goede bedoelingen en u schept er behagen in om hem te beledigen!" riepen ze uit. Gajah Madah trilde van woede en zag rood tot achter zijn oren: "Ik laat het aan uw vorst over. Hij kan doen zoals mijn vorst het wil en zo niet, dan zult u uw legers in gereedheid moeten brengen voor de strijd!" 

"Wij zijn in het geheel niet bang voor u," spraken de afgezanten uit Sunda kalm en ze maakten aanstalten om te vertrekken. Trillend stond Gajah Madah op en riep met luide stem de troepen op om zich in gereedheid te brengen voor het afslachten van de Sundanen. 

Zijn oude leraar, Pandita Asmaranatha, maande hem tot kalmte: "Mijn zoon, het is niet goed wanneer men zijn driften volgt, want wie van haat vervuld is, zal zijn straf niet ontlopen!" En hij verzocht de gasten om zich niet gekwetst te voelen. Was het ook niet zo dat de vorst van Sunda alleen maar was gekomen om zich aan zijn woord te houden? Maar zijn oproep was vergeefse moeite, de patihs konden het niet eens worden. 
De afgezanten keerden terug naar de koning van Sunda. 

Toen deze het nieuws vernam, was hij verwonderd. Waarom koesterde men achterdocht jegens hem? Maar toen zijn afgezanten hem vertelden dat patih Gajah Madah had voorgesteld om de prinses als geschenk aan de vorst aan te bieden, werd de koning van Sunda woedend. Zijn dochter een adellijke slavin? Nooit van zijn levensdagen! Hij voelde zich bedrogen en was diep teleurgesteld. Waarom hield de koning van Majapahit zich niet aan zijn woord? Nu moest hij, als onafhankelijk vorst, de eer van zijn koningshuis verdedigen, dat was hij verplicht. Zijn hovelingen sloten zich bij hem aan, want ook zij waren bereid om voor de eer van hun vorst te sterven. Terwijl de legers in staat van paraatheid werden gebracht, lichtte de koning zijn vrouw en dochter in over de afschuwelijke wending die deze zaak had genomen. Hij smeekte hen om onmiddellijk terug te keren naar Sunda: "Ik moet mijn plicht vervullen, maar ik wil dat jullie in veiligheid zijn. Mijn lieve vrouw, vrees niet. Het is een zware beproeving en misschien zullen wij elkaar niet weerzien. Beloof mij, mijn lief, om goed voor mijn dochter te zorgen. Ga naar het schip, morgen moet je vertrekken." Maar de koningin weigerde, met tranen in de ogen. Als vrouw van een strijder was zij verplicht om haar man in de dood te volgen. Zelfs als hij in de strijd zou moeten sterven, mocht zij niet van zijn zijde wijken. 

De prinses begon zacht te spreken: "Mijn vader en moeder, die ik liefheb, ik zal u niet verlaten. Bestaat er in de wereld een zonde, die zwaarder is dan deze? Hoe kan een kind zijn ouders verlaten in het moeilijkste uur? Deze strijd wordt om mijnentwille gevoerd en daarom zal ik u niet kunnen verlaten." Diep ontroerd boog de koning van Sunda het hoofd. 
De dag brak aan en het was een dag anders dan andere dagen, want dit was de dag van de strijd. Het leger van Sunda was klein, maar de soldaten waren moedig en vastbesloten. Goud, metaal en edelstenen glinsterden in het zonlicht. En zij bewogen zich voort met de vastberadenheid van strijders, die trouw zijn aan hun vorst. 

Het leger van Majapahit was groot. Zover het oog reikte zag je soldaten met pieken en schilden die schitterden in het licht van de zon. Na de soldaten kwamen de prachtig uitgedoste mannen van hogere rangen en op enige afstand kwamen de hovelingen. 
Patih Gajah Madah was gehuld in schitterende kledij en droeg zijn gouden kris, waarvan de schede was bezet met diamanten, die flonkerden in het zonlicht. Koning Hayam Wuruk werd begeleid door zijn twee ooms en hij was een god gelijk, sierlijk en krachtig. Toen de legers elkaar ontmoetten, barstte er een donderend geweld los van kletterende zwaarden en pieken. Mannen die werden doorstoken schreeuwden van pijn en het bloed vloeide rijkelijk tot de grond ermee verzadigd was. Eenheid na eenheid trok tegen elkaar op, soldaten vluchtten, joegen elkaar op, en in hun angst trapten zij op gewonden en doden, die weerloos op de grond lagen. 

In een vreselijk gevecht ontmoetten patih Anepaken en Gajah Madah elkaar. Gajah Madah vocht verbeten en hij was sterker, maar patih Anepaken weerde zich moedig tot het eind. 

De koning van Sunda was in een gevecht gewikkeld met de ooms van Hayam Wuruk. Zijn mannen vochten als leeuwen maar waren aan de verliezende hand en toen de koning van Sunda sneuvelde, waren de weinigen die nog overeind stonden radeloos. Hun vorst was dood! Patih Pitar lag tussen de gesneuvelden en de gewonden, want ook hij was gewond geraakt, maar hij had zich weten te redden door zich dood te houden. Hij besefte dat de oorlog verloren was en krabbelde moeizaam overeind. Bedroefd om het verlies van zijn geliefde vorst begaf hij zich naar de legeraanvoerder van Majapahit om de nederlaag officieel te erkennen. Sunda was onderworpen. Hij kreeg toestemming om de koningin en de prinses de vreselijke afloop van de strijd mee te delen en hij begaf zich naar het gastenverblijf, waar de vrouwen bijeen zaten. De koningin was diep bedroefd, maar zij behield haar waardigheid. Toen patih Pitar haar smeekte om met de prinses onmiddellijk terug te keren naar Sunda, weigerde ze. Ze wist wat haar te doen stond. En ook de prinses wilde niet teruggaan. De vrouwen maakten zich gereed om naar het slagveld te gaan om daar een eind te maken aan hun leven. De koningin zat bij de prinses, die treurde om de dood van haarvader. "Mijn lieve moeder, het is tijd," zei ze met zachte stem en de koningin knikte. "Mijn lieve kind, luister, als jij straks meegaat naar het slagveld, zullen ze misschien proberen te verhinderen dat je je vader volgt en je tot een adellijke slavin te maken. Het is beter dat je mij voorgaat. Vraag je vader op mij te wachten." De prinses gehoorzaamde. Ze maakte zich gereed, stilzwijgend en met haar zijden lokken los over haar schouders. Ze nam de kris uit de schede en hief het wapen op voor haar borst. Het was doodstil en de ogen van de prinses flonkerden diepzwart. Een moment later doofden sterren en maan aan de hemel en zeeg de schone prinses neer... De vrouwen van de koning en hovelingen gingen naar het slagveld en zochten de lijken van hun overleden echtgenoten op. Het slagveld was overdekt met lichamen in een zee van bloed. Iedereen die het zag huiverde. De vrouwen schreden moedig voort, zoekend naar hun echtgenoten en hielden stil als zij hen gevonden hadden. De koningin stond bij het lichaam van haar man en vouwde haar handen tot een eerbiedige sembah en prevelde enkele woorden tot hem. En terwijl ze sprak nam ze de kris uit de schede. Haar haren hingen los over haar schouders. Ze zweeg en hief de kris op. Toen dreef zij de kris in haar borst en zeeg levenloos neer over het lichaam van haar man. De tweede vrouw van de koning doorstak zich na haar en ten slotte volgden alle andere vrouwen. Hayam Wuruk zocht. Hij zocht op het slagveld naar de prinses. Waar lag haar lichaam? En terwijl hij zocht tussen de doden dacht hij na over de gebeurtenissen. Het had zo mooi moeten worden... Hij dacht aan zijn bruid. Hoe lang had hij niet naar haar moeten zoeken? En hoe blij was hij geweest toen hij haar eindelijk had gevonden! Maar nu, nu was hij haar kwijt, Hij voelde een steek in zijn hart. Had hij maar nooit geluisterd! En hij zocht verder tot hij in elke uithoek van het slagveld geweest was, maar de prinses vond hij niet. 

Als ze hier niet was, dan zou ze misschien nog leven. Hij haastte zich zo snel hij kon naar het gastenverblijf. Hij zou haar toch nog tot zijn vrouw kunnen maken! Hij trad binnen en zocht alle vertrekken af. En toen zag hij haar. 

Tranen welden op in zijn ogen. Wat was ze mooi, zijn Ratih... Ze was nog mooier dan het portret waaraan hij zijn hart verloren had. En hij dwaalde wederom door tuinen vol met bloemen en werd bedwelmd door zoete geuren. Maar toen drong de geur van bloed tot hem door en toen hij nog eens naar de prinses keek zag hij dat de maan en de sterren hun licht hadden verloren. Er was niets dan een nachtzwarte hemel waarin hij staarde. 

De daaropvolgende periode werd beheerst door de drukte rond de crematieplechtigheden voor de vele doden, maar toen dat alles voorbij was en de rust was weergekeerd zat de jonge koning op zijn troon, gekweld door de vreselijkste gedachten. Hij at niet meer, lachte niet meer, en sprak nog nauwelijks. Zijn ooms maakten zich zorgen om hem, maar hun neef had nog maar één wens. Hij wilde niets liever dan spoedig sterven om de prinses te volgen en voor eeuwig bij haar te kunnen zijn. En hoe iedereen zich ook inspande om het hem naar de zin te maken, de jonge koning had zijn levensvreugde verloren. Niet lang daarna stierf hij. De koning van Daha en de koning van Kuripan verlieten Majapahit en hun verdrietige herinneringen. 

Ja, ze zijn er nog achter gekomen dat patih Gajah Madah de aanstichter was van het kwaad en ze hebben alles in het werk gesteld om hem te straffen. Het verblijf van de patih werd omsingeld en geen mens kon er ongezien in of uit, maar toen ze binnenkwamen was er niemand te bekennen. Waar de patih was? Naar men zegt was hij een incarnatie van de god Wishnu en is hij teruggekeerd naar het hemelrijk. In ieder geval heeft niemand hem ooit nog gezien...

________________________

De kidang, de otter en de krab - Een fabel uit Indonesië over schuld en vergelding
Op zekere dag ging de kidang eens wandelen in het bos. Hij was bijzonder in zijn schik: hij draafde, huppelde en rende voortdurend, en hij had een enorm goed humeur. Maar terwijl hij daar zo onbesuisd voortliep, kwam hij onverwacht bij het nest van een otter en trapte op een jong, dat daardoor stierf. De kidang was nu zeer bedroefd; onbeweeglijk bleef hij staan, zonder een woord te spreken.

De moeder van het jong, de oude otter, was buiten zichzelf van woede. Ze barstte in een tirade uit: "O, o, jij kidang, hoe kon je zo iets doen? Zo woest komen aanlopen dat je op mijn kind trapte, waardoor het nu gestorven is. Ben je gek geworden? Je gezicht moest verscheurd worden. Hoe kom je erbij om je zo aan te stellen als een waanzinnige. Maar je zult gestraft worden: ik zal recht vragen aan de profeet Salomo voor de dood van mijn kind en jou zal ik doden. Want ik kan niet berusten in de dood van mijn kind, als jij daarvan de oorzaak bent!"

Smekend sprak de kidang: "Ach otter, doe nou even rustig, geef me eerst de gelegenheid om wat terug te zeggen. Als ik uitgesproken ben, doe dan wat je wilt, ik zal erin berusten; als ik gestraft moet worden, zal ik geen vergeving vragen, tenminste, als het rechtvaardig is."

De otter zei: "Nu kidang, spreek op dan, nu meteen!"

De kidang antwoordde: "De aanleiding dat ik zo rende, otter, was dat er iemand bezig was een net uit te spannen, namelijk de grote spin. Ik werd helemaal zenuwachtig van die spin: dag aan dag zat ze maar heen en weer te schudden bij het spinnen van haar net. Omdat ik ervan gruwde het langer aan te zien, zette ik het op een lopen, en dat is de reden, otter, dat ik op je kind trapte, waardoor dit de dood vond; ik deed het niet met opzet. Overweeg nu zelf wat rechtvaardig is."

De woede van de otter werd nu minder, en keerde zich tegen de spin. Luid sprak zij: "Ja, kidang, je hebt gelijk. De spin was de onruststoker. Blijf jij nu hier, kidang, en pas op mijn andere kinderen, terwijl ik de spin op ga eten."

De kidang zei: "Maak je niet ongerust, en laat je kinderen maar hier. Ik zal op ze passen. Vertrouw maar op mij."

De otter ging op weg om de spin te zoeken. Bij haar woonplaats gekomen, sprak ze: "Wat doe je toch iedere dag met dat uitspannen van dat net, dat je daarbij zo'n drukte en zoveel beweging moet maken. Je maakt je medeschepselen boos en in de war, zodat degenen die het zien er een verkeerd denkbeeld van krijgen. Zo is bijvoorbeeld de kidang, toen hij het zag, als een razende aan het lopen gegaan, heeft op mijn kind getrapt, waardoor dit is gestorven. Maar daarmee neem ik geen genoegen; voor de dood van mijn kind stel ik jou aansprakelijk, en als je mijn gestorven kind niet weer levend kunt maken, zal ik je hoofd tussen mijn kiezen kraken."

Langzaam sprak de spin en antwoordde: "Een beetje kalm, otter. De reden dat ik mijn net uitspande was dat ik zo geïrriteerd werd door de slak, die dag en nacht haar huis overal heen sleepte. Of ze ver ging, of dichtbij, haar huis bleef nooit achter, zelfs nam ze het mee om bezoeken af te leggen."

De otter sprak: "Als het zo in elkaar steekt, is de eigenlijke aanleiding tot de dood van mijn kind de slak, die er zulke vreemde manieren op na houdt, namelijk de liefhebberij om overal met haar huis rond te slepen. Ik ga meteen op de slak af."

De spin antwoordde langzaam: "Mijn heilbeden voor een voorspoedige reis vergezellen u, en dat u maar alles bereiken moge, wat u beoogt. Vaarwel."

De otter spoedde zich heen om de slak op te zoeken; eindelijk had ze de slak gevonden en ze schreeuwde: "O, jij slak, jij stuk verdriet, waar vindt men iemand als jij, die dag en nacht, zonder ooit vrijaf te nemen, zijn huis met zich meezeult! Weliswaar is het je eigen huis, maar toch maakt het op anderen een verkeerde indruk. De spin schrok zo dat ze haar net uitspande, waardoor de kidang op de vlucht sloeg en op mijn kind stapte, dat nu dood is. Jij bent de oorzaak van alle ellende, maar ik heb daar geen vrede mee; voor de dood van mijn kind stel ik jou aansprakelijk, en nu zal ik je in het ongeluk storten; ik zal je kop tussen mijn kiezen kraken en fijn kauwen."

De slak sprak: "Dat ik overal mijn huis meeneem is slechts om de eenvoudige reden, dat ik één nietig verblijf heb, en daarom erg op mijn hoede ben dat het niet in brand vliegt, want de vuurvlieg neemt haar vuur overal mee, dag en nacht. Dit. o otter, is er de oorzaak van."

Nauwelijks hoorde de otter dit, of zij werd zeer boos op de vuurvlieg, en sprak: "Die vuurvlieg is zeker gek, dat ze steeds vuur meeneemt." Nadat de slak haar vaarwel had gezegd, spoedde de otter zich naar de vuurvlieg. Weldra kwam ze daar aan en schreeuwde: "O, jij vuurvlieg, wat heb je op je geweten. Iedere dag neem je je vuur mee en beschrijft vurige strepen in de lucht. De slak, die dit verkeerd opvatte, is haar huis gaan versjouwen, en dit bracht de spin aan het spannen van haar net; hierdoor zette de kidang het op een lopen en trapte mijn jong dood; maar daarmee neem ik geen genoegen."

De vuurvlieg sprak langzaam: "Een ogenblikje, otter, niet te haastig! Laat mij u de eigenlijke aanleiding vertellen. De krab is het, die alles veroorzaakt heeft. Telkens vernielde zij de dijkjes van de waterleidingen van de sawa's, en omdat mijn vuur slechts gering is, was ik bang dat het eens overstroomd zou worden door het water van de dijkjes. Daarom nam ik dag en nacht mijn vuur mee."

De otter, wiens woede zich nu tegen de krab richtte, riep: "Nu, ik groet je, vuurvlieg. Vaarwel."

De vuurvlieg beantwoordde de groet, en de otter ging meteen de krab opzoeken. Het duurde niet lang of ze had hem gevonden. Toen sprak ze grommend: "O, krab, o gekke krab. Jij ook met je ongewone verzinsels. De dijkjes van de mensen stukmaken zodat ze breken. Eigenlijk zou je kop verbrijzeld moeten worden door de eigenaars van de dijkjes! Doordat jij telkens die dijkjes vernielt is de vuurvlieg gaan vluchten, en ze nam haar vuur mee. Dit maakte de slak bang, waardoor ze haar huis ging vervoeren. De spin spande daardoor haar net, dit deed de kidang op de vlucht slaan en die trapte op mijn kind. waardoor dat stierf. Dus ik zal jou, krab, meteen verzwelgen. Er is niks tegen te doen, je verdwijnt in mijn buik, en morgenochtend ben je drek geworden."

De krab sprak: "Ik vernielde de dijkjes, omdat ik driftig werd bij het zien van de garnaal, die onophoudelijk haar eigen vuil op haar nek draagt. Hoe is het mogelijk dat iemand de gewoonte heeft, zijn eigen vuil te bewaren en op zijn nek mee te dragen!"

Woedend riep de otter: "Dus is het de garnaal, die dit onheil heeft aangericht. Doe verder geen moeite, ik zal haar direct tussen mijn poten verbrijzelen. Tenminste, als het waar is wat je zegt. Maar als je ongelijk hebt, zal ik jou komen oppeuzelen."

Haastig ging de otter weg om de garnaal te zoeken. Toen zij haar gevonden had, sprak zij luid en boos: "Hoe komt het, garnaal, dat jij je vuil op je rug draagt? Dat heeft mijn kind de dood in gejaagd. De krab, die zag dat jij het vuil droeg, werd driftig en vernielde de dijkjes; daardoor nam de vuurvlieg elke dag haar vuur mee; daardoor vervoerde de slak haar huis, bevreesd dat het in brand zou vliegen; daardoor maakte de spin haastig haar net; daardoor sloeg de kidang op de vlucht en trapte op mijn kind; daardoor stierf mijn kind, vertrapt door de kidang. Dus jij bent de eigenlijke oorzaak, en je kunt je ongeluk niet meer ontlopen: ik ga je doden, want jij bent degene die de oorzaak is van de dood van mijn kind."

De garnaal antwoordde: "Nee maar, dat is geen redenering! Je geeft gehoor aan driftige woorden, otter! Integendeel, de krab maakt mij driftig; ik heb geen schuld tegenover haar. Al draag ik mijn vuil op mijn rug, het is toch mijn eigen vuil? Ik stuur niet iemand naar de krab of ik vraag niet om hulp! Dit vuil is mijn vuil, mijn eigen vuil, en ik draag het zelf, dat wil ik zo. Wat heeft het dan voor zin om je daarover driftig te maken? Ik heb van niemand geld of goed geleend. De krab maakt zich zonder reden boos. Welaan dan, otter, bedenk zelf wie er gelijk heeft. Laten we er niet veel over praten, veel woorden maken alleen maar problemen. Wie moet terecht uw toorn treffen, de krab of mij? Ik zal van mijn bewering niet afwijken, al brengt men mij ook met de krab tezamen, al zet je de zaak nog zo ver door, al moeten we ervoor naar de rechtbank gaan, al moeten we ermee naar de koning gaan, ja voor de koning der koningen, de profeet Salomo, ik blijf erbij, en ik waag het tegen de krab voor welke rechtbank ook."

Zonder te spreken en inwendig in strijd stond de otter met de kop voorover gebogen; tenslotte sprak zij: "Als ik het wel beschouw, heeft de krab ongelijk, omdat jij, garnaal, het tegen haar durft op te nemen."

Dus keerde de woede van de otter zich weer tegen de krab en nadat zij en de garnaal elkaar vaarwel gezegd hadden, ging zij meteen weer terug naar de plaats van de krab. Brommend sprak ze: "Op de garnaal is niets aan te merken, ze heeft helemaal nergens schuld aan. Onderweg heb ik haar woorden ernstig overwogen en ze heeft gelijk! Zelfs durft ze de zaak voor de rechter te brengen en is niet bevreesd voor de uitslag. Wat heeft ze je eigenlijk gedaan? Als het door het dragen van haar vuil komt, dan is dat toch geen misdaad? Bovendien is het haar eigen vuil en al wou ze het op haar kop dragen, wie zou het haar beletten? Ze heeft jou niet om hulp gevraagd, ze draagt het zelf. Bovendien is het de gewoonte van alle garnalen, klein en groot, om hun vuil op hun nek mee te dragen, ik heb het zelf gezien. Kom krab, spreek op, wil je tegenover de garnaal gesteld worden, dan zal ik haar roepen - zij durft het aan, al moest ze voor de rechtbank komen."

De krab, zonder te spreken, vergoot voortdurend hete tranen; geen lettergreep kon ze antwoorden, de otter grauwde haar toe: "Komaan, gauw wat, welke misslag heeft de garnaal eigenlijk tegenover je begaan? Ik kan het niet begrijpen: zij heeft jou niks misdaan, behalve die kwestie van het vuil. Vooruit, zeg het dan..."

Maar steeds zweeg de krab; voortdurend vloeiden haar tranen. Ten eerste en ten tweede male gevraagd kon ze niet antwoorden, ze kon niets tegenspreken. De otter werd wrevelig, en hield niet op haar aan te sporen. De krab snikte maar, zonder op de aansporingen van de otter te antwoorden. Woedend sprong de otter op haar toe, en kraakte haar tussen de kiezen, de krab werd geheel opgegeten, zonder dat er iets van haar achterbleef.

________________________________

De hemelnimf Dewi Nawang Wulan
Er was eens een beeldschone jonge vrouw, Dewi Nawang Wulan genaamd. Zij was de vrouw van Kyai Ageng van Tarub en kwam oorspronkelijk niet uit de omgeving. Waar ze dan wel vandaan kwam wist niemand. Kyai Ageng was gewoon op een dag zomaar met haar thuisgekomen en had verklaard dat dit zijn toekomstige vrouw zou zijn en niemand anders. Zijn moeder, Mah Ageng, opende terstond haar hart en armen voor de lieflijke verschijning. Zo spoedig mogelijk werd de bruiloft gevierd. Kyai Ageng vereerde zijn gade zozeer, dat hij de gedachte dat zijn vrouw ook maar het minste zware werk deed op de sawahs niet kon verdragen. Het was immers ook niet nodig, want hij was een van de rijkste mannen van het dorp. Hij bezat uitgestrekte rijstvelden en krachtige karbouwen. 

Dewi Nawang Wulan hield dus het huis schoon en kookte het eten. En als zij klaar was met haar werk, deed ze niets liever dan dromend in de deuropening staan, turend naar de wolken, die aan de hemel dreven. Dan vlogen haar gedachten ver weg naar haar thuis, want Dewi Nawang Wulan was in werkelijkheid een hemelnimf, die gevangen was in het aardse bestaan. Eenmaal had zij blij en onbezorgd met de andere nimfen gespeeld in de zonbeschenen plekken in het bos, had zij licht en vlindervlug met haar nimfenvleugels door de lucht gedarteld en in vrolijke trillers de zang van de vogels getart. Welk onheil had haar van haar feeënwieken beroofd en haar tot een gevangene van de aarde gemaakt? 

Op de dag Kliwon, dinsdag, daalden de hemelnimfen altijd neer om zich te baden in de nimfenbron in het bos. Kyai Ageng was op die dag juist met zijn blaasroer het woud ingetrokken om op vogels te jagen. Een vogel met schitterende, bonte veren vloog voor hem uit en lokte hem naar de plek, die nooit tevoren door een sterveling was betreden. De vogel was verdwenen, maar toen hoorde hij een zacht geruis. Ageng verborg zich in het struikgewas en daar zag hij hoe er zeven hemelnimfen neerdaalden, die elk hun nimfenkleed aflegden. Nu hadden zij een menselijke gedaante en als gewone vrouwen baadden zij zich in hun lange sarongs. De jeugdige jager stond als betoverd, maar zodra hij weer tot bezinning kwam, sloop hij ongezien naar een rots en greep een van de nimfengewaden. 

Fris en vrolijk stapten de nimfen uit het water, terwijl de druppels op hun schouders schitterden als edelstenen. Kwiek schudden zij de druppels van zich af en hulden zich in hun nimfenkleed, waarop ze zingend in de lucht verdwenen. Een van de nimfen, de zevende, was blijven staan, omdat ze haar kleed niet kon vinden. Wanhopig keek zij om zich heen, want zonder haar kleed kon zij haar zusters niet volgen. 

Nu sprong Kyai Ageng tevoorschijn. De onverlaat had zich meester gemaakt van haar kleed. Nu was zij in zijn macht! Ze moest haar toom bedwingen. "Ach," smeekte zij, "geef mij mijn kleed terug. Is het edelmoedig van u om een vrouw in zulk een vernederende toestand voor u te laten staan?" - "Schone hemelnimf," antwoordde Ageng deemoedig, "zodra ik uw bekoorlijkheid aanschouwde, is mijn hart voor u in liefde ontbrand. Ik kan niet meer van u scheiden. Blijf bij mij als mijn vrouw." - "Maar mijn plaats is niet op deze aarde, mensenkind. Hoe wilt u mij binden aan een plaats, terwijl het mijn bestemming is om het hele luchtruim te doorkruisen?" 

"Blijf zolang u kunt, probeer het. O, ik zal u met liefde omringen en het zal u aan niets ontbreken. Maar als het verlangen naar uw zusters u te machtig wordt zal ik u terstond uw nimfengewaad teruggeven." 

Dewi Nawang Wulan keek de jongeling aan. Hij had zo'n eerlijk en open gelaat, dat zij besloot hem te vertrouwen. Zo werd Dewi Nawang Wulan de echtgenote van Kyai Ageng. Geen enkel verwijt kwam meer over haar lippen en stil en bescheiden deed zij haar werk. Ze was als een zonnetje voor haar omgeving en haar man vervulde al haar wensen. En het was alsof de oude moeder van Kyai Ageng opleefde en haar gerimpelde gelaat een jeugdige glans kreeg in de nabijheid van haar schoondochter.

Zo verstreek er een jaar. Toen kwam er een weemoedige trek over het gezicht van Dewi Nawang Wulan en ontsnapte er een stille zucht aan haar hart. De heimwee werd haar nu te machtig. "Kyai Ageng," vroeg zij, "ben ik geen goede vrouw voor je geweest?" - "Mijn liefste, hoe kun je zoiets vragen! Je bent het licht van mijn ogen, de godin van mijn hart."- "Als je me waarlijk liefhebt, geef mij dan mijn gewaad terug, want ik kan hier niet langer blijven." Maar Kyai Ageng wilde haar nog niet kwijt. "lk kan je niet afstaan!" steunde hij. "Probeer het nog eens, vraag me alles wat je wilt, maar ik kan je je kleed niet teruggeven." 

En zo bleef Dewi Nawang Wulan bij Kyai Ageng. In het tweede jaar van hun huwelijk werd zij moeder van een allerliefst kindje en Kyai Ageng hoopte dat Dewi Nawang Wulan zich door deze gave van Allah met haar verblijf op aarde had verzoend. Inderdaad verstreken er dagen, soms weken, waarin de moeder verdiept was in de zorg voor haar dochtertje Nawang Seli, maar er waren ook tijden dat het verlangen naar haar thuis zo sterk werd, dat zij haar kindje geheel vergat. Dan lag het meisje vergeten in de slendang op de rustbank tot zij van honger zo luid huilde, dat haar moeder ruw uit haar droom werd weggerukt. 

Maar dit was nog niet alles. "Toe, Kyai Ageng," zei ze op een morgen tot haar man. "Let eens op de rijst, die daar op het vuur staat. Ik moet vandaag echt naar de markt. Maar pas op dat je het deksel niet oplicht. Wat er ook gebeuren mag, weersta je nieuwsgierigheid." - "Dat beloof ik je, vrouw. Ga gerust," zei Kyai Ageng en zijn vrouw vertrok. Kyai Ageng zette zich aan het werk en wierp van tijd tot tijd een blik op de kokende rijst. Langzamerhand nam zijn belangstelling toe. Hé, hij had al sedert geruime tijd geen nieuwe voorraad meer in de schuur gebracht, die moest nu wel haast leeg zijn. Hij begaf zich naar de schuur en daar zag hij tot zijn verbazing dat de schuur zelfs nog bijna vol was. Hoe was dit mogelijk? Zonder zich te bedenken liep hij naar de hem toevertrouwde rijstpan en lichtte het deksel op. Er lag slechts één rijstaar in het borrelende water. Nu begreep bij de hele toedracht: met de kracht van een hemelnimf had zij, door dagelijks een aar te nemen, genoeg rijst weten te verkrijgen voor het middag en avondmaal. 

In een wip had hij de deksel weer op de rijst geworpen en nu vervolgde hij zijn werk, alsof er niets gebeurd was. Niets gebeurd! De kortzichtige man begreep niet, dat nu deze bovennatuurlijke verrichting door een mens gezien was, zij niet meer kon worden herhaald. 

Thuisgekomen lichtte Dewi Nawang Wulan het deksel van de pan. Dezelfde aar van die morgen lag erin, geen korreltje was erbij gekomen. Haar man had dus voor de tweede maal zijn woord gebroken. Maar hij zou geen klacht van haar horen. 

Sedert die dag stond zij als een gewone vrouw bij het rijstblok om de rijst te stampen. Haar tere ledematen, niet gewend aan deze menselijke inspanning, trilden van vermoeidheid. Als Kyai Ageng niet thuis was, doorzocht zij het hele huis in de hoop haar gewaad terug te vinden, maar elke keer werd zij teleurgesteld. De tijd naderde waarop de voorraad rijst verbruikt zou zijn. Reeds was op vele plaatsen de vloer te zien. 

En op een morgen gebeurde dat waarop zij al zolang hoopte: toen ze rijst had geschept, zag zij ineengefrommeld haar nimfenkleed liggen. Met een kreet van verrukking greep zij het, streek liefkozend de vouwen glad en trok het toen haastig aan. Op dat moment stroomde de lang ontbeerde kracht weer door haar aderen. Ze snelde naar het huis, nam als een waanzinnige haar kind in de armen en drukte het aan haar hart. Ze moest nu scheiden van haar dochtertje, omdat het mensenkindje haar niet kon volgen. Voor de laatste maal voedde zij het kind, daarop legde zij het in haar slendang te slapen op de rustbank. 

Vastberaden trad zij toen op haar man af: "Kyai Ageng, de tijd is gekomen dat ik moet gaan. Ik heb je trouw gediend, zonder verwijt heb ik het verdragen dat je tot twee maal toe je belofte schond. De goden hebben het zo beschikt, dat ik vandaag mijn gewaad en daarmee mijn vroegere macht terug zou krijgen. Ik kan niet langer blijven. Een hemelnimf kan niet op aarde leven en gelukkig zijn. Zorg goed voor ons kind en onthoud nu goed wat ik ga zeggen: als het kleintje huilt, leg het dan op de bamboe stellage daar, brand daaronder een halm zwarte kleefrijst, dan zal ik komen om het kind te voeden." 

De arme Kyai Ageng was verpletterd. Hij begreep dat geen enkele smeekbede of belofte aan zijn geliefde hem nu nog zou baten. Hij zag toe hoe Dewi Nawang Wulan een halm zwarte kleefrijst nam, die in brand stak en met de rook opwaarts zweefde. Op haar gelaat stond nu de onbezorgde, bovenaardse vreugde te lezen. Ze wenkte hem nog eenmaal lachend ten afscheid en verdween voorgoed uit het gezicht. 

Zijn hele verdere leven wijdde Kyai Ageng aan zijn enig kind. Geen andere vrouw nam ooit de plaats van zijn eerste in. Zolang het kindje de zorg van haar moeder nog nodig had volgde Kyai Ageng getrouw haar raad. Als het kindje huilde van de honger, droeg hij het naar de bamboe stellage, brandde een halm zwarte kleefrijst en ging dan naar beneden, overtuigd dat zijn geliefde Dewi Nawang Wulan zou neerdalen om haar kind te voeden. 

Sinds die tijd neemt altijd de vrouw en nooit de man de deksel van de rijstpan.

_______________________

Lo Aget en Lo Latjut - Een sprookje uit Lombok (Indonesië) over kattenliefde
Vlak bij een groot dorp op het eiland Lombok woonden twee mannen, die vrienden waren. Dat scheen heel vreemd, want iedereen zei, dat ze helemaal niet bij elkaar pasten. Wat de één ondernam, lukte hem altijd; en als de ander iets probeerde, had hij altijd tegenslag. Als zij beiden rijst hadden geplant, dan kon de een er vast op rekenen dat hij een mooie oogst zou binnenhalen; en de ander zou op zekere morgen ontdekken dat de muizen al zijn planten hadden aangevreten, zodat hij geen oogst zou hebben.

De mensen noemden de beide vrienden Lo Aget (Jan Geluk) en Lo Latjut (Jan Ongeluk) en deze bijnamen werden zo dikwijls gebruikt, dat het tweetal op het laatst niet beter wist, of ze heetten werkelijk zo! Ze woonden vlak naast elkaar in twee heel kleine huisjes, want ze waren niet rijk. Ze waren weeskinderen en waren vrienden geworden, toen ze elkaar hadden ontmoet. Beiden moesten alleen door de wereld.

Lo Aget had een prachtige kat. Die had hij van zijn ouders gekregen toen zij stierven. Het dier was heel anders dan de katten van de mensen uit het dorp. Die uit het dorp waren wit of zwart of grijs of soms gestreept en ze zwierven vaak rond in de huizen van andere mensen. 's Nachts vochten ze wel met elkaar, zodat men niet kon slapen van het gekrijs. De kat van Lo Aget was bont gekleurd. Haar kop was bijna helemaal wit, behalve een roodbruine vlek op haar voorhoofd. Ze had gele en bruine en witte vlekken op haar pels. Ze was veel groter dan de andere katten en ze zwierf nooit rond, maar bleef altijd thuis. Ze bewaakte de woning van haar meester. Deze behoefde dus nooit ongerust te zijn, dat er, wanneer hij niet thuis was, dieren in zijn huisje zouden komen, om zijn schamele voorraad eten weg te roven.

Omdat Lo Aget de kat van zijn ouders gekregen had, en ook omdat ze zo trouw was, hield hij erg veel van haar. Als hij eten kookte, sprak hij tegen haar alsof ze een mens was. De kat zat dan naast hem en keek hem aan alsof ze alles begreep wat hij zei. Als hij aan zijn maaltijd begon, gaf hij altijd de lekkerste hapjes aan de kat. Zelfs als hij heel weinig te eten had, deelde hij nog met haar. De kat verstond werkelijk wat tegen haar gezegd werd, maar dat kon Lo Aget niet weten. Hij wist ook niet, dat ze een mens was geweest. In het dorp, waar ze als klein meisje woonde, was ook een tovenaar, die zich in dieren kon veranderen. Op zekere dag had ze dat ontdekt en toen ze het eenmaal wist, had ze geen rust voordat ze de tovenaar een keer had bespied, terwijl hij bezig was zich te veranderen in een kat. Ze vond dit zó prachtig, dat ze het graag zelf ook eens wilde proberen. Ze wist heel goed, dat ze dan iets zou doen wat verboden was, maar tenslotte kon ze zich toch niet meer beheersen.

Op een middag, toen iedereen rustte, ging ze stilletjes in een van de bijgebouwen van haar vaders huis proberen, of zij ook kon toveren. En het lukte haar ook werkelijk! Maar toen ze eenmaal kat was, wist ze niet hoe ze weer een meisje moest worden. En dit was nu haar straf: ze moest een kat blijven totdat er een man zou komen, die haar zó lief had, dat hij haar als mens wilde hebben en haar zou willen trouwen.

Lo Aget en Lo Latjut gingen iedere dag in de kali (rivier) baden. Op zekere dag, toen ze weer naar de rivier waren gegaan, gebeurde er in het huisje van Lo Aget iets vreemds. Nauwelijks was hij de deur uit, of de kat stond op, rekte zich uit en krabde met haar poten in het zand. Toen keerde ze zich naar het oosten, maakte een diepe buiging en zei met een gewone mensenstem: "Kattenmoeder en Kattenvader, geef mij verlof om Lo Aget te gaan belonen voor zijn gedrag." Nog driemaal boog ze diep voorover, ging toen op haar achterpoten staan en trok haar pels uit alsof het een mantel was. Toen ze haar kattenhuid had afgelegd, stond daar een beeldschoon meisje in het vertrek. Naast haar op de grond lagen prachtige kleren, die ze aantrok; ze draaide het haar in een wrong en stak er een welriekende bloem in. Toen verborg ze de kattenhuid onder een mat, nam een rood mandje, dat ze op haar hoofd zette en ging de deur uit. Ze wandelde regelrecht naar het dorp, naar de pasar (markt). Toen ze daar aankwam, waren de mensen zeer verbaasd en zeiden tegen elkaar: "Wie is dat beeldschone meisje? We zagen haar nog nooit eerder in ons dorp! Ze loopt alsof ze een echte prinses is."

Het meisje scheen van dat alles niets te merken en ze ging de markt rond om te keuren wat er te koop was. Met de meeste zorg zocht ze allerlei koopwaar uit. Een vette kip, een mooi stuk vlees, verse groenten en kruiden.

De mensen bleven maar naar haar kijken. Tenslotte was het zo erg, dat al het volk achter haar aanliep. Zelfs de kooplieden lieten hun waren in de steek en kwamen kijken.

Ze maakten allen zo'n lawaai, dat de beide vrienden, die nog in de rivier aan het baden waren, het geluid hoorden. Ze kleedden zich vlug aan en renden naar de pasar om te zien wat er aan de hand was. Ze kwamen juist aan, toen het meisje bij een vruchtenkoopman de mooiste vruchten aan het uitzoeken was. Zorgvuldig keurde ze de een na de andere en toen ze eindelijk gevonden had wat ze zocht, legde ze de vruchten voorzichtig bovenop alle andere waren en zette haar mandje weer op het hoofd. Toen verliet ze de markt.

Lo Aget had stil en vol bewondering toegekeken. Lo Latjut praatte luid met de andere mensen mee over de schoonheid en de lieftalligheid van het meisje. Toen Lo Aget zag, dat ze wegging, trok hij zijn vriend met zich mee en fluisterde: "We gaan haar achterna, ik wil weten welke weg zij inslaat en waar zij woont!" Op de pasar keerde de rust weer.

Voorzichtig liepen Lo Aget en Lo Latjut achter het schone meisje aan, er voor zorgend geen enkel geluid te maken, anders zou het meisje misschien omkijken. Zij verliet de pasar en liep langs de sawah's (rijstvelden), die buiten het dorp lagen. Toen ging ze een eind door een bos en kwam aan een driesprong. Daar was de wegkant met struikgewas begroeid. Toen het meisje daar langs ging, bleven de vrienden achter een boom staan kijken, vol spanning welke van de wegen zij zou inslaan.

Op dat ogenblik sprongen er uit de struiken twee honden te voorschijn, die met elkaar aan het vechten waren. Het meisje keerde zich om en bleef kijken en ook de beide vrienden waren vol aandacht voor de twee vechtende dieren. "Die bruine hond zal het winnen," zei Lo Aget.

"Daar geloof ik niets van, de witte lijkt mij veel sterker!"

"Maar de bruine is veel slimmer."

"Dat moet je niet zeggen! De witte probeert de bruine af te matten om hem straks gemakkelijker te kunnen verslaan."

Ze waren zo verdiept in het gevecht van de honden, dat ze vergaten naar het meisje te kijken. Pas toen de dieren verdwenen waren, dacht Lo Aget weer aan haar; maar waar hij ook keek, nergens was ze meer te zien. De beide vrienden zochten de hele omgeving af, ze liepen langs alle wegen en paden, maar er was geen spoor meer van het meisje te vinden.

Zij was, toen de vrienden naar de honden keken, vlug doorgelopen naar het huisje van Lo Aget. Ze begon daar meteen het eten klaar te maken. Ze kookte de rijst en groenten, braadde de kip en reeg stukjes vlees aan een houten pen, die ze daarna boven een gloeiend houtskoolvuur roosterde. Toen alles klaar was, maakte ze een paar fijne sausen en zette alles in schalen op tafel. Een heerlijke maaltijd! Ze keek nog eens rond of alles in orde was, haalde de kattenhuid onder de mat vandaan en kroop er weer in.

's Avonds kwam Lo Aget, moe van het zoeken naar het meisje, bij zijn huisje aan. Hij was helemaal niet vrolijk, want hij had zijn dag verknoeid. Het meisje had hij niet gevonden, en in plaats van te werken en voor eten te zorgen, had hij door de omgeving gezworven. Nu moest hij maar zien wat hij te eten kreeg.

Hij deed de deur open... en snoof en snoof... Wat rook het binnen heerlijk! "Zo moet het in het paleis van de sultan ruiken als daar een feestmaal wordt gehouden," dacht hij bij zichzelf. Hij stapte naar binnen en zag daar de schalen staan met het kostelijke eten, dat het kattenmeisje voor hem had gekookt.

Verbaasd ging Lo Aget zitten. "Hoe kan al dat eten hier gekomen zijn? Wie zou dat hier neergezet hebben? Zou het geen betoverd eten zijn? Ik durf er haast niet aan te beginnen, misschien sterf ik wel als ik ervan eet! Wat moet ik doen?" Zo dacht hij. Hij tilde het deksel van een van de schalen op en daar dreven in een heerlijke saus kleine stukjes vlees. Hij watertandde er van. "Als ik er niet van eet," zei hij tegen zichzelf, "dan zal ik zeker vreselijke honger hebben. Laat ik het maar doen. Als ik dan toch moet sterven, wil ik eerst gegeten hebben. Ik heb nu toch geen plezier in mijn leven."

Hij nam al de deksels van de schalen en verbaasde zich over de vele heerlijkheden, die waren klaargemaakt. Hij zocht de beste stukjes uit en deed die apart in het bakje voor de kat. Het mooie dier had vol belangstelling zitten kijken en toen het zag, dat Lo Aget het lekkerste deel in haar bakje deed, streek ze tevreden spinnend en blij miauwend langs de benen van Lo Aget en begon te smullen. Lo Aget volgde meteen haar voorbeeld. Hij liet zich alles heerlijk smaken. Tot besluit at hij de fijne vruchten die op tafel lagen.

De volgende morgen gingen Lo Aget en Lo Latjut weer samen baden in de kali. De kat had zitten kijken hoe Lo Aget de deur uit ging en deze achter zich dichttrok. Hij kon nog niet bij het huisje van zijn vriend zijn, toen de kat opstond en zich uitrekte. Met haar achterpoten krabde ze een paar keer in het zand, toen keerde ze zich naar het oosten en maakte een diepe buiging. Met haar gewone mensenstem sprak ze: "Kattenmoeder en Kattenvader, geef mij verlof om Lo Aget te gaan belonen voor zijn gedrag." Ze boog zich weer driemaal diep voorover en net als de vorige dag ging ze even later weer als beeldschoon meisje de deur uit, haar rode mandje op het hoofd, naar de pasar.

Daar veroorzaakte ze dezelfde opschudding als de vorige dag. Het was er zelfs nog drukker dan anders, want velen hadden hun vrienden meegenomen en hun verteld wat er de vorige dag was gebeurd. Het was alsof men op haar stond te wachten. De mannen, die ze op haar weg ontmoette, maakten een diepe buiging alsof ze een prinses was en daarna volgden ze haar van verre. Een heel oude man, die ook naar buiten was gelopen, zei: "Zo'n beeldschoon wezen heb ik mijn leven nog niet gezien. De haren op mijn hoofd zijn van zwart tot wit geworden, maar in al de lange jaren, die achter mij liggen, heb ik nog nooit een jonge vrouw gezien, die zo mooi was als deze."

Het lawaai en het rumoer op de markt waren nog veel groter dan de vorige dag. Toen Lo Aget en Lo Latjut het hoorden, sprongen ze vlug uit de kali, waar ze nog aan het baden waren. Ze trokken hun kleren aan en holden zo hard ze konden naar de markt. Lo Aget zei: "Vandaag zal ik haar beslist tot haar huis achterna gaan. Ik zal zorgen, dat ik haar niet meer uit het oog verlies. Ik heb haar lief en ik wil haar trouwen en geen enkel ander meisje."

