Indonesische Spiritualiteit, energie uit de kosmos

app Animisme indones

Animisme, Spiritisme en Feticisme onder de volken van den Nederlandsch-Indischen Archipel

Ter info!

Om iets op te zoeken druk je eerst

1- Ctrl + A.  Dan is alles geselecteerd

Om te zoeken druk dan

2- Ctrl + F

Type dan in het vakje je zoekopdracht en het hele boek word doorzocht naar het opgegeven woord.




e^^
Animisme,
Spiritisme en Feticisme
onder de volkeii van den Ned.-lndisohen Archipe
DOOR
Prof. Dr. A. W. NIEUWENHUIS
Oroote Godsdiensten. I 4
A
• •
BAARN — HOLLANDIA-DRUKKERIJ — 1925 
Al pratende met.. .
den dichter GEERTEN GOSSAERT
den prozaschrijver FELIX TIMMERMANS
den dichter ALBERT BESNARD
den essayist Ir. L. J. M. FEBER
den dichter Mr. J. C. BLOEM
den journalist-prozaschrijver Mr. P. H. RITTER Jr.
en anderen.
Lees de belangrijke vraaggesprekken in „DE N GULDE N
W I N C K E L". Een abonnement a f 4.75 p. jaargang; franco
p. post f 5.— stelt U daartoe in de gelegenheid. Verschillende
Boekhandelaren hebben bovendien voortaan ook loss e nummers
in voorraad (a f 0.45 p. nr.). Vraag er den Uwen naar.
Een abonnement op „Den Gulden Winckel" houdt U op de
hoogte van het litteraire leven van den dag. Speciaal voor D.
G. W. geteekende Karikaturen en Karikatuur-portretten door
T ON KELDER en WYBO MEYER.
Wie zich voor 1926 abonneert, ka n he t November- en
December-nr . va n de n loopende n Jaargan g
grati s bekomen l
UITGAVE HOLLANDIA-DRUKKERIJ TE BAARN
Compleet is verschenen bij de Hollandia-Drukkerij te Baarn:
OBOOTE DENKERS
(Vierde Reeks)
DOOR: Prof. Dr. B. J. H. OVINK; Prof. Dr. Jhr. B. H. C. K. V. D.
WYCK; G. J. A. JONKER en P. V. D. ELST
Prijs bij inteekening (6 nrs.) f 3. — ^^^' *»«• * 0.60
Compleet gebonden f 3*90
ïu deze Nieuw e Reeks, welke min of meer een aanvulling
bedoelt te geven op de bekende series van Dr, A. H. DE HARTOG
en JULIUS DE BOER, zijn verschenen: Henri Bergson, door Prof.
OviNK. — Friedrich Nietzsche {2e druk), door Prof. v. D. WYCK.
— Sören Kierkegaard, door G. J. A. JONKER. — Hermann
Ulrici, door P. v. D. ELST. — Qustav Theodor Fechner, door
p. V. D. ELST. — Herbert Spencer, door P. v. D. ELST. 
Animisme, Spiritisme en Feticisme
onder de volken
van den Nederlandsch-Indischen Archipel
DOOR
PROF. DR. A. W. NIEUWENHUI S 
Al pratende met • •
den dichter GEERTEN 60SSAERT
den prozaschrijver FELIX TIMMERMANS
den dichter ALBERT BESNARD
den essayist Ir. L. J. M. FEBER
den dichter Mr. J. C. BLOEM p.^p, ,
den journalist-prozaschrijver Mr. P. H. KlirtKjr.
en anderen.
Lees de belangrijke vraaggesprekken in „DEN GULDEN
W IN C K E L". Een abonnement a f 4.75 p. jaargang; franco
p. post f 5.— stelt U daartoe in de gelegenheid. Verschillende
Boekhandelaren hebben bovendien voortaan ook losse nummers
in voorraad (a f 0.45 P- nr.). Vraag er den U^en naar.
Een abonnement op „Den Gulden Wmckel" houdt U op de
hoogte van het litteraire leven van den dag. Speciaal voor U.
G. W. geteekende Karikaturen en Karikatuur-portretten door
TON KELDER en WYBO MEYER.
Wie zich voor 1926 abonneert, ka n he t November- en
December-nr . van de n loopende n Jaargan g
gratis bekomen l
UITGAVE HOLLANDIA-DRÜKKERII TE BAARN
Compleet is verschenen bij de Hollandia-Dnikkerij te Baarn:
GIROOTE DENKERS
(Vierde Reeks)
DOOR: Prof. Dr. B. J. H. OVINK; Prof. Dr. Jhr. B. H. C. K. V. D.
WYCK; G. J. A. JONKER en P. v. D. ELST
Prijs bij inteekening (6 nrs.) f 3.— ^fz. nrs. f 0.60
Compleet gebonden f 3'90
In deze Nieuwe Reeks, welke min of meer een aanvulling
bedoelt te geven op de bekende series van Dr. A. H. DE HARTOG
en JULIUS DE BOER, zijn verschenen: Henri Bergson, door Prof.
OVINK — Friedrich Nietzsche (2e druk), door Prof. v. D. WYCK.
— Sören Kierkegaard, door G. J. A. JONKER. — Hermann
Ulrici, door P. V. D. ELST. - Qustav Tlieodor Fechner, door
p. V. D. ELST. — Herbert Spencer, door P. v. D. ELST. 
Animisme, Spiritisme en Feticisme
onder de volken
van den Nederlandsch-ïndischen Archipel
DOOR
PROF. DR. A. W. NIEUWENHUI S 

Onder de beschavingsverschijnselen, die ons door hun
veelzijdig belang boeien kunnen, behooren voorzeker
die, welke betrekking hebben op de volksphilosophie
en volksgodsdiensten, die voor de kindsheid der
menschelijke samenlevingen kenmerkend zijn en onder
den naam van animism e worden saamgevat. Zij
hebben voor de nu beschaafde volken den grondslag
gevormd, waaruit de hoogste uitingen hunner samenlevingen
zich later hebben ontwikkeld en zijn nu nog
de overtulgingswereld van die volken hier op aarde,
aan welke wij onze voorstellingen toetsen omtrent de
levenswijze van ons ras in tijden, waaromtrent berichten
uiterst spaarzaam zijn of geheel ontbreken.
^ Een deel van de bevolking der Oost-Aziatische
eilanden verkeert nog in den toestand van zoo
primitieve beschaving, dat waar zij als in de binnenlanden
der Groote Soenda-eilanden in het Westen en
in de omgeving van Nieuw Guinea in het Oosten weinig
de werking van vreemde volken heeft ondervonden,
zij nog een vrij zuiver beeld van deze ook wel natuurgodsdiensten
genoemde wijsgeerige stelsels te zien geven.
De andere volken als Javanen, Maleiers, Makassaren,
Boegineezen enz., die door een vooruitgang in ontwikkeling,
hoofdzakelijk aan Zuid-Aziatische volken ontleend,
hooger staan, zijn toch nog slechts ten deele
139 
4
het standpunt ontgsoeid, waarop de animistische denkbeelden
heerschen. Zij denken nog veeltijds animistisch
onder door Hindoes en Mohammedanen in zwang
gebrachte vormen en benamingen, zoodat van eene
werkelijke verheffing dezer volken boven de animistische
overtuigingswereld toch nog geen sprake is.
Om het gewicht dezer bijzonderheden goed te vatten,
moet in aanmerking genomen worden, dat de mensch
op dat standpunt van ontwikkeling zich door zijne
animistische denkbeelden in al zijne handelingen leiden
laat en alle verschijnselen zijner samenleving daarvan
een uitvloeisel zijn. Bij zijn landbouw, jacht, vischvangst
en industrie wordt hij door deze godsdienstige
overtuiging evengoed beheerscht als bij het verrichten
van bezweringen, het brengen van offers enz.
De tijd ligt nog niet zoo ver achter ons, dat zelfs
zendelingen, die er op uit zijn de inboorlingen van
den rchipel door de invoering van het Christendom
te hervormen, het eigenlijk beneden zich achtten, om
van deze grondslagen van het te bestrijden heidendom
goed kennis te nemen.
Gelukkig voor de uitkomsten der bekeeringspogingen
geraakt men in latere jaren wat beter vertrouwd met
de hooge beteekenis, die dit geloof van den primitieven
mensch voor hem heeft en met de groote verbreiding
en macht, die de hierop gebaseerde gewoonten zelfs
onder volken van Christelijke, Mohammedaansche en
Brahmanitische geloofsbelijdenis in onze koloniën nog
heden ten dage bezitten. Trouwens zelfs belangstelling
in wijde kringen is daarvoor gewekt, daar men er
zich nu rekenschap van geeft, dat alle volken der
aarde op een bepaald standpunt van ontwikkeling deze
wijsgeerige opvatting omtrent het wezen van zichzelven
en van hunne omgeving huldigen en dat zelfs
onder de hoogst beschaafde volken verschijnselen van
animistischen oorsprong als overblijfsels van vroeger
geloof volstrekt niet zeldzaam zijn.
140
'*»*i"^ * *^'^-ffftrfa-i% rii^ftH^*''^-^^-'^-^ 
5
Voor de groote overeenkomst in aanleg van de verschillende
menschenrassen, vooral in geestelijken aanleg,
levert deze algemeene verbreiding van het aniniisme een
belangwekkend bewijs, daar hieruit blijkt, dat zij op
een zelfde standpunt van ontwikkeling in verschillend
milieu levende, daarop toch psychisch op gelijke wijze,
zelfs met hunne wijsgeerige bespiegelingen en geloof
reageeren.
Oorzake n va n he t ontstaa n
Welke zijn nu die voorstellingen en welke omstandigheden
leiden er toe?
Voor eene juir.te opvatting hieromtrent dient men er
zich eerst rekenschap van te geven, dat de primitieve
mensch in onderscheiding van zijn hoog ontwikkelden
natuurgenoot niet in het bezit is van het beschavingsmateriaal,
dat gedurende vele eeuwen door het werk
der geestelijk hoogstaande pcrsonea uit tallooze geslachten
is verzameld; dit geeft, ons nu een inzicht in
den samenhang en het wezen der dingen en hoe gebrekkig
zulks in menig opzicht ook nog moge zijn, toch
verleent het een vasten grondslag voor een rationeel
doen en laten, vooral met betrekking tot de natuurlijke
omstandigheden, waarin wij leven.
Het betrekkelijk hoog staudpunt van ontwikkeling
van onzen landbouw, onze industrie, onzen handel en
vele nuttige wetenschappen is op de natuur met behulp
van die samenwerking veroverd. Zulk een inzicht eu
de daaraan ontleende hulpmiddelen ontbreekt aan volken
als de Baiaks, Dajaks, Toradja's, Alfoeren en Papoea's, om
bij onzen Archipel te blijven. In hunne vele kleine, weinig
met elkaar voeling houdende, veelal zelfs onderling vijandige
vestigingen ÏS men we) in het bezit van kennis omtrent
vele feiten uit de eigen kleine omgeving, maar in
de daar heerschende opvattingen omtrent de levenlooze
en levende wereld Lomt het treffend uit, hoe weinig
141 
8
heen herbergen zielen van gelijken aard. Alles is dus
bezield, wordt bewoond door een ziel (animus) waarvan
animism e of wel door meer vrij rondwarende geesten
(spiritus) waarvan spiritisme. De voorstellingen omtrent
ziel en geest naderen elkaar daardoor, dat ook een
ziel haar lichaam tijdelijk verlaten kan en bij den dood
geheel verlaat.
De meeste dezer zielen en geesten worden als machtiger
dan die van den mensch opgevat; de voorstellingen
nu, die verbonden zijn met zielen van voorwerpen,
welke den bezitter vaia dat voorwerp kunnen beschermen
en geluk en voorspoed aanbrengen, worden onder den
naam van feticisme samengevat, naar een WestAfrikaansch
woord fetisch, omdat onder de negers het
geloof aan fetisch bijzonder sterk ontwikkeld is.