Bij elke koopman zocht het meisje weer de lekkerste dingen uit en de kooplieden waren zo onder de indruk, dat ze dikwijls een veel te lage prijs noemden. Zo kon ze voor haar geld heel veel kopen. Toen ze klaar was, verliet ze het dorp. Als een prinses schreed ze langs dezelfde weg als de vorige dag. Lo Aget en Lo Latjut hielden haar goed in het oog en ze spraken af, dat niets hen zou kunnen verhinderen het meisje te volgen tot aan haar woning.

Bij het struikgewas op de driesprong bleef het meisje weer staan. En plotseling sprong er uit de struiken een wild paard te voorschijn. Het meisje bleef kijken en Lo Aget en Lo Latjut verscholen zich achter dezelfde boom als die van gisteren. "Let goed op Lo Latjut, dat ze ons nu niet ontsnapt!"

"Laten we niet naar het paard kijken, maar alleen naar het meisje." Zo spraken ze tot elkaar. Maar het paard maakte zulke dolle sprongen, dat ze het toch niet laten konden er naar te kijken.

"Je zult zien, dat het straks over die grote bloemstruik heen springt!"

"Dat geloof ik niet, zó hoog kan geen paard springen!"

"Maar dit paard wel! Let op! Daar gaat het... nee, tóch niet!

De mannen keken zo gespannen naar het paard, dat ze weer vergaten op het meisje te letten en pas toen het te laat was, keken ze waar zij gebleven was. Maar ze was alweer verdwenen. Vol spijt zochten de vrienden voor de tweede maal de hele omgeving af. Maar waar ze ook zochten en welke weg ze ook insloegen, er was geen spoor van haar te vinden. Erg verdrietig kwam Lo Aget 's avonds thuis. "De mensen noemen me wel eens geluksvogel, maar ik heb niets dan tegenslag de laatste dagen," dacht hij en opende de deur van zijn huisje. Nauwelijks had hij een voet over de drempel gezet, of hij rook het heerlijke maal dat op tafel klaar stond. Er waren nog meer en nog lekkerder spijzen dan de vorige dag. Lo Aget vergat zijn verdriet en begon meteen te smullen. Hij was zo hongerig en de verschillende gerechten roken zo heerlijk, dat hij bijna vergat de kat eten te geven. Toen hij de kat het bakje had voorgezet, keek hij hoe ze met kleine hapjes van het maal genoot. Ineens bedacht hij dat het best mogelijk was, dat de kat hem twee dagen achter elkaar verrast had.

Toen hij klaar met eten was, rekte hij zich uit en zei hardop, met de bedoeling dat de kat het zou horen: "Morgen sta ik extra vroeg op om naar de kali te gaan, want ik ben vandaag erg vuil geworden en ik wil lang baden." Toen hij op zijn balé-balé (slaapbank) lag, kon hij niet in slaap komen. Hij moest denken aan alles wat er de laatste dagen gebeurd was.

Heel vroeg in de morgen stond Lo Aget op en ging naar buiten. Zoals elke morgen nam hij afscheid van zijn kat, streelde haar over de pels en zei: "Zul je vandaag goed op mijn huis passen?"

Hij maakte veel lawaai toen hij zijn erf afging, maar nauwelijks had hij een eindje gelopen, of hij keerde heel stilletjes om en sloop weer terug naar het huisje. Hij verstopte zich in een schuurtje, dat er vlak naast stond. De muren waren heel dun, zodat hij zonder dat iemand het horen kon een gaatje in de wand maakte. Hij kon nu naar binnen kijken, zonder zelf gezien te worden.

Hij hoefde niet lang te wachten. De kat zat midden in het vertrek te luisteren tot alles doodstil geworden was. Dan stond ze langzaam op, rekte zich uit, krabde een paar maal met haar achterpoten over de zandvloer en precies als de vorige dagen boog ze zich weer naar het oosten en sprak met een gewone mensenstem: "Kattenmoeder en Kattenvader, geef mij verlof om Lo Aget te gaan belonen voor zijn gedrag." Nog driemaal boog ze zich en daar trok ze haar pels weer uit. De glans van haar huid was als het licht van de volle maan. Zij trok de prachtige kleren aan, die op de grond lagen en die nog mooier waren dan die van de vorige dag en de dag daarvoor. Lo Aget kon bijna niet ademhalen van blijdschap, toen hij zag dat het mooie meisje daar in zijn eigen huisje stond. Hij kon zich van ontroering niet bewegen en hij moest slikken om zijn tranen terug te dringen. Zó groot was zijn vreugde.

Lo Aget bleef maar naar het meisje kijken, terwijl ze daar stond en het haar in een wrong draaide. Hij zag dat ze naar buiten ging en weer terug kwam met een bloesemtakje in haar hand. De mooiste bloemen zocht zij uit en stak die in het haar. Toen greep ze het rode mandje en schreed de deur uit naar de markt. Pas toen zij al een hele tijd weg was, kon Lo Aget zich weer bewegen en hij kwam te voorschijn. Hij kon aan niets anders denken dan aan wat hij had gezien. Hij ging voor de deur van zijn huisje zitten en staarde stilletjes voor zich uit. Zachtjes begon hij een lied te zingen, waarvan hij de woorden onder het zingen zelf maakte:
"Van waar komt ge en waarheen gaat ge?
Uit welk ver land, kwaamt gij in mijn huis?
Zo het mag, zou ik wel willen vragen:
Die ontloken bloem, wie is zij toch?"
En zo zong hij een heel lange tijd; telkens bedacht hij weer nieuwe woorden. Hij werd steeds gelukkiger als hij dacht aan alle goede eigenschappen, die het meisje moest hebben. "Ik weet zeker, dat ik heel veel van haar houd; ik weet zeker, dat zij mijn vrouw zal worden; ik zie haar niet vaag voor me, het is alsof ik haar werkelijk voor me zie staan. Twee dagen lang heb ik naar haar gezocht en nergens kon ik haar vinden. En al die tijd was ze zó dicht bij me. Het ene ogenblik zag ik haar en het volgende was ze weg en onvindbaar, zoals een naald die men in het zand laat vallen."

Toen Lo Aget in de verte tussen de bomen door weer het rode mandje zag, waarin het meisje de inkopen droeg, kroop hij weer terug in zijn schuilplaats. Maar op het allerlaatste ogenblik nam hij de kattenhuid, die het meisje onder de mat had achtergelaten, met zich mee.

Het meisje begon meteen weer de maaltijd klaar te maken. Terwijl ze bezig was, zong ze zacht voor zich heen en met vaardige hand kookte ze de rijst en bereidde zij de andere spijzen. Toen alles klaar was, zette ze het weer in schalen op tafel en wilde in haar kattenhuid kruipen. Ze schrok hevig toen ze die niet meer terug vond onder de mat. Radeloos liep ze heen en weer en zocht overal. Alles verzette ze van zijn plaats, maar haar zoeken was natuurlijk tevergeefs. Ten einde raad riep ze: "Mens, kom eens een ogenblik hier!"

Daarop had Lo Aget gewacht. Hij kwam te voorschijn en liep zijn huisje binnen, alsof hij van niets wist. Hij deed alsof hij heel erg schrok toen hij het meisje zag staan. Hij maakte een heel diepe eerbiedige buiging en zei beleefd, alsof hij tot een prinses sprak: "Jonkvrouw, wie bent u? Wie zijn uw vader en moeder? Waar komt u zo opeens vandaan in mijn armoedige huisje? Me dunkt, dat u in een paleis moet wonen."

Het meisje keek Lo Aget recht in de ogen. "Vraag me niet zo veel. Je weet waar ik vandaan kom. Zeg me liever waar je mijn kattenhuid hebt gelaten. Als je het mij zegt, zal ik je alles geven wat je wenst. Toe, geef mij vlug mijn pels terug, ik durf niet langer mens te blijven."

Lo Aget deed alsof hij van alles wat het meisje zei, geen woord had begrepen, en antwoordde: "Een pels? Wat is dat? Ik heb zoiets nog nooit gezien. Hoe ziet zo'n ding er uit?"

"O, hoe kan je dat zeggen! Je weet toch wel hoe jouw driekleurige kat er uit zag. Toe, ik smeek je, geef me mijn pels terug! Het is mijn lot, dat ik een kat moet blijven!"

"Bent u dus eigenlijk mijn kat?" vroeg Lo Aget alsof het hem nu pas duidelijk werd.

"Ja, o, toe, ik smeek je, help mij."

"Helpen wil ik u wel, maar niet door u de pels terug te geven."

En met een zwaai gooide Lo Aget de pels, die hij achter zich had gehouden, in het vuur. Het meisje deed een sprong naar het vuur, maar Lo Aget greep haar vast en hield haar tegen. De pels vatte onmiddellijk vlam en het hele vertrek werd in een dichte rook gehuld. Bevend drukte het meisje zich tegen Lo Aget aan. Zó dicht was de rook, dat Lo Aget het meisje, dat hij nu stevig vasthield, zelfs niet kon zien. Maar de rook werd dunner en dunner en toen hij geheel was opgetrokken, was het huisje van Lo Aget verdwenen. Ze stonden tezamen in een groot en mooi vertrek van een prachtig huis. Verbaasd keek Lo Aget om zich heen. Hij liet langzaam het meisje los en hij werd heel verlegen voor haar, want hij zag duidelijk, dat zij in deze rijke omgeving thuis hoorde. Hij schaamde zich voor zijn armoedige kleren. Maar toen hij zichzelf bekeek, merkte hij, dat hijzelf minstens even prachtige kleren aan had als het meisje. Hij was gekleed in zijde en aan zijn voeten had hij prachtige geborduurde sandalen. Toen hij dat zag, vatte hij moed en hij wendde zich weer naar het meisje en sprak: "Wil je met mij trouwen? Ik heb je meer lief dan iets anders op de wereld!"

Het meisje glimlachte naar hem en antwoordde: "Door deze woorden heb je me verlost uit de betovering. Ik moest een kat blijven, totdat een mens mij zou zeggen, dat hij mij meer liefhad dan iets anders op de wereld. Als je iets anders tegen mij gezegd had, zou er weer een rook zijn opgekomen. En als die was weggetrokken, zou je heel alleen gestaan hebben op de puinhopen van je huisje. En ik zou weer ergens anders als kat opnieuw hebben moeten beginnen."

Toen nam zij Lo Aget bij de hand en leidde hem rond in het paleis, waarin zijn eenvoudige huisje was veranderd. Zij liepen door kamers en galerijen, over binnenplaatsen en door prachtig aangelegde tuinen. Overal stonden er bijgebouwen, die bij zo'n prachtig paleis pasten. Om alles heen was een muur en de ingang werd gevormd door een mooi geschilderde poort. Daar hield een gewapende schildwacht de wacht. Midden op het grote voorplein stond een reusachtige gong, waarbij een fraai uitgedoste bediende stond. Toen hij Lo Aget en het meisje zag naderen, sloeg hij driemaal op die gong en van alle kanten stroomden bedienden toe. Er werd een draagstoel gebracht, ze stapten er samen in en gingen de poort uit, naar het dorp. Alle mensen kwamen aanlopen.

Onder luid gejuich werd de stoet binnengehaald en naar het dorpsplein gebracht, waar de oudsten van het dorp hun eerbied kwamen betuigen. Zij vertelden Lo Aget, dat het dorpshoofd gestorven was en zij vroegen of hij hun nieuwe dorpshoofd wilde zijn. Lo Aget stemde toe en hij maakte bekend, dat hij al zijn vroegere vrienden en alle mensen uit het dorp op een groot feest uitnodigde in zijn nieuwe huis. Er zou een mooie bruiloft worden gevierd. De gamelan (Indonesisch muziekgezelschap) werd besteld en er werden runderen en karbouwen geslacht en zeven dagen vierde men feest en daarna nog eens negen dagen.

Lo Latjut, zijn oude vriend, bleef gedurende het gehele feest dicht bij Lo Aget en het moet gezegd worden, dat hij geen ogenblik jaloers was. Natuurlijk verlangde hij voor zichzelf ook wel zoiets, maar afgunstig was hij niet. Hij had aldoor goed rondgekeken en hij had begrepen, dat Lo Aget alles te danken had aan zijn driekleurige kat.

Hij trok nu de wereld in om ook zo'n kat te zoeken. Het duurde lang, maar eindelijk had hij er dan toch een gevonden. Hij nam het dier met zich mee naar huis en zorgde er heel goed voor.

Hij praatte veel tegen haar, omdat hij dacht dat ze eigenlijk een mens was en alles verstond, wat hij tegen haar zei. Maar de kat miauwde alleen maar en liet nooit merken of ze iets begreep van wat Lo Latjut tegen haar zei. Toen hij de kat al een heel lange tijd had verzorgd, pakte hij haar eens op en zei: "Het wordt nu toch hoog tijd, dat je jezelf eens gaat veranderen in een mens. Je hoeft niet zo'n mooi meisje te worden als de vrouw van het dorpshoofd Lo Aget; als je maar een vrouw wilt worden, die voor mijn huis kan zorgen."

Maar de kat gaf helemaal geen antwoord. Toen pakte hij haar stevig vast, zodat ze schreeuwde van pijn. Dat geluid had Lo Latjut nog nooit gehoord. "Ha! Nu zal het beginnen. Ik zal mijn ogen stijf dichthouden tot ze helemaal klaar is met veranderen." En nog steviger hield hij zijn kat vast, zodat deze blies en krabde om los te komen. Overal waar ze met haar klauwen Lo Latjut kon raken, krabde ze hem en het bloed liep over zijn gezicht en zijn armen. "O, wat moet ik verschrikkelijke dingen meemaken, nu mijn kat een mens wordt!" riep Lo Latjut uit, met zijn ogen nog steeds stijf dicht. Maar de kat was een doodgewone kat, die zich alleen maar verweerde omdat ze pijn had. Eindelijk wist ze zich uit de greep van Lo Latjut los te maken en ze sprong weg. Toen Lo Latjut niets meer voelde, deed hij langzaam zijn ogen open in de overtuiging de veranderde kat voor zich te zien.

Maar de domme Lo Latjut hield van zijn poging om Lo Aget na te volgen niets anders over dan veel pijn en verdriet.

Lo Aget ging het steeds beter. De mensen in het dorp bewonderden hun dorpshoofd zeer en tot ver buiten het dorp werd zijn roem verspreid. Hij en zijn vrouw leefden volkomen gelukkig en toen er na een jaar een zoon werd geboren, was er niets meer dat aan hun geluk ontbrak.

___________________________

Telaga Warna, het veelkleurige meer - Een Javaanse sage over een ijdele en op sieraden verzotte prinses
Lang voor de islam op Java haar intrede had gedaan, vlakbij de plek waar zich nu Telaga Warna, het veelkleurige meer bevindt, woonde een zeer hebzuchtige vorst, wiens enige dochter het mooiste meisje uit het rijk genoemd werd.

Kasminten, zo heette het prinsesje, was echter door het gevlei van de hovelingen ijdel geworden. Zo ijdel zelfs, dat ze alleen wilde trouwen met degene die haar de mooiste en kostbaarste sieraden kon geven.

Nu gebeurde het dat drie prinsen op dezelfde dag bij Kasmintens vader kwamen vragen om de hand van zijn beeldschone dochter. Zij waren alle drie rijk genoeg om Kasminten de sieraden te geven die ze verlangde.

Maar de hebberige vorst hield alle drie de huwelijkspretendenten met allerlei mooie woorden en beloften aan het lijntje. Hij wilde zien wie van het drietal hem de kostbaarste bruidsschat zou komen brengen. Geen van de prinsen wist echter dat er nog twee anderen om de hand van de mooie Kasminten hadden gevraagd. Zo kwamen zij dus alle drie, op door de vorst bepaalde dagen, hun vele geschenken, gouden en met juwelen overladen sieraden, aan de vorst overhandigen. De jongste van de drie, een jonge prins uit een van de naburige rijken, bracht de meeste geschenken. De juwelen waarmee alles was versierd, waren veel mooier dan die van de anderen.

Toch was de hebzuchtige vorst met deze overgrote bruidsschat niet tevreden. Eigenlijk hoopte hij op een nog rijkere prins die hem een nog veel grotere bruidsschat zou komen aanbieden.

Kasminten zelf wist niets van het aanzoek van de drie prinsen. De vorst vertelde haar niet van de kostbaarheden, die men hem in ruil voor haar had aangeboden.

Totdat op zekere dag een van de hovelingen Kasminten wilde vleien, door haar te verklappen dat er drie prinsen, alle drie beladen met de kostbaarste geschenken, waren gekomen om met haar te mogen huwen.

"Zij kwamen alle drie tegelijk," vertelde de hoveling, "en nog nooit heb ik zulke kostbare sieraden gezien, als die zij uw vader aanboden! Ook heb ik nooit mooiere parels gezien, of flonkerender edelstenen! En de jongste van de drie prinsen zei tegen de vorst: 'Het bezit van een gemalin, zo onvergetelijk mooi als uw dochter, prinses Kasminten, is mij zelfs meer waard dan wat ik u, mijn vorst, nu aanbied!' Dit hoorde ik de prins tegen uw vader zeggen. Wat moet het toch heerlijk zijn om zo aantrekkelijk te zijn als u, met uw zeldzame schoonheid."

Verheugd over wat zij had gehoord ging prinses Kasminten naar de vorst en vroeg: "Is het waar, vader, wat men mij net vertelde? Kwamen er werkelijk drie prinsen, die vroegen om met mij te mogen trouwen? En waar hebt u al die kostbare geschenken gelaten, die zij als bruidsschat hebben gebracht?"

Uit de woorden van het prinsesje begreep de vorst dat zij alles wist, en hij nam haar mee naar het vertrek waar hij voorlopig de kostbaarheden had verborgen.

Verrukt over de schitterende pracht van de vele sieraden en het geflonker van de ontelbare juwelen, smeekte Kasminten om haar, eventjes maar, een paar van deze met flonkerende stenen bezette sieraden te lenen. "Het is alleen om deze sieraden mee te nemen naar mijn vertrekken en mij er daar mee te tooien, lieve vader," vleide zij. "Ik wil mijn voedster en de andere vrouwen vragen mij te vertellen hoe al deze sieraden me staan. Zij moeten ook zien, hoe mooi ze zijn. En daarna breng ik ze weer terug. Dat beloof ik u beslist, lief vadertje! Mag ik ze meenemen?"

Zo wist Kasminten de vorst, die zeer veel van haar hield, met lieve woorden er werkelijk toe over te halen haar een paar van de mooiste sieraden mee te geven.

Met al deze kostbaarheden, gewikkeld in haar kleurrijke, zijden met goud doorweven selendang, vertrok het meisje. Maar ze ging niet naar haar vertrekken; ze riep zelfs niet haar voedster, noch een van de andere vrouwen om al dat moois te tonen. Ze wilde helemaal alleen zijn als ze al deze sieraden om deed. Zo opgetooid wilde zij dan haar vertrekken binnenkomen. Dan pas zou iedereen in extase komen, door haar, die al zo mooi was, nog mooier, nog bekoorlijker, en vooral nog schitterender te zien!

Ze verheugde zich er al op, hoe verbaasd iedereen zou staan als zij straks onverwachts in al haar schitterende en flonkerende pracht in het vrouwenvertrek zou verschijnen. Ze ging met al haar schatten naar de krater van de Puncak. Daar, op dit stille mooie plekje, wilde het ijdele prinsesje zich met al dat moois nog bekoorlijker maken.

De mooie Kasminten en de hebzuchtige vorst wisten echter niet, dat de jonge prins die de grootste bruidsschat had gebracht, al door een paar van zijn trouwste volgelingen op de hoogte was gebracht van de grenzeloze hebzucht van de vorst. Een van deze volgelingen vroeg hem zelfs: "Maar weet Uwe Hoogheid dan niet, dat hij niet de enige is die de vader van de prinses al een bruidsschat heeft gebracht? Weet u dan niet dat ook nog aan twee andere prinsen is beloofd met de prinses te mogen trouwen? En ook deze prinsen brachten al een groot aantal kostbaarheden als bruidsschat aan de vorst. En nu wacht hij tot er misschien nog een rijkere prins komt. Pas daarna zal hij beslissen aan wie hij de voorkeur geeft. Want degene die de grootste bruidsschat mee brengt, krijgt prinses Kasminten tot vrouw."

Bij deze woorden had de prinses lachend het hoofd geschud. Hij wilde, hij kon niet geloven, dat iemand, en nog wel een vorst, zo hebzuchtig kon zijn. "Wie zijn dan de prinsen, die hun bruidsschat al aan de vorst hebben gebracht?" vroeg hij.

"Een van hen is de jongste zoon van de vorst van Tjeribon," was het antwoord, "en de andere is de neef van de vorst van Daha..."

De prins, die hem nog niet geloofde, vroeg het daarna aan vele andere hovelingen. Zelfs ontbood hij in het geheim de oude voedster en nog een paar andere vrouwen die de prinses dienden, en vroeg of hij de enige was die dong naar de hand van prinses Kasminten.

Toen antwoordde hem de oude voedster, trots op de vele huwelijksaanzoeken: "O nee, Uwe Hoogheid is niet de enige prins, die met prinses Kasminten wil trouwen. Er kwamen, tegelijk met Uwe Hoogheid, nog twee prinsen. En er zullen er nog meer komen, die zo'n mooi meisje tot gemalin willen."

Door geen woord, zelfs door geen enkel gebaar, liet de prins de vrouwen blijken hoe boos hij was. Hoffelijk, zoals het gebruik dit voorschreef, bedankte hij de voedster en de andere vrouwen voor hun mededeling. Maar nauwelijks waren de vrouwen vertrokken, of hij zwoer kokend van woede, dat hij zich op de inhalige vorst zou wreken. Met dit voornemen begaf hij zich naar de krater van de Puncak. Daar riep hij de hulp in van de berggeest die in deze krater woonde. Nadat hij deze geest vele heerlijke en dure offers had gebracht, beloofde de geest hem te zullen helpen.

Natuurlijk wist prinses Kasminten van dit alles nog niets. Zonder zelfs maar iets te vermoeden, van wat haar bij de krater van de Puncak te wachten stond was zij daarheen gegaan, met de kostbaarheden. Aan de rand van de krater ging ze zitten en opende haar selendang, om zich de vele sieraden om te doen.

Maar nauwelijks had ze haar selendang geopend en de met kostbare edelstenen bezaaide voorwerpen voor zich uitgespreid om eerst de vele kleurschakeringen daarvan te bewonderen, of een onzichtbare hand greep plotseling al deze schatten, en verdween daarmee in de diepe krater.

Ze smeekte, ze huilde, ze beloofde zelfs grote offers, maar haar sieraden kreeg ze niet terug. Niets, zelfs niet de vele tranen die ze in de krater deed neervallen, konden het hart van de berggeest vermurwen. Niet een sieraad, zelfs geen juweel, gaf hij haar terug.

Bang voor de woede van haar vader, als die het verlies van zoveel kostbaarheden zou vernemen, durfde toen prinses Kasminten niet meer naar het vorstenverblijf terug te keren. Ze bleef bij dezelfde plek zitten en huilde alleen maar. Weken, maanden, zelfs jaren lang, zat de ijdele prinses huilend aan de rand van de krater. Ze huilde zelfs zo lang, dat haar tranen in het grote kratergat een meertje vormden.

In de tranen, waarmee weldra heel de grote krateropening was gevuld, zag men toen de prachtige kleurschakeringen van de vele edelstenen, waarmee de sieraden die in de krater verdwenen waren, bezet waren geweest.

"En het is daarom," zegt deze sage, "dat men op sommige dagen, als de zon het water in het meertje beschijnt, de vele prachtige, steeds wisselende kleuren daarin waarneemt. Want deze kleurschakeringen ontstaan dan, door de vele robijnen, saffieren, smaragden en opalen, die nu nog op de bodem van het door prinses Kasmintens tranen gevormde meertje liggen."


_______________________

De helpende dieren - Een sprookje uit Bali (Indonesië) over twee ontvoerde kinderen
De helpende dieren
Illustratie speciaal voor de Volksverhalen Almanak gemaakt door René Blom

Er waren eens twee kleine meisjes, Klodan en Klontjing. Het waren tweelingen. De vader van de meisjes was gestorven en nu moest hun moeder, Mèn Klodan Klontjing, iedere dag naar de pasar (markt) om oliepitten te verkopen. Klodan en Klontjing bleven dan achter om op het huis te passen.

Toen de moeder de eerste keer oliepitten ging verkopen, riep ze haar beide dochtertjes en zei: "Kinderen, ik ga nu naar de pasar. Pas goed op jezelf. Blijf in het slaaphuisje en houd de deur goed dicht. Jullie mogen pas opendoen als ik terugkom en jullie roep. Denk er om, dat je niemand anders binnenlaat!" Zo sprak Mèn Klodan Klontjing tot haar kinderen en ze vertrok om oliepitten te verkopen.

's Avonds keerde de koopvrouw naar huis terug en riep met haar vriendelijke stem: "Meisjes, Klodan en Klontjing, doe gauw open. Ik ben teruggekomen!" Klodan en Klontjing stonden op om de deur voor hun moeder te openen. Het klonk zó: "Klétjék-gedém-borang." Toen kon de moeder binnenkomen.

De volgende morgen ging ze weer naar de pasar om handel te drijven en kwam tegen dat het donker begon te worden, thuis. En net als de vorige dag riep ze haar kinderen vriendelijk toe de deur open te maken. En zo ging het nu iedere dag.

Maar op een kwade dag had een boze reuzin alles gehoord. Zonder dat Mèn Klodan Klontjing het wist, had ze geluisterd terwijl de moeder haar kinderen toeriep. De volgende dag, toen de koopvrouw weer op de markt was, ging de reuzin 's middags naar het huisje. Ze probeerde de stem van de moeder na te bootsen, maar dat lukte haar niet en ze sprak nog krom ook! Ze zei steeds een R op het eind van ieder woord: "Meisjer, Klodar en Klontjir, willer jullier der deur oper makerrrr? Ik ber ner thuirsgekomer var her verkoper var olierpitterrr!" Zo riep ze. Toen Klodan en Klontjing haar hoorden, begonnen ze te beven van angst. Dat was niet hun moeders stem. Dit was een zware stem en het klonk een beetje alsof een oude man boos schreeuwde. De zusjes deden dus niet open. Nogmaals riep de reuzin, maar de kinderen lieten haar niet binnen. Toen ging de reuzin weg.

Tegen de avond kwam moeder thuis en ze riep met haar heldere vriendelijke stem: "Meisjes, Klodan en Klontjing, maak gauw de deur voor je moeder open." Toen sprongen de meisjes vlug op en lieten haar binnen: "Klétjék-gedém-borang." Zodra de meisjes hun moeder zagen, klaagden zij hun nood. "Lieve moeder," zeiden ze, "ga even zitten om uit te rusten en luister wat er gebeurd is. We zijn zo bang geweest! Een poosje geleden was er iemand aan de deur, die ons met een harde en vreemde stem riep. Wie zou dat geweest zijn?"

"Dat was zeker de reuzin, die hier in de buurt woont. Als ze morgen weer komt, mag je vooral niet open doen! Ik kan zelf niet thuis blijven, want als ik met werken ophield, zou ik geen eten meer voor jullie hebben!"

De volgende dag ging ze dus weer naar de pasar, terwijl de kinderen thuis bleven met de deur op slot. En wat deed de reuzin? Die was druk bezig een drank te persen uit de stengels van patjar, de grote balsemien, uit de vruchten van de zuurzak en uit de bloempjes van Nona Makan Sirih, die wij 'gebroken hartjes' noemen. Ze dronk alles wat ze klaargemaakt had, achter elkaar op, tot ze een kriebelig gevoel kreeg in haar keel. Nu probeerde ze nog eens te roepen: "Moeder, moeder." En ja hoor, haar stem klonk zuiver en vriendelijk en leek wel wat op die van Mèn Klodan Klontjing. Nog eens probeerde ze het: "Moeder, moeder, meisjer... meisjer..." De stem klonk mooi, maar wat mankeerde er toch aan? Toen ontdekte ze opeens, dat ze nog steeds de R aan het eind van elk woord zei. Ze werd verschrikkelijk kwaad en ze ging meteen andere planten zoeken. Ze zorgde er wel voor, dat ze nu alleen maar planten nam, die geen R in hun naam hadden. Ze nam bloemen van de lelie, de bakung, en de bol van het chocoladebloempje en pitten van de zonnebloem. Weer ging ze persen en mengen en toen de nieuwe drank klaar was, dronk ze er een hele emmer van leeg. Ze kon het haast niet naar binnen krijgen. Opnieuw probeerde ze te roepen: "Meisjes, meisjes!" Nu klonk het goed. Zachtjes in zichzelf grinnikend liep de reuzin toen naar het slaaphuisje van de tweelingen. En zo vriendelijk als ze maar kon riep ze: "Meisjes, Klodan en Klontjing, maak eens gauw de deur voor moeder open! Ik ben juist teruggekomen van de handel in oliepitten."

Klodan en Klontjing luisterden. En omdat de stem helder en vriendelijk was, net als die van hun moeder, stonden ze allebei op en maakten de deur open: "Klétjék-gedém-borang." Maar wat schrokken ze, toen ze de reuzin met haar grote fonkelende ogen en haar gevaarlijke slagtanden zagen! Ze gaven een gil en riepen om hulp. Maar de reuzin begon hard te lachen en greep de meisjes beet, klemde ze in haar armen en droeg ze haastig naar haar huis. Daar stopte ze de arme kleintjes vlug in een kist en zette die op de vliering.

Toen het avond begon te worden, kwam Mèn Klodan Klontjing thuis. Ze zag dadelijk, dat de deur van haar huisje wijd open stond en vlug liep ze naar binnen om haar kinderen te zoeken. Ze waren er niet. Toen liep ze naar buiten en begon te roepen. Er kwam geen antwoord. Ze zocht hier, ze zocht daar, ze riep en riep opnieuw. Maar nergens was een spoor van de kinderen te vinden. Toen begreep de moeder, dat de reuzin de tweelingen had meegenomen en ze begon heel erg te snikken.

Terwijl ze zo schreiend in haar huisje zat, kwam er een varken naar haar toe en vroeg: "Mèn Klodan Klontjing, waarom huil je zo erg?"

Moeder antwoordde: "Ach, ik ben diep ongelukkig, de reuzin heeft mijn kinderen gestolen."

"Dan begrijp ik waarom je huilt, Mèn Klodan Klontjing," zei het varken. "Houd nu maar op met schreien. Ik ga meteen naar je kinderen zoeken."

"Als je dat doen wilt, heel graag," antwoordde Mèn Klodan Klontjing. "En als je ze vindt, beloon ik je met een trog vol kaf."

Toen kwam er een eend aanwaggelen en die vroeg: "Mèn Klodan Klontjing, vertel me eens, waarom huil je zo?"

Mèn Klodan Klontjing antwoordde weer: "Ach ik ben diep ongelukkig, de reuzin heeft mijn kinderen gestolen."

En de eend zei: "Mèn Klodan Klontjing, houd maar gerust op met huilen, ik zal direct naar je kinderen gaan zoeken."

"Als je dat doen wilt, heel graag," antwoordde Mèn Klodan Klontjing. "En als je de kinderen vindt, dan beloon ik je met padie."

Toen kwam er een hond aangelopen en ook hij vroeg: "Mèn Klodan Klontjing, zeg me toch waarom je zo huilt."

En weer antwoordde Mèn Klodan Klontjing: "Ach, ik ben diep ongelukkig. De reuzin heeft mijn kinderen gestolen."

En ook de hond beloofde: "Mèn Klodan Klontjing, houd dan maar op met huilen. Ik zal meteen je kinderen gaan zoeken."

"Als je dat doen wilt, heel graag. En als je de kinderen vindt, beloon ik je met een grote kluif."

Achtereenvolgens kwamen nu aanhuppelen: de groene kikker, de pad, de boomkikvors, de muis en de reuzenkikvors. Elk van de dieren vroeg vol medelijden aan Mèn Klodan Klontjing waarom ze zo erg huilde. Toen ze hoorden, dat de reuzin de tweeling had meegenomen, wilden ook zij graag meehelpen bij het zoeken. En Mèn Klodan Klontjing beloofde elk wat hij maar lekker vond.

Op het laatst kwamen ook nog de krekel, de sprinkhaan die "kékék" roept en de rode kreeft, die in haar scharen twee fakkels draagt. En ook zij beloofden te zullen helpen bij het zoeken naar Klodan en Klontjing. Zo was er een heel gezelschap in het huisje van de moeder. Er werd druk beraadslaagd wat ze zouden doen. Ze waren het al gauw met elkaar eens en toen besloten ze maar meteen op weg te gaan.

De rode kreeft met de fakkels liep voorop om de weg te wijzen en daarop volgden al de andere dieren: het varken, de eend, de hond, de veldmuis, de groene kikker, de pad, de boomkikker, de reuzenkikvors, de krekel en de sprinkhaan, die "kékék" roept. Het was net een gezelschap muzikanten, dat juist een tocht begint.

Na een poosje kwamen ze bij de buitenpoort van het erf van de reuzin. Ze begonnen meteen zich klaar te maken voor het geven van een dansvoorstelling. De groene kikker, de pad, de boomkikvors en de reuzenkikvors maakten ijverig muziek, nu de een, dan de ander. De eend leidde de melodie, zij deed de rebab na, de grote viool met één snaar. De boomkikvors hielp haar door op de trom te spelen. De groene kikker vrolijkte de muziek op met zijn kwaakgeluiden. Dat klonk een beetje als het slaan op de houten staven van een xylofoon. De reuzenkikvors stelde de grote bronzen gong voor. Hij moest voor de doffe slagen zorgen. De krekel bespeelde de fluit en de kékék-sprinkhaan zong. En het varken? Dat richtte zich op, zodat het op zijn achterpoten stond en danste en huppelde in het rond.

De reuzin zat in haar huis en hoorde dat er bij de muur, die haar erf omringde, muziek werd gemaakt. En nieuwsgierig als ze was, kwam ze naar buiten om te kijken. Daar zag ze het varken in de kring ronddansen. En ze zag al de andere dieren die zongen en geluiden maakten, zodat het klonk alsof er een gamelanorkest speelde. De reuzin sperde haar mond wijd open en schaterde het uit: "Zoiets heb ik van mijn leven nog niet meegemaakt," gierde ze. "Een varken dat danst en dieren, die een gamelanvoorstelling geven!" En ze vond het zo grappig, dat ze besloot om mee te doen. Ze begon heel hard te zingen.

Terwijl de reuzin zong, het varken danste en het gezelschap muziek maakte, sloop de kleine veldmuis weg en holde hard naar het huis van de reuzin. Ze hoorde, hoe Klodan en Klontjing snikten en huilden in de kist. Vlug knaagde ze het touw door, waarmee de kist was dichtgebonden. En daar sprong de kist open! Klodan en Klontjing kwamen te voorschijn. Toen holde de muis terug naar het muziekgezelschap, sloop naar de hond en fluisterde hem in het oor: "Hond, hond, loop vlug naar het huis van de reuzin en draag Klodan en Klontjing op je rug naar hun moeder. Maar blijf achter de huizen lopen, zodat de reuzin je niet kan zien."

Zonder afscheid te nemen liep de hond weg en toen de meisjes eenmaal op zijn rug zaten, rende hij met zijn last naar het huisje van Mèn Klodan Klontjing. Daarna holde hij weer terug. Geholpen door de veldmuis droeg hij toen al de rijkdommen van de reuzin weg. Alles bracht hij op een grote hoop bijeen en ging daar zelf de wacht bij houden. Toen zei hij tegen de muis, dat zij de kreeft moest gaan roepen. Die moest met haar toortsen het huis van de reuzin in brand steken. De muis ging ongemerkt naar de kreeft toe en vertelde haar wat ze moest doen. En zonder dat de zingende reuzin het zag, ging ook de kreeft weg. Met haar toorts stak ze het huis in brand.

Toen het eenmaal zo ver gekomen was, zei het varken, dat het moe was van het dansen en dat het wat wilde rusten. Nu voor het eerst schoot het de domme reuzin te binnen, dat ze zo maar van haar schatten was weggelopen en de deur had open gelaten. Vlug liep ze naar haar huis en daar zag ze meteen, dat de kist open was en dat Klodan en Klontjing verdwenen waren. En al haar rijkdommen waren ook weg! Toen zag ze ineens grote vlammen om zich heen. Ze wilde nog gauw wegvluchten, maar het was al te laat. Het rieten dak van de voorgalerij viel brandend neer en versperde haar de uitgang. Toen grepen de vlammen ook de reuzin zelf en ze verkoolde tot as.

De hond, de muis, de eend, het varken en al de andere dieren droegen nu de rijkdommen van de reuzin naar het huisje van Mèn Klodan Klontjing. Je begrijpt wel dat het daar een echt feest werd. De kinderen waren gelukkig terug en bovendien had Mèn Klodan Klontjing nu zoveel schatten gekregen, dat ze nooit meer naar de pasar hoefde te gaan om oliepitten te verkopen. Ze bleef nu iedere dag bij haar kinderen en samen met hun gasten, de vriendelijke dieren, brachten ze de tijd gezellig door.

_______________________________

De strijd met de menseneters - Een Indonesisch volkssprookje over een avontuurlijke jongeman
Er was eens een dorp, waar iedere dag een monstervogel kwam aanvliegen om een van de inwoners weg te halen en te verslinden en toen dat zo een tijd geduurd had, was er van het hele dorp niemand meer over. Alleen een klein kind was aan de dood ontsnapt, omdat zijn ouders het in een trom verstopt hadden. Toen de vogel gezien had, dat niemand was overgebleven, kwam hij het dorp niet meer bezoeken en onze knaap kroop uit de trom en zocht in de huizen van het dorp en in het bos zijn voedsel bij elkaar. Zo werd hij groot en sterk en hij besloot een makker te zoeken. Hij ging op weg en de eerste avond van zijn tocht at hij de oogst van een hele lansathboom, de volgende avond, van een mangoboom, de derde avond at hij een ramboetanboom leeg. En toen het voor de vierde maal avond was geworden, vond hij een dorp. Hij ging dadelijk naar het huis, dat hem het voornaamste leek, maar hij zag er niemand en hoe hij ook schreeuwde, hij kreeg geen antwoord. Totdat op het laatst van de zoldering een zwak geluid tot hem door drong. Hij deed de deur open, ging de trap op en vond op de zolder een meisje zitten, dat hem vertelde, dat zij door een monster was opgesloten. Zij bood hem sirih-pinang aan, maar waarschuwde hem meteen zeer nadrukkelijk, dat hij deze snel moest opeten en dan zo snel mogelijk moest verdwijnen, omdat de menseneter ieder ogenblik thuis kon komen.

De knaap was echter niet zo gemakkelijk bang te maken en hij zei tegen het gevangen meisje, dat ze hem in een kist moest verstoppen, als de menseneter plotseling thuiskwam.

Nauwelijks had hij het gezegd, of buiten klonk een geweldig lawaai: de menseneter was van zijn tocht teruggekomen. Zodra hij op de zolder was gekomen, snufte hij vervaarlijk en riep: "Ik ruik hier mensenvlees! Ik ruik hier mensenvlees!" Hij vroeg het opgesloten meisje, wie er binnen was gekomen en of die er nog was, of dat hij al was vertrokken. Maar op al die vragen antwoordde zij, dat ze niets gemerkt had en dat er niemand was geweest.

Daarop ging de menseneter slapen, maar midden in de nacht maakte het opgesloten meisje de kist open en spoorde de knaap aan om nu meteen te vluchten, voordat de reus weer wakker zou worden. Hij was echter vastbesloten haar te bevrijden. Zij wees hem de tovermiddelen van de menseneter, op voorwaarde dat hij hem nu ook zou doden. Toen hij dit beloofd had, gaf zij hem een blaaspijp en een bezoarsteen. De volgende ochtend ging hij, met de blaaspijp gewapend, de reus opzoeken en vond hem aan de kant van de rivier, bezig een bad te nemen. Meteen schoot hij de reus recht in het oog, zodat deze omviel en de knaap dacht al, dat het monster onschadelijk was gemaakt. Toen zag hij dat de reus zich weer bewoog, langzaam opstond en naar zijn woning terugkeerde. Geschrokken ging de knaap aan het meisje vragen, hoe dit kwam en toen hoorde hij, dat het leven van de reus op een veilige plaats verborgen was, in een stenen pot achter op de zolder. Zolang de pot niet gebroken was, kon de reus niet sterven. Op haar aanwijzingen vond hij dit kostbare voorwerp. Hij haalde het tevoorschijn, tilde het omhoog en wierp het van boven op de stenen van het erf te pletter. Binnen in het huis klonk een zware slag: de reus was omgevallen om nu niet meer op te staan. Het eerste werk van de held was nu, om de slachtoffers van het monster te bevrijden; hij vond ze in de schuur hangen, op een rijtje, boven het vuur gerookt en gereed om door het monster opgegeten te worden. Maar weer gaf het meisje hem raad: hij moest de bezoarsteen nemen en daarmee de doden bestrijken, dan zouden zij weer levend worden. En zo gebeurde het inderdaad.

Lange tijd bleef onze knaap nog in het dorp van de menseneter, maar toen werd de zucht naar avonturen hem te machtig. Voor het afscheid vertelde het meisje hem, dat er nog negen zulke menseneters waren en dat er in het tiende dorp menseneters woonden met negen hoofden. In plaats van dat het hem afschrikte om daarheen te gaan, was hij vastbesloten deze allemaal te gaan bestrijden. Hij nam zijn blaaspijp en zijn bezoarsteen mee en kwam na een tijdje in een tweede dorp van menseneters, waar hij eenzelfde avontuur beleefde. Weer schoot hij de reus met zijn blaaspijp, maar het hielp weer niet genoeg: de reus stond weer op en strompelde naar zijn woning terug. Hier hoorde de held ook van een meisje, dat ook dit monster opgesloten hield, dat zijn leven gebonden was aan een pot, die met water gevuld was. Zij wees hem de plaats, waar die pot stond en met zijn hiel trapte hij er een groot gat in, zodat het water eruit stroomde en daarmee tegelijk het leven uit het reuzenlichaam wegvloeide.

Dit meisje was nog mooier dan het vorige en hij hield veel van haar. Lange tijd bleef hij bij haar, maar eindelijk verging het hem net als bij het eerste opgesloten meisje, hij kon zijn lust naar avonturen niet bedwingen en trok er op een goede dag weer op uit. En weer kwam hij in een dorp van een reus en weer moest hij vechten, met een monster. Zo ging dat negen maal, totdat hij eindelijk in de woning van de reus met de negen koppen was aangekomen. Dat was een bijzonder vraatzuchtige reus: als hij at verslond hij negen grote potten met voedsel in een hap, want in elk van zijn negen monden ging een heel potvol tegelijk. En als hij pruimde dan had hij nodig een hele tros pinangnoten en een hele sirihstruik en een hele bamboegeleding kalk en een hele bamboegeleding tabak. Zijn speer was een uit de grond getrokken klapperstam en als hij zijn krijgsgeschreeuw aanhief, ging het dorp van zijn vijanden in vlammen op. Toen de zon was ondergegaan, verstopte onze knaap zich onder een rijstschuur. Maar het hielp hem niet; al snel kwam de reus aangestapt, vervaarlijk snuivend en aldoor roepende: "Ik ruik mensenvlees! Ik ruik mensenvlees!" De knaap werd tevoorschijn getrokken en toen hij vertelde dat hij gekomen was om met de reus te vechten, beloofde deze hem deze onder ijselijke dreigementen dat hij de volgende morgen de gelegenheid zou krijgen.

De knaap voelde zich niets op zijn gemak, nu hij dit monster gezien had. Maar zie, terwijl hij daar wakker lag, kwam er een vuurvlieg aanvliegen, die hem vertelde, dat hij het niet handig aangepakt had, want de reus met de negen hoofden was onoverwinnelijk.

"Kan hij dan nooit gedood worden?" vroeg de knaap.

"Jawel," zei de vuurvlieg, "maar dan moet je de steen bezitten, die hem onoverwinnelijk maakt en die steen is een bezoarsteen, die toverkracht bezit."

"Waar is die dan verborgen?"

"Hij ligt op de bodem van een mand, die volgestopt is met allerlei dingen. Ik kan hem daar niet vandaan halen," antwoordde de vuurvlieg.

Maar de knaap wist al genoeg; toen hij onder de rijstschuur een muisje zag rondtippelen, beloofde hij haar een stukje gedroogd klappervlees, wanneer zij voor hem de steen ging halen. De muis knabbelde de mand open, haalde de steen te voorschijn en liep daarmee in haar bek naar de knaap.

Toen de volgende morgen was aangebroken stapte de reus voorwaarts en hief een vervaarlijk krijgsgeschreeuw aan, maar de plaats waar onze knaap zich bevond, ging niet in vlammen op. Weer schreeuwde hij en weer was het vergeefs. Zo ging het vier keer. Daarop schreeuwde de knaap en zie op hetzelfde ogenblik ontstond er een geweldig vuur. Verschrikt riep de reus: "Jij hebt mijn bezoarsteen! Heb jij die steen van mij weggenomen?"

En spottend antwoordde de knaap: "Hoe zou ik die hebben kunnen wegnemen? Kon ik weten waar die steen was?"

Maar de krachten van de reus verminderden snel en hij viel neer op de grond. Voor hij de laatste adem uitblies, zei hij tegen de knaap: "Als ik dood ben, dan moet je mijn middelste hoofd splijten en dan zal je in de hersenen een rond stuk goud vinden. Dat moet je nemen."

Toen het monster dood was, deed de knaap wat hem gezegd was en begroef hij de reus. Hij ging nu naar het huis, waar hij niet minder dan negen opgesloten meisjes vond, die allemaal op zolder gevangen zaten. Hij klom naar de zolder en zag, dat ze alle negen wondermooi waren, maar dat er toch een was, die de allermooiste was van allemaal. Met haar trouwde hij en toen bracht hij acht door de reus gedode jongemannen weer tot leven, die hij daarop aan de acht andere meisjes ten huwelijk gaf. En alle andere slachtoffers van de reus werden weer levend gemaakt. Hij droeg ze op om de landbouw te gaan beoefenen.

Zo leefde hij in dat dorp een hele tijd zeer gelukkig en tevreden. Hij vertelde zijn vrouw, dat hij niet zou rusten, voor hij alle menseneters gedood had. Zij antwoordde hem, dat hij rustig blijven kon, want dat er na de dood van dat negenkoppige monster geen menseneters meer waren. En daarop bleef onze held als vorst van dat dorp er nog lange tijd wonen.


____________________

Hoe de ziel van Tisna Wad in de bergrijst kwam
Tisna Wati, de dochter van Batara Goeroe, een der goden, woonde bij haar vader in de godenhemel.
Nu was Tisna Wati wel een heel mooi, maar ook een heel lastig godinnetje, dat het in de godenhemel lang niet prettig vond. Soms, als ze op..de aarde neerkeek en daar, diep beneden haar, de mensenwriemeling zag, zuchtte ze vaak: 'Ach, was ik maar een gewone sterveling!' En als Batara Goeroe was uitgegaan om om oorlog'te voeren tegen de boeta's en demonen, die de lucht onveilig maakten, dan morde Tisna Wati omdat zij niet met haar vader mee ten strijde kon trekken. Als haar vader uit de oorfog terugkwam was Tisna Wati heel lastig en danig uit haar humeur. Ze was dan stug en onvriendelijk, en eens, toen ze zelfs niet wilde spreken, begon dit Batara Goeroe te vervelen. 'Kom jij eens hier', sprak hij op strenge toon, 'ik heb genoeg van je gemor en je kuren, en daarom zou ik niets liever doen dan je naarde aarde sturen en een gewoon stervelingvan je maken, maar dat kan helaas niet, omdat je van het levenswater hebt gedronken en dus onsterfelijk bent. Maar ik heb iets anders voor je bedacht. Ik zal onder de jonge goden een bruidegom voor je zoeken, die mij flink genoeg lijkt om jou je malle kuren af te leren.' O ik weet al een bruidegom, vader!' riep het godinnetje vrolijk. 'Wie dan?' vroeg Batara Goeroe streng.
'Toch geen van de jonge boeta's hoop ik. Want ik wil beslist niet, dat je trouwt rnet!'de zoon van mijn vijanden...'.'0, nee vader, het is helemaal geen boeta, en hij woont niet in de lucht en ook niet in de godenhemel; hij woont beneden op de aarde. Kijk, nu kunt u hem juist zien. Het is die knappe Jongeman, die dat rijstveld omploegt, dat daar tegen de heuvel ligt...' 'Maar dat is een mensenkind!' riep Batara Goeroe boos uit. 'Dat is een gewone sterveling, daar kan jij, als godendochter nooit mee trouwen.' 'Maar ik wil met hem trouwen', schreeuwde Tisna Wati stampvoetend, 'ik wil met niemand anders trouwen dan met hem. Hij zal mijn man worden, ook al moest ik voor altijd de godenhemel verlaten en een mens worden, zoals hij.' 'En ik zeg je, dat je hem niet trouwen zult', stoof Batara Goeroe op. 'Liever verander ik je in een rijsthalm. En je zult zo gauw mogelijk een zoon van de goden trouwen, versta je!' Toen ze haar vader, die anders zo toegeeflijk en goed voor haar was, nu opeens zo boos zag, werd Tisna Wati bang. Ze vreesde dat het met haar zou gaan als met de vrouw van Vishnoe, de lieve Dewi Sri die, omdat ze ongehoorzaam was geweest, door Vishnoe, gedood was, en die, toen ze onsterfelijk bleek te zijn, in een rijsthalm was veranderd. Zo zat nu in de sawah-rijst nog altijd de onsterfelijke ziel van Dewi Sri, de lieve godin. Maar Tisna Wati was niet zo gedwee als Vishnoe's gemalin, zij zou zich nooit in een rijsthalm laten veranderen en nooit, nooit zou ze een godenzoon trouwen, omdat ze alleen hield van de jongeman, die het rijstveld tegen de heuvel omploegde. De volgende dag zou Batara Goeroe er op uit gaan om een bruidegom voor zijn dochter te zoeken. Hij stond al klaar om te vertrekken, maar toen kwam het bericht dat de boeta's en de demonen weer de lucht onveilig maakten, en Batara Goeroe moest weer ten strijde trekken. 'Als ik terug kom, breng ik je bruidegom mee', zei hij tegen zijn dochter. En Tisna Wati sprak gedwee: 'Het is goed, vader!' Maar ze wachtte zijn terugkomst niet af.
Nauwelijks was haar vader heengegaan, of, gedragen op de vleugels van de wind, daalde het godendochtertje op de aarde neer. En zelfs de wind was haar goedgezind, want hij bracht haar tot vlak bij de heuvel, waar de jongeman het rijstveld omploegde.
'Nu kan ik hem eens goed bekijken', dacht Tisna Wati, en toen ging zij op de heuvelhelling zitten en wachtte geduldig tot de jongeman haar zou opmerken. Dat gebeurde al snel. En omdat hij niet wist dat het een godendochter was, die daar zat, ging de jongen naar Tisna Wati en vroeg: 'Wat zoekt je hier, mooi meisje?' 'Ik zoek mijn bruidegom', antwoordde het meisje lachend. Bij dit vreemde antwoord begon ook de jongen te lachen. Maar dit lachen was Wati's ongeluk, want haar luide, vrolijke stem drong door tot de plek waar haar vader tegen de boeta's en demonen streed. En hoewel in het heetst van de strijd, luisterde hij met beide oren en keek daarna vanuit de lucht op de aarde neer, waar hij zijn dochter zag.
Naast haar zat een jongeman en beiden lachten nog vrolijker en luider dan eerst. Razend van woede werd Batara Goeroe toen hij dit zag. Plotseling gaf hij de strijd tegen zijn vijanden op en nu daalde ook hij op de aarde neer.
Toen hij bij de plek kwam waar zijn dochter zo vertrouwelijk naast de jongeman zat, bulderde hij haar toe: 'Kom, vooruit, mee terug naar de godenhemel!' Maar Tisna Wati dacht niet aan teruggaan naar de godenhemel. Ze hield werkelijk van de jongeman, en haar liefde was sterker dan Batara Goeroe's wil.
'Nee', sprak ze beslist, 'ik keer niet meer naar de godenhemel terug, liever word ik een gewoon sterveling en blijf bij mijn bruidegom op de aarde... 'Dan zal je er ook blijven', sprak Batara Goeroe, 'maar niet als godendochter en ook niet als mens. Je zult een rijst-aar worden en je ziel zal voortaan een zijn met deze tegal.' En terwijl de vertoornde Batara Goeroe dit zei, werd Tisna Wati een slanke rijst-aar. Nu ze als een slanke halm in de vers omgeploegde aarde stond, boog ze zich naar de jongeman, en deze liefkoosde de halm, maar zei niets. Aan ploegen dacht hij niet meer, hij deed niets anders dan kijken naar die ene halm. Toen Batara Goeroe dit zag kreeg hij berouw. 'Ik had ze toch eigenlijk wel bij elkaar kunnen laten', mompelde hij, 'nu is er echter niets meer aan te veranderen, een rijst-aar moet ze blijven, Want haar ziel zit nu in deze tegal. Maar hem zou ik ook wel in een rijst-aar kunnen veranderen...' En toen Batara Goeroe ook dit had gedaan, zag hij hoe de twee halmen zich naar elkaar toe bogen, alsof ze wilden vertellen, hoe lief de een de ander had. En hij schudde goedkeurend zijn reusachtig godenhoofd, en mompelde: 'Zo is het goed.' En sinds die dag, zo luidt de overlevering, zit nog altijd de ziel van Tisna Wati in de bergrijst, zoals de ziel van Dewi Sri in de sawah-rijst zit. Maar waar de ziel is heengegaan van de jongeman, die ook in een rijst-aar werd veranderd, dat kan niemand vertellen.


_________________

De eigenzinnige prins - Een wondersprookje uit Indonesië over bijzondere tovervoorwerpen
Op een dag had een prins de afspraak gemaakt met een prinses dat zij hem 's nachts zou komen bezoeken. De prins zei tegen zijn slaven: "Zorg dat jullie wakker blijven! Wanneer de prinses komt moeten jullie mij wekken!" En de prins sliep in. Toen het middernacht was geworden kwam de prinses, en meteen gingen de slaven naar de prins toe om hem te wekken. Maar wat zij ook deden, zij konden hem niet wakker krijgen. De prinses wachtte een hele tijd tevergeefs, maar toen zij zag dat de prins toch niet wakker werd, reed zij in haar rijtuig weg.

Na een tijdje werd de prins wakker. Hij hoorde, dat de prinses geweest was en vroeg aan zijn slaaf: "Waarom heb je mij dan niet gewekt?"

De slaaf verontschuldigde zich: "Heer, ik heb u wel geroepen, maar u kon niet wakker worden."

De prins geloofde de woorden van de slaaf niet en woedend, omdat zijn bevel niet was opgevolgd, trok hij zijn zwaard en sloeg de slaaf dood.

Meteen veranderde de slaaf in een paard, dat spreken kon. Toen zei de prins: "Dan zal ik je berijden en ik zal naar het huis van de prinses gaan."

Het paard antwoordde: "Goed, laten wij gaan!"

Onderweg kwamen zij aan een zijweg. Het paard zei: "Het zal het beste zijn, als wij deze zijweg nemen."

Maar de prins wilde er niets van weten. Hij zei: "Je moet rechtdoor rijden, en doe je dat niet, dan word ik kwaad en zal ik afstappen en je doodslaan."

Toen zei het paard: "Dan zullen wij rechtdoor gaan."

Een eind verder ontmoetten zij twee mannen, die met elkaar twistten over een geitenvel. De prins maakte een eind aan die ruzie door zich van het vel meester te maken.

Een tijdje later kwamen zij weer bij een zijweg en weer wilde het paard die inslaan, maar de prins werd weer kwaad en dreigde weer dat hij het paard zou doden, wanneer het zijn bevel niet opvolgde. Het paard reed rechtdoor.

Daarna kwamen zij bij twee sprekende meren. Het ene zei: "Dood," en het andere: "Leven."

De prins nam twee flessen en vulde die met elk van de beide wateren. "Zie je nu wel," zei hij tegen het paard, "als wij niet rechtdoor gereden waren, dan zouden wij deze dingen immers niet gekregen hebben. Ik verbaas me over je domheid. We zullen altijd rechtdoor moeten rijden, dan vinden we nog meer kostbare dingen."

Na een poosje bereikten zij weer een zijweg en het paard zei ook deze keer, dat de prins die moest inslaan. En het ging als de voorgaande keren.

Deze keer kwamen zij bij twee mensen die ruzie maakten over een veer. Die vogelveer kon als zij maar even heen en weer werd bewogen, allerlei eetbare dingen en andere kostbare zaken te voorschijn te brengen. De prins maakte weer een eind aan de ruzie door de veer mee te nemen. En toen hij door reed, zei hij tegen het paard: "Zie je nu wel, dat je me altijd de verkeerde raad geeft? Gelukkig maar dat ik bij mijn besluit gebleven ben. Wie weet waar we terecht waren gekomen als ik jouw advies had opgevolgd!"

Het paard zei: "U hebt gelijk heer! Maar u hebt nog niet alles wat voor u bestemd is. En als u alles zult hebben, let op mijn woorden, dan zult u daar nog spijt van krijgen!"

De prins werd weer boos en zei: "Wat zeg je daar? Als je het nog eens zegt, dan zal ik je dood slaan."

Toen ze weer verder gingen kwamen ze bij de woning van een vorst; hij bond het paard aan een boom en ging het paleis binnen. Daar beroemde de prins zich erop, dat hij een slaaf kon doodslaan en daarna weer tot leven brengen. Dat wilde de koning wel eens zien. De prins goot het doodswater over een slaaf uit en deze viel meteen dood neer, maar daarna besprenkelde hij hem met het levenswater en de slaaf stond gezond en wel weer op.

Nu vertoonde de prins een ander kunststuk: hij draaide de vogelveer in het rond en in een ommezien stonden een heerlijke maaltijd en de prachtigste voorwerpen voor hun ogen. Toen zij klaar waren met eten en drinken, zei de vorst tegen de prins: "Ga dadelijk het water voor mij halen en ga de vogel waarvan je een veer hebt, voor me vangen."

Dat had de prins niet verwacht en hij was helemaal ondersteboven van dit bevel. Hij keerde bij zijn paard terug en klaagde: "Ik zou mijn hoofd wel tegen die rotsen willen verpletteren, zo ongelukkig voel ik me. De vorst wil dat ik de wondervogel ga halen, waarvan ik de veer heb. Maar hoe moet ik dat toch aanpakken, vriend? Bovendien moet ik voor de koning de beide meren opzoeken en daaruit water voor hem scheppen."

Het paard, zei: "Wat heb ik u gezegd, onlangs, toen wij op weg waren? Ik zei: laten wij de zijweg nemen, anders zal het ons berouwen. Nu weet u niets anders te doen dan te huilen en te klagen, maar een oplossing hebt u niet. Ik zal u een raad geven. Ga op het geitenvel zitten en u zult hoger kunnen vliegen dan alle vogels. Zo zult u de wondervogel kunnen vinden en die moet u vangen. Ga dan verder totdat u aan de beide meren gekomen bent, schep het water uit de beide sprekende rivieren en breng het hier."

De prins ging op het geitenvel zitten en vloog daarmee weg. En zo slaagde hij erin om vijf van die wondervogels te vangen. Hij vond de twee meren terug en vulde tien flessen met het sprekende water en bracht die voor de koning mee.

En zie, de koning was de vader van de prinses, die hem had willen opzoeken en nu mocht hij met de prinses trouwen en toen keerde hij naar zijn eigen land terug. Hij sloeg het paard dood, en besprenkelde het met het levenswater en het paard veranderde weer in een slaaf.

___________________________

De vrouw die rijkdom wilde
Er was eens een weduwe van ongeveer veertig jaar oud, die zich in een redelijke welstand mocht verheugen. Ze had echter een verderfelijke ondeugd, die zij maar niet kon laten, en dat was: opium schuiven. Dat was haar zo lief, dat al spoedig al haar geld op was en zij in moeilijkheden kwam. Daarom besloot zij naar de Rijkdomschenker van Bera in Klaten te gaan om rijkdom te verkrijgen. 

Ze begaf zich naar Klaten en zette bij de bewaker van het heiligdom het doel van haar bezoek uiteen. Nu moest zij enkele dagen mediteren en afwachten of de Rijkdomschenker haar wens wilde vervullen. Tot haar grote vreugde werd haar smeekbede gunstig ontvangen en de bewaker wees haar enkele bladeren, die zij moest plukken. Wanneer zij dan was thuisgekomen, moest zij een offergave klaarzetten, bestaande uit een grove mat, een aarden lampje, bloemen met boreh-smeersel, en onafgebroken omhoogkringelende wierook. De weduwe deed wat haar gezegd was en begaf zich op weg naar huis. 

Thuisgekomen legde ze de bladeren in de keuken en zette de offergaven klaar. Daarop veranderden de bladeren in een groen duiveltje en de weduwe sprong op van vreugde. Om haar zonderlinge dienaar niet meteen af te schrikken met haar vele wensen, besloot zij dat zij hem een paar dagen met rust zou laten. De tijd verstreek en het bezit van de weduwe slonk zienderogen. Nu werd het hoog tijd om haar bezittingen wat aan te vullen, vond de weduwe en zij maakte haar wensen kenbaar aan het groene duiveltje in haar keuken. Daarop liet zij het duiveltje alleen. 

De volgende morgen, toen zij ging kijken of het duiveltje er alweer was, zat hij nog steeds op dezelfde plek en verroerde geen vin. En hij had niets meegebracht. De weduwe werd boos, maar omdat ze het geld toch wel heel hard nodig had, gaf ze het duiveltje nogmaals een opdracht. Maar ook nu bleek de volgende dag, dat het duiveltje niets bij zich had. Toch probeerde de weduwe het weer, en weer, en weer, maar uiteindelijk gaf ze het op. Als hij dan geen geld voor haar kon stelen, nu, dan moest hij maar het huishouden doen, vond zij en zij gaf haar dienaar een aantal bevelen. Maar algauw bleek dat hij ook voor het huishouden niet deugde, want hij bleef maar op zijn plek zitten en verroerde zich niet. 

Ten langen leste brak de dag aan dat de weduwe al haar bezittingen had opgeteerd en aan opium verdaan, er was nu niets meer wat zij nog te gelde kon maken. Al in tijden had zij geen pijpje meer kunnen roken en daarom hield zij het niet meer uit. En al die tijd zat die nietsnut van een duivel in haar keuken. Als hij nog ergens voor wilde deugen, dan moest hij haar maar eens gauw aan wat opium helpen. Waar hij het vandaan haalde, dat kon haar niets schelen. Maar ook nu bleef het duiveltje zitten waar hij zat en verroerde hij geen vin. Hij bleef botweg voor zich uit zitten kijken en trok zich niets van zijn meesteres aan. 

Toen was het geduld van de weduwe ten einde. Ze ontstak in hevige woede, pakte de opiumpijp, en pats! Daar gaf ze het duiveltje een harde tik mee op zijn hoofd. De stukken van de pijp vlogen links en rechts, en het duiveltje... was spoorloos verdwenen. 

Met de weduwe, die zich zo zonder overleg aan de Rijkdomschenker van Bera had verkocht, liep het anders af dan ze zelf verwachtte toen ze die onbezonnen koop sloot. Ze werd wel rijker, maar... aan schulden en narigheid.

__________________________

Woeloer - Een Indonesisch sprookje over een jongen en een sprekend visje
De zoon van een arme vrouw heette Woeloer. Eens, toen hij al groot was geworden, speelde hij bij de vuilnishoop en raapte een speld op. Daarop maakte hij een hengelhaak van die speld, en ging er mee hengelen aan het strand. Hij ving een klein visje. Verheugd zei Woeloer: "Wel, wel, er zal dus een visje zijn voor moeder en mij om te eten."

Maar de vis begon te spreken en zei: "Eet mij niet op. Wanneer je mij laat leven, zal je nog veel nut van mij hebben."

"Als dat zo is," antwoordde Woeloer, "dan zal ik je niet doden."

Daarop liet Woeloer de vis los en keerde naar huis terug. Onderweg ontmoette hij de dochter van de koning en hij vond haar zo mooi, dat hij wel met haar wilde trouwen. Thuisgekomen vertelde hij het aan zijn moeder, maar die lachte hem uit om dat dwaze plan en zei: "Hoe komt het bij je op! Wij zijn immers arme mensen en hoe zou je dan de dochter van de koning kunnen trouwen?"

Maar de gedachte liet Woeloer niet los. De volgende dag ging hij weer naar het strand, om daar te hengelen. Toen hij daar gekomen was, riep hij: "Ach, visje! Visje!"

Meteen kwam de vis aanzwemmen en vroeg: "Wat verlang je?"

"Gisteren heb ik de dochter van de koning gezien en ik wil met haar trouwen. Maar dat is niet mogelijk, want ik ben het kind van arme mensen."

"Ga gerust naar de koning," zei de vis, "en vraag hem zijn dochter tot vrouw. Wees maar niet bang!"

Daarop ging Woeloer naar huis. Onderweg zag hij een mier, die aldoor maar in het rond liep. "Waarom doe je dat?" vroeg Woeloer.

De mier antwoordde: "Geef mij water!" Dat deed Woeloer en nu zei de mier: "Wanneer je iets van mij nodig mocht hebben, kom dan hier en roep me!" Daarop verdween de mier en Woeloer vervolgde zijn weg.

De volgende morgen ging hij naar de koning en vroeg of hij alsjeblieft de prinses tot vrouw mocht hebben. De koning zei: "Vraag het haar zelf maar!"

Hij deed dat en daarop gaf zij het volgende antwoord: "Als je voor mij de ring kunt halen, die gezonken is in het diepst van de zee, dan wil ik met je trouwen."

Woeloer keerde terug en vertelde aan de vis, wat de prinses gezegd had. En de vis antwoordde: "Kom hier morgen terug en dan zal ik hem aan je geven."

Het was de volgende morgen nog heel vroeg, toen Woeloer weer aan de kant van de zee stond. Hij riep: "Ach, visje. Visje!" En het duurde niet lang of de vis kwam aanzwemmen en reikte Woeloer de ring aan. De vis verdween weer in de zee, Woeloer ging naar de prinses en gaf haar de ring. De prinses was zeer blij dat zij die ring had teruggekregen. Ze zei: "Nu je mij de ring hebt teruggegeven, wil ik ook mijn belofte nakomen en met je trouwen."

Maar de koning verzette zich ertegen en wilde van het huwelijk niets weten. Toen vluchtte Woeloer met de prinses naar een ander dorp. Zij vonden er een huis en bleven daar wonen.

Een tijd later gebeurde het, dat de prinses ging baden. Zij kwam in de buurt van de plaats, waar de koeherder van de koning zijn kuddes hoedde. Toen die haar zag, vergat hij helemaal op de dieren te letten, zodat deze maar overal rondliepen en de aanplant van de dorpelingen vertrapten en opaten. Daarop gingen deze mensen naar de koning zich beklagen over deze koeherder, die niet voor zijn kudde zorgde. De koning riep hem bij zich en vroeg hem: "Waarom heb je de koeien aan hun lot overgelaten, zodat zij de aanplant van de dorpelingen hebben opgegeten?"

"Het is waar, dat ik niet op de koeien heb gelet, o koning, maar de reden was deze: ik zag een meisje zo schoon, dat zij nog mooier was dan de koningin."

Toen ontbood de koning Woeloer en dreigde hem, dat hij hem zou laten doden, als hij niet in een klapperboom kon klimmen, die hij hem aanwees. En dat was een klapperboom, die nog nooit door iemand was beklommen, omdat iedereen die dat probeerde, sterven moest. Woeloer keerde terneergeslagen terug en aan het strand gekomen, riep hij de vis en vertelde hem in welke moeilijkheid hij zich bevond.

"Je hoeft niet bang te zijn," zei de vis. "klim gerust in die boom, maar als je bovenin gekomen bent, moet je een jonge kokosnoot plukken en die mee naar beneden nemen. Breng die mee naar uw huis en splijt die daar in tweeën."

Daarop keerde Woeloer terug en klom in de klapperboom. Toen hij boven was, plukte hij een jonge noot en bracht die mee naar beneden, zoals de vis hem geraden had. Thuis gekomen spleet hij die noot in tweeën. En zie, uit de noot kwam een mooi meisje te voorschijn en met haar trouwde hij nu, omdat de koning hem zijn vorige vrouw had afgenomen.

Op zekere dag was deze vrouw van Woeloer voor het venster van hun huis gaan zitten. En daar zag de koeherder haar. Hij werd zeer getroffen door haar schoonheid. En toen hij 's avonds in het dorp was teruggekeerd, vertelde hij aan de koning, wat hij gezien had: "Ik kan u vertellen, o koning, dat die Woeloer weer een vrouw heeft, die nog veel mooier is, dan zijn vorige."

Dadelijk liet de koning de vrouw van Woeloer weghalen en hij gaf aan Woeloer zelf het bevel: "Ga het Levende Water halen, want als je dat niet doet, zal ik je laten doden."

Woeloer ging naar het strand en riep "Ach, visje! Visje!" Deze dook weer omhoog en vroeg: "Waarvoor heb je mij nu nodig?"

Woeloer vertelde hem, wat de koning nu weer van hem verlangde. En de vis zei: "Stijg op mijn rug en ik zal je naar het land brengen waar het Levende Water is."

"Hoe zou dat kunnen? Jij bent immers zo klein, dat ik niet op je rug zou kunnen zitten."

Maar meteen werd de vis heel groot, zodat Woeloer op zijn rug kon plaatsnemen en meteen zwommen zij de zee in. Onderweg zag de vis in de verte een land liggen. Hij wees het aan Woeloer en zei: "Daar is het land, waar je het Levende Water zult vinden."

Weldra kwamen zij aan het land en Woeloer liep het strand op. Daar zag hij een vrouw zitten aan de rand van een waterleiding en deze vroeg aan Woeloer: "Waar ga je heen?"

"Ik ben hier gekomen om het Levende Water te halen."

"Op één voorwaarde kan je dat krijgen: dan moet je mij tot vrouw nemen."

"Dat is goed," zei Woeloer. "De koning heeft mij mijn vorige vrouw afgenomen, zodat ik graag met je wil trouwen."

Nu nam Woeloer een bamboekoker en daarin deed hij het Levende Water. Daarna bestegen zij beiden de vis, die hen weer naar het land van de koning terugbracht. Maar toen Woeloer vlak bij het huis van de koning gekomen was, had hij het ongeluk de bamboekoker met het Levende Water te laten vallen.

Woeloer was zeer bedroefd, omdat hij vreesde, dat de koning hem zou doden. Opeens bedacht hij zich, dat hij de mier om hulp kon vragen. En hij had de mier nog niet geroepen, of deze kwam en Woeloer vroeg: "Heb medelijden met mij! Ik heb hier het Levende Water laten vallen. En de koning heeft gezegd, dat ik zou worden gedood, als ik hem het Levende Water niet zou brengen."

"Vroeger heb je mij geholpen, nu is het mijn beurt om jou te helpen." Toen ging de mier al zijn onderdanen samenroepen en beval hun het Levende Water weer bijeen te verzamelen, zodat alles in de bamboekoker terug was. Woeloer bracht daarop het water naar de koning.

Maar Woeloer was zo bang geworden voor de achtervolgingen van de koning, dat hij niet langer in diens land wilde blijven. Met zijn vrouw vluchtte hij naar het strand, besteeg daar weer de rug van de vis en keerde terug naar het dorp van zijn moeder, waar hij voortaan bleef wonen.

____________________________

Het sprookje van de neushoornvogel - Een Sumatraans sprookje over een extreem jaloerse prins
Enggang Gading - Neushoornvogel - Helmeted HornbillIn de bossen van Sumatra leeft een vogel, die zijn eigen naam roept. 's Morgens heel vroeg, nog voor het helemaal licht is, kun je op de berghellingen zijn krassend geschreeuw al horen. Zodra het mannetje wakker is, roept hij zijn wijfje: "Enggang! Enggang!" En zij antwoordt met dezelfde roep: "Enggang! Enggang!" 's Nachts slapen ze in verschillende bomen. Daarom roepen ze elkaar 's morgens net zo lang, tot ze bij elkaar zijn. Daarna zoeken ze samen hun ontbijt.

Enggang is een grote vogel, wel zo groot als een kalkoen. Hij heeft een prachtig glanzend groenzwart verenkleed en zijn staart is versierd met brede witte banden. Op zijn heldergele snavel draagt hij een hoorn. Daaraan herken je hem meteen als je hem ziet. De mensen noemen hem: "Enggang Gading," dat betekent: Engang-met-de-hoorn. En zijn wijfje wordt "Enggang Papan" genoemd: Enggang-met-de-plank. Wonderlijke bijnamen, vind je niet? Ik zal je vertellen waarom ze deze namen gekregen hebben.

Enggang, de Neushoornvogel, zoals hij in onze taal heet, heeft niet altijd op Sumatra gewoond. Eeuwen en eeuwen geleden leefde er in het land van Padang, aan de voet van de Singalanberg, een vorst. Hij was rijk, jong en vrolijk. Wanneer hij met zijn vrienden op jacht ging, dan kon je ze in de bossen horen lachen. En de mensen zeiden tegen elkaar: "Hoor, daar gaat prins Enggang."

Hij was een goed jager. Als zijn pijl doel trof, was de prins vreselijk blij en plaagde zijn jachtgenoten, die niet zoveel geluk hadden. Maar o wee, als een ander meer wild schoot dan hij. Dan had Enggang moeite zich te beheersen. Dan reed hij met een boos gezicht naar het paleis terug. En de mensen fluisterden tegen elkaar: "Er wordt niet gelachen. De prins heeft vandaag geen geluk gehad." Het duurde dikwijls tot de avond, voordat Enggang weer in zijn humeur was. En soms was zijn boze bui zo erg, dat hij zich in zijn eigen vertrekken terugtrok en zich de hele avond niet meer liet zien.

Prins Enggang hield ook veel van hanengevechten. Hij had de mooiste en sterkste hanen die er te vinden waren. Bij de gevechten zat hij altijd vooraan. Als zijn dieren wonnen, wat natuurlijk meestal gebeurde, was hij vrolijk en opgewekt. Vaak gaf hij dan zelfs geschenken aan de eigenaars van de hanen, die van zijn dieren verloren hadden. Liep het echter eens anders, dan beweerde hij dat het niet eerlijk was toegegaan. Meestal dwong hij in zo'n geval de eigenaar van de overwinnende haan om deze opnieuw te laten vechten en wel tegen verse hanen van de prins. Net zo lang tot de overwinnaar dood was, zodat nooit iemand er zich op kon beroemen, dat hij betere vechthanen had dan de vorst. Het was erg jammer, dat de prins zo jaloers was. De mensen hielden wel van hem, maar het is te begrijpen, dat ze ook een beetje bang voor hem waren.

Langzamerhand viel het iedereen op, dat prins Enggang niet zo dikwijls meer op jacht ging. Ook gebeurde het steeds vaker, dat hij hanengevechten oversloeg. Toch was dat niet, omdat hij bang was te verliezen. Nee, Enggang voelde zich niet gelukkig. Hij was eenzaam. In de dessa's (dorpen) woonden zijn onderdanen: vaders en moeders met hun kinderen. Die mensen waren dikwijls heel arm, maar zij hadden toch iets wat de prins ontbrak: ze hadden gezelschap aan elkaar. Zij hoefden zich nooit eenzaam te voelen. Er waren aan het hof van de prins natuurlijk wel edellieden, maar die moesten hun vorst altijd eerbied bewijzen. En hij kon nooit eens echt vertrouwelijk met iemand praten. Ja, prins Enggang voelde zich erg alleen. Dat duurde zo een hele poos. Maar op zekere dag, nadat de prins de hele nacht rusteloos op en neer had gelopen, was hij plotseling veranderd. Hij lachte weer en hij gaf bevel alles in orde te maken voor een lange tocht. Er klonk vrolijk rumoer door het paleis en de bijgebouwen. In de stallen borstelden de paardenjongens de rijdieren en iedereen verheugde zich erover, dat de prins weer vrolijk was.

Prins Enggang had een besluit genomen. "Het is een heel belangrijk besluit," zo had hij tegen de hovelingen gezegd. "Ik ga een bruid zoeken! Een prinses! Morgen reis ik met een aantal van u naar de hoven van andere vorsten. En we keren niet terug, voordat ik een bruid heb gevonden, die bij mij past."

Zo trok dus prins Enggang met zijn gevolg van het ene hof naar het andere. Overal was de gast hartelijk welkom. Er werden feesten gevierd, maar steeds weer trok de prins na een paar dagen verder. Totdat hij aan het Menangkabause hof kwam. Daar woonde de schone en lieftallige prinses Rangkong. Zodra hij haar zag, wist hij: "Zij zal mijn bruid worden."

Het Menangkabause hof lag hoog in de bergen. Er omheen, verscholen op de hellingen, lagen de desa's, waar de onderdanen van de vorst woonden. Dat waren eerlijke, vlijtige en vriendelijke mensen. Prinses Rangkong ging vaak naar ze toe, ze praatte met ze en ze speelde graag met de kinderen. Zij zorgde er ook voor, dat de zieken en gebrekkige uit het dorp geholpen werden. Haar vader moedigde dit aan. "Als je later vorstin bent," zo zei hij vaak, "dan moet je van het volk houden. En dan kun je er zeker van zijn, dat zij ook jou liefhebben."

Prins Enggang bleef wekenlang de gast van de goede vorst van Menangkabau en iedereen was opgetogen over de vrolijke prins uit Padang. Allen hoopten, dat hij prinses Rangkong tot zijn bruid zou kiezen. En toen hij dat tenslotte ook deed, was er overal grote blijdschap. De prinses zelf was misschien wel het gelukkigst van allemaal, want zij was veel van prins Enggang gaan houden.

Het huwelijksfeest werd met grote pracht en praal gevierd. Dagenlang klonk de muziek en iedere dag opnieuw werden er de heerlijkste gerechten klaargemaakt. Het was een drukke tijd. Alles moest in orde gebracht worden voor het vertrek van de prinses. Een aantal edellieden en bedienden van het hof van haar vader zouden met haar meegaan, zodat ze in de nieuwe istana (paleis) een paar oude bekenden bij zich zou hebben.

Toen de stoet vertrok, kwamen alle mensen uit hun huizen om de prinses vaarwel te zeggen. De kinderen holden een heel eind mee. En iedereen bleef wuiven zolang er nog maar iets te zien was, want de prinses was erg geliefd.

Het bericht, dat prins Enggang met zijn bruid in aantocht was, bereikte al dagen tevoren de desa's in het Padangse land. En ook daar stonden de mensen langs de wegen. De moeders tilden hun kinderen op, om ze het vorstelijke paar te laten zien. En de prinses lachte allen vriendelijk toe. In de istana van prins Enggang werd opnieuw een groot feest gevierd. Allen waren blij, omdat de prins gelukkig was en iedereen bewonderde de lieftallige prinses. Enggang deed zijn uiterste best om het haar zo prettig mogelijk te maken. Hij liet de mooiste gewaden komen uit verre landen. Reukwerken uit Arabië, kostbare sieraden uit Java en Bali. De vertrekken werden opgesierd met prachtige meubels en tapijten.

Prins Enggang hield werkelijk veel van zijn vrouw. Maar zijn oude ondeugd had hij behouden. Hij kon niet uitstaan, dat de hovelingen en bedienden zo bijzonder op de prinses gesteld waren. Ze vlogen op haar wenken en ze lazen haar als het ware de geringste wens van het gezicht. "De mensen houden blijkbaar meer van haar, dan van mij," zo dacht de jaloerse prins.

Enggang kon nog veel minder velen, dat prinses Rangkong hartelijk en vriendschappelijk omging met de hovelingen en vooral met de Menangkabause edellieden, die met haar meegekomen waren. Telkens weer ergerde de prins zich erover, als ze met haar jeugdvrienden praatte over de tijd, toen ze met hen speelde in de tuinen van haar vader. Eigenlijk zou de prins het prettiger hebben gevonden, als de prinses ongenaakbaar en hooghartig was geweest tegen iedereen. Maar dat kon de vriendelijke Rangkong nu eenmaal niet. Telkens weer had de prins een jaloerse bui. En op een dag was het zo erg, dat hij in zijn drift alle Menangkabause edellieden naar hun land terugzond. Met de oude, vertrouwde bedienden van de prinses ging het al net zo. Na een tijdje was er niemand meer, met wie zij over haar geboorteland kon praten.

Was het daar nu maar bij gebleven! Maar nee, de prins verbood steeds meer mensen met de prinses om te gaan. En hij stelde zelfs spionnen aan, die hem moesten vertellen, wat de prinses de hele dag deed. De prinses begon zich eenzaam te voelen. Wanneer zij vanaf de heuvel, waarop de istana lag, over de velden keek, dan kon zij er naar verlangen even vrij te zijn als de desavrouwen, die ze daar zag lopen. Wat had zij aan alle pracht en rijkdom, als ze niet eens mocht gaan waarheen ze wilde? Het werd nog erger. De jaloerse prins verbood haar op het laatst zelfs door de parken te wandelen, wanneer hij niet bij haar was. Toen duurde het niet lang meer, of de vrolijke Rangkong was een bleke stille vrouw geworden.

"Wat scheelt je toch?" vroeg de prins soms bezorgd. "Is er iets wat je graag hebben wil? Zeg het maar en ik zal het je geven."

"Ach, mijn prins, ik heb mijn land en mijn familie verlaten om met jou mee te gaan. Ik houd erg veel van je, maar ik voel me zo eenzaam."

"Maar ik doe toch alles om je gelukkig te maken. De kostbaarste schatten heb ik laten komen uit Arabië, Java en Bali. Ik heb prachtige zalen voor je laten inrichten in het paleis."

"Dat weet ik allemaal wel; ik ben er ook blij mee. Maar ik mis mijn vrienden zo. Als jij er niet bent, heb ik niemand meer om mee te praten."

"Maar je hebt toch je kamervrouwen, die je op je wenken bedienen? Doen ze hun werk niet goed? Zeg het maar, dan jaag ik ze weg en laat andere komen."

"Wat heb ik aan die vreemde vrouwen om mij heen. Er is er niet een meer, die aan mij gehecht is." De ogen van de prinses vulden zich met tranen en prins Enggang kreeg berouw over zijn lelijke jaloezie. Hij nam zich voor haar meer vrij te laten, zodat ze niet meer alleen zou zijn.

Maar na korte tijd vergat hij zijn goede voornemens weer. En toen hij voor een paar dagen op reis ging, sloot hij haar zelfs op in haar eigen kamers. Hij liet alleen een oude doofstomme vrouw bij haar achter. Die moest voor haar zorgen. Terwijl hij weg was, mocht er geen bediende tegen haar spreken. Prinses Rangkong voelde zich als een vogel in een kooi. Zij rukte aan deuren en vensters, maar er was geen kans om te ontsnappen. Als de oude vrouw in de keuken de maaltijd voor de prinses ging halen, deed ze de deur zorgvuldig achter zich op slot. Zij maakte de lekkerste dingen voor de prinses klaar. Maar het was allemaal verloren moeite. Rangkong kon geen hap door haar keel krijgen.

De prins kwam terug van zijn reis en haastte zich naar zijn vrouw. Toen hij haar zo verdrietig en terneergeslagen op een divan zag liggen, kreeg hij weer erge spijt over zijn gedrag. Hij nam haar met zich mee, zette haar voor op zijn paard en reed met haar door de omgeving. "Kijk eens hoe eerbiedig de mensen ons groeten!" zei hij. Maar de prinses keek niet op of om. En als de prins had omgekeken, zou hij gezien hebben, dat de mensen elkaar hoofdschuddend aankeken zodra hij voorbij was.

De Padangers zouden nog meer reden krijgen om hun hoofd te schudden. In de tuin achter de istana stond een heel dikke boom, met een kaarsrechte stam. Deze boom liet prins Enggang uithollen. Een houthakker deed het ruwe werk. Een schrijnwerker moest toen van binnen alles mooie glad afwerken en behangen met kostbare tapijten. Er werd een rustbed in geplaatst. De deur werd met boomschors bekleed, zodat die van buiten niet zichtbaar was. Slechts door een kleine opening kon wat licht naar binnen vallen.

Toen prins Enggang weer op reis moest, sloot hij voordat hij wegging, zijn vrouw in deze boom op. De mensen, die er aan gewerkt hadden, nam hij met zich mee en alleen de oude doofstomme vrouw wist, waar de arme prinses gebleven was. Zij haalde iedere dag uit de keuken de maaltijd voor de ongelukkige en schoof die door het gat naar binnen. Zij lette er zorgvuldig op, dat niemand haar zag. Radeloos had de prinses getracht te ontsnappen, maar zij kon de deur niet open krijgen. Om hulp roepen hielp ook niet, want er drong geen geluid door het dikke hout naar buiten.

Vier dagen nadat de prins weg was, zat een van de paardenjongens op zijn lievelingsplaatsje in een boom. Daar zou de stalmeester hem nooit zoeken. Hij zat een beetje te soezen, toen hij plotseling de oude vrouw zag. Ze keek angstig om zich heen, terwijl ze met allerlei spijzen naar de dikke boom liep. Verwonderd keek de jongen toe. Hij zag hoe de vrouw het voedsel door het gat naar binnen schoof en daarna weer even omzichtig heen ging.

Toen ze weg was, kwam hij uit zijn schuilplaats te voorschijn en liep naar de boom toe. "Zou daar een geest wonen, aan wie de oude vrouw een offer heeft gebracht?"

Een beetje angstig, maar toch ook nieuwsgierig, liep hij om de boom heen. Hij zag niets bijzonders. Toen klom hij een beetje naar boven, zodat hij met zijn gezicht vlak voor de opening kwam. Maar hij sprong meteen weer op de grond en wilde wegrennen. Hij had een zachte stem gehoord en daarvan was hij vreselijk geschrokken. Er woonde dus werkelijk een geest in de boom.

Toen hij zich herinnerde wat de stem gezegd had: "Help mij, help mij!" begreep hij, dat het geen slechte geest kon zijn. Heel voorzichtig klom hij dus weer naar de opening en fluisterde: "Wie bent u, wat wenst u?"

"Help mij, ik ben prinses Rangkong," klonk het heel zacht terug. "Wie ben jij?" De jongen begon te lachen. "Denkt u dat ik dat geloof! De prinses is in haar kamers in het paleis, dat weet toch iedereen!"

"Ik ben heus prinses Rangkong. Prins Enggang heeft mij in deze boom opgesloten. Zeg me toch wie je bent! Wil je mij helpen?"

"Ik ben Sidin, de paardenjongen," antwoordde hij na een poosje. Hij kon haast niet geloven, dat de prinses in deze boom gevangen zat. "Kun je me niet helpen, Sidin? Als ik hier nog langer moet blijven, sterf ik!" - "Daar komt de stalmeester! Ik moet weg! Maar ik kom vanavond terug!"

Sidin wist nog net bijtijds te verdwijnen. Zonder dat iemand hem zag, sloop hij naar de stallen. Daar begon hij onmiddellijk een paard te roskammen. "Waar ben je geweest, kwajongen, ik zoek je al een hele tijd!" riep de stalmeester boos uit, toen hij na een poosje binnenkwam. "Ik ben aan mijn werk," antwoordde Sidin heel onschuldig. Mopperend ging de man naar een ander gedeelte van de stal.

Toen het avond geworden was, sloop Sidin weer naar de gevangenis van de prinses. "Bent u daar nog?" vroeg hij met zijn mond voor het gat. "Ben jij het, Sidin?" - "Ja, prinses. Ik zal proberen de boom open te krijgen." - "Vlak onder het gat zit een spleet; daar moet je het proberen. Ik wil vluchten. Pas op, dat je geen lawaai maakt!"

Sidin zette zijn mes tussen de spleet en werkelijk de deur begon te wijken. Door te duwen aan de binnenkant, terwijl Sidin aan de buitenkant trok, kregen ze een grotere opening en eindelijk kon de prinses er doorheen kruipen. "Blijft u hier wachten, prinses, ik zal twee paarden halen. Ik ga met u mee!" - "Denk eraan mijn jongen, dat prins Enggang je zal laten doden als hij ontdekt, dat jij me geholpen hebt!" - "Dat weet ik prinses, daarom ga ik juist met u mee. U zou trouwens verdwalen in het donker."

Sidin maakte het gat in de boom weer dicht en holde naar de stallen. Korte tijd later reed het tweetal op vurige jonge paarden weg van het paleis. "Waar wilt u heen?" Prinses Rangkong wilde naar de bergen, waar een landhuis van haar moeder stond. Ze wist dat haar moeder daar die maand woonde. Ze reden de hele nacht in gestrekte draf. Telkens keek Sidin of de prinses nog goed in het zadel zat. Maar ze hield zich bewonderenswaardig flink. Tegen de morgen kwamen zij bij de bergen en nu duurde het niet lang meer, of ze hadden het landhuis bereikt.

De vorstin van Menangkabau was erg verontwaardigd, toen zij hoorde hoe haar dochter door prins Enggang behandeld was. Zij liet alle bergpaden door gewapende schildwachten bewaken en zij stuurde bericht naar haar man in de hoofdstad.