Deze drie groepen van animistische voorstellingen,
animisme, spiritisme en feticisme komen slechts hoogst
zelden ieder afzonderlijk voor, meestal en zoo ook
onder de bevolking van den Indischen Archipel worden
zij, hoewel in verschillende mate ontwikkeld, gezamenlijk
als geloof aangehangen.
D e mensc h
De mensch en zijne levensverschijnselen vormen dus
voor de inlanders van den Indischen Archipel de basis
van hun oorspronkelijk geloof, vandaar dat hunne begrippen
hieromtrent voorop dienen gesteld te worden.
In het algemeen verbinden zij de uitingen van hun
menschzrjn met de aanwezigheid van meer dan één
ziel; er twee te bezitten gelooven de Javanen, Maleiers,
Makassaren en Boegineezen, Dajaks en Toradja's, in
drie de meeste Bataks, Niassers en de Soendaneezen
op Java, terwijl sommige Bataks er zelfs zeven aannemen.
Om niet het gevaar te loopen met door invloeden
van buiten den Archipel (Hindoeïsme en Islam) gewijzigde
denkbeelden in aanraking te komen, moeten
wij een voorbeeld voor deze begripswereld kiezen onder
144 
•^
de verst van de kustea levende stammen, bijv. onder
de Bahau-Dajaks van Midden-Borneo. Zij gelooven, dat
een mensch uit levenlooze stof bestaat en tot leven
komt door de aanwezigheid van twee zielen, van welke
er een, de ton loewa, de levenskracht, het vegetatieve
leven, voorstelt, de andere, de broewa, de geestelijke
verschijnselen veroorzaakt. De eerste, de ton loewa, is
gedurende het leven vast aan het lichaam gebonden
en verlaat dit niet voor na den dood, maar blijft zich
dan bij de begraafplaats ophouden; de tweede, de
broewa, kan zoowel onder natuurlijke verhoudingen, b.v.
gedurende den slaap, het lichaam tijdelijk verlaten en
wat zij bij het rondwaren ziet, droomt dan de slapende,
als onder abnormale omstandigheden, bijv. door schrik
of andere onaangename gemoedsbewegingen, door de
inwerking van booze geesten enz. Deze laatste afwezigheid
heeft voor den mensch tegenspoed, ziekte of den
dood ten gevolge.
Na een gewoon sterven, na ziekte bijv., heeft deze
broewa een heerlijk aardsch leven in een hemel; is
iemand op aangrijpende, meer plotselinge wijze om het
leven gekomen, bijv. op het slagveld, door verdrinken,
bij eene bevalling, dan wordt dit als een straf der
goden opgevat en aan zijne ziel dit hemelsch verblijf
ontzegd. Om aan de boosheid van zulk een vertoornde
ziel te ontkomen, wordt door de nabestaanden met
deze lijken bij de begrafenis op dikwijls hoogst eigenaardige
wijze gesold (zie pag. i8).
Hoewel de Maleische volken en de Javanen sedert het
begin onzer jaartelling meer of minder onder den invloed
van Hindoe's, na 1200—1500 onder dien der Mohammedanen
en nu 400 jaar onder Europeesche inwerking
gestaan hebben, huldigt de massa van het volk onder
hen toch nog deze of overeenkomstige denkbeelden.
Zij duiden de vegetatieve ziel in het algemeen aan
met woorden, die ook voor adem (njawa) gebruikt
worden, de meer geestelijke ziel heet onder Maleische »v
145 
10
volken semangat met afleidicgen hiervan, op Java ook
semangat of wel sukma. Onder de Javanen leeft de
laatste na den dood in den hemel voort.
Men denkt zich deze zielen door het geheele lichaam
verbreid; het hootd is echter meer bepaald de toegancr
voor de semangat; verder worden hart en lever in het
bijzonder met de zielen in verbinding gebracht, terwijl
üahau s en andere volken zich voorstellen, dat zij met
hun buik denken.
Door alles, wat een inlander aangenaam vindt, als
lekkere spijzen, mooie voorwerpen, het opzeggen of
zingen van de door hen zelf zoo geliefde overleveringen
en verhalen wordt naar zijne meening ook een ziel en
een geest aangenaam aangedaan, en tot blijven of
terugkeeren bewogen, vandaar dat offers en bezweringen
in hoofdzaak daaruit bestaan; door alles, wat een
inlander zelf tegenstaat of verschrikt, dreigt ook zijn
ziel beangst en op de vlucht gedreven te worden, derhalve
door stank, schrik voor alles ongewoons (bij de
weinig behaarde, tengere inlanders bijv. een lange
baard en een zwaar, groot lichaam, verder wetenschappelijk
onderzoek als meten of photografeeren van hun
persoon), door inwerking van booze geesten, door
hevige natuurverschijnselen enz. Deze alle kunnen hem
dus tegenspoed, ziekte en dood veroorzaken, vandaar
zijn weerzin daartegen.
Als logisch gevolg van deze opvatting wordt bij
tegenspoed en ziekte, welker ware oorzaken onbekend
zijn, in hoofdzaak hulp van het brengen van offers aan
de eigen ziel en aan den vertoornden boozen geest en
van het doen van bezweringen verwacht.
Wanneer wij de wording der beschaving in den
Indischen Archipel uit den loop der geschiedenis nagaan
en dan zien, dat reeds sedert het begin onzer jaartelling
hoogbeschaafde Voor- en Achter-Indièrs, Arabieren,
Chineezen enz. daar als handelaars en heerschers
hun invloed hebben doen gelden, dan verbaast het ons
146 
II
niet, dat deze oorspronkelijke voorstellingen bij vele
stammen door aanraking met die volken meer of
minder gewijzigd zijn. Een der merkwaardigste heeft
de heer A. C. KRUYT in de laatste jaren bekend gemaakt.

Volgens hem zouden de Toradja's in Midden-Celebes de
zielen van zichzelf en van hunne omgeving opvatten als
onderdeelen van een alles doordringende wereldziel
(waarvoor echter een naam bij hen ontbreekt); verder
is er gedurende het leven slechts een ziel, de tanoana,
in het menschelijk lichaam aanwezig. Na den dood
bestaat deze als angga, spook, voort.
Ook de beteekenis van het offer is voor de Toradja's
eene andere als boven aangegeven.
Het geloof aan eene overeenkomstige bezieling van
dieren, planten en levenlooze voorwerpen is voor de
inlandsche maatschappij gewichtig in zijne gevolgen,
daar het aanleiding geeft tot het brengen van talrijke
offers en het doen van bezweringen in plaats van het
zoeken van toevlucht tot eene rationeele bestudeering
der natuur en het gebruik maken van de daarbij verworven
kennis.
Diere n
Aan dieren kent men veelal een enkele ziel toe,
vooral aan de huisdieren en aan die dieren in 't veld,
welke om de een of andere reden voor een volksstam
gewichtig zijn. Bij den veeteelt in den archipel heett
dit het gevolg, dat men voor het gedijen der dieren
veel meer van off"ers en bezweringen dan van eene
rationeele verzorging verwacht, welke laatste dan ook
onder het volk altijd alles te wenschen overlaat. Vandaar
de geringe hoedanigheden van vee, paarden en
andere huisdieren, als niet bijzondere omstandigheden
dat tegengaan. Als deze laatste kunnen bv. gelden de
door het klimaat veroorzaakte aanwezigheid van grasvlakten
in de Bataklanden, Zuid-Celebes en op de
147 
12
kleine Soenda-eilanden, op Java de vroegere zorg der
regenten en andere hoofden voor de paardenfokkerij
en voor al deze streken de vroegere belemmering van
den uitvoer der beste paarden, die nu overal snelle
degeneratie heeft doen intreden.
Een zeer bijzonderen vorm neemt dit geloof aan in
de overtuiging, dat de zielen van sommige dieren aan
de voorouders van den mensch ontleend kunnen zijn
In de Maleische landen en op Java is dit het geval
bij den geduchten tijger, ook bij de zoo gevaarlijke
krokodillen onder de Maleiërs en Alfoeren, onder de
Mmahassers bij de apen, onder de Makassaren bii de
palingen, onder de Alfoeren bij den casuaris, onder de
Soembaneezen bij de verwilderde paarden, onder de
Bahau-Dajaks bij a] het horensdragend vee, als wilde
runderen en herten. Deze laatsten gelooven, dat de
zielen der Maleiërs in de zwijnen over kunnen gaan
daar zij als Mohammedanen geen varkenvleesch eten'
Die overtuiging heeft ten gevolge, dat dergelijke
dieren slechts bij uitzondering gedood, veel minder no^
gegeten worden; men spreekt van hen ook slechts met
bijzondere namen als adji (vorst) voor krokodillen bijv
Hierdoor verklaart zich het verschijnsel, dat de bevolking
het doeden dezer gevaarlijke wilde dieren door
Europeanen met angst voor haar welvaren aanziet Zij
zelf onderneemt slechts een jacht op die exemplaren
welke zich aan stamgenooten vergrepen hebben
Algemeen is de volksovertuiging, dat sommige
menschen tijdelijk in een dier, bijv. tijger (Javanen en
Sumatranen), vuurvlieg (Bali), krokodillen (Lombok)
over kunnen gaan en zoo gevaarlijk voor hun m^-demenschen
worden. Dus een weerwolfgeloof oflykantropie.
Plante n
Uit een theoretisch oogpunt belangwekkend, van
praktisch standpunt zeer gewichtig in zijne gevolgen is
voor de landbouwende volken en stammen in den
148 
13
Archipel hun geloof in het bezield zijn der planten,
in het bijzonder van hunne landbouwgewassen, voor de
Groote Soenda-eilanden vooral van de rijst. De groote
zorg voor den oogst van dit hoofdgewas uit zich hier
dan ook in de eerste plaats als een ingewikkeld stelsel
van offers en bezweringen van de eerste tot de laatste
bewerking zoowel voor den akker als voor de rijst zelf.
Een in ons oog rationeel verzorgen van den aanplant
wordt van veel minder invloed geacht en daarom veel
te veel verwaarloosd. Vandaar, dat de opbrengst van
de rijstoogst onder de Javanen zoo sterk achter staat
bij die, onder Eur&peesch systeem verkregen; tevens
echter verklaart dat de groote vasthoudendheid aan
oude gewoonten ook van den overigens in geestesgaven
niet misdeelden Javaan. Slechts toeneming in
ontwikkeling kan hier helpen. Naar plaats en volksstam
zijn de bezweringen en ofifers bij den landbouw verschillend,
maar alle berusten zij op dezelfde opvattingen.
Als een merkwaardig bewijs, hoezeer ook op dit
primitief standpunt van ontwikkeling de mensch niet
voldaan is zonder een oogenschijnlijk logisch verband in
zijne denkbeelden, moge de in den Archipel sterk verbreide
mythe dienen, die een verklaring geeft van de
bezieling der landbouwgewassen en tevens als voorbeeld
kan dienen, welke veranderingen animistische verschijnselen
door het Hindoeïsme hebben ondergaan. Onder
de nog oorspronkelijke Bahau Dajaks luidt zij :
In het stamland der Kajan-Dajaks, Apo Kajan, woonde
eens een kinderloos echtpaar BATANG TIMONG en zijn
vrouw OENIANG. Op aanraden der geesten ging de
man in het bosch een bepaald soort rotan zoeken,
waarna hem kinderen zouden geboren worden. Na
meer dan een jaar vruchteloos zoeken keerde hij naar
huis terug, maar vond zijne vrouw OENIANG overleden.
Deze had namelijk in den verboden tijd zitten üaaien,
maar de goden hadden haar gestraft door een naald
uit den hemel op haar pink te doen vallen, waardoor
149 
14
eene met te stelpen bloeding optrad en zij stierf. (Daar
de Dajaks eene bloeding niet weten te stelpen, sterven
zij licht aan eene bloeding uit een kleine arterie). Uit
haar bloed ontstond toen echter de rijst, uit haar lichaam
de bananen, uit haar armen de kladi (knolgewas)
enz. Door deze afkomst wordt de menschelijke ziel
der landbouwgewassen verklaard. De Menangkabauers
hebben een overeenkomstige overlevering.
Onder de Javanen dragen de betrokken personen
Hmdoenamen en zijn goden geworden. De planten,
die op droge velden geplant worden, ontsproten uit
het lichaam der godin Retna-Doemilah, na haar dood
Tisna-Wati geheeten, de sawah-planten uit dat van
Déwi-Sri, de vrouw van den god Wisjnoe, die nog de
op Java algemeen vereerde godin bij den sawahbouw
IS. Beiden waren zij plotseling gestorven door de vervolgingen
van verliefde goden en uit hare graven in
het land Mendang-Kemoelan sproten de latere cultuurplanten.
De hoofdgod Batara Goeroe verklaarde toen
aan de menschen: „In die planten zit de ziel van Tisna
Wati en daarom moeten zij goed verzorgd worden,
vooral ook omdat zij den menschen voortaan tot voedsel
zullen strekken en nuttiger zullen zijn dan de boschproducten,
die zrj tot nu gebruiken. Hetgeen uit het hoofd
komt, heet klapa (cocos), uit den navel pari (rijst)" enz.
Gelijk men ziet een verhindouscht verhaal van
Indonesischen oorsprong, daar het onder de Hindoe's
zelf niet voorkomt.
Ook de exploitatie van boomen uit het bosch, die
öf als het ijzerhout voor bouwdoeleinden óf als de
kamferboom om zijn product zeer op prijs gesteld
worden, zijn om hun bezield zijn in de onderscheiden
streken van Indië het voorwerp van ingewikkelde stelsels
van offers en bezweringen.
Voorwerpe n
Bijna niet minder geeft het geloof aan bezieling van
150 
15
levenlooze voorwerpen aaaleiding tot bijzondere plechtigheden,
offers en bezweringen; in hooge mate beheerscht
het dan ook het doen en laten der inlanders
in het dagelijksch leven. Vooral springt dit in het oog
bij voorwerpen van groot nut als wapens en gereedschappen.
Om met deze wat goeds te kunnen verrichten,
worden offers en bezweringen voor het gunstig
stemmen der bezielende geesten dezer voorwerpen nog
noodiger geacht dan de handigheid bij het gebruik
(het besmeren met offerbloed der wapens bij de Dajaks
na den terugkeer van een sneltocht, het offeren der
Javanen aan laodbouwwerktuigen en aan irijkssieraden,
dat der smeden aan hun gereedschap bij Javanen,
Dajaks, Bataks enz.). Andererzijds wordt hun ziel beschermd
tegen de inwerking der booze geesten door
het aanbrengen van afbeeldingen van monsters, genitalia
en andere afweermiddelen, wat door styleering onder
den invloed van het hoog ontwikkeld kunstgevoel dezer
volken tot zeer merkwaardige versieringen dier wapens
heeft gevoerd. (Dajaks, Javanen, Balineezen, Makassaren).
De rijkssieraden spelen door hunne machtige
bezieling zelfs een staatkundige rol, daar aan hun bezit
de opperheerschappij in bepaalde rijken gebondeu is
of was (onder Makassaren, Boegineezen en Bandjareezen
o. a.). Welk een hooge waarde oude erfstukken
(poesaka) vooral daarom in Indië vertegenwoordigen,
weet iedereen, die er langeren tijd met inlanders verkeerde.

In die gevallen, waarin men aan deze voorwerpen
een grooten invloed op het lot van den bezitter of
van een rijk toeschrijft, heeft men met zuivere verschijnselen
van feticism e te doen. Als voorbeeld van
zulk een fetisch uit eene primitieve omgeving moge
dienen, dat mij bij mijn vertrek van den Boven-Kapoeas
in 1898 door de oude hoofdpriesteres OESOEN eenoud
zwaard tot beveiliging op reis werd medegegeven. Dit
ging vergezeld van eene bezwering, waarbij zij aan den
151 
i6
geest in het zwaard vertelde, waarom zij dit zwaard
aaa my overdroeg, namelijk omdat het mij zou bescher
men; verder waarheen de reis zou gaan, naar den
Boven-Mahakan en den Boven Kajan en ten slotte, dat
Ik haar voor het zwaard iets fraais ia ruil zou geven.
Gode n e n geeste n
In alle streken, waar de bovenstaande animistische
opvattmgen omtrent den mensch en zijne omZlZ
heerschen. heeft men ter verklaring van naTuurvef
schynselen onweer, hevigen wind, fegen enz en Tan
andere gebeurtenissen zijn toevlucht gezocht tot het
aannemen van vrrj rondwarende geesten van laJ e en
hoogere orde de eersten houden hun verblijf op aarde
de laatsten in een hemel er boven of in een onder-'
wereld. Deze moeten naar de hun toegeschreven eroote
macht e, de aardsche gebeurtenissen goden^;;f:emd
Een hoogst opmerkelijk verschijnsel is het, dat in
de voorstelhng der meeste volken in den Archipef aS
heer der heerscharen dezer geesten een wezen Troont
dat als schepper van bet heelal, beheerscher der wereld
gebeurtentssen, bestuurder van 's menschen Tot en
kastyder der overtreders wordt beschouwd. De lagere
goden en geesten worden van hem meer of minder
afhankelyk geacht en zijn de werktuigen in zijn hand
waarmede hij zijn wil tot uitvoerfng brengt De
inlandsche namen, die dit opperwezen draagt, kunnen
vertaald worden met „schepper" bij de Toba-Ba^aks
ZV:n:!yT' ' ' ' «ahau-Dajaks, „maker fan
MtahLsaCz:'^"^ ' ...rootmachtige god" in de Noord'
Wij vinden dus hier ook onder weinig ontwikkelde
volken een monotheïsme in beginsel, D! vraag of di
begnp ,s ingevoerd door de Hindoe's, dan wef of he
oorspronkelyk aan de archipelbevolking eigen e
152 
17
schijnt zeker gerechtvaardigd, maar is voor bepaalde
beantwoording nog niet rijp.
Een opmerkenswaardig verschijnsel bij de vereering,
die deze geesten- en godenwereld ten deele valt, is dat
terwijl de massa van het volk zich vootal Iaat leiden
door haar geloof aan geesten, de hoofden, priesters
en priesteressen en andere geestelijk meer ontwikkelde
lieden in een stam bij hunne gesprekken veel meer
blijk geven, ook met de hoofdgoden te rekenen. Bij
de grootste godsdienstige feesten als bij den rijstbouw,
bij nieuwjaarviering of bij het afwenden van bezoekingen
aan den stam worden vooral de goden toegesproken,
bezworen en aan hen geofferd.
Een diepen blik op den geestestoestand van de
Indische volken, die aan de voorstelling van deze
geesten- en godenwereld ten grondslag ligt, gunnen
ons de woonplaatsen der lagere geesten hier op aarde.
In het algemeen wordt alles in eene omgeving daarvoor
aangewezen, maar in 't bijzonder wat opvallend en
angstverwekkend werkt, bijv. hooge bergen, rotsen en
rotsholen, donkere boschgedeelten, bijzonder groote
boomen, rivierbeddingen, de rustplaatsen der dooden enz.
De voorstellingen, die met den aard der geesten
verbonden worden, voeren er toe, deze in twee soorten te
splitsen, die der booz e en die der goed e geesten ,
al naarmate zij een slechten of een goeden invloed op
het lot der menschen oefenen. De eersten worden als
belagende en straffende wezens opgevat, veelal als de
uitvoerders van den wil der hoogere goden, die door
euveidaden der menschen (in 't algemeen adatovertredingen)
verbitterd zijn. Zij zijn het vooral, die men
zich op de vorenstaande schrikverwekkende plaatsen
aanwezig denkt en waarmede men zich, omdat zij zoo
sterk gevreesd worden, het meest bezighoudt. Vandaar
dat iemand bij een vluchtig verblijf in een stam veelal
niet anders merkt, dan dat er aan booze geesten geofferd
wordt.
153 
i8
De oorsprong dezer booze geesten wordt aan verschillende
oorzaken toegeschreven; vooreerst zijn zij
als zoodauig geschapen geworden, maar verder hebben
zij hun ontstaan te danken aan zielen van die menschen
welke óf een slechten dood gestorven zijn óf wel zrjn
het geesten van afgestorvenen, die reden hebben op
de menschen verbitterd te zijn.
De Indonesiërs verbeelden zich, dat de booze geesten
toegerust zijn met alle schrikverwekkende eigenaardigheden
in hun uiterlijk; groote oogen, een met zware
slagtanden voorzienen mond, en verder als kenschetsend
voor de opvatting van tengere, weinig behaarde volken
bezitten zij een groot, vet lichaam, dat geheel behaard
is en een zwaren baard. Men schrijft hun echter nog
velerlei andere vormen toe.
Onder de booze geesten, die uit op slechte wijze
gestorven menschen ontstaan, is een soort, dat over
den geheelen Indischen Archipel gevreesd wordt, de
pontianak of koentianak (Soendaasch), vrouwelijke
geesten, die van vrouwen stammen, welke als straf der
goden zwanger of bij de bevalling gestorven zijn en
het nu hoofdzakelijk op zwangere vrouwen of kraamvrouwen
voorzien hebben. Soms worden zij voorgesteld
in de gedaante van eene vrouw met eene holte op den
rug, dan wel met eene opening voor in de borst, die
door het geheele lichaam heen tot aan den rug craat.
Meestal vertoonen zij zich echter in de gedaante van
een vogel of een witte gans op de toppen der boomen,
vanwaar zq een klagend geroep van „nja, nja" doen
hooren. Op de Ambonsche eilanden en op de Molukken
gelooft men, dat zij de mannen van hunne genitalia
berooven.
Door het lijk van eene kraamvrouw op bijzondere
wijze te behandelen, bijv. door eieren in de okselholten
te leggen en naalden in de handpalmen te steken
(Maleiërs van Malaka, Makassaren, Boegineezen en
Amboneezen) tracht men te voorkomen, dat zij uit vrees
154 
19
voor het laten vallen der eieren en het dieper indringen
der naalden als pontianak rond zullen gaan waren.
De vereering der afgestorvenen als geesten neemt
bij de bewoners van den Archipel een gewichtige plaats
bij hun eeredienst in; het is een gemengd gevoel van
liefde en vrees, dat hen daarbij vervult en bij de onderscheiden
volken aanleiding geeft, dat óf de ceremoniën
voor vereeriisg óf die als uitdrukking van vrees den
hoofdtoon daarbij voeren. Men denkt zich bij de vereering
der afgestorvenen deze steeds, duurzaam of
slechts tijdelijk voor het oogenblik, dat men hen noodig
heeft, op aarde in het een of ander voorwerp, beeld,
reliek of anderszins, of op de eene of andere plaats,
hetzij in de woning, waar hun een plek gewijd is, hetzij
daarbuiten in opzettelijk voor hen opgerichte gebouwen,
dan wel op bergen, heuvels, rotsen, in boomen enz.
Zij worden geacht den levenden raad en voorlichtmg
te schenken, hulp te verleenen zoowel tegen menschen
als tegen booze geesten, zegen te schenken bij landbouw,
jacht en vischvangst. Doch het is alleen bij
eene behoorlijke vereering, bij het zorgvuldig brengen
van offers, dat de afgestorvenen zich dus goedgezind
betoonen; anders straffen zij de nalatigen met ziekten,
misgewas enz.
Men kan twee categorieën onder hen onderscheiden,
de zielen der pas gestorvenen en die van lang overledenen.
De eersten zijn meer huisgoden, de anderea
hebben een grooteren kring van vereerders, behooren
aan eene geheele familie of wel aan een geheel dorp.
Vooral bij de Papoewa's en bij de Alfoeren van Halmaheira
komt dit sterk uit. Onder de Javanen wordt de
eerste ontginner van den grond of de stichter der desa
bijzonder vereerd onder den naam van tjakalbakal-desa
en als beschermgod beschouwd. Bij het feest beresihdesa
(reiniging van de desa) na den oogst wordt hem
vooral, naast talrijke andere geesten en Mohammedaansche
heiligen, hulde gebracht.