Toen prins Enggang van zijn reis terugkeerde, ging hij allereerst naar de boom, waarin hij zijn vrouw had opgesloten. De deur werd geopend, maar de prinses was natuurlijk nergens te zien. De prins leek wel waanzinnig geworden, toen hij zag dat zijn vrouw gevlucht was. Hij liet het snelste paard zadelen en reed in wilde vaart naar de bergen, want hij vermoedde, dat prinses Rangkong naar haar eigen land was gevlucht.

Toen hij de bergen naderde, begon hij langzamer te rijden. Hij wist dat de moeder van Rangkong op een van de hellingen een landhuis had en daar wilde hij eerst gaan zoeken. Al vanuit de verte zag hij de schildwachten op post staan. Nu was hij er zeker van, dat hij zijn vrouw hier moest zoeken. Maar wat kon hij doen? Met geweld zou hij zeker niets bereiken... Enggang steeg van zijn paard en verborg zich tot het donker was. En hij verzon een plan, hoe hij zich op zijn vrouw en op allen, die haar geholpen hadden, zou kunnen wreken.

Midden in de nacht sloop hij, verkleed als een eenvoudige desaman, naar boven. In zijn gordel stak een groot kapmes, zoals houthakkers dat gebruiken. Zonder door de schildwachten gezien te worden, sloop hij naar het landhuis. Het gebouw was, zoals alle huizen in die streek, op palen gebouwd. Nu begon prins Enggang deze palen een voor een met zijn kapmes te bewerken. Van elke paal hakte hij zoveel weg, dat er nog maar een heel dun stukje overbleef. Zolang alles in het huis in rust was, gebeurde er niets. Maar zodra er iemand zou opstaan, zou het hele huis instorten.

Toen de dag aanbrak, was Enggang met zijn gruwelijk werk klaar gekomen. Hij verstopte zich achter een paar struiken en wachten af wat er ging gebeuren.

De vogels ontwaakten en hier en daar kraaide een haan. In het landhuis begon men ook wakker te worden. Plotseling wankelde het grote gebouw, alsof er een aardbeving was en met een donderend geraas stortte het ineen. Alles wat zich in het huis bevond, werd meegesleurd in de val. Verschrikkelijke kreten weerklonken en een akelig gejammer steeg op. Toen werd het doodstil.

Met een honend gelach sprong Enggang achter de struiken vandaan en rende naar de puinhoop toe. Het bleef doodstil. Toen klom hij boven op de door elkaar liggende balken en daar begon hij als een bezetene te dansen. Woest schreeuwde hij en zwaaide het grote kapmes boven zijn hoofd. Toen gebeurde er iets wonderlijks. De prins veranderde in een grote vogel met een hoorn op de snavel: Enggang Gading. Suizend sloeg hij zijn vleugels uit en bleef onder het uitschreeuwen van zijn naam, boven het verwoeste huis rond vliegen. Daar kwam beweging tussen de wirwar van balken en planken. Eenzelfde vogel kroop tussen het hout te voorschijn, duwde met zijn snavel nog een laatste plank weg en vloog op, Enggang achterna. Prinses Rangkong was ook een vogel geworden: Enggang Papan.

Sinds die tijd vliegen de twee vogels altijd samen door de wouden van Sumatra. Als de broedtijd gekomen is, brengt Enggang Gading zijn wijfje naar een holle boom. Zij kruipt erin en hij metselt op een klein gaatje na de opening helemaal dicht. Door het gaatje brengt hij haar dan voedsel. Nu moet Enggang Gading zwoegen om haar lekkere hapjes te brengen. Want de dame is erg kieskeurig in de broedtijd en dikwijls gebeurt het, dat zij een vrucht met een beurs plekje eenvoudig weigert. Wanneer de eieren uitgebroed zijn, verlost het wijfje zichzelf door het metselwerk met haar krachtige snavel stuk te stoten. Dan vliegen de twee vogels weer samen rond door de grote wouden. En de hele dag door hoor je hun eentonig geroep: "Enggang! Enggang! Enggang!"


__________________________

Hoe Hordja tot rijkdom kwam - Een oud Indonesisch volksverhaal over een radja en een wonderkleed
Hordja woonde met zijn moeder en zijn zusje in het dorp Loboe Djitan. Zijn vader was gestorven en had hen in de diepste armoede achtergelaten. Terwijl zijn moeder op het veld werkte, paste hij op zijn zusje. Daarbij zong hij:
Suja suja kindje,
Huil niet, mijn zusje!
moeder is nog weggegaan
ze brengt eerst dood, dan leven aan.
Suja suja kindje.
Een voornaam man uit het dorp hoorde dat. "Wat bedoel je toch met: ze brengt eerst dood, dan leven aan?" vroeg hij. "Dat zal ik u vertellen, als u eerst mijn moeder helpt met het rijst planten, want alleen zal ze nooit klaarkomen met het hele veld," zei Hordja. De rijke man en zijn huisgenoten hielpen een dag, toen was het veld klaar. Daarop verklaarde Hordja zijn liedje: het sloeg op de rijstplantjes in het kweekbed, dat zijn moeder eerst uittrok, zodat ze dood zouden gaan, maar dan weer plantte, zodat ze in leven bleven.

De volgende dag paste hij weer op zijn zusje en zong:
Suja suja kindje,
huil niet, mijn zusje!
moeder is nog weggegaan;
vóór haar schoon de akker ligt,
achter haar groeit 't onkruid dicht
Suja suja kindje.
Toevallig hoorde een radja dat en vroeg hem naar de betekenis. "Als u me rijst en vlees geeft zal ik het u vertellen," zei Hordja. De radja ging naar zijn verblijf terug, en liet rijst en vlees naar het huis van Hordja brengen. Een paar dagen later ging Hordja naar het verblijf van de radja en hij werd daar vriendelijk binnengehaald. Hij verklaarde toen zijn liedje: zijn moeder was bezig het struikgewas weg te kappen om een akker aan te leggen; vóór zich kapte ze de struiken weg, achter haar lagen de afgekapte takken.

De dag daarop zat hij buiten met zijn zusje en zong:
Suja suja kindje
huil niet, mijn zusje!
als je groot bent koop ik je een kleed
dat oelos baloen-baloen bide heet.
Een andere radja, radja Toenas, die langs kwam vroeg hem wat dat voor een kleed was. Hij antwoordde: "Een heel bijzonder kleed. Als je het meeneemt naar een vergadering dan hoeft niemand meer takken voor schaduw te plukken, want het beschaduwt iedereen, en toch kan men het in een blaaspijp meenemen." - "Als je me zo'n kleed kunt laten zien, dan zal ik je bruidsschat betalen," zei de radja. Hordja besloot nu naar de broer van zijn moeder te gaan, die zo'n kleed bezat. Zijn moeder waarschuwde hem, dat zijn oom het niet zou willen geven, omdat het tot zijn regalia behoorde, maar hij bracht daar tegenin, dat hij het immers alleen wilde lenen. Radja Toenas gaf hem geld, en een prauw leende hij van een andere vorst. Na een maand kwam hij op het Muizeneiland aan, waar zijn oom heerste.

Hij werd er vriendelijk ontvangen, en onmiddellijk werden er voorbereidingen getroffen om hem met zijn nichtje te laten trouwen. Toen werd er een feest gehouden, waarbij de dorpsgenoten op een varken getrakteerd werden, en het huwelijk werd gesloten.

Na zeven maanden dacht Hordja aan het doel van zijn reis. Hij informeerde bij zijn vrouw naar het wonderkleed en zij vertelde hem, dat het in een blaaspijp bewaard werd. Als er een vergadering was, blies haar vader het kleed de lucht in en dan beschaduwde het kleed het halve veld. Om het weer op te bergen hoefde hij alleen maar aan de blaaspijp te zuigen.

Hij vroeg zijn vrouw nu om met hem mee naar zijn huis te gaan. Op verzoek van haar ouders wachtten zij nog een maand. Toen die tijd verstreken was, gaf zijn schoonvader hun een kanon, goud en zilvergeld en de oelos baloen-baloen bide als geschenken mee. Na een reis van drie maanden kwamen ze aan hun bestemming, waar ze de prauw aan de eigenaar terug gaven. Hordja's moeder ontving ze, en ze vierden een groot feest. Hordja kocht slaven; hij was nu een rijk man en hij had alles wat hij zich wensen kon.

Na enige tijd kwam radja Toenas naar het wonderkleed vragen. Er werd een vergadering bijeengeroepen en daar toonde Hordja wat dit kleed allemaal kon. Radja Toenas vond het zo mooi dat hij het kopen wilde, maar Hordja wilde er geen afstand van doen. Daarover was radja Toenas zo boos, dat hij besloot die Hordja te vergiftigen. Hij nodigde hem te eten: deed gif in de lever van de buffel. Zijn dochter zette Hordja echter de verkeerde schotel met vlees voor.

"Die moet je niet hebben," zei haar vader. Toen wilde ze hem een schaal met vis geven. "Nee, die bedoel ik ook niet," zei de vader weer.

"Maar in die andere schaal is het vergif, zei het meisje.

Hordja hoorde dit en doodde zijn gastheer.

Zo luidt het verhaal uit de oude tijd, van een arme, die tot rijkdom kwam.

___________________________

De legende van Janggala en Dahawati (Kikker-Dans) - De Godogan- of Kikker-Dans op Bali
De legende van Janggala en Dahawati (Kikker-Dans)Er was eens lang geleden een echtpaar dat geen kinderen had. Op Java regeerden de Hindoese koninkrijken. Op een dag ging het echtpaar naar het bos om kayu pèlèt (vuur-hout) te zoeken en werden moe en dorstig. Daar het moeilijk was om water te vinden viel een cocos de vrouw op. Eenmaal geopend had deze de vorm van een schelp en gretig dronk zij het wittige cocoswater. Een paar ogenblikken later voelde zij een verandering in haar buik, en moest vaststellen dat zij zwanger was geworden. Teruggaande naar huis kwam het echtpaar een grote kikker tegen, maar sloegen er geen acht op.

Een tijdje later schonk de vrouw het leven aan een zoon die het uiterlijk van een kikker had, en verbaasd geloofde het echtpaar hun ogen niet. Toch hielden zij van hun zoon en verzorgden deze als een echte baby. Zo groeide het kikkerkind op tot een volwassen jongeman. Toen hij een Prinses van het Daha Rijk zag werd hij op slag verliefd op deze wonderschone prinses. Hij vroeg zijn moeder iets te regelen, want hij kon de mooie prinses niet uit zijn gedachten bannen. De Koning werd enorm kwaad toen de moeder van het kikkerkind een huwelijksvoorstel aan de Koning deed. De Koning beval zijn Eerste Minister de vrouw om te brengen, doch hij beloofde dat wanneer de minister dit niet lukte het kikkerkind de Prinses mocht huwen.

De Eerste Minister deed zijn best om de moeder van het kikkerkind te doden, maar elke keer mislukte dat. Hij kreeg het niet voor elkaar! De Koning geloofde dat de vrouw bezeten was door een of andere magische sterke kracht en wist niet dat haar kikkerkind bovennatuurlijke krachten bezat. Het kikkerkind doodde iedereen die zijn moeder kwaad wilde doen en hem wilden doden. Toen besloot de Koning het kikkerkind te laten huwen met de Prinses van Daha. Zij leefde verbannen door haar stiefmoeder en 3 lelijke stiefzusters alleen in het bos. Zij werd Dahawati genoemd. De Koning had er vrede mee...

Het kikkerkind was in de wolken, doch schaamde zich voor zijn uiterlijk. Aldus toog hij naar de top van de heilige Mahameru Berg en begon een lange afzondering van gebed en meditatie, in de hoop een menselijk uiterlijk te krijgen. Door zijn bovennatuurlijke krachten gelukte het hem en langzaam veranderde hij in een knappe en sterke jongeman. In zijn diepe meditatie verkreeg hij het visioen dat hij een Prins was van Janggala, op Oost-Java gelegen. Toen de Kelud Vulkaan uitbarstte was hij omgekomen en gereïncarneerd in een kikker...

Dolgelukkig keerde hij terug naar zijn vrouw, de Prinses Dahawati, en een groot schitterende huwelijksceremonie werd gehouden. Alle koningen werden uitgenodigd en de Javaanse Koningen herkenden direct de Prins van Janggala. Hij leefde met Prinses Dahawati nog lang en gelukkig en als Koning en Koningin regeerden zij over het Kahuripan Koninkrijk. De Kikker-Dans is een herinnering aan deze merkwaardige tijd...

_______________

Ombaq en Oemboel - Een Javaans volkssprookje over een koninklijke tweeling
De prins van Djenggala, die Raden Poetra heette, had twee echtgenoten, waarvan de ene Wadal Werdi heette en de andere Limaran. Op een dag kreeg Limaran een tweeling, twee jongens. Wadal Werdi was jaloers, dat Limaran kinderen had en zij niet. Uit afgunst stopte ze de tweeling in een kistje en verving ze door twee jonge hondjes. De tweeling liet ze de rivier afdrijven. Wadal Werdi speldde Raden Poetra op de mouw, dat de kinderen van Limaran er niet als jongetjes uitzagen, maar als jonge hondjes...

En inderdaad, toen Raden Poetra er naar kwam kijken, zag hij, dat het wel jonge hondjes leken. Aan zijn patih droeg hij op Limaran te verwijderen; te Wesi Asad moest ze tot haar hoofd begraven worden op een viersprong. De patih moest bekend maken dat de voorbijgangers haar mochten kwellen zoveel zij wilden, en als ze dat niet deden, ten minste hardop haar fout moesten verkondigen.

Nu willen we het hebben over het kistje met de tweeling. De vrouw van de Groene Reus was net naar de rivier gegaan om de was te doen. Daar zag ze een kistje de stroom afdrijven; ze ving het op, opende het en zag tot haar verbazing, dat er twee kleine jongetjes in lagen. Ze nam ze mee naar huis en stopte ze weg. Toen de Groene Reus thuiskwam, vertelde ze hem: "Man, ik heb een kistje in de rivier gevonden. Toen ik het deksel oplichtte, bleken er twee jongetjes in te zitten. Dit zijn ze!"

"Goed, wat wil je met ze doen, vrouw?"

"Ik wou ze grootbrengen, omdat ik zelf geen kinderen heb. Later pluk ik daar de vruchten van."

Toen er geruime tijd verstreken was en de jongens al groot geworden waren, werd de een Ombaq en de ander Oemboel genoemd. Op een dag moesten de jongens de Groene Reus luizen. Toen ze zijn haar losmaakten, zagen ze drie dingen. In de eerste plaats een vuurvlieg. Ombaq vroeg: "Wat is dat, grootvader, een vuurvlieg?"

"Dat is een tovermiddel: als ik met een vijand te doen krijg en ik haar laat vliegen, wordt het vuur."

Daarna vroeg Ombaq: "Wel, wat is dit, grootvader, een steentje?"

"Als je dat weggooit, kan het een berg worden."

En daarna: "Hé, dit is net een ranti vrucht."

"Als je dat weggooit, kan het een zee worden."

Ombaq nam de drie tovermiddelen weg.

De twee jongens kregen een influistering van de goden om weg te gaan en hun moeder bij te staan, die door rampspoed gekweld werd. Toen grootvader en grootmoeder Groene Reus sliepen, liepen de beide jongens weg. Grootvader Groene Reus werd wakker en riep Ombaq en Oemboel, maar ze kwamen niet. Om ze te krijgen liep hij hen door het bos achterna. De Groene Reus riep ze toe om stil te staan, maar zij namen het eerste tovermiddel, de vuurvlieg, die ze loslieten met de opdracht: "Vuurvlieg, pak de Groene Reus met je vuur en zorg dat hij doodgaat!"

De vuurvlieg veranderde in een mantel en viel de Groene Reus onhoorbaar op het lijf, zodat hij helemaal verbrandde.

Ombaq zei: "Broertje, laten we deze drie tovermiddelen vooral meenemen naar Raden Poetra van Djenggala."

"Goed, broer. Als Raden Poetra jou of mij mishandelen wil, dan zullen we het hem betaald zetten."

"Als je ze bij je hebt, kunnen ze ons geen kwaad doen."

"Kom broertje, laten we nu snel verder gaan om onze moeder uit haar ongeluk te verlossen."

De beide jongens gingen meteen op weg, en het duurde niet lang of ze waren in Djenggala gekomen. Ze kwamen nu bewoners van het rijk tegen. Ombaq vroeg aan een voorbijganger of het waar was, dat de echtgenote van Raden Poetra te Wesi Asad, midden op een viersprong begraven was.

De ander antwoordde: "Ja, het is me wat moois. Ik heb juist een omweg gemaakt, omdat nu eenmaal bepaald is, dat iedereen die daar komt en de koningin niet wil mishandelen, toch zeker haar fout hardop moet verkondigen."

De twee jongens haastten zich verder. Toen ze bij hun moeder aangekomen waren, bogen ze zich tot haar voorover en bevrijdden haar van de marteling. De beide jongens vertelden haar alles wat er gebeurd was. Ze gingen weg met hun moeder en vestigden zich in het bos. Op den duur werd dit een groot rijk, omdat er veel mensen kwamen wonen.

Nu willen we het hebben over Raden Poetra, die op een dag in het bos ging jagen. Hij zag dat er een dorp was, zo uitgestrekt als een koninkrijk. Hij zei tegen zijn patih: "Broeder! Hier is een nieuw groot dorp in het bos gekomen. Je moet eens onderzoeken of ik daar kan verblijven."

"Om u te dienen, heer!"

De patih ging naar het grootste huis, en daar trof hij Limaran met haar twee zoons.

Patih Prasanta sprak: "Duizendmaal vergiffenis, mag ik ook vragen van wie dit huis is?"

Limaran zei: "Broeder, ken je me niet meer?"

"O hemel, het is mijn meesteresse, die ik hier voor me zie! En die twee krijgshaftige jongemannen daar, wie zijn dat?"

"Dat zijn mijn zoons, broeder, met wie Wadal Werdi bedrog heeft gepleegd, en die ze met twee jonge hondjes verruild heeft, zodat ik veel geleden heb. Mag u hier wel komen, broeder?"

"Ja zeker, Raden Poetra heeft me gestuurd, om het dorp hier eens te bekijken omdat hier altijd vroeger een uitgestrekt groot bos geweest is."

"Ja, broeder. Ik heb dit dorp gesticht, met mijn twee jongens hier."

De twee jongemannen vielen haar in de rede: "Praat eens met vader. Want moeder heeft veel te lijden gehad in Wesi Asad; wij willen alleen maar dat haar recht gedaan wordt. Als vader uit eigen beweging geen gerechtigheid wil doen, dan dagen we hem uit, om het tegen ons op te nemen in toverkrachtige middelen."

"Goed, broeder, kom, laten we op weg gaan." De patih, Ombaq, Oemboel en hun moeder gingen naar Raden Poetra, en ze vertelden hem wat er allemaal gebeurd was. Raden Poetra wilde Limaran meenemen naar de rijkszetel. Ombaq zei echter: "Ik verzoek u, dat u moeder meeneemt naar Djenggala, maar ik smeek u Wadal Werdi naar de nederzetting te zenden, met een zadel op de rug, dan zal ik op haar rijden en haar mond op en neer doen gaan met de breidel, en dan zal ik ervoor zorgen, dat ze moeder begeleidt op haar tocht naar de rijkszetel."

Raden Poetra sprak tot zijn patih: "Roep die Wadal Werdi hierheen, en zeg, dat het mijn uitdrukkelijke wens is dat ze, wanneer ze hier gekomen is, terstond gegrepen zal worden en gebreideld en gezadeld. Geef haar aan mijn zoon Ombaq."

Al gauw was de patih te Djenggala gekomen, ging de vrouwenvertrekken in, en sprak tot Wadal Werdi: "Ik ben door Zijne Majesteit gezonden, met een halster. U moet nu mee naar het bos; zo wenst het Zijne Majesteit."

Toen vertrokken ze meteen. In de nederzetting van Limaran aangekomen, werd Wadal Werdi gegrepen, gebreideld, en gezadeld. Ze jammerde hartroerend.

Patih Prasanta zei: "Nou zul je je straf moeten ondergaan, omdat je de twee jongetjes voor jonge hondjes verruild hebt."

Om de beurt reden Ombaq en Oemboel op haar, zodat het een schouwspel werd voor de bevolking van het hele land. Toen ze aan het paleis van Djenggala gekomen waren, moest men Wadal Werdi begraven op de vroegere plaats van Limaran, tot aan de borst, en ze werd bewaakt door lijfwachten tot aan haar dood toe.

Verder wordt verteld, dat Raden Poetra en zijn vrouw Limaran weer vreedzaam leefden als voorheen.

____________________________

Raden Panji Kuda Wanengpati - Een Indonesisch verhaal over de liefde van Raden Panji
In de twaalfde eeuw regeerde over het rijk janggala een vorst, die drie broers had. De oudste was koning van Kediri, de tweede koning van Ngurawen en de derde regeerde over het koninkrijk Singasari. Hun oudere zuster leefde als kluizenares in het Betelwoud. Haar naam was Kili Suci en zij was nooit gehuwd geweest. De vorst van Janggala had twee zonen, waarvan de oudste Braja Nata heette en de jongste Raden Panji Kuda Wanengpati. Deze jongste zoon was verloofd met zijn nicht, Dewi Sekar Taji, de dochter van de vorst van Kediri. Hij had haar nog nooit gezien, want de verloving was immers door de ouders geregeld. De trouwdag zou weldra worden vastgesteld en dan zouden bruid en bruidegom elkaar voor het eerst mogen zien.

Kort voor die grote dag echter ging Raden Panji met zijn gevolg op de jacht. Toen de prins het huis van de patih, de rijksbestuurder, passeerde, nodigde deze hem onmiddellijk uit om binnen te komen. De jonge prins, die heel moe was en naar een koele dronk verlangde, volgde de patih en nam plaats in de koele galerij om uit te rusten. Een beeldschoon meisje kwam naar hem toe om hem de sirihdoos aan te bieden. Verbaasd en enigszins verlegen keek de prins het mooie meisje aan, terwijl ze de sirihdoos voor hem plaatste en een sembah maakte, waarop zij het vertrek verliet.

"Wie is dat mooie meisje?" vroeg de prins aan de patih. "Zij is mijn jongste dochter Dewi Angreni, heer," antwoordde de patih. "Vindt u haar werkelijk zo mooi?"

"Ik vind haar zo mooi," sprak de prins, die in vervoering was geraakt, "dat ik de verloving met mijn nicht Dewi Sekar Taji verbreek, en met uw dochter wil trouwen!"

De patih schrok. "Maar heer, bedenk toch, dat uw vader reeds over uw hand heeft beschikt. Bovendien heeft u uw nicht nog niet gezien. Men zegt dat zij schoon is, vele malen schoner dan rnijn dochter..."

"Dat kan wel zijn," sprak de prins, "maar ik wil geen andere vrouw dan uw dochter Dewi Angreni. Zeg haar dat ze zich gereed maakt, want ik neem haar ogenblikkelijk mee naar de kraton. Als mijn vader haar eenmaal heeft gezien, dan zal hij zeker zijn toestemming tot een huwelijk met haar geven."

De patih durfde nu geen bezwaren meer te maken, en zo volgde Dewi Angreni de prins naar het paleis van zijn vader. De vorst van Janggala keek vreemd op toen zijn zoon hem Dewi Angreni als zijn toekomstige vrouw voorstelde. Maar ook de oude vorst was zozeer bekoord door de schoonheid van het jonge meisje, dat hij instemde met een huwelijk. Met pracht en praal werd daarop het huwelijk van Raden Panji en Dewi Angreni gevierd.

Zodra echter de vorst van Kediri hoorde dat zijn aanstaande schoonzoon een ander tot vrouw genomen had, ontstak hij in hevige woede. Maar het hevigst van al richtte zijn woede zich tegen zijn broeder, de vorst van Janggala, die immers zijn toestemming tot dit huwelijk had gegeven. Hij was zelfs bereid om de wapens tegen zijn broeder op te nemen, maar op advies van een oude, wijze hoveling besloot hij eerst zijn zuster Kili Suci te raadplegen. Hij liet haar ontbieden en na veertien dagen verscheen de kluizenares voor haar broeder, die haar vertelde van het onverwachte huwelijk van zijn heel. "Moet ik nu mijn broeder, die immers zijn woord brak, de oorlog verklaren?" vroeg hij.

"Brak hij dan zijn woord tegenover u?" vroeg Kili Suci. "Natuurlijk, wat een vraag!" stoof de vorst op. "Hij had mij toch zijn woord gegeven, dat zijn tweede zoon, Raden Panji Kuda Wanengpati, met mijn dochter Dewi Sekar Taji zou trouwen, zodra beiden de huwbare leeftijd hadden bereikt. En nu het zover is, laat hij zijn zoon met de dochter van een patih trouwen!"

"Kom broeder," sprak Kili Suci, "wees niet zo vertoornd. Laat mij eerst maar eens gaan praten met onze broeder. Wellicht is nog niet alles verloren. Vooruit, zet dat oorlogvoeren uit je hoofd. Vertrouw op mij, ik zorg wel dat het goed komt."

Daarop begaf Kili Suci, gezeten in een draagstoel, zich op weg naar het koninkrijk Janggala. Toen ze daar was aangekomen en was uitgerust van de vermoeiende tocht, legde zij de vorst uit waarom zij was gekomen.

"Een vorst mag nimmer zijn eens gegeven woord breken, want een vorst die zijn woord breekt is geen goede vorst. En de afspraak was dat Raden Panji in het huwelijk zou treden met Dewi Sekar Taji," zei zij.

"Dat kan hij nu toch ook nog," zei de vorst. "Hij mag immers zoveel vrouwen hebben als hij wil! En natuurlijk zal hij nu ook met Dewi Sekar Taji trouwen, en zij zal de Ratu zijn. Breng mijn groet over aan mijn broeder en zeg hem, dat mijn zoon weldra zal komen om zijn bruid te zien."

Tevreden keerde de kluizenares terug naar het rijk van Kediri en bracht het goede nieuws over. Aan oorlogvoeren dacht de vorst toen niet meer, want hij had het nu veel te druk met de voorbereidingen voor het komende huwelijksfeest.

Ondertussen had de vorst van Janggala, na bekendmaking aan zijn rijksgroten van het op handen zijnde tweede huwelijk van Raden Panji, zijn zoon bij zich ontboden. "Mijn zoon," sprak hij, "doordat je zo overhaast met de schone Dewi Angreni bent getrouwd, hebben we het huwelijk met je nicht Dewi Sekar Taji bijna vergeten. Maar omdat zij toch je eerste vrouw zal worden, zou ik graag zien, dat je morgen naar Kediri vertrok om haar te ontmoeten."

De prins, die al helemaal niet meer aan dit huwelijk had gedacht, schrok van dit bevel. En voor het eerst in zijn leven was hij ongehoorzaam. "Vader," sprak hij, "ik zal niet trouwen met mijn nicht Dewi Sekar Taji. Dewi Angreni zal mijn eerste en enige vrouw blijven."

De vorst was woedend omdat zijn zoon het waagde tegen de adat, het gewoonterecht, te zondigen, maar hij bedwong zich en sprak op kalme toon: "Welnu, mijn zoon, ik zal je er niet toe dwingen de prinses van Kediri te huwen. Maar ik zou wel graag zien dat je vandaag nog op reis ging naar het Betelwoud, om mijn zuster Kili Suci te ontbieden. Zeg haar, dat ik iets van veel gewicht met haar te bespreken heb, iets dat niet lang kan wachten. Daarom moet je ook ogenblikkelijk vertrekken. Het heeft zoveel haast dat je geen afscheid zult kunnen nemen van je vrouw, maar ik zal zelf, nadat je bent vertrokken, de reden van je overhaaste vertrek aan haar verklaren. Ga nu mijn zoon, je hebt mijn zegen."

De prins, die zeer opgelucht was nu zijn vader met zijn wens had ingestemd, vertrouwde volledig op diens woorden en volgde het bevel op. Nauwelijks had hij echter met zijn gevolg de kraton verlaten, of de vorst van Janggala ontbood zijn oudste zoon Braja Nata. Zodra deze voor hem stond, sprak hij tot hem: "Mijn zoon, je jongere broeder Raden Panji heeft niet volgens de adat gehandeld. Hij heeft mij niet met de eerbied behandeld die mij als vorst en vader toekomt. Hij weigerde een plicht na te komen die van hem werd verlangd. Daarvoor zal hij gestraft moeten worden." Nu toonde de vorst van Janggala een kunstig gesmede kris en overhandigde deze aan zijn zoon. "Met dit wapen zul je Dewi Angreni doden. Maar niet in dit rijk. Leid haar weg van hier, naar een verafgelegen oord, opdat je broer nimmer zal vernemen wat er met zijn vrouw is gebeurd."

Braja Nata was geen slecht mens en hij koesterde ook geen wrok jegens zijn broer Raden Panji, maar als een goede zoon moest hij aan de wil van zijn vader gehoorzamen. Daarom nam hij de kris en sprak: "Mijn vorst, het zal geschieden volgens uw wil." Daarna verliet hij de vorst en ging naar de vrouwenvertrekken, waar Dewi Angreni zat met haar voedster, temidden van haar dienaressen. De prinses vertelde juist over een vreemde droom, die zij die nacht had gehad. "Ik kreeg een kleed, schoon en schitterend als de zon, waarover zilveren strepen liepen, net alsof het manestralen waren. Bij dit kleed was een gordel van schitterende sterren... Wat zou dit betekenen?"

De voedster dacht even na en zei toen: "Misschien zult u weldra iets schoons en glinsterends zien. Men zal..." Maar de vrouw kon haar woorden niet vervolgen, want Braja Nata vroeg toestemming om binnen te komen. Dewi Angreni zond haar dienaressen weg en alleen haar oude voedster zat nog neergehurkt op haar matje in de hoek, toen Braja Nata binnentrad. "Zuster Angreni," sprak de prins, "je man is zojuist op bevel van de vorst vertrokken naar de rede van Kataal, op het eiland Madura. Omdat hij daar waarschijnlijk langere tijd zal moeten verblijven, heeft hij mij gevraagd je bij hem te brengen. Wil je je gereed maken om met mij daarheen te gaan?"

Dewi Angreni wist dat elk bevel van de vorst zonder dralen moest worden opgevolgd en begreep dat de Raden Panji geen tijd was gelaten om afscheid van haar te nemen. "Als u even wacht, broeder, dan zal ik mij voor de reis naar Kamal gereed maken," zei ze. Daarop verliet zij met haar voedster het vertrek.

Enkele ogenblikken later stond zij weer voor de prins, gereed om te vertrekken. Deze wees op de oude voedster en zei: "Zij kan niet met ons meegaan, zuster Angreni." Daarop begon de oude vrouw luidkeels te jammeren en zij bad en smeekte zonder ophouden. Op aandringen van de prinses stemde Braja Nata ten slotte erin toe, dat de voedster haar zou begeleiden. Om te verhinderen dat een van de andere vrouwen hen zou kunnen volgen, sloot de prins, zonder dat Dewi Angreni en haar voedster het merkten, zorgvuldig de poort af.

Langzaam zette de stoet zich in beweging en de beide vrouwen hadden niet het geringste vermoeden van wat er te gebeuren stond. Maar nog voordat men Kamal had bereikt, namen de slaven die de draagstoelen droegen een zijweg, die leidde naar een groot woud. Daar liet Braja Nata zijn schoonzuster en haar voedster uit de draagstoel stappen, gaf de slaven het bevel naar Janggala terug te keren en bracht daarna de vrouwen in het woud.

Toen ze onder een asokaboom waren gekomen zei hij: "Hier moet het gebeuren, zuster Dewi Angreni. Het is de wil van mijn vader dat je hier zult sterven."

De prinses keek hem verschrikt aan. "Waarom moet ik gedood worden?" vroeg ze. "Van welke misdaad word ik beschuldigd? Wat heb ik gedaan?"

"Je hebt niets misdaan, schone Dewi Angreni," sprak de prins, "maar je moet gekrist worden, omdat mijn broeder weigert zijn nicht Dewi Sekar Taji te huwen. Raden Panji wil jou als zijn eerste en enige vrouw, maar omdat het mijn vaders wil is dat hij met de prinses van Kediri trouwt, zul jij moeten sterven."

"Dan zal ik mij aan de wil van de vorst van Janggala onderwerpen," sprak Dewi Angreni treurig en toen wierp zij zich op de kris, die de prins haar voorhield. De voedster, die nu ook niet meer wilde blijven leven, trok de kris uit het lichaam van de prinses en doorstak zichzelf. De prins bedekte de dode vrouwen met de bladeren van de asokaboom en keerde naar Janggala terug, waar hij aan de vorst verslag deed over de taak die hij had volbracht. De vorst van Janggala was tevreden: nu zou zijn zoon wel met zijn nicht willen trouwen, dacht hij.

Toen Raden Panji na enige dagen terugkeerde van zijn bezoek aan Kili Suci, ging hij onmiddellijk naar de vrouwenvertrekken om zijn vrouw op te zoeken. Maar bij de poort stond niet zijn vrouw; het was zijn jongere zuster, Dewi Unengan. "Waarom ben jij hier? En waar is mijn lieve vrouw?" vroeg Raden Panji verbaasd. Droevig antwoordde Dewi Unengan: "Zij is hier niet meer, broeder. Dewi Angreni is met haar voedster naar Kamal gebracht, waar zij, volgens de wil van onze vader, is gekrist."

Nauwelijks had de prins deze vreselijke woorden vernomen, of hij wankelde, viel, en bleef bewusteloos liggen. Toen hij pas na vele dagen weer tot bewustzijn was gekomen, zagen allen met ontzetting dat hij waanzinnig was geworden. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat doolde hij rond op zoek naar zijn geliefde Dewi Angreni. Hij zocht in de tempelgrotten, in de spelonken, en zelfs in de rijstvelden, denkende dat zijn vrouw in een rijstaar was veranderd. Hij streelde en kuste de bloemen in de tuin en fluisterde dan tot de oude hoveling Prasanta, die hem vergezelde: "Zie toch eens, Prasanta, deze schone bloem bevat de ziel van mijn lieve vrouw. Het is alsof haar ogen mij vanuit de bloemkelk aanzien, en die fijne blaadjes zijn haar oogleden..."

De oude man voelde een diep medelijden met Raden Panji. Op zekere dag toen hij weer met de prins door de tuin langs de bloemen wandelde, zei de prins opeens: "Prasanta, ik geloof toch niet dat de ziel van mijn vrouw in deze bloemen woont. Laten we naar de rede van Kanaal gaan en haar daar zoeken, ik weet zeker dat ze daar is."

Toen Dewi Unengan van dit plan hoorde, besloot zij haar broeder te vergezellen, want zolang hij ziek was kon hij haar zorgen niet missen. Begeleid door enige trouwe hovelingen en een aantal slaven begaven Raden Panji, Dewi Unengan en de oude Prasanta zich op weg naar Kamal. Hun tocht voerde door het woud en toen ze bij een asokaboom kwamen hielden zij stil. Onder de boom lag een grote hoop afgevallen bladeren en de prins liep ernaartoe. "Kijk toch eens, wat een menigte bladeren; daar ligt vast en zeker mijn lieve Dewi Angreni onder!" Terwijl hij dit zei, woelde hij behoedzaam met zijn voeten door de bladeren en hij was in het geheel niet verbaasd toen hij daar twee lichamen zag, die op stenen beelden geleken. Het ene was jong en schoon, het andere oud, tanig en gerimpeld. Beide vrouwen zagen er nog precies zo uit als toen zij nog leefden, alleen waren ze koud en hard als steen.

Dadelijk nam de prins Dewi Angreni in zijn armen, en terwijl hij haar van de grond opnam, zei hij tot Prasanta: "Neem jij de voedster op en volg mij dan naar het strand. Daar is het beter dan hier in het sombere woud."

De hoveling gehoorzaamde en nam de dode voedster in zijn armen. Dewi Unengan volgde zwijgend de treurige stoet.
Aan het strand gekomen zei de prins: "Kijk, daar liggen twee bootjes gereed! Nu gaan we varen! Ik stap met mijn vrouw en mijn zuster Unengan in de ene boot, en jij, Prasanta, gaat met de voedster in de andere."

"En hoe moet het dan verder gaan?" vroeg Prasanta, die juist de twee bootjes door een van de slaven stevig aan elkaar liet binden, zonder dat de prins er iets van merkte. "Wel," antwoordde Raden Panji, "de anderen moeten ons in kleine bootjes volgen. Er zullen hier wel vissers wonen, die hun vaartuig aan mijn slaven willen verhuren. Het is maar een tochtje voor ons genoegen, dat we maken."

Prasanta beval de slaven bootjes te gaan zoeken waarin zij de prins konden volgen. De vissers stonden dadelijk hun vaartuigen af toen zij hoorden dat zij daarmee de waanzinnige prins, die toch al zo ongelukkig was, een genoegen konden doen. Zo gingen de bootjes de zee op. In het eerste bootje zat de prins, nog steeds met zijn dode vrouw in de armen, terwijl enige slaven roeiden. En achter die slaven zat, bijna verborgen, prinses Unengan. Vlak achter hen kwam het bootje waarin Prasanta zat met de dode voedster, die nu als een stenen beeld tussen de blote voeten van de roeiers op de bodem lag. Na deze bootjes kwam een aantal kleinere vaartuigen, gevuld met slaven.

Zo kwamen ze in volle zee. Toen gaf de prins het bevel naar het noorden te roeien. Nauwelijks waren ze echter een uur in volle zee of er stak een storm op, die weldra een orkaan werd. Hoog en woest werd de zee, en hoog werden de golven, zo hoog, dat van de bootjes waarin de slaven zaten algauw niets meer te zien was. Alleen de horen waarin de prins en Prasanta zaten dansten nog op de schuimende golven, die hen verder en verder meesleurden. Maar ze bleven bij elkaar, omdat Prasanta de boten stevig aan elkaar had laten binden.

De strandbewoners, die hun boten niet terug zagen komen, dachten niet anders of allen waren met de prins in de golven omgekomen. Reeds op de avond van dezelfde dag bracht een van de vissers van Kamal de vorst van Janggala het bericht, dat de prins en allen die met hem in de boten waren, in de golven verdronken waren. De vorst was gebroken toen hij de vreselijke tijding vernam en hij besloot dat hij zich zou afzonderen om te bidden en te vasten in het Betelwoud. Hij droeg de regering over aan zijn zoon Braja Nata en vertrok.

Raden Panji was echter niet gestorven. Hij en de anderen die in de twee bootjes zaten, dreven zeven dagen en zeven nachten op de zee rond, totdat zij op het strand werden geworpen bij Lemah Abang tegenover het eiland Bali. En al die zeven dagen en nachten had de prins niet gerust, bevreesd als hij was dat men hem wanneer hij sliep zijn dode vrouw zou ontnemen. Toen ze aan land waren gekomen had Raden Panji zijn vrouw nog steeds in zijn armen en hij was niet van plan afstand van haar te doen.

"Ach, kijk toch eens, het is net alsof ze slaapt," zei hij en Prasanta moest toegeven dat de prins gelijk had. Maar omdat hij vond dat het zo niet verder kon en dat Dewi Angreni een rustplaats had verdiend, probeerde hij Raden Panji te overreden door hem een sprookje te vertellen.

Terwijl de prins aandachtig luisterde vertelde de oude hoveling: "In de oude tijd leefde ergens in een land, ver over de grote zee, een vorstenzoon, die evenals u, zijn schone jonge vrouw door de dood verloren had. Hij kon van de dode niet scheiden en zo droeg hij haar overal heen, waar hij ging. Hij nam haar mee naar het Oosten en het Westen, en sprak haar toe alsof zij nog leefde, maar dit alles maakte de dode vrouw zo moe. Nu ze gestorven was, wilde ze zo graag rusten in het graf. Maar de prins begreep dit niet. Doch op zekere nacht, toen hij weer met de dode had rondgelopen en tegen haar gesproken had, hoorde hij een stem, die vanuit de godenhemel scheen te komen en die tot hem zei: "Mijn zoon, je loopt maar overal heen met je dode vrouw in je armen. Heb je er dan nooit aan gedacht, hoe moe je haar daardoor maakt? Als je werkelijk je vrouw zo bemint, laat haar dan rusten onder de aarde. Daar zal ze zich gelukkig voelen..."

"En ik dan?" vroeg de vorstenzoon, "wat moet ik dan beginnen als ik mijn lieve vrouw onder de aarde heb neergelegd?"

"Jij, mijn zoon, zult heengaan," sprak de stem van boven, "en vele rijken gaan veroveren. En eerst stel je de goden voor dat, zo je overwint in de strijd, je later je vrouw weer levend terug zult vinden. Maar zo je verliest, zul je niet van de goden mogen verlangen, dat zij je jouw vrouw weer laten zien, zelfs niet na je dood."

En toen hij daarna de rijken van zijn vijanden overwonnen had, vond hij op een dag zijn jonge vrouw levend en nog schoner dan voorheen terug."

"Dat was een mooi verhaal, Prasanta," zei de prins en hij keek naar de dode vrouw in zijn armen. "Ben jij ook zo heel moe, lieve Dewi Angreni? Zou je ook liever willen rusten onder de aarde?" Daarop richtte Raden Panji zich weer tot Prasanta: "Zeg eens, Prasanta, zou je denken, dat mij zoiets ook kan overkomen, als ik de vijanden van mijn vader in de strijd zou overwinnen? Zou ik dan ook mijn vrouw weer levend terugzien?"

"Dat is zeker mogelijk," sprak de oude hoveling. "Het kan immers net zo goed de een als de ander overkomen."

En zo gebeurde het dat zij een plaats onder een hoge boom kozen om de dode prinses en haar voedster te begraven. De slaven groeven een kuil, en toen deze diep genoeg was, en de prins gereed stond om zijn vrouw daarin te leggen, vloog de dode opeens uit zijn armen en ging op naar de dodenhemel, gevolgd door haar voedster. Weldra waren beiden uit het oog verdwenen, terwijl de prins met wijd geopende ogen toekeek.

Vol ontzetting riep hij uit: "Prasanta, zie nu, mijn lieve Dewi Angreni is naar de hemel gevlogen. Hoe kan ik haar ooit weer levend terugvinden, als ik later mijn vijanden overwonnen heb?"

"Nu zul je haar zeker terugzien," zei de oude hoveling, "want dit is een teken dat de goden haar liefhebben. Zouden ze haar anders zo spoedig naar de hemel gezonden hebben? Daarom zullen we ook dadelijk een candi bouwen op deze plaats."

Na enige dagen stond de candi, de graftempel, op de plaats waar de slaven het graf van Dewi Angreni hadden gedolven. Nu wendde Prasanta zich tot de prins en sprak van de strijd, die hij moest voeren. "Uw naam zal nu niet meer Raden Panji Kuda Wanengpati zijn, maar Klana Jayengsari, want niemand mag weten dat u de zoon van de vorst van Janggala bent. U bent nu een prins uit een land ver over de zee en ik ben uw vriend Kebo Pendoga. Prinses Unengan zal in het vervolg Ragil Kuning heten. Met deze namen zullen wij niet herkend worden en gemakkelijk de verschillende rijken binnen kunnen gaan. Als eerste bezoeken wij Bali."

Reeds de volgende dag begaven zij zich op weg. Het toeval wilde dat juist die nacht ervoor de koning van Bali, genaamd Jaya Natpada, had gedroomd van een kleine bron die uit het gebergte van Bali ontsprong en het hele eiland onder water zette. Toen hij aan zijn patih vroeg wat de betekenis daarvan was, antwoordde deze dat er oorlog op komst was. Precies op dat moment gingen de prins, diens zuster en de oude hoveling met hun slaven aan land. Het duurde niet lang of het nieuws had de vorst bereikt dat een vreemde prins, die zich Klana Jayengsari noemde, met zijn volgelingen aan land was gegaan en op weg was naar de kraton.

"En hoeveel volgelingen heeft die prins wel bij zich?" vroeg de patih. "Zowat honderd man," antwoordde de boodschapper. "O, die honderd man zijn gemakkelijk te overwinnen," zei de vorst. "Roep alle soldaten bijeen, patih, en laat ze de vijand tegemoet gaan."

Het leger van de vorst van Bali trok erop uit, doch de slaven van de prins, allen flinke, sterke mannen, takelden enkele van de soldaten zo toe, dat de anderen hals over kop de vlucht namen.

"Het zijn kerels als reuzen," sprak de patih, toen hij bij de vorst verslag deed van de nederlaag. "We moeten ons maar aan die vreemde prins onderwerpen."