I5S 
20
Het geloof aan goede geesten heeft vooral zijn ontstaan
te danken aan den wensch naar hulp van machtiger
wezens, die de Indische volken in hun levensstrijd
zoozeer noodig hebben, en aan de poging tot verklaring
van verschillende bekwaamheden in den mensch.
Het bezit van talenten van gewicht in de inlaadsche
samenleving wordt natuurlijk toegeschreven aan de hulp
die goede geesten aan de betrokken personen verkenen.
Bit is bijv. zoo bij de smeden, snijkunstenaars,
tatoueerdsters(ers), priesteressen en priesters, die ieder
zulk een beschermgeest bezitten, aan wien zij hunne
bekwaamheden ontleenen en van wien zij hulp in ziekte
krijgen; zij allen zijn evenwel verplicht door te offeren
en dikwijls door zich aan bepaalde leefregels te houden,
die goede geesten te bevredigen. Op Java doet dit
geloof zich nog o. a. bij den dalang en den krissensmeden
gelden.
Van grooter gewicht in de inlandsche samenlevingen
is de volksovertuiging, dat de goede geesten en goden
door het geven van voorteekens den menschen de toekomst
ontsluieren. Het vaste vertrouwen, waarmede
men aan deze voorteekens hecht, laat zich gevoelen
tot zelfs bij de eenvoudigste gebeurtenissen van het
dagelijksch leven en werkt daardoor in hooge mate
verlammend op de vrije ontwikkeling van geest en
werkzaamheid.
Mythologieë n
Om bij het verkeer met de betrokken stammen van
het bovenstaande eene voorstelling te krijgen, zijn
meestal groote moeilijkheden te overwinnen, omdat
deze menschen tegenover andersgeloovigen, vooral
tegenover blanken, in dezen uiterst terughoudend zijn;
verder weten slechts weinige personen in een stam de
ten deele onbewust gehuldigde voorstellingen onder
woorden te brengen en ten slotte vreest men den toorn
der geesten en goden bij het openbaren van hunne
iS6 
21
verborgenheden aan oningewijden. In landstreken, waar
in den loop der eeuwen vreemde volken met andere
bijv. Hindoesche philosophieën hebben verkeerd, daar
loopt men bovendien kans de daardoor gewijzigde
voorstellingen als eigen aan de oorspronkelijke, animistische
beschaving op te vatten.
Van groot belang is het daarom, dat men voor het
doorgronden van de oorspronkelijke begripswereld, die
betrekking heeft op het wezen der goden van verschillende
orde, in de mythologieën van den Archipel een
groot hulpmiddel vindt, waarbij eenige der vorenstaande
moeilijkheden van het onderzoek wegvallen. We) heeft
men hier veelal met mondeling overgeleverde verhalen
te doen, maar op eenige afwijkingen na van de verhalers
zelf behouden zij eeuwen lang hun meest kenschetsende
eigenaardigheden en geven dus dikwijls de
volksovertuigingen van lang vervingen, oorspronkelijker
tijden nu nog weer.
In de mythologieën van den Indischen Archipel
vinden wij 'm verband met de vele stammen, die zich
lange tijden zelfstandig ontwikkeld hebben, eene groote
verscheidenheid, maar ook op dit gebied onder de
twee rassen van die eüandec wereld, Male'ers en
Papoea's, twee groote groepen van verbalen omtrent
goden, geesten en menschen, welke van elkaar in twee
grondtrekken verschilleti. Voor deze laatste goed begrepen
kurmen worden, dient een enkel voorbeeld uit
ieder dezer groepen vooraf te gaan.
Voor de Toba-Bataks op Sumatra b.v. bestaat het heelal
uit drie verdiepingen; de bovenwereld is de verblnfplaats
der goden, de middelwereld die der menschen,
de onderwereld die van geeste-s en gestorvenen. De
godeu wonen in 7 hemels, in de hoogste waarvan Moela
Djadi na Bolon = oorsprong van het geschapene, of
wel Hasi-Hasi = de goedeitierene, woont. Beneden hem
worden drie goden aangenomen: Batara Goeroe, Soripada
en Mangalaboelan, De eerste van deze geldt als
157 
2 2
handhaver van het recht en staat bij vele Bataks vooral
in hoog aanzien, van Soripada verwacht men o.a.
kinderzegen, terwijl Mangalaboelan in 't bijzonder als
beginsel des kwaads wordt opgevat. Naast deze hoofdgoden
bestaan er vele lagere, die dikwijls evenals Batara
Goeroe meer of minder verbasterde Hindoenamen dragen.
Men noemt ze débata in 't algemeen, de geesten daarentegen
bégoe.
De scheppingsverhalen geven ons een nog beter
inzicht in hunne onderlinge verhouding en tegenover
de menschen. Een van deze is de volgende:
Moela Djadi troont boven alles en is de schepper
daarvan; in zijn hemel heeft hij twee vogels, de zwaluw
Nagoeranta, die de hemelpoort bewaakt, en de zwaluw
Mandi, die als bode dienst doet. In den tweeden hemel
geeft hij het aanzijn aan Batara Goeroe, Soripada en
Mangalaboelan, benevens aan een boom Hariara Sundung
di Langit (die naar den hemel buigt). Hierop
plaatste hij een kip, die lederen morgen drie dauwdruppels
kwam drinken en drie groote eieren legde,
waaruit even zoovele jonge meisjes geboren werden,
voor zijne drie afstammelingen bestemd. Uit deze drie
verbindingen worden geboren een dochter Sideak
Paroedjar en twee andere dochters aan Batara Goeroe
en een zoon aan ieder der anderen. Een van deze
zoons zou met Sideak Paroedjar huwen, wat deze evenwel
niet wenschte. Om uitstel te krijgen gaf zij voor
eerst een taak te willen spinnen, die echter ca 7 jaar
en 7 maanden nog niet gereed was. Zij liet toen haar
weefspoel aan den draad op aarde neer en daalde
daarlangs af, doch vond daar toen nog niets dan water.
Op haar verzoek zond Moela Djadi haar met Mandi
een haudvo) aarde, welke zij ver uitbreidde, om daarop
te wonen. Die kwam toen echter op de wereldslang
Naga Padoha te liggen die door de vele aarde bezwaard
werd en door haar geweldig schudden de zee in beroering
bracht, waardoor de aarde dreigde weggeslagen
158 
23
te worden. Op de bede van Sideak Paroedjar zond
Moela Djadi toen een geweldigen held, Mombang
Oeloelang te hulp, die dt; slang zijn zwaard in het lijf
stiet, haar tot rust bracht en in ijzeren blokken vastlegde.
Beweegt zij zich nog, dan veroorzaakt dat eene
aardbeving.
Uit het huwelijk van dezen held met de godin werden
7 zonen en 7 dochters geboren, waarvan de menschen
op aarde de afstammelingen zijn. Door zijne gelijktijdige
verbinding met een bégoedochter, bij welke hij talrijke
bégoekinderen verwekte, verloor hij zijne onsterfelijkheid-
na zijn dood werd hij als maan aan den hemel
geplaatst, waar Sideak Paroedjar zich vrijwillig bij hem
voegde en nu nog als spinnende vrouw daarop te
zien is. JI J
In het Zuid-Oosten van den Archipel, op de eilanden
tusschen Timor en Nieuw-Guinea nemen de overeenkomstige
mythen een ander karakter aan en wel vinden
wij daar, dat de hoofdgoden met de hemellichamen
zon, maan en sterren en met de aarde vereenzelvigd
worden, die als echtgenooten tot elkaar staan. Aarde
en maan of elders de aarde alleen zijn dan de vrouwen
van de zon (op andere eilanden van den hemel), die
de aarde bevrucht in het begin van den regentijd bij
het herleven der natuur, de maan daarentegen bij iedere
opkomende maan. Die vereeniging van de zon of den
hemel met de aarde heeft op sommige eilanden aanleiding
gegeven tot het ontstaan van een sterk phallischen
eeredienst (op Leti, Moa en Lakor).
Bij de Kei-eilanders wordt Doead lera Woean als de
mannelijke zon vereerd, die bij opkomende maan de
maan en aan het begin van den regentijd of Westmoeson
de aarde bevrucht; op de nabijgelegen Tenimbereilanden
zijn alleen de zon en de aarde de mannelijke
en vrouwelijke hoofdgoden, wier geslachtelijke gemeenschap
het herleven van de plantenwereld ten gevolge
heeft.
159
•^"Wl«m«,r^La«T«^g-ra=?-,.<! 
24
Evenals uit deze weinige voorbeelden, blijkt het uit
andere n^ythologieên der twee groote' MaUche e ,
^apoeasche groepen, dat in de eerste de hoofdgoden óf
door directe schepping óf als zusters en broeders ontstaan,
by de tweede treden zij daarentegen in geslachtfol/TZ
:'' ''' °°^^^^' vanhungewiitigste'
invloed m de natuur en op het lot der menschen. Zoowel
het verschil in karakter der betrokken primitieve
volken als het veel sterker doorkomen vanheïmoe on!
khmaat m het Zuid-Oostea in tegenstelling met het
Westen, waardoor het plotseling herleven der n^atuur zich
den menschelyken geest als het ware opdringt, kunnen
tot verklarmg van dit verschil in aanmerking komen
Als tweede in het oogspringend verschil is het inde
laatste groep niet meer een wereldslang of eenig ander
dier welke als bij de Maleische volken fe wereldlag^^^^^
oo de'zun' w ^'"?'r^' ° veroorzaken, maar zooals
op de Zuid-Westereilandeu zijn de laatste het gevolg
van het bezoek der aardgodin, die zich op die^^w^f
aan de menschen kenbaar maakt ^
Evenals op ieder ander gebied, dat op de levende
weield betrekking heeft, komen ook op dat der mytho^
logie aan de grenzen dezer twee groepen mengvormen
daarvan voor, die door wederzijdsche inwerking ontstaan
.ijn. Vooral Celebes biedt daarvan talrijke voorbeelden aa "
Het hier in zeer algemeene trekken geschetst geloof
der volken van den Archipel ontleent zijn belang voor
ons met alleen aan dat vao wetenschappelj'k verschijnsel
maar ook aan zijn alles beheerschenden invloed op
he dagelijksch leven der inlanders. Het omspint als
he ware de handelingen dier menschen met L enl
net van dwalingen, waaraan zij zich niet kunnen ont
worstelen en die de grootste beletselen voor hunnen
zelfstandig.-n vooruitgang blijken te wezen.
Daar de hierop betrekking hebbende verschijnselen
hunne uiting vinden bij alle gebeurtenissen via he^
i6o 
25
dagelijksch leven der nog heidensche stammen, maar
zeer veelvuldig ook onder de Mohammedaansche en
Hindoebevolking voorkomen, zoo is hun aantal zoo
aanzienlijk, dat het voor een recht begrip van dien
invloed bevorderlijk zal wezen een paar groepen afzonderlijk
te behandelen.
Pemalisteise l
De eerste groote groep dezer verschijnselen is een
uitvloeisel van den wensch, om niet den toorn der
geesten en goden door het schenden van hun geboden
te veroorzaken. Vooreerst zijn daardoor een menigte
voorschriften voor wenschelijke daden en gedragingen
ontstaan en daarnaast vele verbodsbepalingen. De overtreding
van deze alle, die gezamenlijk een groot deel
van den adat of het gewoonterecht uitmaken, wekt
den toorn der geesten op. De bepalingen, die aangeven,
wat in zekere gevallen gedaan en wat nagelaten
moet worden, heeten pemali, pantang of in Oceanie
taboe. Talrijk zijn de meer locale woorden, die hetzelfde
beteekenen. Bij de behandeling van den invloed,
dien dit stelsel heeft op de voornaamste middelen van
bestaan, zal het gewicht daarvan spoedig blijken.
Dit op den graad van ontwikkeling berustend en
daardoor vast geloof aan de macht der goden en geestca
verzekert eene stipte naleving aan al deze pemaliinsteilingen
en bepalingen en verlamt daardoor in hooge
mate de vrijheid van handelen, zooals die overigens
door de omstandigheden zou geëischt worden.