Dit hoorde de zoon van de vorst, prins Kuda Natpada, die nog wel heel jong, maar toch zeer dapper was, en hij zei tot zijn vader: "Ik wil die prins uit het land van over de zee gaan bevechten. Laat mij er met de overige soldaten op uit trekken."

De vorst schudde zijn hoofd en ook de patih begon te vertellen dat dit niet ging. "Het was alsof die vreemdelingen onkwetsbaar waren," zei hij. "Ze staan wellicht onder de bescherming van Wisnu en wie weet hebben zij ook een verbond gesloten met demonen en titanen. Daarom moeten we ons wel aan hen onderwerpen. Bied de prins daarom als teken van uw onderwerping uw zoon en dochter aan, want zij zijn de grootste schatten die u bezit. Uw zoon is dapper als een god en uw dochter is schoon als een hemelnimf."

De vorst schrok hevig van dit voorstel, maar hij moest de patih gelijk geven. Hij liet daarom de draagstoel gereed maken en de prinses nam daarin plaats. Naast de draagstoel reed prins Kuda Natpada op een klein paard, gevolgd door zijn slaven. Voor Klana Jayengsari gekomen hield de stoet stil en de patih hielp de prinses uitstappen. Daarop leidde hij de prins en de prinses voor Klana Jayengsari en bood hen hem aan als teken van onderwerping.

Toen Klana Jayengsari de schone prinses zag, dacht hij zijn lieve Dewi Angreni weer te zien. Hij zei: "Ik heet u welkom, schone Dewi Angreni." Maar de prinses antwoordde verlegen: "Mijn naam is Andaya Prana." Nu pas zag de prins met droefheid, dat hij zich vergist had. Hij wendde zich tot de patih: "Neem de prins en de prinses weer mee terug naar hun ouders en zeg de vorst van Bali dat ik geen pand van onderwerping wil aannemen. Zijn woord is mij voldoende." De patih groette eerbiedig en ging heen.

Met grote vreugde zag de vorst van Bali zijn beide kinderen terugkeren en ook was hij verheugd over de woorden van Klana Jayengsari, die de patih hem overbracht.

Nog diezelfde nacht verliet prins Klana Jayengsari met zijn gevolg Bali en stak over naar Blambangan, want ook dit rijk wilde hij veroveren. Hier ging het als op Bali. De vorst onderwierp zich dadelijk, omdat men hem had verteld, dat Klana Jayengsari onoverwinnelijk was. Hij en zijn volgelingen stonden onder de bescherming van de goden en waren daardoor onkwetsbaar. Als teken van zijn onderwerping zond nu de vorst van Blambangan zijn zoon, zijn dochter, een olifant en een prachtig paard.

Daarna veroverde Klana Jayengsari nog de rijken Besuki, Lumajang en Purbalingga, evenals de regentschappen Pasuruan en Malang. En allen die over deze rijken en regentschappen regeerden, onderwierpen zich aan de held Klana Jayengsari.

Vermoeid door al zijn veroveringen trok de prins naar een woud dat in het rijk van Kediri lag, om daar enige tijd uit te rusten. De prins wist echter niet in welk rijk hij zich bevond en de slimme oude hoveling Prasanta, die zich nu Kebo Pendoga noemde, deed er het zwijgen toe. Nu bezat de vorst van Kediri vijf kinderen, de oudste was Raden Kerta Sari, de tweede Dewi Sekar Taji, de derde en vierde waren twee jongere zusjes Dewi Mendaka en Dewi Temi, en de vijfde een broertje, genaamd Gunung Sari.

In de tijd dat Klana Jayengsari uitrustte in het woud, verkeerde de vorst van Kediri in grote moeilijkheden, omdat de vorst van Metaun, die aan de overzijde van de rivier woonde, tegen hem ten strijde wilde trekken. Dit zou nu nog niet zo heel erg geweest zijn, als niet ook alle kleine vorsten en regenten van de westelijke landen tegen hem waren geweest. Onder de regenten was er een machtig heer, de regent van Blitar. En hem vooral vreesde de vorst van Kediri. Hij had vernomen dat er reeds een groot, machtig leger aan de grenzen van zijn rijk gereed lag. Op een teken van de vorst van Metaun zou dit leger het koninkrijk van Kediri binnenrukken, en men vreesde een stellige ondergang. Dagen en nachten piekerde de vorst van Kediri en ten einde raad begaf hij zich ten slotte naar de kluizenaar in de tempelgrotten.

"Vraag hulp aan uw vrienden," raadde de kluizenaar hem aan. "Wiens hulp zou ik kunnen vragen?" vroeg de vorst. "Wie van mijn vrienden heeft een leger dat even sterk is als dat van mijn vijanden?" - "Luister, mijn zoon," sprak de kluizenaar. "Wij vrome mannen horen en zien meer dan gewone stervelingen. En ik weet dat hier in het oosten een krijgsheld rondtrekt. Zijn naam is Klana Jayengsari en hij is wijd en zijd beroemd door de overwinningen die hij maakte. Vanaf Bali verspreidde zich zijn roem. En vele vorsten onderwierpen zich aan hem. Vraag deze held u bij te staan in de strijd tegen uw vijanden en u zult overwinnen." - "En waar kan ik deze held vinden?" vroeg de vorst van Kediri aan de kluizenaar. "Op dit ogenblik vertoeft hij met zijn volgelingen in een van de wouden, dicht bij Pasuruan. Ga daarheen en laat geen tijd verloren gaan."

De vorst van Kediri bedankte de kluizenaar en nog dezelfde avond stuurde hij zijn patih en enige van zijn trouwste volgelingen naar het woud. Weldra hadden zij Klana Jayengsari gevonden en brachten hem de groeten van de vorst van Kediji over. Ze vertelden hem dat de vorst zijn hulp nodig had en dat, zo hij erin zou slagen Kediri te behouden, deze hem rijkelijk zou belonen door hem de hand van zijn dochter te schenken. De prins besloot de vorst van Kediri te helpen en hij en zijn volgelingen gingen mee naar het paleis van de vorst. Deze was buitengewoon verheugd, toen hij de prins zag aankomen en verwelkomde hem allerhartelijkst.

"Ik heb gehoord van je vele overwinningen, mijn zoon, en ik ben je zeer dankhaar dat je bereid bent mij te helpen. Wanneer het koninkrijk gered is, zal ik je mijn dochter, Dewi Sekar Taji, tot vrouw geven. Ze was eens verloofd met haar neef Raden Panji, de zoon van de vorst van Janggala, maar de prins kwam helaas bij een storm in de golven om. Mijn dochter is daarom vrij de man te huwen, die ik voor haar heb bestemd."

Klana Jayengsari glimlachte slechts en zweeg. Nu liet de vorst de schoonste vertrekken in gereedheid brengen voor zijn gasten en ook de volgelingen van de prins werden goed onthaald. Reeds de volgende dag zond Klana Jayengsari zijn zuster Ragil Kuning naar de vorst met geschenken voor Dewi Sekar Taji. Het waren de fijnste weefsels en schitterend bewerkte armbanden en enkelringen van het zuiverste goud, die hij ten geschenke had gekregen van de vorsten die zich aan hem hadden onderworpen.
De vorst geleidde Ragil Kuning naar de vrouwenvertrekken, waar Dewi Sekar Taji zich bevond. Toen Ragil Kuning de prinses zag schrok zij, want Dewi Sekar Taji vertoonde een treffende gelijkenis met de gestorven Dewi Angreni.

Ogenblikkelijk nadat ze terug was, zocht ze haar broer op en vertelde hem wat zij had gezien, maar Klana Jayengsari schudde het hoofd en weigerde te geloven dat Dewi Sekar Taji op zijn lieve vrouw leek. "Geen sterveling kan zo schoon zijn als mijn lieve Dewi Angreni," zuchtte hij. En vol droefheid wendde hij zich af van zijn zuster en ging naar Kebo Pendoga om alles in gereedheid te brengen voor de strijd.

Toen alles klaar was trok het leger op. De vorst van Kediri zag het leger van Klana Jayengsari voorbijtrekken en hij begreep niet hoe het mogelijk was dat dit kleine aantal slaven het grote, sterke leger van de vorst van Metaun zou kunnen overwinnen, met of zonder zijn eigen leger.

Maar de vorst van Metaun had ook gehoord van de roem van Klana Jayengsari en hij was zeer bevreesd om de strijd te verliezen. Zo bevreesd zelfs, dat hij enkele dorpen, die zijn leger in de weg stonden, in brand liet steken. De dorpelingen, die niet wisten wie de brand had aangestoken, schrokken hevig van de geweldige vuurzee en sloegen blindelings op de vlucht. Ze stopten pas toen ze voor de vorst van Metaun stonden en riepen uitzinnig van angst dat ze waren aangevallen door het verschrikkelijke reuzenleger van Klana Jayengsari.

De vorst van Metaun was nu doodsbang, maar hij wilde toch de strijd doorzetten. Op de eerste dag echter verloor hij al vele mannen en op de tweede dag zocht het merendeel van zijn volgelingen een veilig heenkomen in het gebergte. Zijn bondgenoten verloren alle moed, tegen het leger van Klara Jayengsari viel niet te strijden. Doch de vorst van Metaun legde zich er nog niet bij heer. Nu zijn bondgenoten hem in de steek hadden gelaten wilde hij zelf aan het hoofd van zijn overgebleven mannen de vijand tegemoet gaan.

Hij trok een wapenrusting aan, besteeg zijn grootste olifant en begaf zich naar het strijdperk. Hij was buitengewoon sterk, ja zelfs onkwetsbaar voor staal en sloeg daarom alle aanvallen zegevierend af. Het gevecht duurde tot de duisternis viel en de koning van Kediri had toen al vele mannen verloren.

De volgende morgen maakte Klana Jayengsari zich wederom gereed voor de strijd, toen hij achter zich een vrouwenstern hoorde fluisteren: "Laat mij met u ten strijde trekken, prins." De prins, die dacht dat het zijn zuster Ragil Kuning was, maakte een afwerend gebaat en draaide zich om. Maar nog voordat hij een woord kon uitbrengen, herkende hij het gelaat als dat van zijn overleden vrouw.

"Mijn lieve vrouw, ben je dan werkelijk teruggekomen?" vroeg hij. "Je vergist je," antwoordde het schone meisje. "Ik ben je vrouw nog niet en mijn naam is Dewi Sekar Taji. Men noemt mij hier "de prinses zonder vrees," want angst ken ik niet. Daarom wil ik met jou tegen de vorst van Metaun vechten. Ik zal aan ie zijde gaan, op mijn witte olifant, die de taal der mensen verstaat en onkwetsbaar is."

De prins weigerde, want hij wilde de prinses niet aan zulk een gevaar blootstellen, maar Dewi Sekar Taji was vastbesloten en uiteindelijk moest hij dan ook toegeven. Gezeten op hun olifanten, reden zij naast elkaar het strijdperk in, de vorst van Metaun tegemoet. Deze viel de prins aan, heftig stekend met zijn lans en bevend van woede. Maar Klana Jayengsari weerde de lans behendig af en de vorst trok nu zijn zwaard, waarmee hij naar de prins sloeg. Maar ook dit wapen wist de prins te ontwijken, tot grote woede van de vorst van Metaun. Met het schuim op de mond, knarsetandend en met uitpuilende ogen schreeuwde hij: "Stijg van je olifant en laat ons te voet strijden, man tegen man, met de kris..."

Met kahne waardigheid steeg de prins van zijn olifant en nam zijn kris uit de schede. Door woede verblind viel de vorst van Metaun de prins aan, maar deze was voorbereid. De prins stiet hem de kris in de rechterzijde en de vorst viel dood ter aarde. Klana Jayengsari trok het wapen kalm uit de wond en reinigde het, waarna hij het in de schede stak, alsof er niets was gebeurd.

Nu de vorst van Metaun dood was, begrepen zijn volgelingen dat ze de strijd verloren hadden. Massaal kozen ze de vlucht en ze lieten zelfs hun wapens achter.

De prins en de prinses keerden naar het vorstenverblijf terug, waar zij met gejuich werden ontvangen. Nauwelijks was de prins echter binnen of hij viel bewusteloos neer, precies zoals die keer, toen hij vernam dat zijn vrouw Dewi Angreni was gekrist.

"Is hij gewond?" vroeg de vorst van Kediri. De oude hoveling Kebo Pendoga boog zich over de prins heen en luisterde aandachtig. Met ontsteld gelaat keek hij op en zei: "Ik vrees voor zijn leven. Zijn hart klopt niet meer." Vertwijfeld riep Dewi Sekar Taji: "Ik beloof dat, als hij herstelt, ik dadelijk zijn slavin zal worden..."

Ze was nauwelijks uitgesproken of Klana Jayengsari opende de ogen en terwijl ze zich over hem heen boog hoorde ze hem fluisteren: "Nee, niet mijn slavin, maar mijn vrouw zul je weer zijn, nu je bij mij bent teruggekeerd."

De prinses was bedroefd dat zij voor iemand anders werd aangezien, maar toen bedacht ze, dat ze de vrouw zou worden van een prins zo schoon en zo heldhaftig als Klana Jayengsari. En die gedachte vervulde haar met trots. Met pracht en praal werd het huwelijk gevierd. Grootse feesten en banketten werden gegeven en op een van deze dagen begaf Dewi Sekar Taji zich met haar voedster naar een van de tempels in de nabijheid van het vorstenverblijf om daar de zegen van de goden over haar huwelijk af te smeken. Ze wilde aan de god Kama vragen haar een teken te geven, zodat ze zou weten of haar vroegere verloofde Raden Panji werkelijk in de zee was omgekomen, want zo niet, dan zou haar huwelijk immers niet geldig zijn.

Toevallig bevond ook prins Klana Jayengsari zich die dag in de tempel en toen hij de twee vrouwen zag aankomen ging hij op een steen in een duistere hoek van de tempel zitten, alsof hij een god was.

Toen de prinses binnen was, begon hij te spreken. Hij deed zich voor als de god Kama en vroeg haar wat haar kwelde. De prinses, die hem in het geheel niet herkende, antwoordde: "Mij kwelt niets, o hoog verhevene. Ik wenste alleen te weten of mijn verloofde Raden Panji werkelijk gestorven is, want als hij nog leert, dan mag ik toch niet de vrouw van Klana Jayengsari zijn?" - "Luister, prinses," sprak de prins, die zich voordeed als Kama, "Raden Panji Kuda Wanengpati leeft, maar wat niemand weet is dat hij en prins Klana Jayengsari een en dezelfde persoon zijn. Bewaar dit geheim goed en vertel het aan geen sterveling, spreek er zelfs niet over met uw bruidegom. Ga nu heen, prinses, uw gemaal wacht u."

Nauwelijks had Dewi Sekar Taji de tempel verlaten, of Klana Jayengsari gleed van de steen en spoedde zich terug naar het vorstenverblijf, waar hij nog voor de prinses aankwam. En inderdaad, zij repte met geen woord over het geheim dat haar zojuist was onthuld.

De feestelijkheden in Kediri waren nog niet voorbij of korte tijd later rezen er opnieuw moeilijkheden. De vorst van Janggala, die als kluizenaar in het Betelwoud leefde, had zijn zoon Braja Nata opdracht gegeven om ten strijde te trekken tegen Kediri, want hij had gehoord dat een vreemdeling het had gewaagd de verloofde van zijn zoon Raden Panji tot vrouw te nemen. Braja Nata trok nu met een groot, sterk leger plunderend en stelend op naar Kediri. Maar prins Klana Jayengsari was niet in het minst bevreesd, zelfs niet toen hij hoorde dat de legers weldra voor de poorten zouden staan. Hij ontbood zijn hoveling en vriend Kebo Pendoga en beval hem de volgelingen en krijgslieden te zeggen dat zij zich allen moesten overgeven zodra het leger van de vorst van Jenggala zich vertoonde.

Enige dagen later kwam Braja Nata met zijn krijgslieden voor de poorten en het geschiedde zoals Klana Jayengsari wilde; iedereen gaf zich zonder slag of stoot over. Braja Nata ging naar de vorst en zei tot hem: "Mijn vader, de vorst van Janggala, is zeer vertoornd op u en nog meer op de vreemde indringer, Klana Jayengsari, aan wie u uw dochter Dewi Sekar Taji tot vrouw hebt gegeven." - "En waarom zou ik dat niet mogen?" vroeg de vorst verbaasd. "Hij is toch een prins en een held? En Raden Panji is gestorven, nietwaar? Dewi Sekar Taji mag dus een ander huwen."

"Men weet niet zeker of mijn broeder dood is, want zijn lichaam is nooit gevonden. Laat nu Klana Jayengsari bieden. Ik wil hem zelf het doodsbevel overbrengen. Nog vandaag, voordat de zon is ondergegaan, zal hij gekrist zijn, en zijn hoofd zal daarna in een van de bomen van het Betelwoud worden opgehangen."

De vorst van Kediri was tot schreiens toe bedroefd, toen hij dit vonnis over zijn schoonzoon hoorde uitspreken. Met bevende stem gaf hij het bevel prins Klana Jayengsari te gaan roepen.

Klana Jayengsari kwam aangelopen, fier en met het hoofd trots opgeheven. Hij boog niet, hij hurkte zelfs niet voor Braja Nata. Hij keek hem slechts kalm aan. Doch nauwelijks had Braja Nata zijn broer herkend of hij vloog op hem toe en riep verheugd: "Dit is niet Klana Jayengsari! Dit is mijn verloren gewaande broeder, Raden Panji Kuda Wanengpati! Hij had het recht haar te huwen, want zij was voor hem bestemd."

In plaats van diepe droefheid, heerste er die dag grote vreugde in het vorstenverblijf van Kediri en er werd feest gevierd, veertig dagen en veertig nachten lang. En op de veertigste dag gebeurde er een wonder, toen de prins, die nu weer Raden Panji heette, met zijn vrouw een uitstapje maakte naar het eiland Kencana.

Terwijl ze door het woud wandelden kwamen ze langs een asokaboom en daar zagen zij onder de boom een jong meisje en een oude voedster zitten. De prins was met stomheid geslagen. Diepe droefenis overviel hem, want hij dacht dat Dewi Angreni werkelijk nog leefde, terwijl hij met Dewi Sekar Taji was getrouwd. Maar toen verscheen de god Narada uit de hemel en hij sprak: "Raden Panji, ik ben gezonden door Batara Guru om het voor u onmogelijke te verklaren. Het was Batara Guru's wil dat Dewi Angreni van de aarde zou verdwijnen, want geen twee mensen op de aarde mogen hetzelfde zijn. Omdat beide vrouwen op elkaar geleken als de tweelingsterren, die aan de hemel staan, veranderden de goden Dewi Angreni in een manestraal. Om u de sprekende gelijkenis te tonen keerde zij hier enige ogenblikken terug. Doch in het vervolg zullen Dewi Angreni en Dewi Sekar Taji één wezen zijn en dit ene wezen zal heten: Candra Kirana, manestraal, want haar schoonheid zal even stralend zijn als haar naam."

Daarop vloog de god terug naar de hemel. En toen Raden Panji naar de asokaboom keek, stond daar schoon en stralend zijn vrouw Dewi Sekar Taji, die van toen af aan Candra Kirana heette. Maar het jonge meisje en de oude vrouw waren verdwenen en zo begreep hij dat de twee prinsessen nu werkelijk één wezen waren geworden.

____________________________

Het offer van Kusomo - Een Javaanse sage over een man die zijn zoon offert aan Brahma
De Bromo is een vulkaan uit het Tenggergebergte op het eiland Java. Hij ligt in een grote zandvlakte. Zijn hellingen zijn bedekt met uitgeworpen as en stenen. In het midden is een diep gat, de krater. Daar komt dikwijls rook en soms zelfs vuur uit. Elk jaar op de veertiende dag van de maand Kasanga, dat is bij de bergbewoners de negende maand van het jaar, trekken alle mensen die in de omgeving van de Bromo wonen, met vruchten, bloemen en dieren naar boven. 's Morgens vroeg gaan ze al op weg uit de dessa's (dorpen) en als ze in de grote Zandzee komen, staat de zon al brandend heet aan de hemel. Nu wordt de vulkaan bestegen en als ze de top bereikt hebben, worden de bloemen en vruchten in de afgrond geworpen. De priesters slachten de dieren en ook die worden geofferd aan de god van de diepe vuurpoel. De mensen vertellen, dat in de krater god Brahma woont. Brahma wordt door de bewoners van het Tenggergebergte hoog vereerd. Ze hopen, dat hij hun gezondheid zal geven, voor gezin en voor vee, en ook dat hij de gewassen op de velden goed zal doen groeien. Wanneer de dorpelingen 's avonds moe in hun dessa's teruggekeerd zijn, vertellen ze elkaar verhalen van de Bromo. En één verhaal horen ze het liefste.

Het offer van Kusomo
Vele, vele eeuwen geleden leefde niet ver van de Zandzee een echtpaar: Kjai (eerbiedwaardige man) Kusomo en Njai Kusomo. Toen Kjai Kusomo nog een jongen was, woonde hij met zijn vader en moeder in een klein dorpje. Hij heette toen Madin. Op Java nemen de mensen vaak een andere naam aan als zij gaan trouwen. Madin hoedde de geiten van zijn vader op de berghellingen. Dikwijls lag hij in het gras naar de Bromo te kijken. Daar kwamen van tijd tot tijd dikke rookwolken uit. Soms, als er een vuurgloed zichtbaar werd, zei hij tegen een van de geiten: "Kijk eens Djona, Brahma is boos."

Toen hij ouder werd, wilde hij graag trouwen. Er woonde in het dorp ook een lief en flink meisje: Sarinah. De ouders van de beide jonge mensen spraken met elkaar over een huwelijk tussen hun kinderen en niet lang daarna konden Madin en Sarinah in een klein huisje gaan wonen, dat hij zelf gebouwd had. Toen hij trouwde, nam Madin de naam Kusomo aan. Zij woonden aan de rand van de dessa, vlak bij de hellingen, waar Kusomo als kleine jongen de geiten van zijn vader had gehoed. Als zij 's avonds moe waren van het werk, gingen zij onder het afdak voor hun huisje zitten. In de verte zagen zij dan de rookwolken van de Bromo, en Kusomo vertelde zijn vrouw van het paleis van Brahma in het binnenste van de vulkaan.

Jaren lang leefden zij zo. Kusomo werkte hard; hij verbouwde maïs en op de sawah padi (rijst). Zijn vrouw, Bok Kusomo zoals ze nu genoemd werd, stampte die in het rijstblok. Ze waren gelukkig met elkaar. Maar er ontbrak één ding aan dat geluk: ze hadden geen kinderen. Ze baden en smeekten en offerden, maar er werd geen zoontje of dochtertje geboren. Als ze 's avonds naast elkaar in de verte zaten te kijken, werd er vaak geen woord gesproken. Dan dachten beiden eraan, hoe heerlijk het zou zijn, als er kleine kindertjes rond hen zouden spelen. Op zekere avond, toen ze weer lange tijd zo gezeten hadden, zei Kusomo tegen zijn vrouw: "Wat zou je ervan zeggen, als we eens gingen verhuizen?"

"Verhuizen? Waarom? We hebben het hier toch goed!"

"Ik hoorde vandaag van Intan, die nu op de hellingen daarginds woont, dat hij en zijn vrouw net als wij, al jaren lang getrouwd waren en geen kinderen hadden. Toen zijn zij verhuisd naar de bergen. En na een jaar werd er een zoon geboren."

"Dan moeten wij ook maar verhuizen."

"We zouden het in ieder geval kunnen proberen. Ik zal morgen een plekje zoeken, waar we kunnen gaan wonen."

De volgende morgen heel vroeg trok Kusomo de bergen in. Hij bleef lang weg. Het was al donker, toen hij weer thuis kwam. Bok Kusomo zei niets. Zij diende het eten op. Toen zij klaar waren, gingen ze naast elkaar op de voorgalerij zitten. Kusomo rookte een strootje (sigaret). Na een heel lange tijd begon hij met tussenpozen te spreken: "Ik heb een plaats gevonden, waar we een huis kunnen bouwen... Het is ver weg... Het is er eenzaam... We moeten onze familie en al onze vrienden verlaten... We zullen weer helemaal van voren af aan moeten beginnen... Ik zal velden en sawahs moeten aanleggen... We zullen het niet rijk hebben in het begin."

"Ik wil graag met je meegaan," antwoordde Bok Kusomo alleen.

En zo trokken zij een paar dagen later weg uit hun geboortedorp. De plaats, die Kusomo had uitgekozen, lag op een berghelling. De wind werd tegengehouden door een bos, dat een eind verderop begon. In de verte zagen zij de Bromo. Kusomo had al een paar struiken gekapt op de plek, waar hun huisje zou komen. Er liep een pad langs. Als ze stil waren, hoorden ze het klateren van de bergbeek, die langs de helling omlaag stroomde.

"Het is hier mooi," zei Bok Kusomo.

"Hier bouwen we ons huis en daar komt de stal voor de karbouw."

"Maar we hebben toch geen karbouw?"

"Die zullen we hebben," antwoordde Kusomo.

Ze gingen meteen aan het werk. Het huis hoefde niet groot te zijn, want ze hadden niet veel meegenomen. Na een paar dagen konden ze erin trekken. De eerste nacht, die ze in het nieuwe huis doorbrachten, sliepen ze vast. Ze waren moe van het harde werken.

"Nu ga ik onze sawahs klaar maken," zei Kusomo de volgende morgen. "Als ik hard doorwerk, kunnen we nog net op tijd de jonge rijstplantjes uitzetten. Ik zal water uit de beek over onze akkers leiden."

Toen de eerste padi geoogst werd, waren ze al helemaal gewend aan hun nieuwe omgeving. De mensen uit de bergdessa's begonnen hen al te kennen. Voorbijgangers, die van het ene dorp naar het andere trokken, groetten vriendelijk. Als een reiziger vermoeid was, bleef hij soms wat uitrusten. Dan gaf Bok Kusomo hem iets te eten en te drinken, want Javanen zijn erg gastvrij.

Zo gingen de jaren voorbij. Kusomo en zijn vrouw werden ouder en ouder. Maar nog altijd hadden ze geen kinderen. Ten laatste waren ze zo oud geworden, dat de mensen hen Kjai en Njai Kusomo noemden.

Toen werd er in een stormachtige nacht aan de deur geklopt. De oude mensen sliepen op de baleh-baleh (slaapbank). Ze werden wakker en ze hoorden buiten zacht roepen: "Kjai Kusomo, Kjai Kusomo, heb medelijden met een vermoeide reiziger." Zij kwamen overeind. De oude man stak een klein lampje, de pelita, aan. Het vlammetje beschermde hij met de hand tegen de tocht. Hij schoof de grendel voor de deur weg en liet de reiziger binnen. Het was een arme oude man.

"Wie bent u en waar komt u vandaan en waar wilt u heen?"

"Ik ben een lange weg gegaan," antwoordde de grijsaard, "en de weg die ik nog gaan moet, is nog langer. Ik ben moe en ik heb honger. Geef me alsjeblieft iets te eten. Ik zie dat u zelf niet rijk bent. Maar ik ben nog armer dan u. Laat mij deze nacht onder uw dak blijven."

Njai Kumoso was al bezig maïskoeken te bakken en koffie te maken. De beide mannen gingen op de baleh-baleh zitten en de late bezoeker at en dronk. Het deed hem goed, dat was hem aan te zien. Intussen spreidde Njai Kusomo een mat voor hem op een rustbank. Een poosje later was het weer stil geworden in het huisje.

Toen de volgende morgen de haan kraaide en de slapers wakker maakte, dachten de beide oudjes onmiddellijk weer aan hun gast. Maar wat was dat? Er stond geen vermoeide grijsaard op van de rustbank, maar een jonge slanke prins. De oude mensen schrokken hevig en hurkten eerbiedig neer.

"Ik ben door mijn vader, Brahma, tot u gezonden," sprak de prins. "Brahma heeft uw bidden en smeken gehoord. Uw verlangen naar een kind zal vervuld worden. Over een jaar zal u een zoon geboren worden. Als uw kind tien jaar oud is, zal ik weer naar u toe komen, om u te vertellen wat Brahma van u verlangt." Toen hij dit had gezegd, verliet de prins de woning.

Kjai Kusomo en Njai Kusomo durfden zich eerst niet te bewegen. Toen zij even later naar buiten liepen om te zien waar de zoon van Brahma gebleven was, konden zij hem nergens meer ontdekken. Ver vóór hen lag de Bromo en een dikke zwarte rookwolk steeg op uit de krater. Vol eerbied bogen beiden in de richting van de berg.

Wat de bezoeker gezegd had, gebeurde. Precies een jaar later, op hetzelfde uur van dezelfde dag en dezelfde maand, werd er een jongen geboren in het huisje van Kjai Kusomo en Njai Kusomo. Het is te begrijpen, dat de ouders overgelukkig waren. Zij noemden hun kind Madin, dezelfde naam, die de vader in zijn jeugd had gedragen.

Madin groeide op en toen hij oud genoeg was, hielp hij zijn ouders. Hij was een flinke, sterke knaap. Zijn ouders waren trots op hem. Hij hoedde de geiten en lag dan in het gras en speelde op een fluit, die hij zelf had gesneden. Of hij reed op de brede rug van de sterke karbouw, die de ploeg door de sawah moest trekken. Het grote beest gehoorzaamde Madin en zijn ouders durfden hem gerust te laten gaan, als hij met de karbouw wegreed. Zij wisten, dat het dier hun kleine jongen zou beschermen als dat nodig mocht zijn.

Madin ving krekels, die hij in een kokertje van bamboe bewaarde. Als hij op de weideplaatsen andere jongens tegenkwam, die ook hun kokertjes bij zich hadden, lieten zij de krekels tegen elkaar vechten. Madin had ook een vlieger. Zijn vader had hem geholpen bij het maken hiervan. Het was een hele grote en hij was prachtig gekleurd. Vader had van de pasar (markt) een lange lijn meegebracht. Madin stampte glas fijn en haalde er het vliegertouw doorheen. Zo kreeg hij glastouw. Als de jongens wedstrijden hielden, steeg zijn vlieger het hoogst van allemaal. Kreeg hij de kans, dan liet hij hem zover zakken, dat het touw schuurde over de lijn van een andere vlieger. En dan was het de kunst zo te trekken, dat het touw van de tegenstander werd doorgesneden. De jongens hielden van die gevechten. Of het nu kwam doordat Madin de grootste vlieger had, of dat zijn glastouw sterker was dan dat van de andere jongens, hij won altijd.

Zo groeide Madin op en de tiende verjaardag kwam steeds dichterbij. De jongen wist er niets van, dat de afgezant van Brahma dan zou terugkomen. Maar zijn ouders hadden met grote spanning op deze dag gewacht. Toen het eindelijk zo ver was, stond de prins plotseling weer voor hen op een ogenblik, dat Madin niet thuis was.

"Brahma," zo sprak de prins, "heeft mij weer tot u gezonden. Toen u naar een zoon verlangde, heeft hij mij gestuurd om u te zeggen, dat uw verlangen vervuld zou worden. Iedere dag hebt u hem daarvoor bedankt. Telkens weer hebt u gezegd, dat u bereid bent uw dankbaarheid te tonen, door Brahma alles te geven wat u bezit. Hij verlangt slechts één ding van u en daarmee kunt u bewijzen, dat het u ernst is met wat u hebt gezegd. Breng morgen uw zoon naar de Bromo en werp hem omlaag in het vuur, zodat mijn vader hem in zijn paleis kan opnemen."

Toen de zoon van Brahma deze woorden gesproken had, verdween hij weer. De oude mensen wierpen zich bevend op de grond en ze konden van ontzetting niets zeggen.

De volgende morgen, in alle vroegte, verlieten Kjai Kusomo en Njai Kusomo met hun zoontje het huis. Ze liepen achter elkaar. Voorop Kjai Kusomo, die zwaar op een stok leunde. Dan de vrolijk huppelende Madin en daarachter de oude Njai, gebukt onder het grote verdriet. Het was de veertiende dag van de maand Kasanga. Ze daalden af van de berghelling en gingen door de Zandzee. Madin was vrolijk en blij. Hij was nog nooit zo ver geweest.

"Vader, waar gaan we heen, en wat gaan we doen?" vroeg hij.

"We gaan naar de Bromo om een offer te brengen aan Brahma, mijn jongen."

"Maar we hebben geen vruchten bij ons en geen bloemen. Waar is de offergave dan?"

"Wacht maar tot we er zijn, dan zul je het wel zien, mijn kind." De oude vader had moeite zich goed te houden en de moeder snikte zachtjes.

Zij trokken door de Zandzee en beklommen de top van de Bromo. Toen zij eindelijk boven waren, gingen zij in een eerbiedige houding zitten, Madin in het midden. Verbaasd keek de jongen om zich heen. Nog nooit was hij zo dicht bij de woonplaats van Brahma geweest. Een dunne rooksliert steeg op uit het binnenste van de vulkaan. Zo zaten zij lange tijd. Het was doodstil. De anders zo levendige Madin kwam zo onder de indruk, dat hij zich niet durfde verroeren.

Toen begon Kjai Kusomo te spreken: "Machtige en grote Brahma, toen wij geen kinderen hadden, hebt u ons een boodschapper gezonden, die ons het blijde nieuws vertelde, dat ons een zoon geboren zou worden. Wij zijn u daar altijd dankbaar voor geweest. We hebben iedere dag gezegd, dat we alles zouden willen geven, om deze dankbaarheid te bewijzen. Maar het offer, dat u nu van ons vraagt, is toch wel heel zwaar... Wij hebben maar één zoon. Mijn vrouw en ik zullen niet lang meer kunnen werken. Wie moet dan ons vee voeden? Wie zal onze sawahs ploegen? Wie zal onze oogst binnen halen? Wie moet het water halen uit de beek? Wie zal u offers brengen, o Brahma, als wij zelf dat niet meer kunnen doen? En wie zal ons begraven, als wij eens zullen sterven en wie zal dan bidden op ons graf? Wie moet dat alles doen, als u, machtige Brahma, onze enige zoon neemt?"

Kjai Kusomo zweeg. Zijn vrouw had grote tranen in de ogen en Madin keek verschrikt naar zijn vader. Toen kwam er een dikke zwarte rookwolk uit de krater en een machtige stem, als het geluid van de donder, weerklonk: "Kjai Kusomo, uw smeekbede is verhoord. U bent gehoorzaam geweest. U hebt bewezen, dat uw dankbaarheid werkelijk zo groot was, als u hebt gezegd. U bent bereid geweest mij uw enige zoon te schenken. Ik zal u daarvoor belonen. Uw zoon mag met u terugkeren en u zult hem voortaan Tengger (Hoogland) noemen. Hij zal opgroeien tot een sterk en machtig man en u zult nog beleven, dat hij een groot stamhoofd wordt. Gaat nu terug naar uw woning."

De Kjai en de Njai en Madin luisterden vol ontzag naar de stem en toen die was uitgesproken, bogen zij diep het hoofd. Zij stonden op en keerden naar hun huis terug. Zij haalden hun beste geit uit de stal en brachten die naar de rand van de krater. Daar slachtten zij het dier en wierpen het in het vuur van de diepe afgrond.

Zoals Brahma het had gezegd, kwam het werkelijk uit. Tengger groeide op tot een sterke en flinke man. Toen hij trouwde, hield hij de naam die Brahma hem had gegeven. Hij kreeg veel kinderen, die allen in de buurt bleven wonen. En toen Kjai en Njai Kusomo stierven, was er al een groot dorp ontstaan rond de plaats, die zij hadden uitgezocht om hun huisje te bouwen. Hun nakomelingen noemden zich Wong Tengger, Hooglandmensen.

Dit alles is honderden en honderden jaren geleden gebeurd. Maar nog altijd wonen de Wong-Tengger, de Tenggerezen zoals wij zeggen, op de berghellingen rond de Zandzee. En ieder jaar op de veertiende dag van de maand Kasanga trekken zij met hun offergaven naar de krater van de Bromo. En net als Kjai Kusomo het deed, werpen zij hun offers in de rokende afgrond ter ere van de machtige en goede Brahma.

________________________

Raden Panji Kuda Wanengpati - Een Indonesisch verhaal over de liefde van Raden Panji
In de twaalfde eeuw regeerde over het rijk janggala een vorst, die drie broers had. De oudste was koning van Kediri, de tweede koning van Ngurawen en de derde regeerde over het koninkrijk Singasari. Hun oudere zuster leefde als kluizenares in het Betelwoud. Haar naam was Kili Suci en zij was nooit gehuwd geweest. De vorst van Janggala had twee zonen, waarvan de oudste Braja Nata heette en de jongste Raden Panji Kuda Wanengpati. Deze jongste zoon was verloofd met zijn nicht, Dewi Sekar Taji, de dochter van de vorst van Kediri. Hij had haar nog nooit gezien, want de verloving was immers door de ouders geregeld. De trouwdag zou weldra worden vastgesteld en dan zouden bruid en bruidegom elkaar voor het eerst mogen zien.

Kort voor die grote dag echter ging Raden Panji met zijn gevolg op de jacht. Toen de prins het huis van de patih, de rijksbestuurder, passeerde, nodigde deze hem onmiddellijk uit om binnen te komen. De jonge prins, die heel moe was en naar een koele dronk verlangde, volgde de patih en nam plaats in de koele galerij om uit te rusten. Een beeldschoon meisje kwam naar hem toe om hem de sirihdoos aan te bieden. Verbaasd en enigszins verlegen keek de prins het mooie meisje aan, terwijl ze de sirihdoos voor hem plaatste en een sembah maakte, waarop zij het vertrek verliet.

"Wie is dat mooie meisje?" vroeg de prins aan de patih. "Zij is mijn jongste dochter Dewi Angreni, heer," antwoordde de patih. "Vindt u haar werkelijk zo mooi?"

"Ik vind haar zo mooi," sprak de prins, die in vervoering was geraakt, "dat ik de verloving met mijn nicht Dewi Sekar Taji verbreek, en met uw dochter wil trouwen!"

De patih schrok. "Maar heer, bedenk toch, dat uw vader reeds over uw hand heeft beschikt. Bovendien heeft u uw nicht nog niet gezien. Men zegt dat zij schoon is, vele malen schoner dan rnijn dochter..."

"Dat kan wel zijn," sprak de prins, "maar ik wil geen andere vrouw dan uw dochter Dewi Angreni. Zeg haar dat ze zich gereed maakt, want ik neem haar ogenblikkelijk mee naar de kraton. Als mijn vader haar eenmaal heeft gezien, dan zal hij zeker zijn toestemming tot een huwelijk met haar geven."

De patih durfde nu geen bezwaren meer te maken, en zo volgde Dewi Angreni de prins naar het paleis van zijn vader. De vorst van Janggala keek vreemd op toen zijn zoon hem Dewi Angreni als zijn toekomstige vrouw voorstelde. Maar ook de oude vorst was zozeer bekoord door de schoonheid van het jonge meisje, dat hij instemde met een huwelijk. Met pracht en praal werd daarop het huwelijk van Raden Panji en Dewi Angreni gevierd.

Zodra echter de vorst van Kediri hoorde dat zijn aanstaande schoonzoon een ander tot vrouw genomen had, ontstak hij in hevige woede. Maar het hevigst van al richtte zijn woede zich tegen zijn broeder, de vorst van Janggala, die immers zijn toestemming tot dit huwelijk had gegeven. Hij was zelfs bereid om de wapens tegen zijn broeder op te nemen, maar op advies van een oude, wijze hoveling besloot hij eerst zijn zuster Kili Suci te raadplegen. Hij liet haar ontbieden en na veertien dagen verscheen de kluizenares voor haar broeder, die haar vertelde van het onverwachte huwelijk van zijn heel. "Moet ik nu mijn broeder, die immers zijn woord brak, de oorlog verklaren?" vroeg hij.

"Brak hij dan zijn woord tegenover u?" vroeg Kili Suci. "Natuurlijk, wat een vraag!" stoof de vorst op. "Hij had mij toch zijn woord gegeven, dat zijn tweede zoon, Raden Panji Kuda Wanengpati, met mijn dochter Dewi Sekar Taji zou trouwen, zodra beiden de huwbare leeftijd hadden bereikt. En nu het zover is, laat hij zijn zoon met de dochter van een patih trouwen!"

"Kom broeder," sprak Kili Suci, "wees niet zo vertoornd. Laat mij eerst maar eens gaan praten met onze broeder. Wellicht is nog niet alles verloren. Vooruit, zet dat oorlogvoeren uit je hoofd. Vertrouw op mij, ik zorg wel dat het goed komt."

Daarop begaf Kili Suci, gezeten in een draagstoel, zich op weg naar het koninkrijk Janggala. Toen ze daar was aangekomen en was uitgerust van de vermoeiende tocht, legde zij de vorst uit waarom zij was gekomen.

"Een vorst mag nimmer zijn eens gegeven woord breken, want een vorst die zijn woord breekt is geen goede vorst. En de afspraak was dat Raden Panji in het huwelijk zou treden met Dewi Sekar Taji," zei zij.

"Dat kan hij nu toch ook nog," zei de vorst. "Hij mag immers zoveel vrouwen hebben als hij wil! En natuurlijk zal hij nu ook met Dewi Sekar Taji trouwen, en zij zal de Ratu zijn. Breng mijn groet over aan mijn broeder en zeg hem, dat mijn zoon weldra zal komen om zijn bruid te zien."

Tevreden keerde de kluizenares terug naar het rijk van Kediri en bracht het goede nieuws over. Aan oorlogvoeren dacht de vorst toen niet meer, want hij had het nu veel te druk met de voorbereidingen voor het komende huwelijksfeest.

Ondertussen had de vorst van Janggala, na bekendmaking aan zijn rijksgroten van het op handen zijnde tweede huwelijk van Raden Panji, zijn zoon bij zich ontboden. "Mijn zoon," sprak hij, "doordat je zo overhaast met de schone Dewi Angreni bent getrouwd, hebben we het huwelijk met je nicht Dewi Sekar Taji bijna vergeten. Maar omdat zij toch je eerste vrouw zal worden, zou ik graag zien, dat je morgen naar Kediri vertrok om haar te ontmoeten."

De prins, die al helemaal niet meer aan dit huwelijk had gedacht, schrok van dit bevel. En voor het eerst in zijn leven was hij ongehoorzaam. "Vader," sprak hij, "ik zal niet trouwen met mijn nicht Dewi Sekar Taji. Dewi Angreni zal mijn eerste en enige vrouw blijven."

De vorst was woedend omdat zijn zoon het waagde tegen de adat, het gewoonterecht, te zondigen, maar hij bedwong zich en sprak op kalme toon: "Welnu, mijn zoon, ik zal je er niet toe dwingen de prinses van Kediri te huwen. Maar ik zou wel graag zien dat je vandaag nog op reis ging naar het Betelwoud, om mijn zuster Kili Suci te ontbieden. Zeg haar, dat ik iets van veel gewicht met haar te bespreken heb, iets dat niet lang kan wachten. Daarom moet je ook ogenblikkelijk vertrekken. Het heeft zoveel haast dat je geen afscheid zult kunnen nemen van je vrouw, maar ik zal zelf, nadat je bent vertrokken, de reden van je overhaaste vertrek aan haar verklaren. Ga nu mijn zoon, je hebt mijn zegen."

De prins, die zeer opgelucht was nu zijn vader met zijn wens had ingestemd, vertrouwde volledig op diens woorden en volgde het bevel op. Nauwelijks had hij echter met zijn gevolg de kraton verlaten, of de vorst van Janggala ontbood zijn oudste zoon Braja Nata. Zodra deze voor hem stond, sprak hij tot hem: "Mijn zoon, je jongere broeder Raden Panji heeft niet volgens de adat gehandeld. Hij heeft mij niet met de eerbied behandeld die mij als vorst en vader toekomt. Hij weigerde een plicht na te komen die van hem werd verlangd. Daarvoor zal hij gestraft moeten worden." Nu toonde de vorst van Janggala een kunstig gesmede kris en overhandigde deze aan zijn zoon. "Met dit wapen zul je Dewi Angreni doden. Maar niet in dit rijk. Leid haar weg van hier, naar een verafgelegen oord, opdat je broer nimmer zal vernemen wat er met zijn vrouw is gebeurd."

Braja Nata was geen slecht mens en hij koesterde ook geen wrok jegens zijn broer Raden Panji, maar als een goede zoon moest hij aan de wil van zijn vader gehoorzamen. Daarom nam hij de kris en sprak: "Mijn vorst, het zal geschieden volgens uw wil." Daarna verliet hij de vorst en ging naar de vrouwenvertrekken, waar Dewi Angreni zat met haar voedster, temidden van haar dienaressen. De prinses vertelde juist over een vreemde droom, die zij die nacht had gehad. "Ik kreeg een kleed, schoon en schitterend als de zon, waarover zilveren strepen liepen, net alsof het manestralen waren. Bij dit kleed was een gordel van schitterende sterren... Wat zou dit betekenen?"