Om een indruk te geven van de algemeene verbreiding
en het eigenaardig plaatselijke dier verbodsbepalingen
in den Archipel, kan eene korte opgave
dienen van verschillende daarvoor gebruikelijke namen :
pamali of boejoet — Maleisch; angkar — Javaansch;
kemali — Bataksch; pantong — Boegineesch; roboe—
Toba Bataksch; pali — Oio Ngadjoe Dajaksch; lah—
Boesangsch; porih — Land-Dajaksch; boeling —
i 6 i 
26
Maleisch a/d. Boven-Kapoewas; boboso — Alfoersch
van Haimaheira; potoe — Boeroesch; poso — in de
Molukkea; posan - Minahassisch; pota - Bolaan^
MongoDdowsch; kasipalli — Makassaarsch; loeli —o p
de Zuidwester Eilanden; pantang — Atjehsch.
In plaats van nu uit verschillende deelen van dea
Archipel voorbeelden van pemali-voorschriften aan te
halen, komt het mij juister voor bij een enkel volk
waarvan zij als geheel wat beter bekend zijn, aan té
toonen, hoezeer de vrijheid van handelen naar de
eischen van het oogenblik daardoor aan banden gelegd
wordt Onder de Bahau Dajaks van Midden-Borneo
kon ik zelf eenige der hunne opteekenen: Vooreerst
die bij zwangerschap, geboorte, huwelijk en dood:
bij zwangerschap mag de vrouw noch haar man dieren
dooden, hij mag geen greep op zijn zwaard bevestigeo,
aarde met aanstampen, de toekomstige moeder mag
geen jonge visschen eten, ook niet van sommige soorten
volwassen visschen of van bepaalde vruchten en groenten
of van het schubdier. De man mag dan geen snijwerk
vervaardigen, geen doek scheuren, terwijl het aan de
vrouw verboden is, gedurende den regen te slapen
wat m dat regenklimaat een ware ramp voor een
vrouw kan worden. Bij een huwelijk worden in den
tijd voor het volgend nieuw jaar zooveel beperkende
bepalingen in eten en in hunne vrije beweging
aan de jonge echtgenooten opgelegd, dat bijna alle
paren alleen vlak voor het nieuwe jaar huwen.
Na een sterfgeval moeten de familieleden en voor
hoofden de geheele nederzetting zich onderwerpen aan
uitvoerige en strenge rouwbepalingen ten opzichte van
het dragen van sieraden, van gekleurd doek, van lange
haren, die afgesneden worden, van muziek maken of
dansen in een nederzetting, van de wijze en tijd van begraven
en van hetgeen den doode moet medegegeven
worden. In het bijzonder doen zich hier die gewoonten
gelden, die de afsluiting uit het vrije verkeer van
162 
27
familiën, dorpen geheele landstreken en rivieren, deze
laatsten als het hoofden geldt, voor korter of langer tijd
ten gevolge hebben. Er wordt dan niet gewerkt, niemand
mag een nacht over de nederzetting verlaten, niemand
er nieuw inkomen, wat soms een maand en langer
<iuren kan.
Overeenkomstig het alles overheerschend gewicht,
dat de landbouw ook bij deze stammen heeft, zijn de
werkzaamheden daarbij door een uitvoerig stelsel van
pemali vastgelegd, waaronder talrijke offers ea bezweringen,
van wier juiste uitvoering het welslagen van
den oogst grootendeels afhangt; bijv. mag niemand in
een stam dezer Bahau-Dajaks met een nieuwe bewerking
op zijn veld beginnen, als het hoofd dit nog niet op
zijn eigen akker gedaan en met offers ingeleid heeft,
eene gewoonte, waarvan uit angst voor het ongenoegen
der geesten streng de hand gehouden wordt.
Terwijl ik onder hen verkeerde, achtten bijv. de
Longglat Dajaks zich hierdoor zoo sterk gebonden, dat
zij ondanks eene langdurige periode van groote voedselschaarschte,
niet met het oogsten van hun overrijpe
rijst durfden beginnen en die op het veld lieten afvallen
en bederven, omdat het hoofd door het hooge water
belet werd de watervallen weer op te varen. Hij was
vroeger den honger naar beneden ontvloden.
In verband met de groote bezwaren van vervoer en
bewerking maken zulke pemali-instellingen de massa
hout in de omrijsgende bosschen van betrekkelijk geringe
waarde: Voor ieder onderdeel van een huis mag
onder de Bahau's slechts een bepaald soort hout gebruikt
worden, een boom welks tak die van een ander
rechthoekig kruist, is daarvoor niet geschikt, valt een
boom bij het omhakken niet plat op den grond, dan
evenmin; is er een wat sterk met parasitische planten
begroeid, ook niet, enz. Aan een hoofd is het slechts
geoorloofd bijzonder goede houtsoorten te gebruiken.
Het zou verder eene bladzijdenlange beschrijving kosten,
163 
28
om een denkbeeld te geven van de vele oflfers en bezweringen,
die vooral een hoofd bij zijn huizenbouw
door priesters moet laten verrichten, (Zie Quer durch
Borneo. Leiden, 1904 en 1907).
Voor het gebruik van dierlijk voedsel bestaan belangrijke
pemaliregelingen: zoo mogen deze Bahau's gehoornde
dieren niet eten, dus geen wilde runderen of
herten en geen geiten, wat hun in dat wildrijke land
berooft van een gewichtig middel voor hun onderhoud;
verder zijn er voor vele personen en gezinnen sommige
dieren en planten, welke zij op gezag van de priesteressen
na bepaalde ziekten niet meer mogen gebruiken;
van zekere soorten is het verboden, die gedurende
zwangerschap, op een sneltocht of bij den huizenbouw
enz, te eten. Van hunne weinige huisdieren, die alleen
als offerdieren geslacht en gegeten worden, mogen de
wijfjesvarkens niet door volwassen mannen en ook liefst
niet als offer gebruikt worden.
Door de overtuiging, dat de geesten op den uitslag
der jacht veel meer invloed hebben dan eene rationeele
handelwijze der menschen zelf, ziet men onder deze
stammen hetzelfde gebeuren als bij den landbouw onder
de Javanen, namelijk dat zij zich op een goed nagaan
van de gewoonten van het wild betrekkelijk weinig
toeleggen en daa ook geen zeer bedreven jagers zijn.
Bij het strikken zetten bijv. komt het er onder hen
veel meer op aa.ii, de juiste pemalivoorschriften na te
volgen, dan om het zoo zorgvuldig en listig mogelijk
te doen. Het moet dan geschieden op een mooie"
dag zonder regen of nevel; niet-deeineraers mogen er
niets van weten, hoop op weislagen mag men niet
uiten; een groot aantal personen is daarbij ongewenscht,
het best een of twee -jnz. Bij den aanvang van een
jacht worden zoowel Je honden als de wapens bezworen,
om toch vooral voor een goeiea uitslag te zorgen.
Ook deze stammen zijn aan de bijzondere soort
pemali onderworpec, die men door den geheelea
164. 
29
Archipel vrij algemeen terugvindt, zij het dan ook op
het meer beschaafde Java bijv., 'm rudimentairen vorm.
Daarbij heeft de betrokkene of hebben de betrokkenen
zich de verplichting opgelegd, om na velschillende bezweringen,
bijv. bij ziekte, sterven, landbouwceremonien
enz. zich tijdelijk van de omgeving af te zonderen en
zich van vi^erken te onthouden; na een gewoae bezwering
wegens ziekte bijv. 2 dagen, na het afleggen van den
rouw I dag, bij het oogsten eerst twee, dan nog een
dag, bij het oogstfeest 2 keer acht dagen voor het
geheele dorp, na het betrekken van een nieuw huis
eerst twee, vervolgens acht dagen, terwijl onder het
bouwen bij de offers, die ieder nieuw werk inleiden,
ook rustdagen behooren, bijv. bij het aanbrengen van
het dak twee, na een slecht voorteeken acht dagen;
ook na het deelnemen aan een begrafenis zijn de mannen
verplicht na de voor hen te houden bezwering twee
dagen te rusten; en dit zijn nog slechts enkele voorbeelden
uit vele. Geldt een offer een persoon of een
gezin, dan is alleen dit er aan onderworpen, geldt het
een geheel dorp, dan moeten alle ingezetenen en de
vreemden die er zijn, zich zulk een tijd van gedwongen
rust en afsluiting van de buitenwereld laten welgevallen.

Deze schets van hetgeen men onder de pemali- of
pantangbepalingen bij een stam moet verstaan, moge
als voorbeeld dienen van hetgeen men aan overeenkomstige
iöstellingen bij andere stammen vindt.
In de oostelijke helft van den Indischen Archipel
neemt dit door de geesten beheerschte pemali van het
westen bovendien nog den eigenaardigen vorm aan, die
in Oceanié zoo bekend is als een veelvuldig voorkomend
gebruik van verreikende maatschappelijke strekking,
namelijk de taboeverklaring van loerendc en onroerende
goederen, hetzij als godsdienstige instelling, hetzij als
zuiver sociale gewoonte. Op Wetar, de Tenimbereilanden,
den Aroe-Archipel, Seram, Boeroe en andere
165 
30
heeft men nog tegenwoordig de gewoonte, om aanplantingen,
vruchtboomen en gewassen door pemaliverklaring
onder de bescherming der geesten te plaatsen, die
overtreders met ongeval en ziekte straffen. Het geschiedt
met eenige plechtigheid onder medeweten van de
hoofden en het aanbrengen van verschillende uit cocosbladen,
arenvezels en dergelijke vervaardigde teekens
op de betrokken voorwerpen. Op andere eilanden,
bijv. op Ambon en de Oeliassers wordt deze hier s a s iverklaring
genoemde opdracht ook zuiver maatschappelijk
opgevat en bij de overtreding een straf door de
overheid opgelegd.
Belangwekkend om de vervorming van dit volksgeloof
na te gaan, zooals die onder een wellicht tweeduizendjarjgen
invloed van het Hindoeïsme en Mohammedanisme
heeft plaats gehad, zijn de toestanden, die
tegenwoordig nog onder de massa der bevolking van
Java heerschen. Ook hier is het slechts mogelijk een
greep daaruit als voorbeeld te doea en wel zal dit zijn
de verbouw van hun hoofdproduct de rijst. Als logisch
gevolg van zijne opvatting, dat de rijst, de landbouwwerktuigen
en de akker bezield zijn, dat de rijstbouw
in 't bijzonder onder bescherming staat van Déwi Sri
en ook alle ziekten en schaden aan het gewas uitingen
zijn van de vijandschap der op deze godin vroeger
verliefde, maar door haar versmade goden, evenzoo
met Hindoenamen aangeduid, neemt de landman, orang
tani, bij zijn verbouw in de eerste plaats zijn toevlucht
tot offers en bezweringen onder leiding van den doekoen
tani van zijn dorp, den deskundige op dit gebied. Deze
moet door wichelen een gunstigen dag voor het beginnen
der werkzaamheden bepalen, den vorm der
offers aangeven en waar en wanneer die gebracht zullen
worden. Gepaard daarmede gaan talrijke ofifermalen,
die onder den naam van sedekah van selamatan een
gewichtig bestanddeel van de zorg voor een goeden
oogst en de bestrijding der ziekten uitmaken. Deze
i66 
31
door het Hindoeisme vervormde animistische gebruiken
zijn door de Islambelijders in een eenigermate Mohammedaansch
kleed gestoken, doordat een Mohammedaansch
geestelijke bij die maaltijden voorzit, het maal met een
gebed aan Allah en de Hindoesche Déwi Sri opdraagt
en er in zekere mate het karakter van weldoen aan
geeft, dat de Mohammedaansche wet daarbij eischt, door
er armen aan te laten deelnemen of spijzen voor hen
af te zonderen. Als Mohammedaan gevoelt de gewone
Javaan zich hierdoor volkomen bevredigd.