De voedster dacht even na en zei toen: "Misschien zult u weldra iets schoons en glinsterends zien. Men zal..." Maar de vrouw kon haar woorden niet vervolgen, want Braja Nata vroeg toestemming om binnen te komen. Dewi Angreni zond haar dienaressen weg en alleen haar oude voedster zat nog neergehurkt op haar matje in de hoek, toen Braja Nata binnentrad. "Zuster Angreni," sprak de prins, "je man is zojuist op bevel van de vorst vertrokken naar de rede van Kataal, op het eiland Madura. Omdat hij daar waarschijnlijk langere tijd zal moeten verblijven, heeft hij mij gevraagd je bij hem te brengen. Wil je je gereed maken om met mij daarheen te gaan?"

Dewi Angreni wist dat elk bevel van de vorst zonder dralen moest worden opgevolgd en begreep dat de Raden Panji geen tijd was gelaten om afscheid van haar te nemen. "Als u even wacht, broeder, dan zal ik mij voor de reis naar Kamal gereed maken," zei ze. Daarop verliet zij met haar voedster het vertrek.

Enkele ogenblikken later stond zij weer voor de prins, gereed om te vertrekken. Deze wees op de oude voedster en zei: "Zij kan niet met ons meegaan, zuster Angreni." Daarop begon de oude vrouw luidkeels te jammeren en zij bad en smeekte zonder ophouden. Op aandringen van de prinses stemde Braja Nata ten slotte erin toe, dat de voedster haar zou begeleiden. Om te verhinderen dat een van de andere vrouwen hen zou kunnen volgen, sloot de prins, zonder dat Dewi Angreni en haar voedster het merkten, zorgvuldig de poort af.

Langzaam zette de stoet zich in beweging en de beide vrouwen hadden niet het geringste vermoeden van wat er te gebeuren stond. Maar nog voordat men Kamal had bereikt, namen de slaven die de draagstoelen droegen een zijweg, die leidde naar een groot woud. Daar liet Braja Nata zijn schoonzuster en haar voedster uit de draagstoel stappen, gaf de slaven het bevel naar Janggala terug te keren en bracht daarna de vrouwen in het woud.

Toen ze onder een asokaboom waren gekomen zei hij: "Hier moet het gebeuren, zuster Dewi Angreni. Het is de wil van mijn vader dat je hier zult sterven."

De prinses keek hem verschrikt aan. "Waarom moet ik gedood worden?" vroeg ze. "Van welke misdaad word ik beschuldigd? Wat heb ik gedaan?"

"Je hebt niets misdaan, schone Dewi Angreni," sprak de prins, "maar je moet gekrist worden, omdat mijn broeder weigert zijn nicht Dewi Sekar Taji te huwen. Raden Panji wil jou als zijn eerste en enige vrouw, maar omdat het mijn vaders wil is dat hij met de prinses van Kediri trouwt, zul jij moeten sterven."

"Dan zal ik mij aan de wil van de vorst van Janggala onderwerpen," sprak Dewi Angreni treurig en toen wierp zij zich op de kris, die de prins haar voorhield. De voedster, die nu ook niet meer wilde blijven leven, trok de kris uit het lichaam van de prinses en doorstak zichzelf. De prins bedekte de dode vrouwen met de bladeren van de asokaboom en keerde naar Janggala terug, waar hij aan de vorst verslag deed over de taak die hij had volbracht. De vorst van Janggala was tevreden: nu zou zijn zoon wel met zijn nicht willen trouwen, dacht hij.

Toen Raden Panji na enige dagen terugkeerde van zijn bezoek aan Kili Suci, ging hij onmiddellijk naar de vrouwenvertrekken om zijn vrouw op te zoeken. Maar bij de poort stond niet zijn vrouw; het was zijn jongere zuster, Dewi Unengan. "Waarom ben jij hier? En waar is mijn lieve vrouw?" vroeg Raden Panji verbaasd. Droevig antwoordde Dewi Unengan: "Zij is hier niet meer, broeder. Dewi Angreni is met haar voedster naar Kamal gebracht, waar zij, volgens de wil van onze vader, is gekrist."

Nauwelijks had de prins deze vreselijke woorden vernomen, of hij wankelde, viel, en bleef bewusteloos liggen. Toen hij pas na vele dagen weer tot bewustzijn was gekomen, zagen allen met ontzetting dat hij waanzinnig was geworden. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat doolde hij rond op zoek naar zijn geliefde Dewi Angreni. Hij zocht in de tempelgrotten, in de spelonken, en zelfs in de rijstvelden, denkende dat zijn vrouw in een rijstaar was veranderd. Hij streelde en kuste de bloemen in de tuin en fluisterde dan tot de oude hoveling Prasanta, die hem vergezelde: "Zie toch eens, Prasanta, deze schone bloem bevat de ziel van mijn lieve vrouw. Het is alsof haar ogen mij vanuit de bloemkelk aanzien, en die fijne blaadjes zijn haar oogleden..."

De oude man voelde een diep medelijden met Raden Panji. Op zekere dag toen hij weer met de prins door de tuin langs de bloemen wandelde, zei de prins opeens: "Prasanta, ik geloof toch niet dat de ziel van mijn vrouw in deze bloemen woont. Laten we naar de rede van Kanaal gaan en haar daar zoeken, ik weet zeker dat ze daar is."

Toen Dewi Unengan van dit plan hoorde, besloot zij haar broeder te vergezellen, want zolang hij ziek was kon hij haar zorgen niet missen. Begeleid door enige trouwe hovelingen en een aantal slaven begaven Raden Panji, Dewi Unengan en de oude Prasanta zich op weg naar Kamal. Hun tocht voerde door het woud en toen ze bij een asokaboom kwamen hielden zij stil. Onder de boom lag een grote hoop afgevallen bladeren en de prins liep ernaartoe. "Kijk toch eens, wat een menigte bladeren; daar ligt vast en zeker mijn lieve Dewi Angreni onder!" Terwijl hij dit zei, woelde hij behoedzaam met zijn voeten door de bladeren en hij was in het geheel niet verbaasd toen hij daar twee lichamen zag, die op stenen beelden geleken. Het ene was jong en schoon, het andere oud, tanig en gerimpeld. Beide vrouwen zagen er nog precies zo uit als toen zij nog leefden, alleen waren ze koud en hard als steen.

Dadelijk nam de prins Dewi Angreni in zijn armen, en terwijl hij haar van de grond opnam, zei hij tot Prasanta: "Neem jij de voedster op en volg mij dan naar het strand. Daar is het beter dan hier in het sombere woud."

De hoveling gehoorzaamde en nam de dode voedster in zijn armen. Dewi Unengan volgde zwijgend de treurige stoet.
Aan het strand gekomen zei de prins: "Kijk, daar liggen twee bootjes gereed! Nu gaan we varen! Ik stap met mijn vrouw en mijn zuster Unengan in de ene boot, en jij, Prasanta, gaat met de voedster in de andere."

"En hoe moet het dan verder gaan?" vroeg Prasanta, die juist de twee bootjes door een van de slaven stevig aan elkaar liet binden, zonder dat de prins er iets van merkte. "Wel," antwoordde Raden Panji, "de anderen moeten ons in kleine bootjes volgen. Er zullen hier wel vissers wonen, die hun vaartuig aan mijn slaven willen verhuren. Het is maar een tochtje voor ons genoegen, dat we maken."

Prasanta beval de slaven bootjes te gaan zoeken waarin zij de prins konden volgen. De vissers stonden dadelijk hun vaartuigen af toen zij hoorden dat zij daarmee de waanzinnige prins, die toch al zo ongelukkig was, een genoegen konden doen. Zo gingen de bootjes de zee op. In het eerste bootje zat de prins, nog steeds met zijn dode vrouw in de armen, terwijl enige slaven roeiden. En achter die slaven zat, bijna verborgen, prinses Unengan. Vlak achter hen kwam het bootje waarin Prasanta zat met de dode voedster, die nu als een stenen beeld tussen de blote voeten van de roeiers op de bodem lag. Na deze bootjes kwam een aantal kleinere vaartuigen, gevuld met slaven.

Zo kwamen ze in volle zee. Toen gaf de prins het bevel naar het noorden te roeien. Nauwelijks waren ze echter een uur in volle zee of er stak een storm op, die weldra een orkaan werd. Hoog en woest werd de zee, en hoog werden de golven, zo hoog, dat van de bootjes waarin de slaven zaten algauw niets meer te zien was. Alleen de horen waarin de prins en Prasanta zaten dansten nog op de schuimende golven, die hen verder en verder meesleurden. Maar ze bleven bij elkaar, omdat Prasanta de boten stevig aan elkaar had laten binden.

De strandbewoners, die hun boten niet terug zagen komen, dachten niet anders of allen waren met de prins in de golven omgekomen. Reeds op de avond van dezelfde dag bracht een van de vissers van Kamal de vorst van Janggala het bericht, dat de prins en allen die met hem in de boten waren, in de golven verdronken waren. De vorst was gebroken toen hij de vreselijke tijding vernam en hij besloot dat hij zich zou afzonderen om te bidden en te vasten in het Betelwoud. Hij droeg de regering over aan zijn zoon Braja Nata en vertrok.

Raden Panji was echter niet gestorven. Hij en de anderen die in de twee bootjes zaten, dreven zeven dagen en zeven nachten op de zee rond, totdat zij op het strand werden geworpen bij Lemah Abang tegenover het eiland Bali. En al die zeven dagen en nachten had de prins niet gerust, bevreesd als hij was dat men hem wanneer hij sliep zijn dode vrouw zou ontnemen. Toen ze aan land waren gekomen had Raden Panji zijn vrouw nog steeds in zijn armen en hij was niet van plan afstand van haar te doen.

"Ach, kijk toch eens, het is net alsof ze slaapt," zei hij en Prasanta moest toegeven dat de prins gelijk had. Maar omdat hij vond dat het zo niet verder kon en dat Dewi Angreni een rustplaats had verdiend, probeerde hij Raden Panji te overreden door hem een sprookje te vertellen.

Terwijl de prins aandachtig luisterde vertelde de oude hoveling: "In de oude tijd leefde ergens in een land, ver over de grote zee, een vorstenzoon, die evenals u, zijn schone jonge vrouw door de dood verloren had. Hij kon van de dode niet scheiden en zo droeg hij haar overal heen, waar hij ging. Hij nam haar mee naar het Oosten en het Westen, en sprak haar toe alsof zij nog leefde, maar dit alles maakte de dode vrouw zo moe. Nu ze gestorven was, wilde ze zo graag rusten in het graf. Maar de prins begreep dit niet. Doch op zekere nacht, toen hij weer met de dode had rondgelopen en tegen haar gesproken had, hoorde hij een stem, die vanuit de godenhemel scheen te komen en die tot hem zei: "Mijn zoon, je loopt maar overal heen met je dode vrouw in je armen. Heb je er dan nooit aan gedacht, hoe moe je haar daardoor maakt? Als je werkelijk je vrouw zo bemint, laat haar dan rusten onder de aarde. Daar zal ze zich gelukkig voelen..."

"En ik dan?" vroeg de vorstenzoon, "wat moet ik dan beginnen als ik mijn lieve vrouw onder de aarde heb neergelegd?"

"Jij, mijn zoon, zult heengaan," sprak de stem van boven, "en vele rijken gaan veroveren. En eerst stel je de goden voor dat, zo je overwint in de strijd, je later je vrouw weer levend terug zult vinden. Maar zo je verliest, zul je niet van de goden mogen verlangen, dat zij je jouw vrouw weer laten zien, zelfs niet na je dood."

En toen hij daarna de rijken van zijn vijanden overwonnen had, vond hij op een dag zijn jonge vrouw levend en nog schoner dan voorheen terug."

"Dat was een mooi verhaal, Prasanta," zei de prins en hij keek naar de dode vrouw in zijn armen. "Ben jij ook zo heel moe, lieve Dewi Angreni? Zou je ook liever willen rusten onder de aarde?" Daarop richtte Raden Panji zich weer tot Prasanta: "Zeg eens, Prasanta, zou je denken, dat mij zoiets ook kan overkomen, als ik de vijanden van mijn vader in de strijd zou overwinnen? Zou ik dan ook mijn vrouw weer levend terugzien?"

"Dat is zeker mogelijk," sprak de oude hoveling. "Het kan immers net zo goed de een als de ander overkomen."

En zo gebeurde het dat zij een plaats onder een hoge boom kozen om de dode prinses en haar voedster te begraven. De slaven groeven een kuil, en toen deze diep genoeg was, en de prins gereed stond om zijn vrouw daarin te leggen, vloog de dode opeens uit zijn armen en ging op naar de dodenhemel, gevolgd door haar voedster. Weldra waren beiden uit het oog verdwenen, terwijl de prins met wijd geopende ogen toekeek.

Vol ontzetting riep hij uit: "Prasanta, zie nu, mijn lieve Dewi Angreni is naar de hemel gevlogen. Hoe kan ik haar ooit weer levend terugvinden, als ik later mijn vijanden overwonnen heb?"

"Nu zul je haar zeker terugzien," zei de oude hoveling, "want dit is een teken dat de goden haar liefhebben. Zouden ze haar anders zo spoedig naar de hemel gezonden hebben? Daarom zullen we ook dadelijk een candi bouwen op deze plaats."

Na enige dagen stond de candi, de graftempel, op de plaats waar de slaven het graf van Dewi Angreni hadden gedolven. Nu wendde Prasanta zich tot de prins en sprak van de strijd, die hij moest voeren. "Uw naam zal nu niet meer Raden Panji Kuda Wanengpati zijn, maar Klana Jayengsari, want niemand mag weten dat u de zoon van de vorst van Janggala bent. U bent nu een prins uit een land ver over de zee en ik ben uw vriend Kebo Pendoga. Prinses Unengan zal in het vervolg Ragil Kuning heten. Met deze namen zullen wij niet herkend worden en gemakkelijk de verschillende rijken binnen kunnen gaan. Als eerste bezoeken wij Bali."

Reeds de volgende dag begaven zij zich op weg. Het toeval wilde dat juist die nacht ervoor de koning van Bali, genaamd Jaya Natpada, had gedroomd van een kleine bron die uit het gebergte van Bali ontsprong en het hele eiland onder water zette. Toen hij aan zijn patih vroeg wat de betekenis daarvan was, antwoordde deze dat er oorlog op komst was. Precies op dat moment gingen de prins, diens zuster en de oude hoveling met hun slaven aan land. Het duurde niet lang of het nieuws had de vorst bereikt dat een vreemde prins, die zich Klana Jayengsari noemde, met zijn volgelingen aan land was gegaan en op weg was naar de kraton.

"En hoeveel volgelingen heeft die prins wel bij zich?" vroeg de patih. "Zowat honderd man," antwoordde de boodschapper. "O, die honderd man zijn gemakkelijk te overwinnen," zei de vorst. "Roep alle soldaten bijeen, patih, en laat ze de vijand tegemoet gaan."

Het leger van de vorst van Bali trok erop uit, doch de slaven van de prins, allen flinke, sterke mannen, takelden enkele van de soldaten zo toe, dat de anderen hals over kop de vlucht namen.

"Het zijn kerels als reuzen," sprak de patih, toen hij bij de vorst verslag deed van de nederlaag. "We moeten ons maar aan die vreemde prins onderwerpen."

Dit hoorde de zoon van de vorst, prins Kuda Natpada, die nog wel heel jong, maar toch zeer dapper was, en hij zei tot zijn vader: "Ik wil die prins uit het land van over de zee gaan bevechten. Laat mij er met de overige soldaten op uit trekken."

De vorst schudde zijn hoofd en ook de patih begon te vertellen dat dit niet ging. "Het was alsof die vreemdelingen onkwetsbaar waren," zei hij. "Ze staan wellicht onder de bescherming van Wisnu en wie weet hebben zij ook een verbond gesloten met demonen en titanen. Daarom moeten we ons wel aan hen onderwerpen. Bied de prins daarom als teken van uw onderwerping uw zoon en dochter aan, want zij zijn de grootste schatten die u bezit. Uw zoon is dapper als een god en uw dochter is schoon als een hemelnimf."

De vorst schrok hevig van dit voorstel, maar hij moest de patih gelijk geven. Hij liet daarom de draagstoel gereed maken en de prinses nam daarin plaats. Naast de draagstoel reed prins Kuda Natpada op een klein paard, gevolgd door zijn slaven. Voor Klana Jayengsari gekomen hield de stoet stil en de patih hielp de prinses uitstappen. Daarop leidde hij de prins en de prinses voor Klana Jayengsari en bood hen hem aan als teken van onderwerping.

Toen Klana Jayengsari de schone prinses zag, dacht hij zijn lieve Dewi Angreni weer te zien. Hij zei: "Ik heet u welkom, schone Dewi Angreni." Maar de prinses antwoordde verlegen: "Mijn naam is Andaya Prana." Nu pas zag de prins met droefheid, dat hij zich vergist had. Hij wendde zich tot de patih: "Neem de prins en de prinses weer mee terug naar hun ouders en zeg de vorst van Bali dat ik geen pand van onderwerping wil aannemen. Zijn woord is mij voldoende." De patih groette eerbiedig en ging heen.

Met grote vreugde zag de vorst van Bali zijn beide kinderen terugkeren en ook was hij verheugd over de woorden van Klana Jayengsari, die de patih hem overbracht.

Nog diezelfde nacht verliet prins Klana Jayengsari met zijn gevolg Bali en stak over naar Blambangan, want ook dit rijk wilde hij veroveren. Hier ging het als op Bali. De vorst onderwierp zich dadelijk, omdat men hem had verteld, dat Klana Jayengsari onoverwinnelijk was. Hij en zijn volgelingen stonden onder de bescherming van de goden en waren daardoor onkwetsbaar. Als teken van zijn onderwerping zond nu de vorst van Blambangan zijn zoon, zijn dochter, een olifant en een prachtig paard.

Daarna veroverde Klana Jayengsari nog de rijken Besuki, Lumajang en Purbalingga, evenals de regentschappen Pasuruan en Malang. En allen die over deze rijken en regentschappen regeerden, onderwierpen zich aan de held Klana Jayengsari.

Vermoeid door al zijn veroveringen trok de prins naar een woud dat in het rijk van Kediri lag, om daar enige tijd uit te rusten. De prins wist echter niet in welk rijk hij zich bevond en de slimme oude hoveling Prasanta, die zich nu Kebo Pendoga noemde, deed er het zwijgen toe. Nu bezat de vorst van Kediri vijf kinderen, de oudste was Raden Kerta Sari, de tweede Dewi Sekar Taji, de derde en vierde waren twee jongere zusjes Dewi Mendaka en Dewi Temi, en de vijfde een broertje, genaamd Gunung Sari.

In de tijd dat Klana Jayengsari uitrustte in het woud, verkeerde de vorst van Kediri in grote moeilijkheden, omdat de vorst van Metaun, die aan de overzijde van de rivier woonde, tegen hem ten strijde wilde trekken. Dit zou nu nog niet zo heel erg geweest zijn, als niet ook alle kleine vorsten en regenten van de westelijke landen tegen hem waren geweest. Onder de regenten was er een machtig heer, de regent van Blitar. En hem vooral vreesde de vorst van Kediri. Hij had vernomen dat er reeds een groot, machtig leger aan de grenzen van zijn rijk gereed lag. Op een teken van de vorst van Metaun zou dit leger het koninkrijk van Kediri binnenrukken, en men vreesde een stellige ondergang. Dagen en nachten piekerde de vorst van Kediri en ten einde raad begaf hij zich ten slotte naar de kluizenaar in de tempelgrotten.

"Vraag hulp aan uw vrienden," raadde de kluizenaar hem aan. "Wiens hulp zou ik kunnen vragen?" vroeg de vorst. "Wie van mijn vrienden heeft een leger dat even sterk is als dat van mijn vijanden?" - "Luister, mijn zoon," sprak de kluizenaar. "Wij vrome mannen horen en zien meer dan gewone stervelingen. En ik weet dat hier in het oosten een krijgsheld rondtrekt. Zijn naam is Klana Jayengsari en hij is wijd en zijd beroemd door de overwinningen die hij maakte. Vanaf Bali verspreidde zich zijn roem. En vele vorsten onderwierpen zich aan hem. Vraag deze held u bij te staan in de strijd tegen uw vijanden en u zult overwinnen." - "En waar kan ik deze held vinden?" vroeg de vorst van Kediri aan de kluizenaar. "Op dit ogenblik vertoeft hij met zijn volgelingen in een van de wouden, dicht bij Pasuruan. Ga daarheen en laat geen tijd verloren gaan."

De vorst van Kediri bedankte de kluizenaar en nog dezelfde avond stuurde hij zijn patih en enige van zijn trouwste volgelingen naar het woud. Weldra hadden zij Klana Jayengsari gevonden en brachten hem de groeten van de vorst van Kediji over. Ze vertelden hem dat de vorst zijn hulp nodig had en dat, zo hij erin zou slagen Kediri te behouden, deze hem rijkelijk zou belonen door hem de hand van zijn dochter te schenken. De prins besloot de vorst van Kediri te helpen en hij en zijn volgelingen gingen mee naar het paleis van de vorst. Deze was buitengewoon verheugd, toen hij de prins zag aankomen en verwelkomde hem allerhartelijkst.

"Ik heb gehoord van je vele overwinningen, mijn zoon, en ik ben je zeer dankhaar dat je bereid bent mij te helpen. Wanneer het koninkrijk gered is, zal ik je mijn dochter, Dewi Sekar Taji, tot vrouw geven. Ze was eens verloofd met haar neef Raden Panji, de zoon van de vorst van Janggala, maar de prins kwam helaas bij een storm in de golven om. Mijn dochter is daarom vrij de man te huwen, die ik voor haar heb bestemd."

Klana Jayengsari glimlachte slechts en zweeg. Nu liet de vorst de schoonste vertrekken in gereedheid brengen voor zijn gasten en ook de volgelingen van de prins werden goed onthaald. Reeds de volgende dag zond Klana Jayengsari zijn zuster Ragil Kuning naar de vorst met geschenken voor Dewi Sekar Taji. Het waren de fijnste weefsels en schitterend bewerkte armbanden en enkelringen van het zuiverste goud, die hij ten geschenke had gekregen van de vorsten die zich aan hem hadden onderworpen.
De vorst geleidde Ragil Kuning naar de vrouwenvertrekken, waar Dewi Sekar Taji zich bevond. Toen Ragil Kuning de prinses zag schrok zij, want Dewi Sekar Taji vertoonde een treffende gelijkenis met de gestorven Dewi Angreni.

Ogenblikkelijk nadat ze terug was, zocht ze haar broer op en vertelde hem wat zij had gezien, maar Klana Jayengsari schudde het hoofd en weigerde te geloven dat Dewi Sekar Taji op zijn lieve vrouw leek. "Geen sterveling kan zo schoon zijn als mijn lieve Dewi Angreni," zuchtte hij. En vol droefheid wendde hij zich af van zijn zuster en ging naar Kebo Pendoga om alles in gereedheid te brengen voor de strijd.

Toen alles klaar was trok het leger op. De vorst van Kediri zag het leger van Klana Jayengsari voorbijtrekken en hij begreep niet hoe het mogelijk was dat dit kleine aantal slaven het grote, sterke leger van de vorst van Metaun zou kunnen overwinnen, met of zonder zijn eigen leger.

Maar de vorst van Metaun had ook gehoord van de roem van Klana Jayengsari en hij was zeer bevreesd om de strijd te verliezen. Zo bevreesd zelfs, dat hij enkele dorpen, die zijn leger in de weg stonden, in brand liet steken. De dorpelingen, die niet wisten wie de brand had aangestoken, schrokken hevig van de geweldige vuurzee en sloegen blindelings op de vlucht. Ze stopten pas toen ze voor de vorst van Metaun stonden en riepen uitzinnig van angst dat ze waren aangevallen door het verschrikkelijke reuzenleger van Klana Jayengsari.

De vorst van Metaun was nu doodsbang, maar hij wilde toch de strijd doorzetten. Op de eerste dag echter verloor hij al vele mannen en op de tweede dag zocht het merendeel van zijn volgelingen een veilig heenkomen in het gebergte. Zijn bondgenoten verloren alle moed, tegen het leger van Klara Jayengsari viel niet te strijden. Doch de vorst van Metaun legde zich er nog niet bij heer. Nu zijn bondgenoten hem in de steek hadden gelaten wilde hij zelf aan het hoofd van zijn overgebleven mannen de vijand tegemoet gaan.

Hij trok een wapenrusting aan, besteeg zijn grootste olifant en begaf zich naar het strijdperk. Hij was buitengewoon sterk, ja zelfs onkwetsbaar voor staal en sloeg daarom alle aanvallen zegevierend af. Het gevecht duurde tot de duisternis viel en de koning van Kediri had toen al vele mannen verloren.

De volgende morgen maakte Klana Jayengsari zich wederom gereed voor de strijd, toen hij achter zich een vrouwenstern hoorde fluisteren: "Laat mij met u ten strijde trekken, prins." De prins, die dacht dat het zijn zuster Ragil Kuning was, maakte een afwerend gebaat en draaide zich om. Maar nog voordat hij een woord kon uitbrengen, herkende hij het gelaat als dat van zijn overleden vrouw.

"Mijn lieve vrouw, ben je dan werkelijk teruggekomen?" vroeg hij. "Je vergist je," antwoordde het schone meisje. "Ik ben je vrouw nog niet en mijn naam is Dewi Sekar Taji. Men noemt mij hier "de prinses zonder vrees," want angst ken ik niet. Daarom wil ik met jou tegen de vorst van Metaun vechten. Ik zal aan ie zijde gaan, op mijn witte olifant, die de taal der mensen verstaat en onkwetsbaar is."

De prins weigerde, want hij wilde de prinses niet aan zulk een gevaar blootstellen, maar Dewi Sekar Taji was vastbesloten en uiteindelijk moest hij dan ook toegeven. Gezeten op hun olifanten, reden zij naast elkaar het strijdperk in, de vorst van Metaun tegemoet. Deze viel de prins aan, heftig stekend met zijn lans en bevend van woede. Maar Klana Jayengsari weerde de lans behendig af en de vorst trok nu zijn zwaard, waarmee hij naar de prins sloeg. Maar ook dit wapen wist de prins te ontwijken, tot grote woede van de vorst van Metaun. Met het schuim op de mond, knarsetandend en met uitpuilende ogen schreeuwde hij: "Stijg van je olifant en laat ons te voet strijden, man tegen man, met de kris..."

Met kahne waardigheid steeg de prins van zijn olifant en nam zijn kris uit de schede. Door woede verblind viel de vorst van Metaun de prins aan, maar deze was voorbereid. De prins stiet hem de kris in de rechterzijde en de vorst viel dood ter aarde. Klana Jayengsari trok het wapen kalm uit de wond en reinigde het, waarna hij het in de schede stak, alsof er niets was gebeurd.

Nu de vorst van Metaun dood was, begrepen zijn volgelingen dat ze de strijd verloren hadden. Massaal kozen ze de vlucht en ze lieten zelfs hun wapens achter.

De prins en de prinses keerden naar het vorstenverblijf terug, waar zij met gejuich werden ontvangen. Nauwelijks was de prins echter binnen of hij viel bewusteloos neer, precies zoals die keer, toen hij vernam dat zijn vrouw Dewi Angreni was gekrist.

"Is hij gewond?" vroeg de vorst van Kediri. De oude hoveling Kebo Pendoga boog zich over de prins heen en luisterde aandachtig. Met ontsteld gelaat keek hij op en zei: "Ik vrees voor zijn leven. Zijn hart klopt niet meer." Vertwijfeld riep Dewi Sekar Taji: "Ik beloof dat, als hij herstelt, ik dadelijk zijn slavin zal worden..."

Ze was nauwelijks uitgesproken of Klana Jayengsari opende de ogen en terwijl ze zich over hem heen boog hoorde ze hem fluisteren: "Nee, niet mijn slavin, maar mijn vrouw zul je weer zijn, nu je bij mij bent teruggekeerd."

De prinses was bedroefd dat zij voor iemand anders werd aangezien, maar toen bedacht ze, dat ze de vrouw zou worden van een prins zo schoon en zo heldhaftig als Klana Jayengsari. En die gedachte vervulde haar met trots. Met pracht en praal werd het huwelijk gevierd. Grootse feesten en banketten werden gegeven en op een van deze dagen begaf Dewi Sekar Taji zich met haar voedster naar een van de tempels in de nabijheid van het vorstenverblijf om daar de zegen van de goden over haar huwelijk af te smeken. Ze wilde aan de god Kama vragen haar een teken te geven, zodat ze zou weten of haar vroegere verloofde Raden Panji werkelijk in de zee was omgekomen, want zo niet, dan zou haar huwelijk immers niet geldig zijn.

Toevallig bevond ook prins Klana Jayengsari zich die dag in de tempel en toen hij de twee vrouwen zag aankomen ging hij op een steen in een duistere hoek van de tempel zitten, alsof hij een god was.

Toen de prinses binnen was, begon hij te spreken. Hij deed zich voor als de god Kama en vroeg haar wat haar kwelde. De prinses, die hem in het geheel niet herkende, antwoordde: "Mij kwelt niets, o hoog verhevene. Ik wenste alleen te weten of mijn verloofde Raden Panji werkelijk gestorven is, want als hij nog leert, dan mag ik toch niet de vrouw van Klana Jayengsari zijn?" - "Luister, prinses," sprak de prins, die zich voordeed als Kama, "Raden Panji Kuda Wanengpati leeft, maar wat niemand weet is dat hij en prins Klana Jayengsari een en dezelfde persoon zijn. Bewaar dit geheim goed en vertel het aan geen sterveling, spreek er zelfs niet over met uw bruidegom. Ga nu heen, prinses, uw gemaal wacht u."

Nauwelijks had Dewi Sekar Taji de tempel verlaten, of Klana Jayengsari gleed van de steen en spoedde zich terug naar het vorstenverblijf, waar hij nog voor de prinses aankwam. En inderdaad, zij repte met geen woord over het geheim dat haar zojuist was onthuld.

De feestelijkheden in Kediri waren nog niet voorbij of korte tijd later rezen er opnieuw moeilijkheden. De vorst van Janggala, die als kluizenaar in het Betelwoud leefde, had zijn zoon Braja Nata opdracht gegeven om ten strijde te trekken tegen Kediri, want hij had gehoord dat een vreemdeling het had gewaagd de verloofde van zijn zoon Raden Panji tot vrouw te nemen. Braja Nata trok nu met een groot, sterk leger plunderend en stelend op naar Kediri. Maar prins Klana Jayengsari was niet in het minst bevreesd, zelfs niet toen hij hoorde dat de legers weldra voor de poorten zouden staan. Hij ontbood zijn hoveling en vriend Kebo Pendoga en beval hem de volgelingen en krijgslieden te zeggen dat zij zich allen moesten overgeven zodra het leger van de vorst van Jenggala zich vertoonde.

Enige dagen later kwam Braja Nata met zijn krijgslieden voor de poorten en het geschiedde zoals Klana Jayengsari wilde; iedereen gaf zich zonder slag of stoot over. Braja Nata ging naar de vorst en zei tot hem: "Mijn vader, de vorst van Janggala, is zeer vertoornd op u en nog meer op de vreemde indringer, Klana Jayengsari, aan wie u uw dochter Dewi Sekar Taji tot vrouw hebt gegeven." - "En waarom zou ik dat niet mogen?" vroeg de vorst verbaasd. "Hij is toch een prins en een held? En Raden Panji is gestorven, nietwaar? Dewi Sekar Taji mag dus een ander huwen."

"Men weet niet zeker of mijn broeder dood is, want zijn lichaam is nooit gevonden. Laat nu Klana Jayengsari bieden. Ik wil hem zelf het doodsbevel overbrengen. Nog vandaag, voordat de zon is ondergegaan, zal hij gekrist zijn, en zijn hoofd zal daarna in een van de bomen van het Betelwoud worden opgehangen."

De vorst van Kediri was tot schreiens toe bedroefd, toen hij dit vonnis over zijn schoonzoon hoorde uitspreken. Met bevende stem gaf hij het bevel prins Klana Jayengsari te gaan roepen.

Klana Jayengsari kwam aangelopen, fier en met het hoofd trots opgeheven. Hij boog niet, hij hurkte zelfs niet voor Braja Nata. Hij keek hem slechts kalm aan. Doch nauwelijks had Braja Nata zijn broer herkend of hij vloog op hem toe en riep verheugd: "Dit is niet Klana Jayengsari! Dit is mijn verloren gewaande broeder, Raden Panji Kuda Wanengpati! Hij had het recht haar te huwen, want zij was voor hem bestemd."

In plaats van diepe droefheid, heerste er die dag grote vreugde in het vorstenverblijf van Kediri en er werd feest gevierd, veertig dagen en veertig nachten lang. En op de veertigste dag gebeurde er een wonder, toen de prins, die nu weer Raden Panji heette, met zijn vrouw een uitstapje maakte naar het eiland Kencana.

Terwijl ze door het woud wandelden kwamen ze langs een asokaboom en daar zagen zij onder de boom een jong meisje en een oude voedster zitten. De prins was met stomheid geslagen. Diepe droefenis overviel hem, want hij dacht dat Dewi Angreni werkelijk nog leefde, terwijl hij met Dewi Sekar Taji was getrouwd. Maar toen verscheen de god Narada uit de hemel en hij sprak: "Raden Panji, ik ben gezonden door Batara Guru om het voor u onmogelijke te verklaren. Het was Batara Guru's wil dat Dewi Angreni van de aarde zou verdwijnen, want geen twee mensen op de aarde mogen hetzelfde zijn. Omdat beide vrouwen op elkaar geleken als de tweelingsterren, die aan de hemel staan, veranderden de goden Dewi Angreni in een manestraal. Om u de sprekende gelijkenis te tonen keerde zij hier enige ogenblikken terug. Doch in het vervolg zullen Dewi Angreni en Dewi Sekar Taji één wezen zijn en dit ene wezen zal heten: Candra Kirana, manestraal, want haar schoonheid zal even stralend zijn als haar naam."

Daarop vloog de god terug naar de hemel. En toen Raden Panji naar de asokaboom keek, stond daar schoon en stralend zijn vrouw Dewi Sekar Taji, die van toen af aan Candra Kirana heette. Maar het jonge meisje en de oude vrouw waren verdwenen en zo begreep hij dat de twee prinsessen nu werkelijk één wezen waren geworden.

___________________________

Koret Laboe - Uit Indonesië, over het vertellen van een goed verhaal
Prinses Gondom Baoe Djelok richtte in haar dorp een hanenvechtplaats op, in de hoop onder de bezoekers een geschikte echtgenoot te vinden. Hoewel twintigduizend mensen deze speelplaats bezochten en er al tien schuren vol rijst en zeven buffels aan het onthaal van de voorname gasten besteed waren, had ze nog geen man gevonden, die even mooi was als zij.

Ook Koret Laboe maakte zich op om zijn geluk te beproeven. Omdat hij geen geld had, verkocht hij zijn vader voor 18 gulden, zijn moeder voor 30 gulden en zijn zuster voor 48 gulden. Van de opbrengst kocht hij allereerst een stel kleren. Op de hanenvechtplaats gekomen, gaf hij aan een jonge slavin een geschenk om haar over te halen hem bij zijn plannen behulpzaam te zijn. Volgens de afspraak kwam zij midden op de dag, toen alle spelers het goed konden zien, aan Koret Laboe een paar fijn toebereide sirihpruimen brengen, en ze zei daarbij, dat dit een geschenk van Gondom Baoe Djelok was. Zeven dagen achter elkaar herhaalde zij dit, en er ging een verontwaardigd gemompel onder de mensen rond, dat die Gondom Baoe Djelok, die zoveel moeite deed om een waardig echtgenoot te vinden, zich nu af gaf met een man van geen komaf zoals die Koret Laboe.

Eindelijk kwamen deze praatjes de prinses zelf ter ore. Woedend over de schande die haar werd aangedaan, zwoer ze dat ze die Koret Laboe in stukken zou laten hakken, en ze zond een slaaf naar hem toe, om hem voor zich te laten brengen.
'Ik ben nog aan het hanenvechten', antwoordde Koret Laboe de slaaf. 'Net kom ik van haar vandaan, of daar komt me alweer iemand halen. Het lijkt wel, of de prinses me geen ogenblik kan missen. Ga jij maar terug, en zeg dat ik dadelijk komen zal.' Een flinke fooi zette aan dit verzoek de nodige kracht bij. Een slavin die daarna op hem af gestuurd werd, zond hij met hetzelfde bericht terug. Gondom Baoe Djelok greep toen een zwaard en ging met haar meest vertrouwde slavin aan de dorpspoort staan om de boosdoener eigenhandig in tweeën te hakken, als hij het dorp binnen zou komen. Alle mannen kwamen van het spel terug. Koret Laboe hield zich angstig achteraan. Toen hij bij de poort kwam, greep Gondom Baoe Djelok hem, verweet hem de schandelijke praatjes die hij over haar had uitgestrooid, en wilde hem het hoofd afslaan. Hij sprak: 'Als je me doden wilt, prinses, doe het dan midden op het dorpsplein, zodat iedereen het kan zien.'
'Goed', antwoordde zij. Maar toen ze hem daar doden wilde, kwamen de dorpsgenoten tussenbeide, en zeiden dat het niet paste voor een vorstendochter, om iemand ongehoord te vonnissen. Er werd dus een raadsvergadering belegd, en deze besloot proefondervindelijk vast te stellen of het waar was, wat Koret Laboe beweerde. Gondom Baoe Djelok met drie meisjes en Koret Laboe, vergezeld van drie jongelingen zouden een nacht in het huis van het dorpshoofd moeten doorbrengen. De gezellinnen van de prinses moesten zien uit te vinden, of zij van die Koret Laboe hield en omgekeerd moesten de jongelingen, die bij hem waren, zijn gedachten zien uit te vinden.

Voordat ze gingen slapen, vroeg een van de slavinnen aan Koret Laboe om een verhaal te vertellen. 'Wat zal ik nu nog vertellen, morgen moet ik immers sterven.'
'Welnee, van sterven is geen sprake, daar sta ik voor in.'
'Je houdt me voor de gek', zei Koret Laboe.
'Nee, vertel maar.'
'Nou eventjes dan. Er was eens een vorst, Dja Martoewa Mamora, die twee zoons had, Adji Malidang en Adji Gedoek. De eerste was de verschoppeling, de tweede was de zoon van de lievelingsvrouw. Haar vader gaf hun ieder een hengelhaak, die in overeenstemming was met hun naam; aan Adji Malidang een rechte, aan Adji Gedoek een kromme."Wie van jullie iets vangt, die zal ik voortaan als mijn zoon beschouwen," sprak Dja Martoewa Mamora. Ze gingen er op uit; Adji Gedoek bracht een rijke vangst naar huis, maar Adji Malidang ving niets. Hij bouwde een hutje aan het water, waar hij tijden lang bleef wonen, zonder dat hij ooit iets te eten kreeg. Tot zover maar, slaapgenoten, morgen moet ik sterven, laat ik de laatste nacht, die mij rest, nog eens de slaap genieten.'

Gondom Baoe Djelok vond, dat die Koret Laboe toch wel mooi vertellen kon, en ze was ook benieuwd hoe het verhaal verder zou lopen. Daarom gaf ze aan een van de slavinnen een kleed en een sirihpruim, en vroeg haar, dit aan de verteller aan te bieden, op voorwaarde dat hij nog wat door zou gaan. 'Verder dan maar weer. Toen Adji Malidang drie maanden aan het hengelen was, beet zich een kreeft zo groot als een muziekbekken aan zijn haak vast. Hij nam het dier mee naar zijn hutje en pakte het netjes in. Na twee nachten kwam er een schip voorbij. "Mannen," riep Adji Malidang, "willen jullie een pakje meenemen voor mijn oom Parsodir Dijapari, en hem vragen mij een hengelhaak, een vuurslag, en een rijstkoker te zenden?"
"Goed, als het niet te zwaar is," zeiden de schepelingen. Ze brachten het pak met de kreeft aan Parsodir Dijapari. Deze maakte het open en zag, dat er een stukje puur goud in was. "Hoe zal ik dit geschenk vergelden?" dacht hij. Een dag en een nacht peinsde hij er tevergeefs over, wat zijn neef toch wel met een hengelhaak, een vuurslag en een rijstkoker mocht bedoelen. Toen verklaarde zijn dochter het hem. "Omdat hij niet smeden kan, heeft zijn vader hem een rechte hengelhaak gegeven en toen gezegd dat degene die wat ving, zijn zoon zou zijn. Daarom vraagt hij een hengelhaak. En dat hij een vuurslag vraagt, dat is omdat hij honger moet lijden, want hij heeft niets te eten. Een rijstkoker wil hij hebben; mij bedoelt hij daarmee. Daarom moet u mij naar hem toezenden, Vader en Moeder." - "Goed zo," zeiden haar ouders, en de volgende ochtend stopten ze hun dochter, Tapi Leja-Ieja Goenoeng, in een grote ijzeren kist. Honderd slaven, honderd buffels, honderd runderen, honderd geiten en alle mogelijke goederen gingen eveneens in de kist, die daarop aan de zeevaarders meegegeven werd, om haar aan Adji Malidang te brengen. Deze dacht dat de kist met stenen gevuld was. "Stenen heb ik genoeg hier in de rivier," zei hij. "Een hengelhaak, een vuurslag en een rijstkoker had ik besteld, maar wat moet ik met zulke grote stenen beginnen?" Hij legde de kist onder zijn hutje neer. Tot zover maar, gezellen, morgen moet ik immers sterven.'

Onder het vertellen was Gondom Baoe Djelok wat dichterbij gekomen. Ze liet nu haar slavin een hoofdkussen voor Koret Laboe halen en vroeg hem verder te vertellen.
'Vervolgens, o prinses, ging Adji Malidang weer hengelen. Toen hij thuis kwam vond hij rijst, bijgerechten, sigaretten en sirih klaar staan. Hij riep de eigenaar, maar er kwam geen antwoord. Toen at hij wat van het maal, en ging weer naar de rivier. Zo ging het zeven dagen lang. Eindelijk besloot hij eens op de loer te gaan liggen om te zien wie hem telkens eten bracht. Nu is het genoeg prinses, ik ga slapen, morgen zul je me immers doden?'
'Nee, je zult niet sterven, toe, lieve Koret Laboe, vertel verder.' Toen kwam ze dicht bij hem zitten, de slaven en slavinnen gingen slapen en Koret Laboe vertelde verder.
'De volgende ochtend bespiedde hij Tapi Leja-Ieja Goenoeng, toen ze uit de kist te voorschijn kwam. Hij besloop haar van achteren, pakte haar beet en sprak: "Nu heb ik je gevangen, liefste, jij bent het dus die zich over mij heeft ontfermd." Zij haalde al de meegebrachte schatten te voorschijn: met de vlakke hand sloeg ze op de stenen, en het werden slaven, buffels, runderen, paarden, geiten en kippen, en meteen stond er een huis, zeven vadem lang. Zo was Adji Malidang plotseling een rijk man geworden. Zijn vader schrok, toen hij dat hoorde. Hij trok naar hem toe, met muziek, gevolgd door 173 maagden en even zoveel vrouwen, mannen, jongelingen en kinderen. Bij zijn zoon aangekomen, slachtte hij zeven buffels als offer aan diens ziel. Rijk en voorspoedig was Adji Malidang, zo luidt het verhaal, prinses.'
Maar Gondom Baoe Djelok was al tegen hem aan in slaap gevallen, en in haar armen ging ook Koret Laboe ter ruste.

De volgende ochtend vertelden de drie jongens en meisjes alles wat er in de nacht gebeurd was, en de vergadering maakte uit, dat hieruit duidelijk de liefde van Gondom Baoe Djelok voor Koret Laboe bleek. Verachtelijk spuwden de mensen op de grond, terwijl ze zeiden: 'Het was dus toch wel waar, dat ze hem op de speelplaats sirih gestuurd heeft. Zoveel edelen dongen naar haar hand, en die Koret Laboe heeft ze tot man genomen!' Toen verbond men Koret Laboe met Gondom Baoe Djelok in het huwelijk. Zo werd Koret Laboe rijk, hij kocht zijn ouders en zijn zuster los en leefde verder in voorspoed.


__________________________

De geur van voedsel - Een verhaal uit Indonesië over een zonderling rechtsgeding
Er was eens een weduwe. Haar overleden man was heel rijk geweest en heel beroemd. Hij voerde de eretitel van Dambong en had het meeste aanzien in het hele dorp. Ze hadden maar één dochter. Die was nog heel jong toen Dambong stierf, en daarom was men haar Nola gaan noemen, wat 'wees' betekent, en zo was men haar blijven noemen.