Verleidelijk zou het zijn, verder uit te weiden over
den grooten socialen invloed van het wichelen op Java,
over de daarbij geldende uitvoerige voorschriften, over
de gunstige en ongunstige tijdsverdeelingen van jaren,
maanden en dagen, die het meest door Hindoegoden
en godinnen en hunne bijzondere eigenschappen beheerscht
worden, over de onverwrikbare, uitvoerige
vaststellingen dier selamatan's en over de even vaststaande
gebeden, die daarbij behooren en bij de zonderlinge
middelen, die de overlevering tegen misgewas
aan de hand doet. Het zou echter de beschikbare
ruimte overtreffen, maar voldoende is het reeds om
aan te toonen, dat ook in deze hoog ontwikkelde
Indische samenleving van een vrije ontwikkeling van
persoonlijken aanleg door toedoen van het geloof geen
sprake kan zijn; tevens echter geeft het ons een inzicht
in de zoo opmerkelijke vasthoudendheid vaa den
Javaan aan zijne voorouderlijke gewoonten.
Voorteeken s
Het zal geen betoog behoeven, hoezeer de volken
van den ladischen Archipel aan deze pemali, een gewichtig
deel van hun adat, gehecht zijn, nu zij zich
zoo vast overtuigd houden, dat het door de geesten en
goden gewilde instellingen zijn, waarvan de overtreding
tegenspoed, ziekte en dood ten gevolge heeft. Niet
minder duidelijk is het daarbij, welk een versteenenden
167 
32
invloed op hun maatschappelijk leven deze uitvloeisels
van hun vrees heeft. Voor een vrije ontwikkeling heeft
de primitieve mensch zich evenwel niet alleen aan den
klemmenden band dezer uit vrees geboren dwalingen
van zijn geest te ontworstelen, maar zooais blijken*zal
tevens aan een niet minder verlammend blind vertrouwen
op de hulp zijner goede geesten. Deze verwacht
hij van deze o.a. in dea vorm van voorteekens van
allerlei aard, waardoor hij gewaarschuwd wordt omtrent
het slagen of mislukken zijner ondernemingen, hetzij die
gewichtig zijn of niet. Dit geloof aan goede en slechte
voorteekens is iets, wat men door de geheele wereld
in de minder beschaafde samenlevingen aantreft en
zelf in de onze nog niet geheel verdwenen is.
Wel innig moet dus dit geloof beantwoorden aaa de
behoeften van den menscheiijken geest op dat standpunt
van ontwikkeling en mocht men hieraan nog willen
twijfelen, de geheele Indische Archipel met zijne 37.000.000
inlanders is daar, om het te bewijzen. Evenals men
zonder overdrijving verklaren kan, dat de inlander er
dagelijks en bij iedere gelegenheid over uit is, om zich
van de medewerking der geesten te verzekeren en hun
onwil te voorkomen, evenzoo zal hij hoogst zelden iets
van belang ondernemen, zonder daarvoor de meening
der goede geesten aan voorteekens, in den uitgebreidsten
zin, na te gaan. Streng laat hij zich daarbij leiden
zoowel door de goede als door de kwade voorteekens
en hoog moet de nood gestegen zijn of groot de
macht, die er hem toe dwingt, wanneer hij ondanks
ongunstige voorteekens toch eene onderneming niet
onderbreekt of voortzet, hetzij het geldt een gang naar
zijn akker, het begin van een handelstocht of het bespringen
eener vijandelijke versterking. Wat hij heeft
leeren beschouwen als een ongunstig voorteeken, doet
hem op zijne schreden terugkeeren of voor korter of
langer tijd, ook wel voor goed, van de onderneming
afzien. Wordt een inlander tot doorzetten gedwongen,
168 
33
dan verliest hij zijn vertrouwen in de onderneming ea
in zichzelf, eene gevaarlijke omstandigheid, wanneer het
er op aankomt met behulp van zijne uiterste inspanning
groote moeilijkheden te overwinnen. Menig ongeluk te
water en te land moet hieraan wel geweten worden, al
krijgen onwil en kwade trouw, soms verraad, daar dan
wel meer de schuld van.
Om aan een voorbeeld te toetsen, welk een gewichtige
rol de voorteekens in eene inlandsche maatschappij
toekomt, willen wij nagaan, hetgeen de voortreffelijke
kenner der oostelijke Toradja-stammen van Celebes,
A. C. KRUYT, op eenige plaatsen daarvan opteekent:
De waarzeggende vogels zijn de poa of uil, de tekateka,
een zwarte vogel met gelen staart, de kongka of
kuikendief, de kuwajangi of meeuw, de tengko of
specht, de totokèsi, verder de kikvorsch en de slang.
De goden waarschuwen een mensch verder door geestverschijning,
het lezen der ingewanden van kippen en
varkens. Bij aanvankelijke slechte teekens kan men dit
tot viermalen toe herhalen om een gunstig voorteeken
te verkrijgen.
In nauw verband staan hiermede de godsoordeelen,
waarbij hij bij gedingen in het gelijk gesteld wordt,
die het langst onder water kan blijven of een lans het
diepst in den grond werpt en iemand die van hskserij
beticht wordt, vrij uit gaat, wanneer de in kokende
hars gestoken vinger daarbij niet gewond wordt.
Het geschreeuw der vogels wordt geraadpleegd bij
het zoeken naar een geschikte plaats voor een nieuw
dorp, bij het bepalen van den dag, waarop men het
nieuwe dorp zal betrekken, bij het op reis gaan, bij
het openen van tuinen, enz.
„Wanneer de Toradja wenscht te weten of het goed
is,'dat hij den volgenden dag op reis zal gaan; wanneer
de belegerde wil weten of hij ongemerkt door den
vijand heen kan sluipen; wanneer de wraaklustige zich
wil overtuigen of hij zijn vijand zal nedervellen; wan-
169 
34
neer hij uit de onzekerheid wil geraken, of zijne rifst
J^Ud et f °' ""'' °' '''' ^'^^^ -^ overlijdiro herstellen, of zyne verdenking, dat N. N. de d.Vf is
van zyne weggeraakte goederen, al dan niet juist is
dan komt het pakje met de maïspitten om te w chekn
te voorschy.. De Torano (een stam) wichelen zelf me"
Meer (van Posso) gaan, om te zien of zij eene voordeehge
vangst zullen hebben '.
De Toradjastammen passen verschillende wijzen van
w^hela: toe, o. a. de volgende: verscheidene i^maïs
eCmarr^r' Z ''l '''' •"• '^^ ^-^°^-^ P^lt ut
ITCttJ '" ''° ^^^"'^ ^"«^^^^"^ 40 a so korrels,
tot tfen ^ r °^'' " "^'^ ^° ^^^^'^^ ^-^ ^^"^° -^-^- een
leLe S M r"?'^' ^ P^'*"^ opnemende en ter zijde
leggende. Met die 40 korrels bemoeit hij zich verder
niet, maar wel met de overgeblevenen. iLien er één
IS overgebleven, is dit een zeker bewijs, dat hii IZ
gestolen eigendom zal terugkrijgen; dilz'elfdl tlgg L
ook 3 en 4 korrels. Maar wanneer hij 2, 5, 8 of o
overhoudt na aftrek der 40, zal hij het gestolene in
geen geval weerzien. Het getal 46 ig t hem: ^ij Lï ï
uw gestol goed terugkrijgen, maar'eerst na iLre n
tyd terwyl 47 geen uitsluitsel geeft in deze zaak
Een tweede wijze van wichelen is die met touwtjes
een derde met twee helften van kokosnoten, om té
en Tortdia^'f T v"^"^ r' '' "'^^' ^^^ ^^^^ P- een Toradja toe, als hy wil weten, of een sagoboom
vat. Hy hakt zich dan een bombaststengel juist zoo
o"e'oÏ Tr'"'-"' "; '''''''' sP-ekthijlezeist ngel
^ e , op gelyke wyze als bij het wichelen met maïspittfn
Vervolgens meet hij weer met zijn vadem. Is de steng^el ets
Als vijfde wichelary moge dienen, dat een Toradip
IZr: ^' T r ' P^^^^ ^" ^^" sckoongemaakHet'
eerst 7 korrels plant. Komen alle korrels op, dan zai
170 
35
de oogst voorspoedig gelukken. Hoe minder plantjes
van de 7 opkomen, hoe minder hij mag hopen op een
voordeeligen oogst.
Wat de heer KRUYT over het wichelen bij een sneltocht
vertelt, geeft een aardigen kijk op den invloed
daarvan op de praktijk van het leven. Eene goede
dag van vertrek op een sneltocht wordt bepaald uit de
ingewanden van een geslachte kip, hetgeen, zoo de
teekens aanvankelijk ongunstig zijn, viermaal herhaald
mag worden. Dan moet spoedig aan de goden geofferd
worden en wat er dan ook gebeure, men dient dan
dadelijk op weg te gaan, anders worden de goden boos.
„Bij iedere snellerstroep is als leider de tadulako (soms
zelfs een slaaf), wiens voornaamste verdienste daarin
bestaat, dat hij het voorspellende geschreeuw der vogels
weet te onderscheiden en aangezien het voortgaan en
ophouden der uitgetrokken strijders geheel afhankelijk
is van het geschreeuw dier vogels, is de tadulako het,
die den tocht regelt". „Vooral de geluiden, welke door
de poa (uil), de tengko (een soort specht) en het
spookdier (nggassi) worden voortgebracht, zijn van beteekenis.
Hoort men hunne geluiden achter den troep,
dan is dit een slecht voorteeken en dan moet de troep
halt maken. Hoort men ze voor zich uit, dan kan de
troep gerust voortgaan". „Een afstand van 3—4 dagen
loopens vereischt soms een maand, want indien de
tadulako op grond van het waargenomen vogelgeschreeuw
gelast dien dag niet verder te gaan, zal geen van den
troep een voet meer durven verzetten . .. "
„Wanneer de uitgetrokken strijders maanden lang
wegblijven, zonder dat men iets van hen verneemt dan
wordt wel eens een kundige priesteres geroepen, om
hen in den geest te volgen. Wanneer deze vrouw in
den toestand, waarin zij zich zelve niet meer is, lacht,
zoo is dit een bewijs, dat de koppesnellers nog gezond
zijn. Weent zij echter in dien toestand, zoo is hun eerï
ongeluk overkomen".
171 
36
P'-iesteresse n e n Priester s
heetttetrhttchTnr T '^° ^"^^^^ Archipel
voor het bewerken ene? "^T"" -^^ «^'-tuiging, dat
cier geesten of deTgoae" SS^T^'M" ' ' " ^^^^^°'
ware talenten bezitten TnHr-> ^ P^''^"^" ^^
vallen van ^ee ^ h ? ^'^'^^^ voorkomende gemenschen
zeff ïeof^id'^^ ' ^K"^^' ' "°^^ ' '^«^ de
wei de stemml f f . ' ''" ' bezwering verricht, ook
bijv. nag gTa" lood ra herr"''^ ° uit voorteekens
landboulb'e.werin'/LuLt^^^^ "°^'^' ^'>- ^^
m een stam of In e ^ ?amr/T°ï°''^'"^^^^"^^
voorteekens voor eene Ln ^ ^^' " ^ ' °'^''° ^"^
bü .iekte van eenTers'oon ^f " " °' " " ^^^'*°^^^'
afleggen van den ro'w voor een T f'" ' ''^ '^ '
maakt men van de tuZh.T afgestorvene, dan
priesters gebrul '"^^^'^^"^omst van priesteressen of
en Priesters'aeht die h"^ u" ««^ ^^ P"esteressen
een^goeden |:::tnetntttrr e ^ethts"^^ -
persoon verbonden en bezielt htm K' l ^ ° ^^"^
der ceremoniën of verkeert d l ^^' ^ ^^' verrichten
het priesterambt J r ' " "^^ nabijheid. Om
ook fonge ^etche n ^T/" "f"^-- ' «moeten dan
gebricht' .o r en :: t doo' l o T"'' " '"^ ^^^'^"^^^
onder dikwijls ^èhe^L; ^'^^"^ P"^'*^''« (-^^^-^en)
Een cursul n de pTes ^r X
een gewichtige rol OoÏ t "^^^"f^^^P ^peelt daarbij
wordt, denkt men d.^ V ^'''^^ «en priester ziek
onder;indt La™ on he ' '' ° 5 ° «chutsgeest hulp
door het brengen U^rr^''^"^^^^^ ^
"icugcn van offers die g-ee'it r^ ha.,^«jSommige
priesteressen beweren ook wel met v't^'^ '
lende geesten in andere verbinding tes'taTn met t
voor lederen stam waar v» f^f i, i T ' ^^^ ^en Ook leugen eenTg. goede 'e st?»""'""'"^""^P'" -
s gucae geesten aan een zelfde per-
172 
37
soon een aantal talenten verkenen, bijv. voor priesteres
en tatoueerdster (Dajaks).
Dikwijls onderscheiden zich deze personen in het
dagelijksch leven door niets bijzonders; in andere gevallen
kiest men daarvoor hen uit, die een prikkelbaar
gestel hebben en daardoor licht in somnambulistische
toestanden te brcDgen zijn. Dit hangt daarmede samen,
dat het bezield worden door den schutsgeest gedurende
de werkzaamheden onder vele stammen (o. a, Bataks,
Toradja's, Baliërs) met ware of nagebootste abnormale
zenuwtoestanden gepaard gaat. De verschijnselen, die
met dezen dienst der hoogere wezens gepaard gaan,
worden wel onder den naam van sjamanism e samen
gevat. Met sjaman worden de priesters der Mongolen
in Midden-Azië genoemd, onder welken extatische toestanden
veel voorkomen.
Een karakteristiek beeld van deze soort plechtigheden
geeft ons het feest, vroeger bij het begin van de troeboekvisscherij
aan de Oostkust van Sumatra. Voor de uitvaart
der schepen naar de open zee wordt dan met
grooten luister een bezweringsfeest gevierd, dat dient
om den Djangi, den koning der troeboeks, gunstig voor
de vangst te stemmen. De hoofdpersoon is de Djingdjang
Radja, een gewone vrouw uit het volk, ia wier geslacht
deze waardigheid erfelijk is. Gedurende de plechtigheid
wordt zij als een hooger wezen (als bezield) beschouwd,
omdat men haar de macht toekent, om den wil van
den Djangi mede te deelen en tevens om dien geest
gunstig voor de vangst te stemmen of zijn toorn te
bezweren. Nadat de Djingdjang Radja, vorstelijk gekleed,
in plechtigen optocht naar een rijk versierde pendoppo
is geleid, wordt zij door bedwelmende dampen in een
soort van geestvervoering gebïacht, waarin zij allerlei
geluiden uitstoot, die door een andere priesteres uitgelegd
worden als bepaling van het tijdstip, dat het
gunstigst voor de vaart der visschers is. Daarop doet
men haar in een staatsievaartuig plaats nemen, dat
173 
38
borreling van het w. ^ • ^^"^ ^'g^naardige opdoet
blifke r ^'"'^ '"'^ ^^"^ g^""«tige stemming
j^'X':z.^::z^^:r,^^ -e.oen. op
n^annen als zoodanig op reden 7 ^ '^"^''J'^' °° ^
des te meer vertrouwd '^Iaa':te--"°'f " S^-'oonlijk
hulp wordt .oowel bij .Xa^^ ^ Z TV'""' ""'''
roepen en bovendien houden lii zich K"^' " '°^ "
bezorgen van diimaf'.: hJf l^ "^ ^ ^ ^^^'ë^ «"et het
aanwilen van t^^^diget ^ S S Z TT ' ' "
pad, pengantèn (rijstmoeder) en andt e 1 '°'^' ^ ^' "
den rijstoogst. Vaak tr.^l ceremoniën bij
offerfeLtenf maar van ah " ' ?P ''^ voorgangers bi
bil dit alles' in 't X l ^Xt.r""^^^^^'^^- ^^
i n ^ w::^n 1 IJ ^ ?^- r -de n daarin
geesten- en godenwereld/'^ '''^ ^"^^^'^^^ '"^t de
heden bezighouder z fn 'H ^°^«^^^°«tige plechtigvan
de daafop betrkkeHlk P''"'^"^" ' " ^^* ^ezlt
van belang is het dtt !^? wetenschap van hunstam;
Niet alleen toch dn. ^ °°. ^" g«"e«skundigen zijn
^weringen dil voor d " " ' ^""' ' ' ^ ^« °«"-' ^^ beveroorzUe^'LTen
tfdTSct r ^ie'^^^^ ^^^^^^^
het aanwenden van kruiden f ^ ''' ™^^'" °°k
of we, ph,..chetr;.°jr„ "aris^r;""^'"
koppenzetten enz. is hun vak ""J'^" . spuwen,
we^zarh"t ^Xr " e "'?''"'r^-^^ P"-'-''i''=
onder welke de loelL^° ' "j" - "=5 "e Bataks,
iPe wetenschap, " f herdo'" ' ' " f °'«^= ""'""'
nagaan der voo teekan; het K " T ''=^»'="">ï'=». ^^t
dagen enz. den dalu toe;alt l , Pf'r ""° ^='•"''''8=
ve.ch,n,e.en tr^r-r^^hT^rt^ ^
Ï74 
39
sterfgevallen. Ook bij andere volken, zooals bij de
Balineezen, vindt men deze verdeeling van arbeid.
Eene bijzondere kleedij is den priesters en priesteressen
veelal niet eigen en zelfs dragen zij bij hunne werkzaamheden
dikwijls slechts een bijzonderen armband of
ander versiersel; de basirs en blians in de ZuiderAfdeeling
van Borneo en de bassioe's van Zuid-Celebes
ouderscheiden zich daarentegen wel door een eigen
gewaad, dat met dat der vrouwelijke veel overeenkomt.
Wanneer men in aanmerking neemt, dat het optreden
dezer menschen bij godsdienstige ceremoniën plaats
heeft onder begeleiding van muziek in eenigerlei vorm,
die dient om de opmerkzaamheid der geesten en goden
te wekken, en zij deze trachten tot zich te lokken
o. a. door de onder Indische volken zoo geliefde zangen,
waarin de overleveringen van den stam, de daden van
groote helden of wel de lotgevallen van zielen en geesten
worden voorgedragen, terwijl het uitvoeren van dansen
en allerlei bewegingen tot het afweren van booze
geesten onafscheidelijk daarmede verbonden is, dan
komt iets tooneelmatigs aan dat alles zeker toe. Sedert
het gebleken is, dat het op Java o, a. zoo hoog staand
tooneel (wajang) en het orkest (gamalan) zich daar zelf
ontwikkeld hebben, is men dan ook tot het besluit
gekomen, dat deze wijze van optreden der priesters,
daartoe de grond moet hebben gelegd.
In de meeste inlandsche samenlevingen vormen de
priesters geen samenhangend lichaam, maar zijn bet
op zichzelf staande vrouwelijke of mannelijke personen,
welke deze functie vervullen. Hun aanzien berust dan
op het meer of minder succes bij hun optreden en
wordt door hoogeren ouderdom, waarmede uitgebreider
kennis der priesterlijke wetenschap veelal gepaard gaat,
sterk gesteund. Toch komt het voor, dat zij een meer
of minder samenhangend geheel vormen, zooals de
bissoe's der Boegineezen, aan wier hoofd in de onderscheiden
plaatsen een poewa-matowa staat, die evenals
275 
40
de oudste priesteressen of nri^f.rc M
de vorsten en bij feesten t.n t f ^^"^^^ ^°°^^^ ^Ü"
werkzaam zijn. ^ *"° ''^^^ ^^° ^^et algemeen
voiksgeblTTefsclilT uiT^deiT T J' " '^ ' --'««-tisch
de welvaart in de samenlev," 'waart;.^^^- - ^^^'^
algemeen is vrijwel de re^el dat W K ? """'" • ^'^^'
en geld in hooge -at e vt e 'ttt^ f "^ ^^^^^^^^
bezweringen afhankelijk is §^ewicht der verrichte
stemd, het overige blijft als tn^,''^' " T ' ^"° b^"
voor de hoogere wezen Lh ^ ^"'^ '^'^"^^^ ^«^^en
van de oflers^alt deTofferaa's t"'".'^^^°^^^'J ^
;n groot gezelschap pWen Je L^^' ' '''^^'''' ^
Indië zoo talrijke offe male. ^^"'''' "'^^"^^ ^^ ^-
Offers
van o'ö.;stdrhï oT' '^^•? ' ^^^ ^^^ ^-^-n
den Indischen ArcL-pef ^^^'^^^y^^'-^-tal volken ^an
groote veelvorm^heirdat hlf "V''"^^*^* ^"^^ ^^"-
de.e hier ook mL^ b^ktop^te" clr'^^'^lï ^^" ^^^"'
'k m 't kort een denkbeeld' rl hi ' e" - ""'"" ^ ^^^
geen zich voordoet bif hV 7 ^^''^'^ ^^° ^etafgestorvenen.
Dk is ook H "' " ^^ ^'^^^^ ^^"
twee der vreeselLte dwaHn'''""'/'"^'^^^^^'^' ""^^at
godsdienstig gebierdLror efuTten let'^'^"^""^ '' offer en het knnr.« i^ berusten, het menschen -
samen. ^ ^'^ "^^ aD.mistische voorstellingen
lijden een .iel Je t ! Tu",'"^' "' ' " het overopgenomen,
maar Melft not ''* '"f " ^^"^ ' "-d '
-or .e ^^^^^J':::'-'^::z::t::.^t
176 
41
waarbij alles geofferd wordt, wat de ziel in het hiernamaals
sal bezitten en gebruiken. De geestelijken begeleiden
hierbij de ziel naar den hemel of maken haar
het afleggen van den weg daarheen gemakkelijk. Zoowel
vóór het doodenfeest als gedurende haar tijdelijk
verblijf op aarde in lateren tijd worden haar dagelijks
ofïers ia den vorm van het aanbieden van voedsel gebracht.

Heeft een overledene een aanzienlijke plaats in de
samenleving ingenomen, een hoofd bijv., dan gevoelt
hij in het hiernamaals wel in de eerste plaats behoefte
aan bediening. Bij de begrafenis van zulke personen
was het dan ook regel (vóór de bevestiging van het
Nederlandsch gezag), dat eenige slaven geslacht werden,
opdat zij den doode naar het schimmenrijk volgen en
hem daar dienen zouden. Dikwijls is ook het zoogenaamde
koppesnellen een vorm van deze doodenofters
ea bestaat de voorstelling, dat de zielen van hen, wier
schedels men buitgemaakt heeft, aan den afgestorvene
in zijn toekomstigen staat ondergeschikt zullen zijn.
Het offeren van slaven vinden wij op Borneo bij de
Olo-Ngadjoe Dajaks en Ot-Danoem's in de ZuiderAfdeeling,
bij de Bahau-Dajaks van den Boven-Mahakam
en den Boven-Kapoewas, zelfs onder de Maleiers van
den Boven-Barito; verder deden dit de Minahassers, de
Timoreezen, de Bataks op Sumatra en Nias. Men
plaatst de schedels der gedooden op het graf van den
overledene. Het koppesnellen op dien grond is even
verbreid.
Mogelijk is het, dat ook de weduwenverbranding, die
wij op Java, Bali, Soembawa en Malaka kennen en
waarschijnlijk van de Hindoe's is overgenomen, ook op
deze opvattingen berust.
Behalve menschen worden bij de begrafenissen ook
dieren en allerlei zaken voor het gebruik van den doode
geofferd. Daar alleen de ziel van het geofferde den
overledene ten goede komt, bestaat er geen bezwaar,
177
•>-««is«K.>''^^^Ëi;L...«.>*— -,..^i,-^'&i^'>m>L..^, „__ 
42
dat het stoflijke van het ofïe. door den mensch genuttigd
wordt. ^
^.f27^1 "'Tf '''• ^'°^^^^^ ^'^'^^ '^ -«^keie
toch de n J ^''^ ' ' " ^' ' ^'^^ ^^^^^d -°^dt, eten
toch de offeraars het meestal op en hieruit zijn ^el de
luisternjke begrafenismalen voortgekomen, die ken!