Omdat Dambong zoveel achting en aanzien genoot in het dorp, waren de mensen met hun meningsverschillen altijd bij hem gekomen, en zijn huis was dan ook nooit leeg. Maar toen hij gestorven was, werd het stil en eenzaam in zijn huis.

Op een dag werd Nola's moeder ziek. Het ging hoe langer hoe slechter met haar. Haar eetlust verdween en zij werd zo mager dat zij nog maar vel over been was. Haar dochter Nola waakte dag en nacht bij haar. Wat ze maar aan eten te pakken kon krijgen, varkensvlees, kip en buffel, alles maakte ze voor haar moeder klaar, maar deze had nergens trek in. Nola was erg bezorgd en dikwijls vroeg ze aan haar moeder wat ze toch zou willen eten, en op een keer antwoordde haar moeder: "Ik zou wel wat willen, gedroogde balanak (gedroogde vis)."

Nola ging dadelijk op weg en vroeg in het hele dorp naar gedroogde balanak, maar die was nergens te vinden. Toevallig kwam juist om die tijd een vader van zes meisjes terug van de visvangst op het meer. Hij had ook veel balanak gevangen en gedroogd.

Nola vroeg hem haar daarvan wat te verkopen, maar de zes meisjes fluisterden hun vader in Nola de vis niet te geven. De zes meisjes wilden heel graag dat Nola's moeder zou sterven, want ze hoopten dat Nola dan van verdriet ook zou sterven. Zij hoopten dat, omdat ze jaloers waren op Nola omdat ze rijk was en ook heel mooi. De vader van de zes meisjes was een broer van Nola's moeder, maar hij was niet rijk zoals de overleden Dambong geweest was. Daar hij zes dochters had en geen zoon, noemde men hem altijd 'de vader van de zes meisjes'. Zijn zes dochters waren helemaal niet lelijk, alleen, Nola was veel mooier.

Op een morgen, toen het hevig waaide, werd er eten bereid in het huis van de vader van de zes meisjes en daarbij werd gedroogde balanak geroosterd. De geur ervan drong door tot in het huis van Nola's moeder. Zodra zij het rook zei ze: "Wat een heerlijke geur van balanak komt er uit het huis van de vader van de zes."

Door de geur werd haar eetlust zo opgewekt, dat ze Nola vroeg, wat witte rijst voor haar te koken, misschien kon ze die eten bij de heerlijke geur van de balanak. En inderdaad, ze gebruikte een schoteltje rijst.

Vanaf dat ogenblik voelde zij zich dagelijks wat beter, haar eetlust keerde terug en het duurde niet lang of Nola's moeder stond weer op en kon naar buiten. Toen de zes meisjes dat zagen waren ze zeer verwonderd, en ze kwamen naar Nola toe om te vragen hoe het kwam dat haar moeder zoveel beter was. Nola vertelde hun dat de geur van de vis die zij geroosterd hadden, haar moeder weer beter had gemaakt. Toen ze dat hoorden, keerden de zes meisjes snel naar huis terug, vertelden het aan hun vader en besloten: "We moeten natuurlijk eisen dat Nola en haar moeder voor de geur van de gebakken vis betalen, want zonder die geur was zij vast en zeker gestorven."

"Jullie hebben gelijk," zei de vader en hij ging er meteen op uit om iemand te vinden die zijn vordering aan Nola's moeder zou willen overbrengen. Maar het duurde lang voordat hij iemand had gevonden, want iedereen had het gevoel dat het onterecht was om zoiets te eisen.

Tenslotte kwam hij ook in het huis van de Tonggal, en deze verklaarde zich bereid de zaak op zich te nemen. Tonggal wist heel goed dat de vader op aandringen van zijn dochters zo handelde, en daarom sprak hij: "Dat is in orde, oom, ik zal het doen, u zult uw recht hebben en ik denk dat Nola en haar moeder vervolgd kunnen worden in deze zaak."

De zes dochters waren zeer verheugd, toen hun vader vertelde wat Tonggal had gezegd. En Tonggal opende de onderhandelingen. Eerst riep hij de oude en wijze mannen van het dorp bijeen. Daarop ging hij zelf naar het huis van Nola's moeder en vroeg haar om haar allermooiste garontong, een koperen trommel.

Schoorvoetend en noodgedwongen gaf ze hem het muziekinstrument. En Tonggal nam de trommel mee naar het gemeentehuis.

Toen zond hij een bode naar de vader en de zes dochters met het bericht dat de betaling al binnen was, en verzocht hen meteen te komen luisteren naar de tonen van de mooie garontong, die hij had meegekregen.

Verheugd hoorden zij Tonggals woorden aan en gingen naar het gemeentehuis. Toen iedereen daar was, sloeg Tonggal op de grote trommel en vroeg aan de vader van de zes dochters: "Is het geen mooie en welluidende klank?"

"Heel mooi," zeiden ze allemaal.

Nu vervolgde Tonggal: "Dan is de heerlijke geur van de geroosterde vis betaald met de prachtige klank van deze trommel."

En hij gaf de trommel aan Nola terug. "Dat is volkomen juist," zeiden de oude en wijze mannen tegen elkaar. Maar de vader en de zes dochters werden verlegen, krabden zich achter het oor en gingen stilletjes naar huis!

___________________________

Hoe Rasoel bin Rachman werd gestraft - Een volksverhaal uit Indonesië over een slechte man en een zeegeest
Rasoel bin Rachman, een slimme, slechte man, had zijn vermogen verspeeld. En omdat geen van zijn oude vrienden hem iets wilde lenen, ging hij naar de oude, blinde Joesoef bin Salim die als zeer rijk bekend stond. Hij maakte hem wijs dat hij een voornaam koopman was uit Arabië, en dat hij zich op Java wilde vestigen. Hij overtuigde de blinde grijsaard van zijn onmetelijke rijkdom, door hem geslepen glasstenen, die hij diamanten noemde, te laten voelen. Toen hij de oude man voor zich gewonnen had, vroeg hij hem zijn schone en enige dochter, Selima, tot vrouw. Omdat Joesoef bin Salim de mooie woorden geloofde gaf hij hem Selima. Nadat het huwelijk voltrokken was zei hij: "Wees goed voor haar, ze is zo lief en hartelijk. Ze is mijn enige steun en troost. Blijf daarom met haar wonen in mijn huis. Ik kan mijn kind niet missen."

"Ik zei u toch, voordat ik Selima's hand vroeg, dat ik mij op Java wilde vestigen," zei Rasoel bin Rachman, "over enige weken vertrek ik met Selima daarheen."

"En ik dan?" vroeg de grijsaard. "Moet ik dan hier hulpeloos en verlaten achterblijven? Nee, mijn zoon, zo wreed kun je toch niet zijn. Bedenk dat ik oud ben en blind. En zo heel lang zal ik jullie niet meer tot last zijn. Neem mij daarom mee naar het land, waar je met Selima heen wilt gaan."

Toen de sluwe Rasoel bin Rachman de grijsaard hoorde smeken gleed een lach van voldoening over zijn donker gelaat. Daarna sprak hij: "Maar vader, natuurlijk nemen wij u mee naar Java, als u dit wilt. Maar u kunt toch al uw bezittingen niet mee op het schip nemen..."

"O, ik zal alles wat ik bezit verkopen," antwoordde Joesoef bin Salim, "en jij, mijn zoon, kunt dan het geld bewaren, totdat we op Java aankomen."

De grijsaard verkocht nu zijn huizen, zijn land en zijn grote kudde geiten en al zijn koperwerk, zodat de leren zak weldra met goud en zilverstukken was gevuld.

"En waar heb je jouw geld?" vroeg hij zijn schoonzoon, toen hij hem bij het aan boord gaan de gevulde zak overhandigde.

"Hier, vader, hier is mijn geld," antwoordde de sluwe schoonzoon en hij gaf de man die niets kwaads vermoedde diens eigen goedgevulde zak in handen.

"Ja, ja, er kan veel geld in zo'n leren zak," zei hij en glimlachte tevreden bij de gedachte dat Rasoel bin Rachman zo rijk was en daarbij zo'n goede zoon. Hij drukte zijn schoonzoon de hand en zei: "Je bent een goed man, mijn zoon! Moge Allah je goedheid spoedig belonen."

Twee dagen waren ze op zee, toen er een hevige storm kwam opzetten. Woest kookte en bruiste de zee, en de hemelhoge golven wierpen het schip heen en weer, alsof het een notendop was. De oude Joesoef bin Salim, die niet anders dacht, dan dat ze zouden omkomen, sprak met grote angst in zijn stem tot Rasoel bin Rachman: "Mijn zoon, als we toch moeten sterven, wil ik eerst mijn gebeden doen. Breng mij daarom aan dek. Hier beneden kan ik niet met Allah spreken."

Als een goed zoon geleidde nu Rasoel bin Rachman zijn schoonvader naar dek, zette hem daar neer in een afgelegen hoekje en sprak: "Nu kunt u met Allah spreken, vader."

Het werd al donker, en nog zat de oude man in het hoekje zijn gebeden te prevelen, tussen twee grote kisten, waar geen sterveling hem zag. Toen het helemaal donker was geworden, sloop Rasoel bin Rachman naar dit hoekje, nam de grijsaard op in zijn sterke armen, en nog voordat deze iets kon zeggen, wierp hij hem in de hoge golven.

Luid jammerend vertelde hij daarna aan Selima, dat hij vader eerder aan dek had gebracht, en dat de oude man nu nergens meer te vinden was. "Ach, hij is misschien meegenomen door de zee!" klaagde hij. "Ach, die arme, goede vader!"

Zo klaagde Rasoel bin Rachman zijn grote verdriet aan iedereen op het schip. En omdat men zag hoe zielsbedroefd hij was, beklaagde men hem en noemde hem 'een goede zoon'!

Maar Kyai Blorong, de zeegeest, die de oude man had opgevangen, had Rasoel bin Rachman's misdaad gezien, en hij besloot de wrede schoonzoon streng daarvoor te straffen.

De moordenaar zelf bekommerde zich niet om wat hij misdreven had. Op Java aangekomen vestigde hij zich in de omtrek van Bagelen, verbraste en verspeelde daar weer spoedig het geld van zijn schoonvader, en de leren zak was al snel helemaal leeg.

Rasoel bin Rachman was nu weer zo arm als voor zijn huwelijk. Hij bezat niets meer, zodat hij zelfs de gebruikelijke selametan (offermaal) niet kon geven op de dag van de besnijdenis van zijn eerstgeboren zoon.

Op die dag liep Rasoel bin Rachman bedroefd en radeloos, omdat geen van zijn vrienden hem iets wilde lenen, langs het Zuiderstrand. Denkend aan al het geld, dat hij met spelen en brassen had verloren, zag hij het rotsblok niet, waarop een oud mannetje zat, bezig rijst uit een pisangblad te eten. Hij liep nogal hard tegen dit rotsblok aan. Het mannetje viel, de rijstkorrels vlogen naar alle kanten, en het pisangblad werd opgenomen door de wind, tot heel, heel ver.

Het mannetje, zo opeens van zijn middagmaal beroofd, snauwde boos tot Rasoel bin Rachman: "Zeg eens, ben je blind? Kun je geen rotsblok meer onderscheiden? Wat zoek je hier? Kom, ga weg!"

"Ik kon het echt niet helpen," verontschuldigde Rasoel bin Rachman zich. "Ik zag het rotsblok niet, omdat ik liep te denken, hoe ik aan geld zou kunnen komen om de selametan te geven voor mijn zoon, die deze middag besneden wordt."

"Ben je zo arm? Jij, die zo rijk was?" vroeg het mannetje. "Wat deed je dan met de leren zak vol geld, die je schoonvader, Joesoef bin Salim, je naliet?"

Rasoel bin Rachman sidderde toen hij het mannetje zo tot zich hoorde spreken, maar voordat hij iets kon zeggen, vervolgde het ventje: "Je ziet, dat ik alles weet, Rasoel bin Rachman. Daarom wil ik je een goede raad geven. Roep Kyai Blorong aan. Hij alleen kan je helpen."

"Kyai Blorong zal mij niet verhoren, als ik hem aanroep," zuchtte Rasoel bin Rachman. "Nooit heb ik aan de zeegeest geofferd."

"Je zult zelf het offer zijn," sprak het mannetje spottend, en daarna liep hij op zijn korte beentjes heen.

"Een vreemd kereltje," dacht Rasoel bin Rachman, terwijl hij hem nakeek. "Hij lijkt wel wat op mijn schoonvader die... Maar nee, het is toch Joesoef bin Salim niet, die de golven meevoerden. En blind is hij ook niet." Zo in gedachten keek Rasoel bin Rachman naar de zee. Juist dook daaruit een vreemd hoofd op. Het was een reusachtig groot hoofd met lange haren en een baard van zeewier. "Zou dit Kyai Blorong zijn?" dacht hij. "Zou ik hem durven aanroepen en vragen me te helpen?" Toen riep hij heel hard: "Kyai Blorong! Grote Kyai Blorong!"

Dadelijk zonk het vreemde hoofd naar de diepte, en een stem, als het rollen van de donder, bulderde hem toe: "Wat verlang je van Kyai Blorong!"

"Grote, machtige Kyai Blorong, ik verlang niets anders dan een offermaal te geven ter ere van het besnijdenisfeest van mijn eerstgeboren zoon," antwoordde Rasoel bin Rachman.

"Welnu, geef dit offermaal," bulderde weer de stem, nu vanuit de diepte der zee.

"Voor dit offermaal heb ik geld nodig, o, grote Kyai Blorong," hernam Rasoel bin Rachman. "Daarom wilde ik u vragen mij zoveel geld te geven, als ik verloren heb..."

"Het geld, dat je verbrast en verspeeld hebt, bedoel je," bulderde de zeegeest nog harder. "Welnu, ik zal je het geld geven, zoveel geld, dat je niet alleen het offermaal kunt geven, maar ook zeven lange jaren in rijkdom kunt leven. Zijn die zeven jaren echter verstreken, dan behoor je mij toe. En ga nu naar huis terug, kijk daar onder de baleh-baleh en geef daarna het offermaal..."

"En daarna breng ik u, grote, machtige Kyai Blorong, een offer van bloemen en wierook en vruchten, en..." begon Rasoel bin Rachman nu zeer verheugd. "Geen bloemen, noch wierook, noch vruchten zul je mij als offer brengen," sprak de zeegeest. "Jij Rasoel bin Rachman, zult na zeven jaar zelf het offer zijn..."

Pas nu begreep Rasoel bin Rachman de woorden van het mannetje op het rotsblok. Hij begon te beven over al zijn leden van angst, maar daarna probeerde hij zichzelf gerust te stellen met de gedachte, dat zeven jaar een lange tijd was, waarin veel gebeuren kon, en dat zeven jaar in rijkdom toch beter was, dan altijd armoede. Hij liep nu ook in opgewekte stemming naar zijn huis terug. Hij trof zijn vrouw aan, huilend omdat ze geen offermaal zou kunnen geven, en beval haar eerst onder de baleh-baleh te kijken. Selima, die hem niet begreep, bleef zitten en begon nog harder te huilen, omdat ze dacht dat haar man gek geworden was.

Rasoel bin Rachman kroop nu zelf onder de baleh-baleh en daar vond hij werkelijk een aantal goud- en zilverstukken, waarmee hij alles wat hij voor het offermaal nodig had, kon kopen. Zo vond hij voortaan, telkens als hij onder de baleh-baleh keek, zoveel geld als hij maar wenste. Zeven jaar lang ging het zo. Zeven jaar leefden Rasoel bin Rachman, Selima en hun zoon in weelde en overvloed. Wat ze maar wensten, vonden zij dadelijk onder de baleh-baleh, zelfs al grensden hun wensen aan het onmogelijke.

Maar na verloop van zeven gouden jaren, werd er op zekere nacht aan hun venster geklopt en toen Rasoel bin Rachman dit had geopend, zag hij bij het heldere licht van de volle maan het mannetje, dat hij eens op het rotsblok had gezien.

"Wat wil je?" vroeg hij op boze toon aan het ventje. "Waarom kom je in het holst van de nacht onze slaap verstoren?"

"Ik kom niet voor niets," antwoordde het mannetje. "Ik kom uit naam van Kyai Blorong, om je eraan te herinneren, dat morgen de zeven jaren verstreken zijn. Mijn meester wacht je dan, Rasoel bin Rachman. Er ontbreekt precies nog één dwarsbalk aan zijn mensenpaleis. En jij, die zo groot en sterk bent, zult die balk zijn..."

"Het is goed," sprak Rasoel bin Rachman. "Zeg aan Kyai Blorong, dat ik morgen komen zal."

De volgende morgen ging Rasoel bin Rachman naar het Zuiderstrand, maar hij ging niet alleen, hij nam zijn zoon mee. En toen hij Kyai Blorong had aangeroepen, en deze hem had toegebulderd, dat hij hem verwachtte, riep de sluwe man: "Grote, machtige Kyai Blorong, ach, laat mij nog zeven jaren van mijn rijkdom genieten. Als pand geef ik u mijn zoon..." Hij wierp nu zijn zoon in zee, en zag hoe dadelijk de knaap in zee verdween. En daarna hoorde hij weer Kyai Blorong's bulderende stem, die begon: "Je bent een slechte vader. Daarom wil ik je zoon tot mij nemen. En jij, leef nog zeven jaren in overvloed, maar daarna behoor je mij onherroepelijk toe."

Weer verliepen er zeven jaren, en weer verscheen op een maanverlichte nacht het mannetje, als afgezant van Kyai Blorong, en hij begon weer tot Rasoel bin Rachman: "De zeven jaren zijn morgen verstreken, dan wacht je Kyai Blorong."

"Het is goed, ik zal komen," antwoordde de boze man. En nauwelijks was de volgende morgen de zon opgekomen, of hij beval Selima om hem te volgen naar het Zuiderstrand. En toen de niets kwaads vermoedende vrouw daar naast hem stond, wierp Rasoel bin Rachman haar in zee, en daarna riep hij tot de zeegeest: "Grote, machtige, Kyai Blorong, neem toch liever mijn vrouw, ze verkwijnt van verdriet over de dood van haar zoon. Ach, neem toch haar, en laat mij nog zeven jaren van mijn rijkdom genieten..."

"Jij slechte man!" bulderde Kyai Blorong. "Eerst wierp je Joesoef bin Salim, je blinde schoonvader, in de golven en verrijkte je met zijn geld. Daarna was je eigen leven je meer waard, dan het leven van je zoon, en nu wil je je vrouw opofferen, om je eigen leven te rekken? Nee, ik wil je vrouw niet! Ik wil jou! Jij gaat ogenblikkelijk mee naar de diepte!"

In die tijd dreef Selima weer naar het strand terug. En juist toen Kyai Blorong klaar stond Rasoel bin Rachman te grijpen, begon zij te smeken: "Ach, goede Kyai Blorong, groot is uw macht, daarom smeek ik u mij mee te nemen, en mijn man te laten leven. Ach laat hem nog zeven jaren van zijn rijkdom genieten. Want voor mij heeft niets meer waarde, sinds ik mijn zoon verloren heb. Neem mij daarom mee, en breng me bij mijn zoon..."

"Het is goed," bulderde de zeegeest. En toen trok hij Selima weer van het strand en nam haar mee. Maar hij bracht haar niet in zijn van mensen opgebouwd paleis. Hij, de voor anderen boze Kyai Blorong, bracht de arme vrouw dadelijk naar het paradijs, waar zij ook haar zoon terugvond.

Zo bleef Rasoel bin Rachman nog zeven jaar leven. Hij voelde zich nu eenzaam en verlaten. Het ergste van alles vond hij dat hij goud noch zilver meer onder de baleh-baleh vond sinds Selima door de zeegeest was meegenomen. Waar vroeger de schatten voor het oprapen lagen vond hij alleen maar schorpioenen en spinnen. Omdat Selima er niet meer was om het huis te reinigen, weefden de afzichtelijke spinnen overal hun grote, taaie webben. En ook 's nacht had hij geen rust. Dan overvielen de schorpioenen hem en staken hem met hun scherpe angels. Ten slotte ontvluchtte hij zijn huis. Bedelend liep hij nu van desa tot desa. Maar het leek alsof alle lieden wisten, hoe slecht Rasoel bin Rachman was, want ze weigerden hem zelfs een handjevol rijst of maïs. Door dit alles kwam nu de grootste straf, de wroeging, over wat hij misdreven had. Deze wroeging maakte, dat hij huilde totdat hij even blind was als Joesoef bin Salfm, toen hij die in zee wierp.

En zo zocht de blinde Rasoel bin Rachman op de tast het pad, dat naar het strand van de Zuidelijke Oceaan leidde. Toen hij daar stond, blind, ellendig, en ziek van angst en wroeging, riep hij kermend: "Ach, grote, machtige Kyai Blorong, neem mij nu mee! Nu is het leven mij een last!"

"Nee, nu neem ik je niet mee," bulderde de zeegeest op woeste toon. "Nu zul je leven en ronddolen en overal waar je komt verjaagd worden! En nergens zul je rust vinden! Kom, ga weg!"

"Kom, ga weg!" riep het mannetje, dat weer op het rotsblok zat met een grijns. In grote ellende moest nu Rasoel bin Rachman zijn verdere levensdagen doorworstelen, totdat hij op zekere dag geheel uitgeput, weer op weg was naar het Zuiderstrand. Daar sleepte hij zich, met inspanning van zijn laatste krachten, voort tot aan het rotsblok, waarop het mannetje zat. Blijkbaar zat hij op hem te wachten, want nauwelijks zag hij de ongelukkige man, of hij zei: "Kyai Blorong roept je!"

"Eindelijk mag ik dan toch tot hem gaan," zuchtte Rasoel bin Rachman en toen liet hij zich in de zee vallen, juist in Kyai Blorong's armen. Zo nam de zeegeest hem nu mee naar zijn uit levende mensen opgebouwd paleis, waar hij, zoals de sage luidt, nu nog dienst doet als een der treden van de uit mensen samengestelde trap, die naar het onderzeese paleis van Kjai Belorong voert.

____________________________

Kantjil en de schildpad
Kantjil, het dwerghert, en Kelap, de schildpad, gingen eens samen op zoek naar voedsel. Dicht bij een huis vonden ze een boom, die vol rijpe vruchten zat. "Ik kan niet in de boom klimmen," zei Kantjil, "maar ik zal je helpen, dat je op die tak kunt komen." En hij schoof Kelap op de onderste tak. Kelap wierp alle vruchten naar beneden, maar toen wist hij niet, hoe hij weer naar beneden moest komen en vroeg Kantjil om hulp. "Nou, kom maar naar beneden, als je wilt!" riep Kantjil. "Maar ik kan niet voor- of achteruit!" - "Laat je dan maar vallen," raadde Kantjil. Kelap deed het en met een luid gekraak viel hij op de grond. De mensen in het huis hoorden het lawaai en zeiden tegen elkaar: "Daar valt een doerian* naar beneden!" 

Nu begon Kantjil de buit te verdelen. "Die is voor mij en die is voor jou!" riep hij telkens, heel luid. "Hé," zeiden de mensen in het huis, "daar wordt wat verdeeld!" En ze holden naar buiten, om te zien, wat er gebeurde. 

Kantjil maakte zich met zijn buit uit de voeten, maar Kelap was niet zo vlug ter been, die kroop dus maar zo snel als hij kon onder de brede bladeren van een taro-plant**. Toen de mensen zagen, dat alle vruchten van de boom waren, werden ze natuurlijk boos en zochten naar de dief. Weldra hadden ze Kelap te pakken. "Zo, vriendje," zeiden ze, "jou zullen we maar eens in het vuur stoppen!" - "Mij goed, hoor," antwoordde Kelap. "Dat is nog al eens gebeurd en toen hebben ze het maar half gedaan. Mijn andere kant heeft nog geen vuur gevoeld." - "Nee, dat is geen straf," vonden de mensen toen, "we zullen hem in de suikerpers leggen." - "Welja," antwoordde Kelap, "leg mij onder de suikerpers, dan kan mijn andere zijde ook eens plat worden." - "Dat is ook geen straf!" riepen ze. "We zullen hem in de rivier werpen!" - "O nee, niet in de rivier, asjeblieft niet in de rivier!" smeekte Kelap. Nu wierpen ze hem juist te water. Kelap zwom naar het midden en riep: "Zo is het goed. Nu ben ik thuis!" 

De mensen merkten nu wel, dat ze beetgenomen waren en wilden wraak nemen, door het water met toeba-wortels*** te vergiftigen. Maar de vleermuis was er achter gekomen. Die vloog dadelijk naar Kelap en raadde hem aan de rivier te verlaten. "Nee, ik blijf," zei Kelap en hij zwom naar de oever, waar hij tussen een aantal grote stenen in stil water ging liggen. 

Spoedig kwam er een man met toeba-wortels en begon die op Kelaps rug, die hij voor een steen hield, fijn te wrijven. Kelap liet zich heel langzaam stukje voor stukje dieper in het water zakken, zodat het tenslotte over hem heen stroomde. "Hoe heb ik het nu?" zei de man. "Het water stijgt, dan kan men de rivier niet vergiftigen!" Dus gingen ze allen maar naar huis. 

* De doerian is een grote groenachtige vrucht met sneeuwwit vlees, waarin zwarte pitten zitten. Ze riekt lelijk, maar heeft een frisse smaak. 

** Taro is een plant, die knollen heeft, welke een zeer voedzaam meel leveren. 

*** Deze wortels worden fijn geschaafd en een afkooksel daarvan in het water gegoten. Dit heeft een verdovende invloed op de vissen, die daardoor gemakkelijk gevangen worden.


__________________________

De list van de Parkietenkoning - Een Indonesisch dierenverhaal over een gevangen parkiet
Si Meuseukin was eens in het bos om droog hout te kappen en hij kwam bij een grote boom, waarin een grote menigte parkieten woonde. Toen hij dat merkte, besloot hij de vogels te vangen en hij zei tot zichzelf: "Wacht, laat ik hier morgen gom plaatsen! Als ik deze vogels kan vangen, zal ik ze verkopen om er sirih en pinangnoten voor mijn moeder van te kopen, en dan zal ze nog wat kleren kunnen krijgen ook!"

Toen bond hij het hout in een bundel en nam het mee naar huis. En die avond zei Si Meuseukin tegen zijn moeder: "Wees niet meer bezorgd, moeder! Als u en mij geluk beschoren is, vangen wij een hele hoop vogels. Wacht maar, morgen zal ik gom uitzetten."

Zodra het ochtend was, stond Si Meuseukin op om sap van de broodboom en van de nangka te tappen. Daarna kookte hij het, wond het om bamboe, die in stukjes ter grootte van een pink was gespleten.

Toen dit alles klaar was, nam hij een kapmes en de gom, klom langs de luchtwortels van de nga-bomen om de gom in de grote boom op de slaapplaatsen van de parkieten te smeren. Si Meuseukin plakte de gom in alle negen en negentig nesten, die er in de boom waren. Vervolgens klom hij weer naar beneden, ging droog hout zoeken, bond het in een bundel, nam deze op zijn hoofd, en keerde naar zijn dorp terug. Zodra hij was thuisgekomen, zette hij het hout neer en rustte van zijn vermoeienissen uit.

Si Meuseukin zei tegen zijn moeder: "Moeder! Bent u thuis? Kom gauw beneden, ga naar de markt om het hout te verkopen!" Zijn moeder nam de bundel met hout op haar hoofd en ging ermee naar de markt. Daar verkocht zij het hout en kocht voor het geld gepelde rijst, waarmee zij naar huis terugkeerde. Daar kookte zij de rijst en de groente en toen dit alles gaar was at zij het met haar zoon op. Si Meuseukin praatte die avond met zijn moeder en zei: "Moeder, ik heb vandaag de nesten van de vogels, die in de grote boom wonen met gom ingesmeerd."

Tegen de avond kwamen de koning der parkieten en al zijn onderdanen thuis en ieder kroop in zijn eigen nest. Zodra ze in het nest waren gekropen, sprak de minister der parkieten: "Wij zijn bedrogen! Wat is er vanavond gebeurd? Waarom zit mijn hele lichaam vol gom?" Zodra ze dat de minister hoorden zeggen, antwoordden alle onderdanen, en ook de koning zei: "Met ons, minister, is het al evenzo gesteld! Het zit helemaal om ons heen. Ons lichaam zit er vol mee, alles zit vastgekleefd met gom! Misschien is er een mens hier geweest. Dan zullen wij morgen zeker allen moeten sterven."

Toen zei de koning: "Zo is het inderdaad. Morgen zal er een mens komen om ons te vangen. Ook mijn hele lichaam zit vol gom, ik kan mij zelfs niet meer verroeren." De minister vroeg daarop aan de koning: "Wat gaat er dan met ons gebeuren? Moeten wij morgenochtend allen sterven?" Weer antwoordde de koning, sprekend tot de ministers, hoofden en lagere volgelingen: "Waar zijt gij allen?"

En alle parkieten antwoordden: "Wij zijn allen hier, koning!"

Toen zei de Parkietenkoning: "Ik weet een list. Weest dus niet bezorgd. We kunnen die mens wel beetnemen. Laten wij ons morgen allen dood houden; wij mogen niet de minste beweging maken en geheel stijf blijven. Als er dan een mens komt, zal hij als hij ons ziet denken dat we dood zijn en ons naar beneden werpen. En dan moet gij, als gij op de grond ligt, allen één voor één tellen; als er dan negen en negentig zijn, moet gij allen opstaan en tegelijk wegvliegen!"

Toen de koning die raad gegeven had, gingen zij allen gerust slapen. En bij het aanbreken van de dag hielden alle parkieten zich volkomen stijf, alsof zij dood waren.

Die ochtend stond Si Meuseukin in zenuwachtige haast op en ging onmiddellijk het bos in naar de grote boom. Daar aangekomen, klom hij meteen naar boven en onder het klimmen zei hij in zichzelf: "Jullie zijn er allemaal bij, stuk voor stuk vastgekleefd aan de gom! Morgen verkoop ik jullie op de markt, ontvang een flinke prijs en dan kan ik daarvoor kleren, sirih en pinangnoten, gambir en tabak kopen voor mijn moeder." Maar boven in de boom gekomen, zag Si Meuseukin, dat alle vogels dood waren en reeds verstijfd. Verbaasd keek hij ernaar en riep uit: "Oh, wat een verlies. Waarom zouden ze toch allen zijn gestorven? Ben ik misschien te laat gekomen? Oh, wat is 't jammer! Hoe zou het toch komen, dat ik vandaag geen geluk heb?"

Toen hij dit gezegd had, maakte hij alle vogels los en wierp ze één voor één op de grond. Hij liet ze allemaal omlaag vallen en reeds waren er acht en negentig met een plof op de grond neergekomen. De enige, die nog over was, was de koning der parkieten. Toen gebeurde het, dat het kapmes van Si Meuseukin onder het klimmen naar de top, waar de Parkietenkoning vastgekleefd zat, op de grond viel. En op het horen van die plof, vlogen alle parkieten gelijk op.

Te laat zagen zij, dat hun koning nog in de top zat. Si Meuseukin zag wat er gebeurde en riep woedend uit: "Ellendige beesten! Jullie hebben mij voor de gek gehouden! Wacht maar! Hier heb ik er nog één. Die zal ik niet loslaten, maar doden, ellendig beest met al je streken! Ik zal je koken en braden en met zout mengen! Of anders zal ik je verkopen, om voor het geld kleren te kopen voor mijn moeder, en sirih, pinangnoten gambir en tabak!" Maar toen Si Meuseukin zag dat deze parkiet heel mooi was zei hij: "Wat is dit een mooie vogel! Deze is zeker de schoonste van allemaal. Misschien is deze wel hun koning. Hou jij je maar dood, maar loslaten zal ik je niet."

Toen de Parkietenkoning dit hoorde, begon hij hevig te spartelen, maar hij kon toch niet loskomen van de gom, die aan zijn hele lichaam was vastgekleefd. Toen greep Si Meuseukin hem beet, bond hem vast met een touw en haastte zich om hem naar zijn moeder te brengen. Onderweg zei de Parkietenkoning tegen hem: "O broeder Meuseukin! Dood mij niet en verkoop mij ook niet! Bewaar mij liever in uw huis, opdat gij gemakkelijk uw kost zult verdienen. Wanneer de mensen erachter komen, dat ik in uw huis ben, zullen ze zeker allen komen om mij te zien en heel veel eten voor u meebrengen. Wat u zelf betreft, wees niet bezorgd! U zal zeker nog een groot geluk ten deel vallen!"

Daarop nam Si Meuseukin de Parkietenkoning mee naar zijn huis en deed hem in een kooi. De andere parkieten volgden allen hun koning naar het huis van Si Meuseukin en gingen op de nok van het dak zitten.

Het duurde enige dagen vóór het in het hele land bekend was dat de Parkietenkoning daar was. Maar toen kwamen de mensen uit alle dorpen toegestroomd om de koning der parkieten te zien in het huis van Si Meuseukin, van welk dier men zei, dat het zo schoon was; en zij brachten geschenken mee, eetwaren vooral, zoveel dat men ze niet zou weten op te sommen; sommigen brachten rijst mee, in zakken verpakt, anderen weer sirih, pinangnoten, suikerriet, pi-sang; anderen weer tinnen duiten en dollars, ieder naar zijn vermogen; de vele eetwaren vormden langzamerhand hele stapels. Door de Parkietenkoning werd Si Meuseukin zeer rijk.

Dit nieuws bereikte ook de mensenkoning van dat land. De vorst ontbood Si Meuseukin naar zijn paleis en beval, dat hij de mooie parkiet voor hem moest meebrengen. Onmiddellijk gehoorzaamde Si Meuseukin aan dit bevel en liet de vogel aan de mensenkoning zien. Deze koning zag, dat de parkiet bijzonder mooi was, en hij vroeg Si Meuseukin: "Wil je die parkiet aan mij afstaan? Ik geef je daarvoor duizend gouden dinars." Maar Si Meuseukin antwoordde: "Vergeef mij heer, deze parkiet is niet mijn eigendom, maar zij behoort mijn moeder toe, o koning." Si Meuseukin vroeg daarop de mensenkoning verlof heen te gaan en keerde naar zijn moeder terug, terwijl hij de Parkietenkoning meenam.

Thuisgekomen deed hij de vogel in een gouden kooi. Toen zei de vogel tegen hem: "Hé, broeder! Verkoop mij liever aan uw vorst. Wees niet bang, alles zal goed aflopen!"

Daarop keerde Si Meuseukin op zijn schreden terug en verkocht de vogel aan zijn vorst. En deze gaf hem duizend gouden dinars. Toen de parkiet enige tijd in het paleis van die koning had geleefd, bedacht hij dezelfde list als voorheen. Op een dag hield hij zich alsof hij dood was. Toen de koning zag, dat de parkiet gestorven was, was hij zeer bedroefd en gaf het bevel, het lijk van de vogel op het dak van het paleis te werpen. Nauwelijks voelde de parkiet zich los of hij vloog op. En zo raakte de Parkietenkoning vrij, dankzij zijn list.


________________________

Het buideldier en de wind
Eens zat het buideldier op de tak van een waringinboom en zei: "Ik zit hier zo stevig, mij kan de wind niet van de tak afgooien!" En daarop daagde hij de westenwind uit en zei: "Hé, westenwind, mij kun je toch niet van de tak afgooien!" En de westenwind blies zo hard hij kon en de tak bewoog naar links en naar rechts, naar boven en naar beneden, maar het buideldier klemde zich stevig vast en zwiepte mee. Het lukte de westenwind niet om het buideldier van zijn plaats af te gooien.

Toen daagde het buideldier de oostenwind uit en zei: "Hé, oostenwind, je kunt me toch niet van de tak afgooien!"

De oostenwind gaf de regen het bevel om de hele nacht lang neer te dalen en dat deed de regen. En hij regende op het buideldier. Het buideldier zat stil en kreeg het heel erg koud. Tegen de ochtend was het buideldier door en door koud geworden en toen de zon opkwam en op de waringin begon te schijnen, werd hij weer warmer en viel in slaap.

Toen blies de oostenwind, heel zachtjes. En het buideldier sliep, sliep, sliep vast. De oostenwind moest maar even blazen of het buideldier viel al op de grond.

_____________________

Het lied van Si Nandang - Een visserslegende uit Sumatra over verboden liefde
Heel, heel lang geleden, leefde er een visser. Hij woonde met zijn vader in een dorpje op het eiland Sumatra in de kabupaten Asahan. De visser heette Nandang en zijn vader Ulong Djantan.

Nandang was, behalve een goede zanger en fluitist, net als zijn vader een strijder voor het volk van Asahan. Iedereen wist dat Ulong Djantan en zijn zoon Nandang leiders waren van de vissers.

In diezelfde tijd heerste er in Asahan een tirannieke vorst die een mooie dochter had. Zij heette Putri Fatimah. Het paleis van de vorst lag aan de oevers van de Asahan-rivier en had een grote balai peranginan. De prinses zat hier vaak te wachten tot zij de stem van Nandang zou horen, die zingend zijn visvangst thuisbracht. Zij verlangde naar Nandang, al heel lang.

Op een avond liep Nandang onder de balai waarde prinses zat. Ze riep hem aan: 'Neem me mee, weg van dit paleis!' Maar Nandang, hoe graag hij het ook wilde, weigerde. 'Nee,' zei hij, 'want dan zal jouw vader wraak nemen en daar zullen alle vissers het slachtoffer van worden. Zijn wraak zal wreed zijn.'

Vanaf die dag was de prinses erg verdrietig. Dag en nacht verlangde ze naar Nandang, naar zijn stem die het lied 'Si Nandong' zong. Ze kon niet slapen en weigerde te eten. De vorst wist niet wat zijn dochter scheelde en raakte in de war.

Op een dag liet hij zijn medicijnman Pawang Alang Sakti, die ook zijn lijfwacht was, met al zijn mannen bij zich komen. Hij had de hulp van de medicijnman nodig om zijn dochter weer gezond te laten worden. Onder leiding van Alang Sakti werd er een plechtigheid gehouden voor de genezing van de prinses.

Plotseling kwam de prinses toen binnen en schreeuwde dat de ceremonie moest ophouden. Alang Sakti waarschuwde de vorst: 'Pas op heer, zij is in de macht van de zwarte magie van de duivel.' Maar de prinses riep: 'Ik ben niet ziek, jij bent een kwakzalver.'

Opeens klonk van verre het lied van Nandang. Zijn stem bracht de prinses van haar stuk. Ze bleef als aan de grond genageld staan en prevelde onbewust zachtjes de naam van Nandang.

De vorst begreep inmiddels wie de oorzaak van de 'ziekte' van zijn dochter was en werd vreselijk kwaad. Hij gaf onmiddellijk opdracht om Nandang en alle vissers op te pakken. Zijn wraak was precies zoals Nandang had voorspeld.

Een week later waren alle vissers, op Nandang na, opgepakt. Ze kregen lijfstraffen. Omdat Nandang spoorloos verdwenen was, werd zijn vader Ulong Djantan als gijzelaar gevangen genomen en gemarteld. De vorst hoopte dat Nandang zich zou overgeven als hij dit zou horen.

Op een dag, ongeveer een maand later, zat de prinses voor zich uit te staren op de balai van het paleis. Plotseling hoorde ze van verre de stem van Nandang. Zoals altijd zong hij zijn lied 'Si Nandong.'

Onmiddellijk kwamen de vorst en zijn lijfwacht te voorschijn. De vorst gaf de Dajangdajangopdracht de prinses naar haar kamer te brengen.

Niet lang daarna verscheen Nandang, kalm en rustig. 'Ik kom hier niet om me over te geven, oh vorst. Ik eis dat u mijn vader en alle vissers Vrij laat!' 'Jij, onbeleefde visser,' riep de vorst terug, 'jij kunt mij niet bevelen. Ik ben hier de vorst en ik ben almachtig.' 'Ik kom ook niet om u te bevelen,' antwoordde Nandang, 'ik kom rechtvaardigheid eisen.' 'Maar, ik ben rechtvaardig, ik ben immers de vorst.' 'Oh nee,' riep Nandang terug. 'de rechtvaardigheid van een vorst gaat niet zo ver dat hij zijn volk al haar rechten mag ontnemen.' 'Zeg maar wat je wilt, visser. Je vader en de anderen laat ik niet los. En jij, voordat ik jou ga veroordelen, moet je eerst om vergeving vragen,' sprak de vorst dreigend.

Nandang liet zich echter niet uit het veld slaan: 'Oh, almachtige, rechtvaardige vorst die met eerbied wordt aanbeden. Een tirannieke vorst moet door de mens worden bestreden.' 'Zwijg,' beval de vorst. Nandang ging rustig verder en zei: 'Is praten zonder toestemming van de vorst verboden?' 'Pas op jij, de macht van een vorst is onbeperkt. Jij Nandang, hebt drie misdaden begaan. Ten eerste heb je de prinses met je lied verleid. Ten tweede heb je het volk opgehitst om de vorst te bevechten. En ten derde heb je het adatrecht overtreden. Morgenvroeg Nandang, word je ter dood gebracht.'

Nandang weigerde zich over te geven. Er ontstond een vreselijk gevecht. Plotseling verscheen de prinses op de balai. Ze riep dat het gevecht moest ophouden en dat Nandang moest worden vrijgelaten. Ze hield een kris in haar hand en dreigde zichzelf te zullen doden als Nandang niet losgelaten zou worden. Het gevecht stopte meteen.

Nandang draaide zich om en wilde weglopen, maar plotseling riep de vorst: 'Steek hem dood!' Hierop sprong Alang Sakti snel achter Nandang en stak hem met zijn kris in zijn rug. De prinses zag dit alles gebeuren en schrok hevig. Ze aarzelde verder niet, zwaaide haar kris omhoog en stak zichzelf in het hart.

De vorst had er niet op gerekend dat zijn dochter de daad bij het woord zou voegen en bleef als verstijfd staan. Met veel moeite sprak de prinses nog tot haar vader: 'Oh vorst, ik ga nu met Nandang mee. Als u verlangt mij weer te zien, zing dan het lied van Nandang, "Si Nandong".'

Na deze laatste woorden strompelde ze de trap van het balkon af en viel neer op het strand. Nandang kroop langzaam naar haar toe en greep haar hand vast. Zo stierven zij, verenigd in de dood.

Vanaf de dag van de dood van de prinses, vond er elke drie maanden een door de vorst georganiseerde selamatan plaats, waarop het lied 'Si Nandong' door de beste zanger uit de streek ten gehore werd gebracht.


________________________

Het wilde zwijn - Een volksverhaal uit Indonesië over een door een zwijn ontvoerde vrouw
Een jong getrouwd paar begaf zich in de vroege morgen naar de ladang. Onderweg zei de man tegen zijn vrouw: "Begin vast oepi en batata uit te graven en snijd ook een tros rijpe pisang aboe af, kook daarna wat batata voor mij, dan ga ik eerst naar mijn strikken kijken." Daarna sloeg hij een zijpad naar het woud in. De vrouw liep nu alleen door en op de ladang aangekomen deed ze wat haar man had opgedragen. Tegen de middag, net toen het begon te regenen bij heldere zonneschijn, kwam haar man terug, tenminste, dat dacht ze. Hij had enige koesoe's bij zich en zei: "Kom, laten we nu naar huis gaan, want ik ben bang dat het harder zal gaan regenen en dat deze regen ons ongeluk brengt."

Snel braken ze op en gingen op weg, de man voorop. Maar na een tijdje sloeg hij een klein zijpaadje in en even later zei hij, als bij zichzelf: "Hier heb ik gisteren ook gelopen, want je ziet de verse sporen nog en daar heb ik een paar takken weggekapt." De vrouw die al verbaasd was dat haar man zo'n vreemd zijpaadje was ingeslagen, bemerkte nu tot haar grote verbazing dat zij op een varkenspaadje terecht was gekomen, dat de sporen in de grond varkenssporen waren en dat het struikgewas aan beide kanten als met een slagtand van een wild zwijn was vernield. Haar hart begon van angst harder te kloppen en zij dacht bij zichzelf: "Dat is mijn man niet; misschien is het wel een geest! Wat zal ik doen, wat zal ik doen?" Een eindje verder sprak de man, terwijl hij langs een modderplas liep: "Hier neem ik geregeld een bad."

Toen zij ten slotte voor een grote rots kwamen, de Batu Patola, en zij door een gat naar binnen moesten kruipen, begreep de vrouw dat deze man, in wiens handen ze was gevallen, een vermomd wild zwijn was. Snikkend, en bevend over haar hele lichaam smeekte ze hem om haar te laten gaan. Het zwijn antwoordde echter: "Wees niet bang, vrouw, ik zal u geen kwaad doen, maar omdat ik al oud ben en mijn einde voel naderen wil ik u tot mijn erfgenaam maken van alles wat ik hier heb liggen. Kijk eens, al deze borden, pullen, kommen, gongs en sieraden. Maar daarvoor moet u bij me blijven totdat ik gestorven ben, dan kan ik u ook over het een en ander vertellen."

Omdat de vrouw de weg terug niet wist, kon ze niet anders doen dan zich in haar lot schikken. Bovendien lachte de komende erfenis haar toe. Zo bleef ze een paar weken bij het zwijn en zorgde voor zijn voedsel en zijn hol. Telkens als hij uitging zei hij tegen haar: "Kijk 's middags door dit gat goed uit naar de zon. Als die ter hoogte van de boomtak daar is, zal ik gauw thuis zijn. Als de zon daar voorbij is en ik ben nog niet thuisgekomen, dan kun je gerust aannemen dat ik gestorven ben. Neem dan al mijn goederen en ga langs dit pad naar je woning terug."

Op een keer voelde het wilde zwijn meer dan ooit dat zijn laatste uur snel geslagen zou hebben. Hij legde de vrouw nog eens goed uit waar zich alle kostbaarheden bevonden, wees haar precies hoe ze de terugweg moest volgen en vertrok. Hij had zijn hol nog maar net verlaten of de echte man van de vrouw, die aan het jagen was, kwam hem op het spoor. Omdat het zwijn door zijn ouderdom niet meer zo snel was, werd hij al spoedig door een paar honden in het nauw gedreven, en het lukte de jager om hem met zijn lans dodelijk te treffen. Hij wist echter zo'n verborgen plek te vinden om de dood af te wachten, dat de jager zijn spoor kwijt raakte.

De vrouw, die tegen de middag al had zitten uitkijken, zag op het afgesproken tijdstip het zwijn niet aankomen en toen de zon al lang voorbij de boomtak was en al bijna verdween, begreep ze dat hij de dood had gevonden. Ze vulde haastig een gong met de mooiste koralen en ringen, nam een stapel kostbare borden, omhing zich met talrijke sieraden en koperen en zilveren bellen en sloeg het pad in naar huis.

In de avond kwam zij aan. De ringen aan haar enkels rinkelden bij elke stap die zij deed. Haar vader hoorde het geluid en zei tegen zijn vrouw: "Wie komt daar toch aan? Het lijkt wel de voetstap van onze dochter. Maar dat kan niet, want zij is toch dood, misschien gesneuveld, of in de macht van een boze geest gevallen." Toen zij onder aan de trap was gekomen riep ze haar vaders naam. Boos antwoordde die: "Wie is daar zo gemeen, om de draak met me te steken en de stem van mijn overleden dochter na te bootsen?"

Toen riep ze haar moeder. Deze kon haar oren niet geloven, het was duidelijk de stem van haar dochter en onwillekeurig begon haar hart te popelen. Maar nee, dat kon immers niet waar zijn, dat was zeker een bedrieger, en weeklagend riep ze uit: "Waarom spot je toch zo met het verdriet van een moeder en boots je de stem na van haar dochter, van wie ze de dood betreurt?"

Toen riep ze de naam van haar echtgenoot. Deze wist niet hoe hij het had. Ontdaan sprong hij op en het was, alsof hij moest lachen en huilen tegelijk. "Licht eens gauw bij," riep hij, "ik moet toch eens kijken." Toen ontdekten zij inderdaad de verloren gewaande vrouw en zij werd omhelsd en met liefkozingen overladen en met gejuich naar binnen geleid. Daar vertelde ze wat er gebeurd was en iedereen was in de wolken dat zij zo'n grote erfenis had gekregen, want nu brak er een tijd zonder zorgen aan. Nadat zij de volgende dag het kostbaarste porselein uit de Batu Patola hadden opgehaald, schonken ze de overige kostbaarheden aan hun dorpsgenoten.

_____________________

De zoon van de rechter - Een oud volksverhaal uit Celebes over de rechtspraak
In veel oude volksverhalen uit Indonesië speelt het rijk Antah Berantah op het voormalige Celebes (Sulawesi) een rol en in dit rijk - dat nooit echt heeft bestaan - woonde vroeger een bekwaam rechter die bij iedereen in hoog aanzien stond om zijn rechtvaardigheid.

De rechter had een zoon die rechtswetenschappen studeerde en later ook rechter wilde worden. Tijdens zijn studie kwam echter bij hem steeds vaker de gedachte op dat rechtspreken niet altijd zonder gevaren was als er een niet rechtvaardige uitspraak werd gedaan.

De zoon raakte zo in zijn gedachten verstrikt dat hij tot de conclusie kwam dat het niet mogelijk was om een goed rechter te zijn. Hij maakte zich daardoor zorgen om zijn vader en vroeg hem om zijn functie neer te leggen, maar de rechter had daar geen begrip voor en ging gewoon door met zijn werk.

Dag in dag uit praatte de zoon op zijn vader in om hem te bewegen met rechtspreken te stoppen, maar de rechter weigerde zijn werkzaamheden te beëindigen. Uiteindelijk zag de jongeman in dat de gesprekken met zijn vader vruchteloos waren en besloot te vertrekken, de wijde wereld (Celebes) in. Hij wilde er niet bij zijn als zijn vader in gevaar zou komen als deze een onjuiste uitspraak zou doen in een belangrijke rechtszaak. Met lede ogen zag de rechter zijn zoon vertrekken en hoopte op een terugkeer als de jongen zou inzien dat zijn gedachten niet reëel waren geweest.

Op zijn reis door Celebes ontmoette de jongen een oude vriend waar hij van harte welkom was en waar hij bleef logeren. Na een paar dagen moest zijn gastheer, een handelaar in alle mogelijke goederen, op reis en hij vroeg de jongen de twee vrouwen waarmee hij getrouwd was, gezelschap te houden en eventueel te beschermen bij dreigend onheil.

De eerste vrouw van de handelaar had een baby en op de tweede dag na vertrek van de man gebeurde er een drama. De baby werd dood aangetroffen en bleek te zijn vermoord en de moeder, die haar kind zelf had omgebracht, gaf de tweede vrouw de schuld van de moord.

De moeder van de baby wilde kort na vertrek van haar man, naar een vriend, maar de baby begon te huilen toen zij weg wilde gaan. Nadat zij het kind tot bedaren had gebracht door het wat te eten te geven, wilde ze weer vertrekken, maar opnieuw begon de baby hard te huilen. Ook een derde poging om weg te gaan mislukte omdat het kind begon te schreeuwen. Daarop werd de moeder razend, pakte een grote steen en doodde haar baby.

De rechter in het dorp kwam er aan te pas en hij vermoedde dat de twee echtgenotes van de handelaar elkaar niet mochten en dat daarom de tweede vrouw de schuld kreeg van de moord op de baby. Deze kreeg dan ook de schuld en werd door de rechter veroordeeld. Maar omdat de veroordeelde in hoger beroep ging, kwamen beide vrouwen voor een andere rechter te staan, die echter hetzelfde oordeel uitsprak. De geschiedenis herhaalde zich keer op keer en de zaak van de moord op de baby kwam negenendertig keer voor. Alle rechters veroordeelden de (onschuldige) tweede vrouw van de handelaar.

Uiteindelijk kwam de zaak voor de rechter wiens zoon zijn ouderlijke woning had verlaten. Deze stelde het duo tijdens de rechtszitting slechts enkele vragen waaronder de vraag of ze wilden doen wat hij hen zou zeggen. De eerste vrouw ging direct akkoord, maar de andere wilde alleen doen wat netjes en rechtvaardig was.

De vraag van de rechter was of de vrouwen zich wilden uitkleden, naar een bepaald punt lopen en weer terugkeren, om zich vervolgens weer aan te kleden. De eerste vrouw ontkleedde zich meteen, snelde weg en keerde meteen weer terug. De tweede vrouw weigerde aan de opdracht van de rechter te voldoen omdat ze het niet netjes was om naakt rond te lopen en zou haar echtgenoot zou beledigen.

De rechter deed meteen uitspraak. Hij besliste dat de eerste vrouw, degene die haar kind had gedood, schuldig was, omdat zij beslist de rechtszaak had willen winnen en daarvoor niet had geaarzeld naakt te gaan rondlopen en zodoende haar man zou beschamen. De vrouw bekende de moord op haar baby en werd door de rechter veroordeeld.

De zoon van de rechter had het hele proces aandachtig gevolgd en was, nadat negenendertig rechters een verkeerde uitspraak hadden gedaan, er van overtuigd dat zijn vader een rechtvaardig rechter was. De zoon vond dat zijn vader zijn functie als rechter moest blijven vervullen en keerde terug naar het ouderlijk huis.

____________________

De streken van Djonaha - Een Indonesisch schelmenverhaal over schulden terugbetalen
Op een goede dag begaf het dorpshoofd van Padang-matogoe zich naar de woning van Djonaha om deze aan te manen zijn schulden te betalen. Hij vond Djonaha niet thuis en daarom begaf het dorpshoofd zich naar de sopo in de hoop hem daar wel aan te treffen. En inderdaad, daar zat Djonaha tussen zijn vrienden en had het hoogste woord. Hij vroeg het dorpshoofd waarom hij gekomen was en deze deelde hem toen mede dat hij hem nog tweehonderd bitsang schuldig was en dat hij deze vóór de volgende morgen moest betalen.

"Ik heb helemaal geen geld," moest Djonaha bekennen.

"Geef ons dan maar vast wat te eten," zei het dorpshoofd.

"Uitstekend," zei Djonaha, terwijl hij opsprong. "Laten wij eerst wat gaan eten."

Ze begaven zich naar het huis van Djonaha en de moeder maakte in allerijl een maaltijd gereed. Na de maaltijd beklaagde het dorpshoofd zich, dat ze geen vlees bij het eten gekregen hadden. "Het spijt me oprecht," zei Djonaha, "maar ik ben zó arm dat ik er geen kippen of varkens op na kan houden. Daarom eten wij hier ook geen vlees." De gasten verlieten de woning en begaven zich naar de sopo om daar de nacht door te brengen.

De volgende morgen wekte Djonaha zijn moeder in alle vroegte en zei: "Hebt u gisteren niet gehoord hoe boos het dorpshoofd was omdat hij en zijn dienaren geen vlees kregen? Maar vandaag zullen zij het hebben! Slacht zeven kippen en braad ze in potscherven. Houd ze goed warm op het fornuis en dien ze op in de potscherven op gevlochten onderleggers."

"Ik zal doen wat je vraagt, jongen," zei zijn moeder en zij ging meteen aan het werk.

Djonaha ging intussen naar de sopo om het dorpshoofd en zijn gevolg voor die dag voor het eten uit te nodigen. "Ik ga nu vogels in het woud schieten. Heer," zei hij, "Zou één van uw bedienden mij kunnen vergezellen?" Daar had het dorpshoofd niet het minste bezwaar tegen en zo trok Djonaha met zijn blaasroer, vergezeld door een bediende, naar het bos. Al heel gauw ontdekten zij een groep neushoornvogels die zich aan bessen te goed deden. Djonaha mikte met zijn blaasroer op één en riep toen: "Vogeltjelief, vlieg naar mijn huis dan kan mijn moeder je voor mijn gasten braden."

"Heb je die vogel werkelijk getroffen?" vroeg zijn metgezel. "Het leek net, of hij wegvloog."

"Welnee vriend," antwoordde Djonaha, "die ligt nu al op een potscherf te pruttelen."

"Dan heb je zeker een wonderblaasroer," zei de bediende die niet tot de slimsten behoorde.

Djonaha wees op een woudduif, mikte erop en riep: "Snel, vogeltje, vlieg naar mijn moeder en laat je braden." De bediende sperde van verbazing zijn mond wijd open toen hij de duif in de richting van Djonaha's huis zag vliegen. Nog vijfmaal achtereen schoot Djonaha op die manier een vogel af en daarna keerden zij naar de sopo terug. De bediende raakte niet uitgepraat over de wonderlijke trefzekerheid van Djonaha, maar deze was al weer naar huis gegaan om zijn moeder te helpen met het bereiden van het gastmaal. Toen alles gereed was, ging hij zijn gasten ophalen.

"Vrienden," zei hij, "ik hoop dat wat ik vandaag geschoten heb u goed zal smaken."

Het moet gezegd worden dat de gasten zijn tafel alle eer aandeden. Het gebraden gevogelte in de potscherven smaakte overheerlijk en ook de rijstkegels en de verschillende soorten sajoer werden duchtig aangesproken. Na de maaltijd sprak het dorpshoofd zijn dank en tevredenheid uit. "Maar," liet hij er meteen op volgen, "vergeet niet, beste Djonaha, dat je mij nog tweehonderd bitsang schuldig bent. Ik wil je echter die schuld kwijtschelden, wanneer je mij jouw blaasroer geeft."

"O nee Heer," sprak Djonaha, "dat is onmogelijk. Met dit blaasroer voorzie ik in ons onderhoud en voor geen geld zou ik het af willen staan."

"Maar ik beveel je mij het blaasroer te geven. Eerder ga ik niet weg."

"Ik weet dat wij een dorpshoofd gehoorzaamheid verschuldigd zijn," zei Djonaha met een onderdanig gezicht, "en daarom overhandig ik het u, al is het met een bloedend hart. Bedenk echter dat de wind nooit in het wapen mag blazen en dat er ook nooit een vlieg overheen mag lopen, want dan is het met de wonderkracht gedaan."

"Ik zal er goed op letten," zei het dorpshoofd, "en ik zal je ook nooit meer lastig vallen." Toen vertrok hij met zijn gevolg.

Een paar dagen later trok het dorpshoofd met het blaasroer het bos in. Al heel gauw zag hij een boom, waarin het krioelde van de vogels. Het was zeker geen kunst om er één te raken en daarom mikte hij naar een vogel hoog in de boom, terwijl hij riep: "Vogellief, vlieg naar mijn huis, dan kan mijn moeder je braden." Zo deed hij enkele keren achtereen en daarna ging hij naar huis.

"Moeder," vroeg hij, "hoeveel vogels hebt u gebraden?"

"Hoe kom je daarbij," zei zijn moeder, "ik heb geen enkele vogel in huis."

"Wel, dan heeft die Djonaha mij bedrogen!" riep het dorpshoofd woedend uit en hij zocht hem meteen op. "Djonaha," zei hij, "dat blaasroer van je is een waardeloos prul."

"Heeft u het wel goed opgeborgen?" vroeg Djonaha hem.

Het dorpshoofd moest bekennen dat hij dit niet gedaan had.

"Dan heeft er natuurlijk een vlieg overheen gelopen en is de toverkracht verbroken," stelde Djonaha vast. "Het spijt me, maar ik kan het nu niet terugnemen."

En het gefopte dorpshoofd moest onverrichter zake terugkeren.

______________________

Hoe Kyai Blorong de hebzuchtige Sarijan strafte - Een Indonesische legende over de gevolgen van hebzucht
Vele eeuwen geleden woonde in het rijk van Bagelen op Midden-Java een machtige vorst, die zo goed en zo mild was, dat men hem de 'edelmoedige' noemde. Geen bedelaar verliet hongerig of zonder aalmoes zijn paleis. En verwoestte soms een aardbeving of een overstroming de huizen van zijn onderdanen, of werd de oogst bedorven door een insektenplaag, dan vergoedde deze edelmoedige vorst een groot deel van de geleden schade.

Zo kwam nu ook op zekere dag Pak Suruh, een oppassende landbouwer, zich bij de vorst beklagen dat een bende veedieven, die reeds lang de omtrek onveilig maakte, hem van zijn twee grote, sterke buffels had beroofd. "En geld om nieuwe buffels te kopen, heb ik niet, o vorst," klaagde de man. "Wel, dat behoeft ook niet, Pak Suruh," sprak de vorst op vriendelijke toon. "Ga jij nu maar naar huis. Morgen zend ik je een paar buffels, die nog flinker en sterker zijn dan de buffels die je had."

Vrolijker dan hij die morgen uit zijn dorp was vertrokken, keerde Pak Suruh in de namiddag weer terug. De eerste die hij in het dorp zag, was zijn buurman Pak Sarijan, een man die even lui als hebzuchtig was en die alleen werkte wanneer de honger hem ertoe dreef.

"Wel, Pak Suruh," begon hij, "waarom kijk je zo vrolijk? Toen je vanmorgen je buffels miste, keek je toch heel anders." - "Zou jij ook niet vrolijk zijn, als de vorst je een paar andere buffels gaf?" vroeg Pak Suruh. "Morgen kunnen ze al hier zijn en dan begin ik dadelijk met het omploegen van mijn sawah. Als je wilt kun je me helpen," vervolgde hij goedig tot zijn luie buurman.

Pak Sarijan echter zei dat hij veel te moe was om op de sawah te werken, keerde zich om en liep verder door het dorp. Terwijl hij liep, bedacht hij plotseling iets. Als het zo gemakkelijk gaat om de vorst te bepraten, dacht hij, kan ik het ook wel eens wagen, hem een paar buffels te vragen. Hij kan toch onmogelijk weten dat ik nooit een buffel heb bezeten en hij zal me zeker wel een paar dieren geven, wanneer ik hem vertel dat de veedieven ook mijn buffels meenamen.

De volgende morgen stond Pak Sarijan schreiend voor het vorstenverblijf te wachten, totdat de vorst hem zou zien en dan zou vragen waarom hij, Pak Sarijan, toch zo bedroefd was.

In plaats van de vorst zag een oud vrouwtje, dat neergehurkt op een der stenen voor het paleis zat, hem. Het oudje, dat Pak Sarijan scheen te kennen, strompelde naar hem toe en vroeg: "Waarom zo bedroefd, Pak Sarijan?" - "Hi, hi, hi," snikte de luiaard, "zou ik niet bedroefd zijn? Vannacht hebben de veedieven mijn twee buffels gestolen. Ach, mijn arme dieren," kermde hij. "Ze waren zo groot en zo sterk. En nu, nu bezit ik niets meer. Ik ben zo heel arm, nu mijn buffels weg zijn... En nu ben ik hier gekomen om bij de vorst mijn nood te klagen en hem een paar nieuwe buffels te vragen."

Juist toen Sarijan zo sprak, verliet de vorst het paleis. Nog harder begon de luiaard te jammeren en de vorst die de man zo bedroefd zag, wenkte hem dichterbij te komen.

Toen Pak Sarijan aan de voeten van zijn gebieder knielde, vroeg deze hem: "Vertel me nu eens de reden van uw grote droefheid. Hebt u misschien uw vrouw of een van uw kinderen verloren?" - "Nee, o, nee," snikte Pak Sarijan, "ik heb alleen mijn twee schone, sterke buffels verloren! Veedieven drongen gisteravond mijn tuin binnen en roofden mijn beide dieren. En nu ben ik arm..." Even glimlachte de vorst en daarna sprak hij tot Pak Sarijan: "Wel, dat is toch wonderbaarlijk! Er kwamen gisteravond twee buffels mijn stal binnenlopen. Zouden dat jouw buffels kunnen zijn?" En zonder het antwoord van Pak Sarijan af te wachten, gaf de koning zijn slaven het bevel, de twee grootste en schoonste buffels uit de stal te brengen.

"Zijn het deze buffels?" vroeg de vorst, toen de dieren op het voorplein stonden. "Ja mijn vorst, o ja, dat zijn mijn buffels," loog Pak Sarijan. "Ik zie het aan de kop van de ene en aan de horens van de andere." Hij liep nu op de dieren toe en wilde hen aanraken. Maar zodra hij zijn hand naar hen uitstak, begonnen zij met hun horens te stoten. Daarna draaiden zij zich om en liepen naar het oude vrouwtje.

"Je zegt wel dat het jouw buffels zijn, Pak Sarijan," begon de vorst nu op strenge toon, "maar het is toch vreemd dat zij hun meester niet herkennen." - "Toch zijn het mijn buffels, o vorst," hield de luiaard vol. "Het zoontje van Pak Astra, mijn buurman, leidt ze, en daarom kennen ze mij niet zo goed." Het gelaat van de vorst werd hoe langer hoe donkerder. Hij keek Pak Sarijan boos aan, wendde daarna met een gebaar van minachting het hoofd af en vroeg aan het vrouwtje: "Wijze Mbok Truna, vertel jij eens aan deze man, wie deze buffels toebehoren." - "Ze behoren u toe, mijn vorst," antwoordde het moedertje. "Pak Sarijan heeft nimmer een buffel bezeten. Hij is te lui om te werken, en te arm om zelfs een geit te kunnen kopen. En toch verlangt hij naar rijkdom, o vorst, want hij is even hebzuchtig als lui." - "Dan zal hij rijk worden," sprak de vorst. "En u, wijze Mbok Truna, moet hem vertellen, wie hem rijkdom kan schenken, zonder dat hij er iets voor behoeft te doen."

Daarop nam het oudje het woord: "Pak Sarijan, ga naar het Zuiderstrand en loop tot de Oceaan. Blijf daar staan op de plek waar een der rotsen tot in zee loopt en roep daar Kyai Blorong aan. Hij zal je rijk maken, zoals hij reeds velen die hem aanriepen, met schatten heeft overladen." - "En word ik dan vanzelf rijk?" vroeg Pak Sarijan. "Hoef ik dan niet van 's morgens vroeg tot 's avonds laat te werken?" - "Je hoeft helemaal niet meer te werken, Pak Sarijan," sprak het vrouwtje. "Ga nu heen en spoed u naar Kyai Blorong."

Pak Sarijan keerde terug naar zijn dorp, verkocht daar zijn hut en zijn rustbank en vertrok zonder iemand iets te vertellen naar het Zuiderstrand. Nauwelijks was hij daar aangekomen of hij riep met luide stem Kyai Blorong aan. Uit de diepte van de zee bulderde een stem: "Wie ben je en wat verlang je van mij?" - "Ik ben Pak Sarijan, o grote, machtige Kyai Blorong," riep de luiaard met een van angst bevende stem. "Ik ben hier gekomen om u te smeken mij rijk te maken." - "Als je mijn bevelen wilt opvolgen, kun je zeven jaren in rijkdom leven. Maar denk er wel aan: zeven jaar en geen moment langer..."

Wat daarna gebeuren zou hoorde Pak Sarijan niet, vervuld als hij was van de gedachte zeven lange jaren in rijkdom te mogen leven. Hij antwoordde daarom haastig: "Ik zal al uw bevelen opvolgen, o machtige Kyai Blorong. Alles, alles wil ik voor u doen als u mij maar goud en edelstenen wilt schenken." - "Je zult hebben wat je wilt," lachte de zeegeest. "Begin maar vast met het volgende te doen: loop naar de Praga, waar je aan de oever van de rivier witte kiezelstenen zult vinden. Zoek genoeg stenen om een rijstpan mee te vullen, maar denk er wel aan, dat alle stenen even groot moeten zijn en dezelfde vorm moeten hebben. Loop dan langs de rivier tot je bij een huis van bamboe komt. Ga daar naar binnen en leeg de pan boven het vuur. Loop dan weer naar buiten en vul de rijstpan nog eens. Als je weer in het huis terugkeert, dan zal het eeuwig brandende vuur daar je eerste voorraad kiezelstenen in diamanten hebben veranderd. Je tweede voorraad zal veranderen in goud, je derde in parels, je vierde in robijnen. Ja, in alles wat je maar wenst zullen de kiezelstenen veranderen." Met van hebzucht schitterende ogen had Pak Sarijan de woorden van Kyai Blorong aangehoord en zijn vingers kromden zich alsof hij zijn schatten reeds kon grijpen. Toen vroeg hij: "Grote Kyai Blorong, mag ik zoveel van de kiezelstenen nemen als ik wil?" - "Neem zoveel als je wilt," antwoordde de zeegeest, "maar je mag niet meer dan telkens een pan vol naar de hut brengen." - "Ik zal eraan denken, grote gebieder," zei Pak Sarijan en hij ging naar het dichtstbij gelegen dorp, kocht daar de grootste pan die hij kon vinden en liep daarmee naar de rivier om daar zijn eerste voorraad kiezelstenen te gaan halen.

De oever was bezaaid met kiezelstenen van allerlei grootte en vorm en daarom duurde het wel even voordat Pak Sarijan ze had uitgezocht en zijn pan had gevuld. Toen begaf hij zich naar de hut, maar die lag zo ver in het onmetelijke woud, dat Pak Sarijan enige dagreizen nodig had om deze te bereiken.

Eindelijk daar aangekomen, schrok hij geweldig bij het zien van het reusachtige vuur, dat de hut bijna geheel vulde. Doodsbang voor de vlammen, die zich als vurige slangen naar alle kanten kronkelden, durfde hij het eeuwig brandende vuur niet te naderen, noch de met stenen gevulde pan erin te legen. "Hoe zou ik in dit vuur mijn goud en diamanten terug kunnen vinden?" zei hij tot zichzelf. Ten einde raad ging hij voor de hut zitten.

Terwijl hij daar zo moedeloos zat en naar zijn kiezelstenen staarde, vloog er een kalong langs hem heen. Het dier fladderde telkens boven zijn hoofd heen en weer en dit begon Pak Sarijan te vervelen. Hij probeerde de kalong te verjagen, maar in plaats van weg te fladderen, begon het dier te spreken. "Pak Sarijan, waarom verzamel je niet eerst de stenen totdat je een grote hoop hebt en werp je ze daarna in het vuur? Dan heb je in een keer grote rijkdom verworven."

Dat vond hij geen slecht idee en zo kwam het dat hij met grote ijver kiezelstenen ging verzamelen. Hij gunde zich zelfs geen tijd om eten te koken en at daarom alleen kruiden en vruchten, die hij op zijn weg door het woud vond. En terwijl hij aan niets anders meer kon denken dan aan het verzamelen van kiezelstenen, vergat hij de tijd.

De zeven jaren waren snel voorbij, en op een dag kwam de kalong hem vertellen dat Kyai Blorong op hem wachtte. Het was juist de dag waarop Pak Sarijan dacht dat zijn berg kiezelstenen groot genoeg was om in het reuzenvuur te werpen. Hij was dan ook zeer verbaasd toen de kalong hem kwam halen. Pak Sarijan sputterde tegen: "Zeg tegen hem dat ik niet kan komen," riep hij. "Ik zal hem komen bedanken als ik beladen met schatten naar mijn dorp terugga. Nu kan ik nog niet weg; vandaag werp ik mijn stenen op het vuur." - "Kom mee," piepte de kalong. "De zeven jaren zijn voorbij. En naar je dorp zul je nooit meer terugkeren." - "En mijn stenen dan? Al mijn tot een berg opgehoopte schatten?" jammerde Pak Sarijan. "Heeft iemand ooit tegen je gezegd, dat je zeven jaar lang zoveel kiezelstenen moest verzamelen totdat ze een berg zouden vormen?" vroeg de kalong. "Maar jij riep het me toch toe?" kermde Pak Sarijan. "Jij riep me toch toe dat ik de kiezelstenen tot een grote hoop moest verzamelen om ze daarna op het vuur te werpen?" - "Nee, dat was ik niet," sprak de kalong. "Het was je eigen hebzucht, die jou dat ingaf. Maar nu ben ik gekomen om je te vertellen dat de zeven jaren voorbij zijn en dat Kyai Blorong je verwacht. Kom, haast je wat, want als je niet naar hem toe gaat, komt hij je wel halen en dan..."

Lustig vlamde het eeuwig brandende vuur in de hut. Hoog, heel hoog opgehoopt tot een grote berg lagen voor de hut de helder witte kiezelstenen. En de kalong zweefde boven het hoofd van Pak Sarijan, die plots door doodsangst werd gegrepen. Hij sloot de ogen en toen hij ze weer opende stond hij op het Zuiderstrand, vlakbij de zee. En voor hem, gezeten op een golf, wenkte hem de afzichtelijke Kyai Blorong, die zijn armen uitstrekte en Pak Sarijan greep om hem mee te sleuren naar de diepte, waar hij in het vervolg zou dienen als paal voor het verblijf van de zeegeest.

___________________________________

Oemali's terugkeer uit het schimmenrijk - Een Indonesisch volksverhaal over hulp van een overleden geliefde
Een man had een vrouw, Oemali geheten, bij wie hij twee kinderen had verwekt. Toen echter het derde kind geboren was, overleden niet lang daarna dit kindje en de moeder.samen. Nu hij alleen was achtergebleven viel het hem zwaar om voor zijn twee oudste kinderen te zorgen; zijn moeder was hardvochtig voor de kinderen en geen andere vrouw wilde zich voor hem opofferen. Daarom besloot hij zijn vrouw op te zoeken.

Nadat hij zijn kinderen zolang bij een familielid had ondergebracht, vertrok hij op een goede dag naar de berg Sala-hoewas. waar hij 's nachts bij de overleden moeder van zijn vrouw terecht kwam.

"Wat kom je hier doen?" vroeg de oude vrouw vriendelijk. Toen legde de man zijn probleem voor en smeekte haar om hem te helpen.

"Goed," antwoordde ze, "blijf jij maar even hier in huis, dan zal ik je vrouw halen."

Ze keerde met haar dochter terug, maar bij de deuropening weigerde zijn vrouw opeens om naar binnen te gaan. "Ik ruikmensenlucht," zei ze, en keerde om. De oude vrouw wist er echter wel raad op en smeerde de man in met kokosolie om zijn lucht weg te krijgen. Daarna ging ze weer haar dochter roepen. Bij de trap gekomen weigerde die echter voor de tweede keer het huis in te gaan en zei: "Het ruikt nog steeds naar mensen." Toen wreef haar moeder de man van boven tot beneden in met een mengsel van ketjoer en kurkuma, geurige bloemen en geraspte kokos, waarna zijn vrouw eindelijk de drempel over durfde te gaan en haar man aan trof. Deze vroeg haar om weer bij hem terug te komen, omdat hij met de twee achtergelaten kinderen zo'n ongelukkig leven leidde. Zijn vrouw liet zich overhalen en keerde nog diezelfde nacht met haar man naar het dorp terug, waarbij ze haar dode baby met zich meenam.

Zij zorgde weer voor het huishouden als voorheen, maar met dit verschil, dat zij al het werk 's nachts of binnenshuis deed, terwijl zij en haar dode baby overdag de gedaante hadden van een paar niet giftige slangen, die zich in een donker hoekje van het huis verborgen hielden.

De moeder van de man zei dat ze zo verbaasd was dat het huishouden de laatste tijd weer zo goed ging. Verheugd en zonder erbij na te denken antwoordde de man: "Mijn vrouw is weer bij me teruggekomen, maar als u haar wilt zien moet u 's nachts eens kijken, want overdag wil ze niet gestoord worden. Dan slaapt ze."

Zijn moeder kon echter haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en zodra haar zoon naar de ladang vertrokken was bond ze beide deuren goed dicht en doorzocht het hele huis. Ze vond alleen maar een paar slangetjes, die ze naar buiten veegde. Omdat deze diertjes na een tijdje weer het huis in waren gekropen, nam de vrouw verstoord een puntig stokje en terwijl ze daarmee prikte, slingerde zij ze ver weg in het struikgewas. Toen laat in de middag de man van zijn werk thuiskwam, vond hij niets klaar en zag hij zijn vrouw met haar dode baby net over het erf strompelen, kreunend van pijn. Klagend vertelde zij wat zijn boze moeder had gedaan. "Ze heeft me zo bezeerd dat ik niet meer zal kunnen werken en maar weer wegga. Maar wees niet bang, jullie zullen me allemaal snel volgen."

Nadat ze afscheid genomen had van haar man en levende kinderen keerde ze met haar dode kindje terug naar het schimmenrijk. Tot overmaat van ramp werden de twee grote kinderen ziek en al snel daarna stierven ze.

Omdat nu niets de man meer aan het leven bond, werd hij zeer onverschillig en op een keer, dat hij bezig was in een hoge kenariboom noten te plukken, viel hij door onvoorzichtigheid van een oude tak; hij stierf aan de gevolgen van zijn val. Toen verenigde zijn ziel zich met die van zijn vrouw en kinderen.

Deze man was de enige sterveling die de weg naar het dodenrijk kende, zodat het voor geen mens meer mogelijk is daar binnen te dringen.

_______________________

Pa Pandir
Pa Pandir was de zoon van arme ouders. Net als hun voorouders woonden zij in de bergen en leefden van de opbrengst van de droge rijstvelden. Zij hadden niet de gelegenheid gehad te gaan leren. Pa Pandir had een vrouw, die Moeder Andeh heette. 

Toen de vader van Pa Pandir gestorven was, zond Moeder Andeh hem uit om zout te kopen voor het begrafenismaal. Hij ging op weg naar het dichtstbijzijnde dorp, kocht daar het zout en verstopte het in een holle bamboestok. En omdat hij nog andere boodschappen te doen had, wilde hij die stok zolang ergens bewaren en hij stak hem in een riviertje, dat daar in de buurt voorbij stroomde.. Toen de vrouw van Pa Pandir hem een zoon geschonken had, verzocht zij hem wat vis te vangen, want zij wilde bij de rijst een paar vissen bakken. Zij raadde hem aan als aas een belalang roesa (soort sprinkhaan) te nemen. 

Maar hij verstond een belalang roesa (de rug van een hert). 

Met zijn hengel op zijn rug liep hij het bos in, waar hij na een tijdje een hert vond dat lag te slapen. Met veel pijn en moeite lukte het hem de vishaak in de rug van het arme dier te slaan, dat hij vervolgens in het water wierp als aas voor de vissen... Eens moest zijn vrouw op het veld werken en droeg hem op voor het kind te zorgen. "Wanneer je het wast, neem dan vooral warm water," zei ze tegen hem voordat ze wegging. 

Toen zette hij een ketel water op het vuur en toen het water kookte, pakte hij het kind en stopte het erin... Nu moest het kind begraven worden; hij wikkelde het lijfje in een visnet om het naar het kerkhof te brengen, maar liet onderweg het kind vallen en zonder er iets van te merken, begroef hij het net in plaats van zijn kind. Toen hij terugging langs dezelfde weg, zag hij daar het lijkje liggen. 

"Ach," troostte hij zich, "zie toch hoe vaak het gebeurt, dat kleine kinderen sterven." 

Zijn vrouw zond hem uit om een buffel te kopen voor het begrafenismaal. En omdat zij bang was dat Pa Pandir zich weer zou kunnen vergissen, zei ze: "Denk eraan, dat de buffel een dier is dat gras eet." Toen kwam hij langs een veld, waar mannen aan het maaien waren. "Kijk!" nep Pa Pandir verheugd uit, "daar heb je de dieren die gras eten!" En hij kocht van de maaiers een sikkel, maar omdat hij zich aan de scherpe snede bezeerde, bond hij de sikkel vast aan een boom in zijn tuin; het dier had zulke scherpe horens... Nu moest hij de gasten uitnodigen voor de maaltijd en zijn vrouw zei tegen hem dat hij de hadjis (bedevaartgangers naar Mekka) en de lebyes (mensen die hun godsdienstige verplichtingen getrouw nakomen) moest verzoeken om te komen. "Denk eraan,"zei ze, "let op hen, die witte kappen hebben en op hen, die lange baarden dragen." 

Die vond Pa Pandir ook en hij bracht ze naar huis; een witkopmus en een tegenstribbelende geit.. 

Nu droeg zijn vrouw hem op een sjeik uit te nodigen. "Maar let wel op," zei Moeder Andeh, "dat je de goede weg kiest, want je moet rechts afslaan en wanneer je dat niet doet en naar links gaat, dan kom je bij het hol van de reuzen!" 

Pa Pandir ging op weg en natuurlijk, hij vergiste zich en in plaats van de Sjeik nam hij de beide reuzen mee naar huis. Man en 

vrouw samen, die hij uit het hol naar buiten gesleept had... De reuzen aten hun buik vul en toen ze weer wilde vertrekken, vroegen zij aan Pa Pandir ook nog wat eten naar hun kinderen te brengen. Dat deed Pa Pandir met genoegen en hij ging meteen op weg. Maar toen hij bij het hol van de reuzen kwam, propte hij de monden van de kinderen zo vol met buffelbeenderen, dat ze stikten. Toen werd Pa Pandir bang voor de wraak van de reuzen. En hij vluchtte weg met zijn vrouw, over de rivier. De reuzen achtervolgden hen, maar toen ze bij de rivier kwamen riep Moeder Andeh van de andere kant: "Pas op! Het is hier heel diep. Neem een paar kruiken en ga daarin zitten, dan kun je over de rivier 

komen." 

Dat deden de reuzen; ze gingen in de kruiken zitten, maar die stroomden vol water en de reuzen verdronken jammerlijk. 

Pa Pandir en zijn vrouw gingen nu naar het hol van de reuzen, waar zij zoveel schatten vonden, dat zij hun verdere leven geen gebrek meer hoefden te lijden. Nu moest Pa Pandir rijst kopen, maar hij liet zich lege doppen in zijn handen stoppen. Toen hij bij een riviertje kwam, zag hij hoe honderden mieren langs een stuk hout aan de overkant kwamen. "Wanneer die kleine dieren met honderden tegelijk over dat stuk hout kunnen lopen," overwoog Pa Pandir, "dan kan ik er wel alleen overheen gaan." Hij stapte op het stuk hout en tuimelde hals over kop in het water... Nu besloot zijn vrouw hem geen boodschappen meer te laten doen. Toen ging Pa Pandir maar vissen en als hij wat gevangen had, sloeg hij de vissen met een hakmes de kop af, hing ze dan in de rook van een vuurtje, stopte ze in zakken en hing die aan een boom. Telkens wanneer hij trek had, ging hij stilletjes naar die boom en haalde een paar vissen uit de zakken. Het duurde niet lang of zijn vrouw kwam erachter en ze vroeg hem toen of hij niet bang was dat hij daar door een wïld dier zou worden aangevallen. "Ik ben niet bang voor tijgers noch voor geesten," zei Pa Pandir. "Maar er zijn twee dingen waar ik wel bang voor ben, dat is voor een knorrend varken en voor de vogel Garuda!" 

Toen zijn vrouw dat wist, verstopte zij zich achter de boom en toen Pa Pandir daar weer eens kwam om wat vissen te halen, bootste zij het knorren van een varken na. Toen Pa Pandir dat geluid hoorde, liep hij wat hij lopen kon. En zijn vrouw, die nu precies wist waar de vissen verborgen waren, haalde de voorraad uit de boom en nam die mee naar huis.. 

Nu gaf ze hem iedere dag bij het eten twee vissen, maar dat vond Pa Pandir veel te weinig. "Waarom krijg ik niet nog een vis?" vroeg hij, wanneer zij samen gehurkt zaten te eten. "Je hebt nog veel meer, maar je houdt het voor mij verborgen. Ik zie het wel: Je zit erop en telkens haal je een vis voor de dag." Maar Moeder Andeh antwoordde: "Je vergist je, Pa Pandir, ik heb geen vissen meer, maar ik snij, als ik honger heb, de stukken van mijn eigen dij af." En meteen nam Pa Pandir een mes om dat ook te proberen... 

Het duurde een hele tijd voordat Pa Pandir van deze dwaasheid genezen was. Toen ging hij weer naar het bos, met de bedoeling om vogels te vangen. Hij smeerde een boom in met vogellijm en had het geluk om op deze manier vijfhonderd vogels te vangen. Hij wilde ze allemaal tegelijk naar huis brengen en bond ze daarom aan zijn lichaam vast. Maar toen sloegen de vogels hun vleugels uit en vlogen met Pa Pandir de lucht in... 

Zi j brachten hem ver weg, naar het paleis van de koning. Toen de mensen hem door de lucht zagen aankomen, dachten zij dat hij een elf was en met alle eer werd hij ontvangen en de dochter van de koning kreeg hij als vrouw. 

Maar het duurde niet lang of de konings dochter had al gemerkt dat hij geen elf 

was, maar een arme, domme Pa Pandir - en hij werd met schande weggejaagd... 

En zo ging het altijd en overal met Pa Pandir.

__________________


Nyai Loro Kidul, Prinses Dewi Kadita, Nji blorong
Eens, lang geleden, was de Koningin van de Zuidelijke Oceaan een lief en innemend meisje. Zij was de dochter van Praboe Moending Wangi, de lieveling van de koninklijke hofhouding en de lokale bevolking. Haar koninklijke vader was zeer gesteld op zijn dochter. Zelfs de vogeltjes hielden van haar. Haar naam was Dewi Kadita, maar velen noemden haar Dewi Srengege of Prinses van de Zon. Zij was als een zonnestraaltje.

Praboe Moending Wangi verlangde naar een troonopvolger. Helaas kon de moeder van Dewi Kadita niet aan deze wens voldoen. De koning nam daarom een tweede vrouw, die heel jaloers was op het lieftallige prinsesje en haar moeder. Zij heette Poetri Moentiara en drong er bij de koning op aan om haar beide rivalen van het hof te verwijderen. Maar Praboe Moending Wangi voelde daar niets voor. Hij hield van zijn eerste vrouw en zijn dochtertje. Zijn tweede vrouw schonk hem weliswaar een gezonde troonopvolger, maar de vorst hield voet bij stuk.

Toen liet Poetri Moentiara de beroemde heks Djahil bij zich komen. De heks zou vorstelijk beloond worden indien Dewi Kadita en haar moeder zouden worden verbannen. Djahil concentreerde zich en sprak toen de Rapal (toverspreuk) uit: "Jullie beiden zullen door melaatsheid worden getroffen". Niet lang daarna openbaarde deze vreselijke ziekte zich bij moeder en dochter. Volgens de wet van het rijk moesten beiden worden verbannen naar de woeste bossen op de hoge bergen. Met bloedend hart voldeed vorst Moendang Wangi aan deze wet. En daar gingen beide mensen overdekt met vreselijke zweren op weg naar het woeste woud. In het hele land heerste grote verslagenheid, behalve bij de tweede echtgenote van de koning, Poetri Moentiara, die haar doel had bereikt.

Er braken zware tijden aan voor ons prinsesje. Zelfs de vogeltjes wilden niet meer bij haar komen. In het woud woonde een tap (kluizenaar), die zich over moeder en dochter ontfermde. De vorstin kon de schande van de verbanning en de pijn van de kwaal niet verwerken en gaf na enige dagen de geest. Toen was Dewi Kadita moederziel alleen. Echter de kluizenaar hielp haar, zorgde voor voedsel en huisvesting in een tempelgrot. Hij verzorgde haar etterende wonden, maar kon haar geestelijk lijden niet verzachten. Dewi Kadita raakte steeds meer verbitterd en verliet de kluizenaar. Zij trok van dorp naar dorp in de richting van het Zuiderstrand. Zij bedelde om voedsel, maar werd meestal weggejaagd vanwege haar melaatsheid. Dewi Kadita ging de mensen haten. Overal hoorde het meisje boze woorden: "Ga weg van ons, onreine, je mag ons niet besmetten. Scheer je weg vies mens!".

Al verder en verder ging Dewi Kadita, tot zij ten slotte het strand van de Zuidelijke Oceaan bereikte. Zij ging op een hoge rots staan en keek naar de wijde zee. Het diepgroene en soms blauwe water nodigde haar uit naar beneden te springen. In de koelte van het water zou zij haar zorgen en pijnen kunnen vergeten. En plotseling sprong het prinsesje van de rots af in de koude armen van de diepe oceaan.

De goden hadden haar moeilijke levenspad gevolgd en werden vervuld van diep medelijden. Daarom veranderden zij Dewi Kadita in de machtige Ratu Kidul, die nog steeds woont in haar prachtige onderzeese paleis.
________________________________________________________________

Het verhaal van de maan godin Dewi Ratih en Kala Rau

Toen de demon Kala Rau uit de bron van eeuwige jeugd, de Tirtha Amertha, wilde drinken, werd hij betrapt door de maangodin Ratih. Omdat deze bron alleen voor de goden is bestemd, spoedde Ratih zich naar Vishnoe om te vertellen wat Kala Rau van plan was. Hierop ging Vishnoe naar de bron en zag daar Kala Rau de eerste slok uit de bron nemen. Vishnoe gooide zijn discus naar Kala Rau, waarmee hij hem onthoofdde. Op dat moment had het water de keel van de demon al bereikt, waardoor het hoofd in leven bleef. Woedend op Ratih wegens het verraden van zijn plan, zweeft het hoofd van Kala Rau haar achterna en probeert haar op te slokken. Zo nu en dan slaagt hij hierin, waardoor Ratih even in de bek van de demon verdwijnt, maar er vervolgens weer uitkomt. Dit is tevens de oorzaak van de maansverduistering, het opslokken van de maangodin.
________________________________________________________________