TrZT/ T ^'^" "^^ begrafenissen van zoovele onbeschaafde
volken en ook nog onder ons bestaan.
Dezelfde beschouwing moet het ook geweest zijn
die sommige stammen er toe gebracht heeft, de voor-'
werpen, voor den doode bestemd, noch met het lijk te
begraven, noch te vernietigen, zooals ook dikwijls -gebeurt,
doch ze eenvoudig ten toon te stellen en daarla
voor verder gebruik weer weg te halen hetgeen men
n^..!.? rTÜ "T. ^"'''"'•'^ ^y ^ff^" ^^" landbouw.
stchtstfle'.?;- ' "'"'" ' ''^^ ^'''' °^^^^ "^ - - -
slechts afbeeldmgen van voorwerpen. Groote begrafenisSol'l.
™;° "'° ^' Olo-Ngadjoe's, Rotineezen,
boembaneezen, Timoreezen en Bataks, waarvoor hoofdenfamilien
soms tien- en honderdtallen paarden en runderen
op Nias ook varkens bijeenbrachten.
Als een voorbeeld van het offeren van voorwerpen
moge dienen het gebruik op het eiland Loewang, waar
schotels, potten en pannen op het graf worden stukgeslagen
en zelfs vruchtboomen worden omgehakt, om
in den hemel den overledene toe te behooren.
Ook bij de Javanen moet het houden van doodenmalea
van oudsher gebruik zijn geweest en wel op
vaste dagen na den dood, zooals elders, bijv. op Roti
ook Onder den invloed van den Islam hebben die
doodenmalen echter niet meer het karakter van offers
aan-, maar voor de dooden, opdat hunne zielen rust
vinden en bij God in genade worden aangenomen.
<Jok by de Menangkabausche Maleiërs en bij Makassaren
en Boegineezen, alle ernstige aanhaogers van den
islam, vmdt men deze doodenmalen op vaste dagen
na het overlijden.
178 
43
Overzien wij het geheel der verschijnselen, die zich
op animistisch gebied in den Nederlandsch Indischen
Archipel voordoen, dan dringt zich het groote belang
van deze geloofsvormen voor de betrokken bevolking
zelve en voor hare oeconomische verheffing als vanzelf
aan ons op. De massa der primitieve inlanders denkt
daarvan den steun te ontvangen, dien zij in hun zwaren
strijd om het bestaan zoo noodig hebben; in de werkelijkheid
zijn deze gewrochten hunner verbeelding een
zwaar beletsel tegen zelfstandigen vooruitgang, die
slechts verkregen kan worden door een volk, dat zich
met volle kracht toelegt op het doorgronden van het
milieu, waarin het leeft.
Hoe krachtig het daarin echter door de overheersching
van een beschaafd volk kan geholpen worden, dat getuigt
de betrekkelijk hooge ontwikkeling der door het
Hindoeïsme en den Is]am aan dien ban gedeeltelijk
ontrukte Javanen en der door deze weer beschaafder
geworden bewoners van Bali en van de kusten der
eilanden Celebes en Borneo naast een groot deel van
Sumatra. Zeker is het de rol der Europeanen, en meer
bepaaldelijk der Nederlanders, om de Indische volken
de wegen te effenen, waarlangs zij door hoogere ontwikkeling
aan de omklemming der op onkunde berustende
geloofsstelsels kunnen ontkomen.
Hoe gewenscht dit ook moge blijken, toch kunnen wij
niet ontkomen aan de erkenning van de groote leidende
kracht, die van het animistisch geloof in bijna alle
onderdeelen eener lager ontwikkelde samenleving uitgaat.
Hierdoor bezitten ook deze geloofsstelsels eene ethische
strekking en bevorderen zij in hooge mate de instandhouding
en toepassing der zedelijkheidsbegrippen in zulk
eene omgeving van lagere beschaving. Dat deze begrippen
dikwijls zeer van de onze verschillen en overeenkomstig
hun oorsprong veel lager staan, dit verandert weinig
aan het feit, dat ook hier het geloof zich den drager toont
van het zedelijkheidsbegrip der betrokken samenleving.
179 
''4
Niet minder gewichtig rnocten wij het achten, dat
ook hier reeds dat geloof 'oij het streven van den nog
zooveel zwakkeren mensch voor hem zulk een belang''-
njken steun in den levensstrijd vormt, wel grooteadeets
door de opoewekle angst voor het overtrtdeu der geboden
van de den adat handhavende goden, maar
toch o?,k door de hoop op belooning zoowel in den
hemel als door voorspoed hi r op aarde levendig te houden.
Als voorbeelden vatj vergelding van het goede in bet
hiernamaals moge dienen, dat bij de Bahau-Dajaks alleen
7ij in den hemel kom^n, die als goede menschen o-ewoon
steiven, verder mag alleen 'een vrouw, die zkh
jeheel aa:) het uiterst pijnlijke er. kostbare van eene
volledige tatoueerin.., naa* stamgev/oonte heeft onderworpen
m de hemelrivier Telang Djoelan, waariti kostb-re
oude kralen de kiezels uitmaken, zich baden, terwijl de
minder getatoueerden bij of -elfs op den oever moeten
blijven. 'an de Toradja's verhaalt Ur. ADRIANI, dat alleen
die zielen der- moeilijk, n weg naar den hemel kunnen
ritleggei, die aan gewichtige eischen hunner maatschappij
voldaan he -ben. te weten gehuwd zijn geweest en kinderen
hebben gekregen en. verder tot de dapperen
hebben behoord.
Het animistisch geloof vatj den nog weixiig ontwikbeiden
roensch geeft ons dus eenerzijds het beeld te
aanscho-Jw>--n van een wijsgeerig stelsel, waarbij hij in
ztjn dngelijksch leven in hooge mate steun meent te
kunhen vipoeo un at drarom ooV voor hem ss de
handh ver van de o' ergeleverde gewoonten en de toetssf-ten
van de zedelijkhoidsbegrippen in zijne maatschappij,
ma-.r andererzijds omgeefc het hem als een eng kleed,
dal de vrije ontplooii.ig van zijn geestelijk en lichamelijk
kunnen op verderfelijke w'jze aa» band'en legt en hem
gevoerd heeft tot vreesclijke en wreede dwalingen, die
dikwijls, zooa^s in den Indischen Archipel, overicreus
aan zijn eerder gevo%^lfg kajakier vreemd zijn.
i8o 
EUWE BROCHyRË!
Han s Vailiinge r e n de Als-o<-Philosophie, door Dr.
H. W. VAN DER VAART SMIT. f 0.75
Herman n Cohen en de Marbnrgseh© School, door Dr.
H. W. VAN DER VAART SMIT. f 0.60
Kor t Overzicht Tan de Metaphysische Stelsels. Ui t
Wetenschappelij k e n G o d s d i e nsti g Oogpunt ,
door D. BURGER (Leeraar in de Natuurkunde aan een Lyceum
te Amsterdam). f 0.60
D e Psycho-Analys e e n de Godsdienst, door J. OLTEN.
f 0.60
D e Philosophi c ee n Kem voor de Wetenschap, door
Dr. C. VAN DIJK. f 0.60
D e Psychologisch© Beteekenis de r Kicfetingsverschillen,
door Prof. Dr. J. LINDEBOOM. f O.60
D e P|jn . Ee n Psycho-Physiologisch e Studie , door
Dr. SEMI MEYER. f 0.60
D e Christelyk e Literatuur en he t Ethisch Beginsel,
door J. PETRI. f 0.60
Mystiek, door Prof. Dr. G. VAN DER LEEUW. f 0.60
H e t Tolkstooneel, door H. G. CANNEGIETER. f 0.60
Vragen aangaande Christns
door QUSTA F AULÉ N (Hoogleeraar te Lund)
Geautoriseerde vertaling uit het Zweedsch
f 1.90 ingenaaid — f 2.50 gebonden me t goudstempel
INHOUD: Godsgeloof ea Christusgeloof. — Openbaring en
Christus. — Christus' Levenswerk. ~ De Persoon van Christus.
Dr. M, VAN RHIJN In het Weekbla d voor Christendo m en
Cultuur : „Ik heb het helder geschreven boek van Aulén met genoegen
gelezen en zou het vooral aan jongeren willen aanraden. Het brengt midden
in de groote vragen van het Evangelie. De vertaling is vlot... Wij zijn met
dergelijke zeer bruikbare Zweedsche boeken hier te lande weinig bekend. Vertalen
heeft hier zin. Zou er nog niet wat meer op dit gebied te vinden zijn?"
UITGAVEN DER HOLLAND! A-DRUKKERIJ TE RAARN 
Bij de Hollandia-Drukkerij te Baarn is onlangs verschenen:
Graaf HERMANN KEYSERUNQ
-HET BEISDAOBOEEVAN
EEN PHILOSOOF
GEAUTORISEERDE NEDERLANDSCHE VERTALING
VAN J. L. PIER SON
MET EEN PORTRET VAN DEN SCHRIJVER
Twee deelen (980 blz.) — f 10.— ing.; f 13.— geb.
Mr. P. H. RiTTER JR.: „Een van de merkwaardigste geschriften der
moderne Europeesche letterkunde ... "
Dr. W. J. AALDERS in Stemme n de s Tij ds: „Hij reist om zich
zelf — d. i, het kleine persoonlijke ik — te ontvluchten en tegelijk
zich in grooter, bovenpersoonlijken samenhang terug te vinden.
„Men begrijpt onmiddellijk, dat wie zóó reist iets méér doet dan zijn
Baedeker volgen, en dat zijn Reisdagboek van belang moet zijn.
„Dit boek is buitengewoon rijk van inhoud. Over hoeveel handelt
het: over wijsgeerige, religieuze, ethische, esthetische onderwerpen. Over
vragen van racialen, economischen en politieken aard. Ook dieren,
planten en menschen ontgaan niet aan de aandacht van dezen reiziger.
Wat is de wereld toch rijk en groot, als men haar slechts vermag te
zien. — Deze cultuur-philosoof is kunstenaar. Hij weet te verbinden,
beweeglijk te maken, leven in te blazen..."
Dr, K. F. PROOST in De Hervorming : „De schrijver omvat de
wereld in zijn blik, vergelijkt, weegt, doorvorscht, merkt op, maar altijd
treft de blik dien hij diep in de dingen werpt. En gij kunt studeeren
in vreemde godsdiensten, in handboeken of andere, maar vele waarin
gij zoo levend, zoo diep en tegelijk zoo pvactisch in de problemen wordt
ingeleid, zult ge niet vinden. .
„ .. , overal opent Keyserling vergezichten, bekijkt hij de dingen van
een kant, waaraan ge nog niet gedacht hadt. Hij dwingt tot verdieping,
hernieuwde verdieping in tal van levensvraagstukken...
„Terecht spreekt de vertaler van den magnetischen invloed dien men
bij lezing zal ondergaan. Want zeer stellig gaat deze van dit boek uit".
Dr. J, D. BlERENS DE HAAN in Onz e Eeuw, schreef, na de vraag
gesteld te hebben, of een vertaling van dit boek wel noodig was, o. m.
het volgende: „Bij de lezing van het Hollandsche boek werd ik al
meer voor de vertaling gewonnen. Inderdaad: dit belangrijk e
boe k neem t i n aantrekkelijkhei d doo r zijn vertalin g
toe . Het is voor den vertaler een behoefte geweest om het werk, dat
hem lief was, zoo dicht mogelijk in zijn eigen gedachteleven te betrekken,
en dit was slechts mogelijk door in eigen taal over te denken wat
Keyserling in de zijne had uitgesproken. Wanneer ik het boek in
Duitsch origineel en in Nederlandsche overzetting vóór mij heb, kie s
ik onwillekeuri g de laatste , niet om een grooter begrijpelijkheid
die het boek daardoor heeft, maar door een meerdere intimiteit.,,"